Language of document : ECLI:EU:C:2022:297

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

26 april 2022 (*)

„Beroep tot nietigverklaring – Richtlijn (EU) 2019/790 – Artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine – Artikel 11 en artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Vrijheid van meningsuiting en van informatie – Bescherming van intellectuele eigendom – Verplichtingen die worden opgelegd aan aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content – Voorafgaande automatische controle (filteren) van content die door gebruikers online wordt geplaatst”

In zaak C‑401/19,

betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 24 mei 2019,

Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Wiącek en J. Sawicka als gemachtigden, bijgestaan door J. Barski als deskundige,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door D. Warin, S. Alonso de León en W. D. Kuzmienko als gemachtigden,

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Alver, F. Florindo Gijón en D. Kornilaki als gemachtigden,

verweerders,

ondersteund door:

Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta en J. Rodríguez de la Rúa Puig, vervolgens door J. Rodríguez de la Rúa Puig als gemachtigden,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en A. Daniel als gemachtigden,

Portugese Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. A. Capela de Carvalho Galaz Pimenta, P. Barros da Costa, P. Salvação Barreto en L. Inez Fernandes, vervolgens door Capela de Carvalho Galaz Pimenta, Barros da Costa en Salvação Barreto als gemachtigden,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, S. L. Kalėda, J. Samnadda en B. Sasinowska als gemachtigden,

interveniënten,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Arabadjiev, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Regan en S. Rodin, kamerpresidenten, M. Ilešič (rapporteur), J.‑C. Bonichot, M. Safjan, F. Biltgen en P. G. Xuereb, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 november 2020,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 2021,

het navolgende

Arrest

1        Met haar beroep verzoekt de Republiek Polen het Hof primair om nietigverklaring van artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG (PB 2019, L 130, blz. 92), en subsidiair, mocht het Hof oordelen dat deze bepalingen niet van de overige bepalingen van artikel 17 van richtlijn 2019/790 kunnen worden gescheiden zonder de kern ervan te wijzigen, om nietigverklaring van dat artikel 17 in zijn geheel.

 Toepasselijke bepalingen

 Handvest

2        Artikel 11, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) luidt als volgt:

„Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.”

3        Artikel 17, lid 2, van het Handvest bepaalt dat „intellectuele eigendom [...] beschermd [is].”

4        Artikel 52, leden 1 en 3, van het Handvest luidt als volgt:

„1.      Beperkingen op de uitoefening van de in [het] Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de [Europese] Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

[...]

3.      Voor zover [het] Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(EVRM)], zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.”

5        Artikel 53 van het Handvest bepaalt dat „geen van de bepalingen van [het] Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de [Europese] Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het [EVRM], alsmede door de grondwetten van de lidstaten”.

 Richtlijn 2000/31

6        Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1), bepaalt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat:

a)      de dienstverlener niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt, of

b)      de dienstverlener, zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.”

 Richtlijn 2001/29

7        Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2000, L 167, blz. 10) bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

 Richtlijn 2019/790

8        De overwegingen 2, 3, 61, 65, 66, 70 en 84 van richtlijn 2019/790 luiden als volgt:

„(2)      De richtlijnen die op het gebied van auteursrechten en naburige rechten zijn vastgesteld, dragen bij tot de werking van de interne markt, voorzien in een hoge mate van bescherming voor rechthebbenden, vergemakkelijken de vereffening van rechten en creëren een kader waarbinnen de exploitatie van werken en andere beschermde materialen kan plaatsvinden. Dat geharmoniseerde rechtskader draagt bij tot de goede werking van de interne markt en stimuleert innovatie, creativiteit, investeringen en aanmaak van nieuwe content, ook in de digitale omgeving, om de fragmentering van de interne markt te voorkomen. De bescherming die dat rechtskader biedt, draagt ook bij tot de doelstelling van de Unie om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen en brengt tegelijkertijd het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europa voor het voetlicht. [...]

(3)      Door snelle technologische ontwikkelingen blijven zich veranderingen doorzetten in de manier waarop werken en andere materialen gecreëerd, geproduceerd, verspreid en geëxploiteerd worden. Er dienen zich voortdurend nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe actoren aan. De desbetreffende wetgeving moet toekomstbestendig zijn om de technologische ontwikkeling niet te belemmeren. De doelstellingen en de beginselen van het door de Unie vastgestelde kader voor auteursrechten blijven robuust. Toch [...] moeten op sommige gebieden aanpassingen en aanvullingen worden aangebracht in het bestaande kader voor auteursrechten van de Unie, en tegelijk moet een hoge mate van bescherming van het auteursrecht en naburige rechten worden behouden. [...]

