Language of document : ECLI:EU:T:2021:851

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer)

1 december 2021 (*)

„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniebeeldmerk Steirisches Kürbiskernöl g. g. A GESCHÜTZTE GEOGRAFISCHE ANGABE – Absolute weigeringsgrond – Merk dat badges, emblemen of wapenschilden omvat – Embleem van een van de werkterreinen van de Unie – Beschermde geografische aanduidingen – Artikel 7, lid 1, onder i), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder i), van verordening (EU) 2017/1001]”

In zaak T‑700/20,

Gabriele Schmid, wonende te Halbenrain (Oostenrijk), vertegenwoordigd door A. Ginzburg, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Hanf en M. Eberl als gemachtigden,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Landeskammer für Land- und Forstwirtschaft in Steiermark, gevestigd te Graz (Oostenrijk), vertegenwoordigd door I. Hödl, advocaat,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 23 september 2020 (zaak R 2186/2019‑4) inzake een nietigheidsprocedure tussen de Landeskammer für Land- und Forstwirtschaft in Steiermark en Schmid,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, K. Kowalik-Bańczyk en D. Petrlík (rapporteur), rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien het op 24 november 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 25 januari 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gezien de op 1 februari 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,

na de terechtzitting op 8 september 2021,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 8 juli 2011 heeft verzoekster, Gabriele Schmid, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

2        De merkaanvraag betreft het volgende beeldteken:

Image not found

3        De waar waarvoor de inschrijving werd aangevraagd, behoort tot klasse 29 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Deze waar is omschreven als volgt: „Pompoenzaadolie, overeenkomstig de beschermde geografische benaming ‚Steirisches Kürbiskernöl’ (Stiermarkse pompoenzaadolie)”.

4        De merkaanvraag is in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 2011/207 van 2 november 2011 gepubliceerd. Dit merk is op 9 februari 2012 onder nummer 010108454 ingeschreven.

5        Op 1 maart 2018 heeft interveniënte, de Landeskammer für Land- und Forstwirtschaft in Steiermark (kamer voor land- en bosbouw van de deelstaat Stiermarken, Oostenrijk), een vordering tot nietigverklaring van dit merk ingesteld. De door interveniënte daartoe aangevoerde gronden zijn die van artikel 59, lid 1, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder h) tot en met j), van deze verordening.

6        Met betrekking tot de nietigheidsgrond van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 59, lid 1, van deze verordening, heeft interveniënte het symbool van de Europese Unie voor „beschermde geografische aanduidingen” in de Duitse versie (hierna: „BGA-symbool”) aangevoerd, waarop verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2012, L 343, blz. 1) betrekking heeft en die er als volgt uitziet:

Image not found

7        Bij beslissing van 26 juli 2019 heeft de nietigheidsafdeling het litigieuze merk nietig verklaard.

8        Op 26 september 2019 heeft verzoekster krachtens de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

9        Bij beslissing van 23 september 2020 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de vierde kamer van beroep van het EUIPO het beroep verworpen op grond dat het litigieuze merk was ingeschreven in strijd met artikel 7, lid 1, onder i), van verordening 2017/1001 en dat het overeenkomstig artikel 59, lid 1, van deze verordening nietig moest worden verklaard.

 Conclusies van partijen

10      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten.

11      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

12      Interveniënte verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        voor het geval dat de vordering van verzoekster zou worden toegewezen, de zaak terug te verwijzen naar het EUIPO;

–        verzoekster te verwijzen in interveniëntes kosten van de procedure bij het EUIPO en bij het Gerecht.

 In rechte

13      Gelet op de datum waarop de betrokken merkaanvraag is ingediend, namelijk 8 juli 2011, welke datum beslissend is ter vaststelling van het toepasselijke materiële recht, gelden voor de feiten van de onderhavige zaak de materiële bepalingen van verordening nr. 207/2009 (zie in die zin beschikking van 5 oktober 2004, Alcon/BHIM, C‑192/03 P, EU:C:2004:587, punten 39 en 40, en arrest van 23 april 2020, Gugler France/Gugler en EUIPO, C‑736/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:308, punt 3 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

14      Wat de materiële regels betreft, moeten de verwijzingen die de kamer van beroep in de bestreden beslissing en partijen hebben gedaan naar artikel 7, lid 1, onder i), en artikel 59, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001, derhalve worden gelezen als verwijzingen naar artikel 7, lid 1, onder i), en artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, aangezien deze twee bepalingen dezelfde inhoud hebben als die van verordening 2017/1001 waarnaar werd verwezen.

15      In de punten 20 tot en met 23 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 van toepassing was op emblemen die slechts naar een van de werkterreinen van de Unie verwijzen, zelfs indien het embleem dat verband houdt met een dergelijk werkterrein slechts bepaalde lidstaten betreft. In de punten 24 tot en met 26 van deze beslissing heeft zij ten eerste geoordeeld dat de Unie met de vaststelling van verordening nr. 1151/2012 haar exclusieve bevoegdheid tot bescherming van beschermde geografische aanduidingen had uitgeoefend en dat het BGA-symbool dus van bijzonder openbaar belang in de zin van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 was. Ten tweede heeft zij opgemerkt dat dit symbool volledig deel uitmaakt van het teken van het litigieuze merk en dat noch het recht noch de verplichting om dit symbool te gebruiken het recht omvat om het als bestanddeel van een merk te beschermen. De kamer van beroep heeft in punt 27 van die beslissing daaruit afgeleid dat het litigieuze merk in strijd met deze bepaling was ingeschreven en dat dit merk derhalve nietig moest worden verklaard.

16      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, te weten schending door de kamer van beroep van artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder i), van deze verordening.

17      Zij voert aan dat artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 zich slechts tegen de inschrijving van een merk verzet wanneer dit een symbool van een internationale intergouvernementele organisatie bevat dat het publiek kan misleiden inzake het verband tussen de houder of de gebruiker van dit merk enerzijds en de autoriteit waarnaar dat symbool verwijst anderzijds. Deze voorwaarde is in casu evenwel niet vervuld. Hoe dan ook is de bestreden beslissing op dit punt niet gemotiveerd.

18      Het EUIPO is van mening dat verzoeksters argumenten moeten worden afgewezen. Ten eerste was het BGA-symbool reeds vastgesteld door de relevante Unieregeling op de datum waarop om inschrijving van het litigieuze merk werd verzocht. Ten tweede komt verzoekster niet op tegen de kwalificatie van het BGA-symbool als embleem van bijzonder openbaar belang. Ten derde zou de toekenning van merkenrechtelijke bescherming aan een Uniesymbool zoals het BGA-symbool in strijd zijn met het door de Unie ingevoerde stelsel van bescherming van aanduidingen van geografische herkomst en zou het de goede werking ervan kunnen ondermijnen.

19      Interveniënte is van mening dat het „BGA-symbool” van bijzonder openbaar belang is en niet kan worden opgenomen in een Uniemerk, aangezien dit niet is toegestaan door de bevoegde autoriteit, te weten de Europese Commissie. Zij voert tevens aan dat dit symbool het litigieuze merk domineert, dat de consument dit symbool niet opvat als een symbool dat overeenstemt met een door de Unie verleend kwaliteitslabel en dat het publiek een verband zal leggen tussen dit merk en de Unie, gelet op het feit dat dit merkrecht door het EUIPO werd verleend.

20      Artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 verbiedt de inschrijving van merken die andere badges, emblemen of wapenschilden omvatten dan die bedoeld in artikel 7, lid 1, onder h), van deze verordening [thans artikel 7, lid 1, onder h), van verordening 2017/1001], dat wil zeggen andere dan die van staten of internationale intergouvernementele organisaties die naar behoren zijn meegedeeld aan de staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en gewijzigd op 28 september 1979 (Recueil des Traités des Nations Unies, deel 828, nr. 11851, blz. 305; hierna: „Verdrag van Parijs”).

21      Volgens de bewoordingen van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 is het in deze bepaling neergelegde verbod van toepassing wanneer, ten eerste, de badge, het embleem of het wapenschild in kwestie van bijzonder openbaar belang is en, ten tweede, de bevoegde autoriteit deze inschrijving niet heeft toegestaan.

22      Bovendien volgt uit de rechtspraak dat er naast deze voorwaarden nog een derde voorwaarde bestaat, waarbij al deze voorwaarden cumulatief zijn. De derde voorwaarde vloeit voort uit een gezamenlijke lezing van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 en artikel 7, lid 1, onder h), van deze verordening.

23      Volgens deze laatste bepaling worden emblemen van internationale intergouvernementele organisaties die naar behoren zijn meegedeeld aan de staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs, slechts beschermd wanneer het merk, dat een dergelijk embleem bevat, in zijn geheel beschouwd bij het publiek de indruk wekt dat er een verband bestaat tussen de houder of de gebruiker van dit merk enerzijds en de internationale intergouvernementele organisatie in kwestie anderzijds. Deze voorwaarde vloeit rechtstreeks voort uit artikel 6 ter, lid 1, onder c), van het Verdrag van Parijs [zie in die zin arrest van 10 juli 2013, Kreyenberg/BHIM – Commissie (MEMBER OF €e euro experts), T‑3/12, EU:T:2013:364, punt 38].

24      Indien de door artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 geboden bescherming ook zou gelden ingeval laatstgenoemde voorwaarde niet is vervuld, zou zij omvangrijker zijn dan die welke artikel 7, lid 1, onder h), van deze verordening verleent aan emblemen van internationale organisaties die naar behoren zijn meegedeeld aan de staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs (arrest van 10 juli 2013, MEMBER OF €e euro experts, T‑3/12, EU:T:2013:364, punt 38).

25      Niets wijst er echter op dat de Uniewetgever een hoger niveau van bescherming heeft willen toekennen aan de in artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 bedoelde badges, emblemen en wapenschilden dan aan die waarvan sprake is in artikel 7, lid 1, onder h), van deze verordening, zodat de door eerstgenoemde bepaling verleende bescherming niet groter kan zijn dan de door de tweede bepaling geboden bescherming (zie in die zin arresten van 16 juli 2009, American Clothing Associates/BHIM en BHIM/American Clothing Associates, C‑202/08 P en C‑208/08 P, EU:C:2009:477, punt 80, en 10 juli 2013, MEMBER OF €e euro experts, T‑3/12, EU:T:2013:364, punt 39).

26      Derhalve geldt de bescherming die aan de in artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 bedoelde badges, emblemen of wapenschilden wordt geboden, enkel wanneer het merk, dat een dergelijke badge, een dergelijk embleem of een dergelijk wapenschild bevat, in zijn geheel beschouwd bij het publiek de misleidende indruk kan wekken dat er een verband bestaat tussen de houder of de gebruiker van dit merk en de autoriteit waarnaar die badge, dat embleem of dat wapenschild verwijst (arrest van 10 juli 2013, MEMBER OF €e euro experts, T‑3/12, EU:T:2013:364, punten 40 en 77).

27      In dit verband is reeds gepreciseerd dat, aangezien artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 ruim geformuleerd is, dit artikel ook bescherming verleent aan badges, emblemen of wapenschilden die weliswaar niet alle activiteiten van de Unie aanduiden, maar niettemin een bijzondere band met een van deze activiteiten hebben. Het feit dat een badge, embleem of wapenschild verband houdt met een van de activiteiten van de Unie vormt voldoende bewijs dat de bescherming ervan van openbaar belang is (zie in die zin arrest van 10 juli 2013, MEMBER OF €e euro experts, T‑3/12, EU:T:2013:364, punt 44).

28      Hieruit volgt dat de door artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 verleende bescherming met name geldt wanneer het betrokken merk het publiek misleidt betreffende de oorsprong van de door dit merk aangeduide waren of diensten en bij dat publiek de indruk wekt dat deze afkomstig zijn van de autoriteit waarnaar wordt verwezen door de badge, het embleem of het wapenschild waarvan het merk een weergave of nabootsing bevat. Een dergelijke bescherming geldt ook wanneer het publiek, doordat dit merk een dergelijke weergave of nabootsing van een badge, embleem of wapenschild bevat, of het publiek, doordat het litigieuze merk een weergave van het BGA-symbool bevat, zou kunnen geloven dat de autoriteit waarnaar dit embleem verwijst, te weten de Unie, de door dit merk aangeduide waren heeft goedgekeurd of er garant voor staat of dat zij op de ene of de andere manier verband houden met de Unie [arrest van 10 juli 2013, MEMBER OF €e euro experts, T‑3/12, EU:T:2013:364, punten 78 en 97; zie naar analogie ook arrest van 15 januari 2013, Welte-Wenu/BHIM – Commissie (EUROPEAN DRIVESHAFT SERVICES), T‑413/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:12, punt 61].

29      Het tegen de bestreden beslissing aangevoerde betoog dient in het licht van deze overwegingen te worden onderzocht.

30      In casu is het beroep tegen de beslissing waarbij het litigieuze merk op grond van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 nietig is verklaard, door de kamer van beroep verworpen omdat was voldaan aan de twee in punt 21 hierboven in herinnering gebrachte voorwaarden.

31      Om te beginnen heeft de kamer van beroep in punt 24 van de bestreden beslissing geoordeeld dat het BGA-symbool van bijzonder openbaar belang was, aangezien het moest worden aangebracht op waren die beantwoorden aan een beschermde geografische aanduiding, hetgeen verzoekster niet betwist. Voorts heeft de kamer van beroep in punt 25 van die beslissing opgemerkt dat het litigieuze merk het BGA-symbool in zijn geheel bevatte en dat verzoekster niet had aangetoond dat de Commissie een dergelijk merkenrechtelijk gebruik van dit symbool had toegestaan, waarbij een dergelijke toestemming evenmin blijkt uit verordening nr. 1151/2012, hetgeen verzoekster niet betwist.

32      Evenwel dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep niet is overgegaan tot het onderzoek van de derde voorwaarde, waaraan volgens de in de punten 26 tot en met 28 hierboven aangehaalde rechtspraak moet zijn voldaan om de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 te kunnen tegenwerpen.

33      Zoals verzoekster opmerkt, heeft geen enkele passage uit de bestreden beslissing immers betrekking op de vraag of het publiek, doordat het litigieuze merk een weergave van het BGA-symbool bevat, zou kunnen geloven dat de autoriteit waarnaar dit embleem verwijst, te weten de Unie, de door dit merk aangeduide waren heeft goedgekeurd of er garant voor staat of dat zij op de ene of de andere manier verband houden met de Unie. In het bijzonder heeft de kamer van beroep in de bestreden beslissing niet onderzocht of, door de wijze waarop het BGA-symbool in het litigieuze merk is opgenomen, bij dit publiek de indruk kan worden gewekt dat de Unie waarborgt dat de door dit merk aangeduide waren een bepaalde herkomst en eigenschappen hebben die voldoen aan de door verordening nr. 1151/2012 gestelde voorwaarden voor bescherming als beschermde geografische aanduidingen.

34      Anders dan het EUIPO ter terechtzitting heeft betoogd, kan dienaangaande niet worden geoordeeld dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing impliciet heeft onderzocht of het litigieuze merk bij het publiek de indruk wekt dat er een verband tussen de houder ervan en de Unie bestaat. Door in de punten 19 en 25 van deze beslissing enkel vast te stellen dat dit merk het BGA-symbool in zijn geheel bevatte en in punt 26 van die beslissing te verklaren dat het litigieuze merk weliswaar niet gelijk was aan het BGA-symbool maar dat dit niet afdeed aan haar beoordeling, heeft de kamer van beroep immers geenszins onderzocht hoe het publiek dit symbool als bestanddeel van dat merk in zijn geheel zou opvatten, en heeft zij evenmin het risico onderzocht dat het publiek door deze perceptie zou kunnen geloven dat de door een dergelijk merk aangeduide waren onder de garantie van de Unie vallen.

35      Aldus heeft de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen uitspraak te doen over een van de drie cumulatieve voorwaarden voor toepassing van de in artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 bedoelde bescherming.

36      Geen van de door het EUIPO en interveniënte aangevoerde argumenten doet af aan deze conclusie.

37      Ten eerste kan op basis van het argument van het EUIPO dat het BGA-symbool reeds door de relevante Unieregeling was vastgesteld op de datum waarop om inschrijving van het litigieuze merk werd verzocht, enkel worden aangetoond dat dit symbool een Uniesymbool is.

38      In dit verband staat tussen partijen vast dat het BGA-symbool van bijzonder openbaar belang in de zin van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 is. Dit is weliswaar een van de voorwaarden voor de toepassing van de door deze bepaling verleende bescherming, maar deze voorwaarde staat los van en gaat vooraf aan de voorwaarde dat het publiek zou kunnen geloven dat de Unie de waren die worden aangeduid door een merk dat een dergelijk symbool bevat, heeft goedgekeurd of er garant voor staat of dat zij op de ene of de andere manier verband houden met de Unie.

39      Ten tweede dient te worden erkend dat, zoals het EUIPO aanvoert, de verlening van merkenrechtelijke bescherming aan een Uniesymbool zoals het BGA-symbool in de regel afbreuk kan doen aan het door de Unie ingevoerde stelsel van beschermde geografische aanduidingen en de goede werking ervan kan ondermijnen. Door een dergelijke verlening kan aan de houder van een merk dat het BGA-symbool bevat immers een monopolie op het gebruik ervan worden toegekend, op grond waarvan hij het gebruik ervan aan elke andere persoon kan verbieden. Krachtens artikel 12 van verordening nr. 1151/2012 moet dit symbool echter door elke marktdeelnemer kunnen worden gebruikt voor de etikettering van zijn waren, wanneer deze voldoen aan de voorwaarden om onder een beschermde geografische aanduiding te vallen.

40      Dit neemt niet weg dat de toepassing van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 vereist dat het in punt 38 hierboven vermelde gevaar met betrekking tot het litigieuze merk concreet en globaal wordt onderzocht, aangezien de andere bestanddelen van dit merk ertoe kunnen leiden dat dit merk in zijn geheel beschouwd bij het publiek niet de indruk wekt van een verband tussen de houder of de gebruiker van dit merk en de autoriteit die houder of gebruiker is van het embleem dat in dit merk is opgenomen, en dat dit merk het publiek dienaangaande evenmin kan misleiden (arrest van 10 juli 2013, MEMBER OF €e euro experts, T‑3/12, EU:T:2013:364, punt 107).

41      In dit verband dienen de besluitvormende organen van het EUIPO niet alleen te onderzoeken of het betrokken embleem geheel of gedeeltelijk is overgenomen in het betreffende merk. Zij moeten ook beoordelen of dit embleem, gelet op de afmetingen en de positie ervan binnen dit merk, als zodanig door het publiek waarneembaar is, of het een eenvoudige of complexe configuratie van kleuren of vormen bezit, of het wordt aangevuld met andere verbale of figuratieve bestanddelen die de waarneming van dit embleem door het publiek verminderen of wijzigen, dan wel of de andere bestanddelen van het betrokken merk de door dit merk opgeroepen totaalindruk domineren.

42      Pas na afloop van dit onderzoek kan, voor zover het publiek een verband legt tussen de houder of de gebruiker van het betrokken merk enerzijds en de autoriteit die houder of gebruiker van het in dit merk opgenomen embleem is anderzijds of het publiek op dit punt wordt misleid, worden geoordeeld dat er een gevaar bestaat dat afbreuk wordt gedaan aan het door de Unie ingevoerde stelsel van beschermde geografische aanduidingen.

43      Ten derde kan, anders dan interveniënte stelt, de weigering om een merk met het BGA-symbool in te schrijven op grond van artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 niet voortvloeien uit de enkele omstandigheid dat de bevoegde autoriteit een dergelijk gebruik niet heeft toegestaan. Het ontbreken van een dergelijke toestemming is immers slechts één van de voorwaarden voor de toepassing van de in die bepaling bedoelde bescherming.

44      Wat, ten vierde, interveniëntes argumenten betreft dat het BGA-symbool het litigieuze merk domineert, dat de consument dit symbool niet opvat als een symbool dat overeenstemt met een door de Unie verleend kwaliteitslabel en dat het publiek een verband legt tussen dit merk en de Unie gelet op het feit dat dit merkrecht door het EUIPO werd verleend, dient te worden vastgesteld dat zij betrekking hebben op de beoordeling van de perceptie van dit merk door het publiek. Een dergelijk onderzoek is in de bestreden beslissing echter niet verricht. Dergelijke argumenten kunnen dus niet afdoen aan de conclusie dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen dergelijke beoordeling te verrichten.

45      In deze context dient volledigheidshalve daaraan te worden toegevoegd dat, anders dan verzoekster stelt, de omstandigheid – gesteld dat deze bewezen is – dat de door het litigieuze merk aangeduide waren op de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag voldeden aan de in verordening nr. 1151/2012 gestelde voorwaarden voor bescherming als beschermde geografische aanduidingen, geen invloed heeft op dit onderzoek. Ten eerste betekent een dergelijke omstandigheid enkel dat de marktdeelnemer die deze waren in de handel brengt, krachtens artikel 12 van verordening nr. 1151/2012 de betrokken geografische aanduiding mag gebruiken, zonder dat dit hem evenwel het recht geeft om een dergelijke aanduiding als merk te gebruiken. Ten tweede is het mogelijk dat de betrokken waren in de toekomst niet langer voldoen aan deze voorwaarden. Zelfs in dat geval zou het betrokken merk het BGA-symbool echter nog steeds bevatten en zou het het publiek in voorkomend geval nog meer kunnen misleiden over de herkomst of de eigenschappen van de erdoor aangeduide waren.

46      Bijgevolg moet de bestreden beslissing worden vernietigd.

 Kosten

47      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. In casu zijn het EUIPO en interveniënte in het ongelijk gesteld en heeft verzoekster enkel gevorderd dat het EUIPO wordt verwezen in de kosten van de onderhavige procedure. Bijgevolg dient het EUIPO, naast zijn eigen kosten, te worden verwezen in alle kosten die in de onderhavige procedure zijn opgekomen aan verzoekster. Overeenkomstig artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering wordt interveniënte verwezen in haar eigen kosten van de onderhavige procedure.

HET GERECHT (Tiende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 23 september 2020 (zaak R 2186/20194) wordt vernietigd.

2)      Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van Gabriele Schmid.

3)      De Landeskammer für Land- und Forstwirtschaft in Steiermark zal haar eigen kosten dragen.

Kornezov

Kowalik-Bańczyk

Petrlík

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 1 december 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.