[...]

(61)      De laatste jaren is de werking van de markt voor online-content complexer geworden. Onlinediensten voor het delen van content met toegang tot een grote hoeveelheid auteursrechtelijk beschermde content die door gebruikers ervan is geüpload, vormen nu een belangrijke bron van toegang tot online-content. Onlinediensten zijn een middel om de toegang tot culturele en creatieve werken te vergroten en bieden tal van mogelijkheden voor de culturele en creatieve sector om nieuwe bedrijfsmodellen te ontwikkelen. Hoewel ze gevarieerde en eenvoudig toegankelijke content mogelijk maken, brengen ze ook problemen met zich mee wanneer auteursrechtelijk beschermde content wordt geüpload zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbenden. Er bestaat rechtsonzekerheid over de vraag of de aanbieders van dergelijke diensten handelingen verrichten die auteursrechtelijk relevant zijn en toestemming van de rechthebbenden moeten krijgen voor content die wordt geüpload door hun gebruikers die niet over de relevante rechten op de geüploade content beschikken, onverminderd de toepassing van de uitzonderingen en beperkingen waarin het Unierecht voorziet. Die onzekerheid heeft invloed op de mogelijkheid voor rechthebbenden om te bepalen of, en onder welke voorwaarden, hun werken en andere materialen worden gebruikt, alsmede op hun mogelijkheid om voor dergelijk gebruik een passende vergoeding te verkrijgen. Het is daarom van belang de ontwikkeling van de licentiemarkt tussen rechthebbenden en aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content te bevorderen. Die licentieovereenkomsten moeten billijk zijn en een redelijk evenwicht tussen beide partijen bewaren. De rechthebbenden moeten een passende vergoeding krijgen voor het gebruik van hun werken of andere materialen. Aangezien die bepalingen evenwel geen afbreuk mogen doen aan de contractuele vrijheid, mogen de rechthebbenden niet worden verplicht toestemming te geven of licentieovereenkomsten te sluiten.

[...]

(65)      Indien aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content aansprakelijk zijn voor handelingen van mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling voor het publiek onder de in deze richtlijn neergelegde voorwaarden, mag artikel 14, lid 1, van richtlijn [2000/31] niet van toepassing zijn op de aansprakelijkheid die voortvloeit uit de bepaling van deze richtlijn over het gebruik van beschermde content door aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content. Dit mag geen afbreuk doen aan de toepassing van artikel 14, lid 1, van richtlijn [2000/31] op dergelijke dienstverleners voor doeleinden die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.

(66)      Gezien het feit dat aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content toegang verschaffen tot content die niet door hen maar door hun gebruikers wordt geüpload, is het passend te voorzien in een specifiek aansprakelijkheidsmechanisme voor de toepassing van deze richtlijn voor gevallen waarin geen toestemming is verleend. [...] Wanneer aan de dienstverleners geen toestemming is verleend, moeten zij overeenkomstig de strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding alles in het werk stellen om te voorkomen dat op hun diensten niet-toegestane werken en andere materialen, zoals geïdentificeerd door de betrokken rechthebbenden, beschikbaar zijn. Daartoe moeten de rechthebbenden de dienstverleners de relevante en noodzakelijke informatie verstrekken, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de omvang van de rechthebbenden en de aard van hun werken en andere materialen. De maatregelen die de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content in samenwerking met rechthebbenden nemen, mag niet leiden tot de onbeschikbaarheid van niet-inbreukmakende content, met inbegrip van werken of andere beschermde materialen waarvan het gebruik valt onder een licentieovereenkomst of een uitzondering of beperking op het auteursrecht en naburige rechten. De maatregelen die dergelijke aanbieders nemen, mogen derhalve geen gevolgen hebben voor gebruikers die de onlinediensten voor het delen van content gebruiken om op legale wijze informatie te uploaden en toegang tot informatie te krijgen op dergelijke diensten.

De bij deze richtlijn ingestelde verplichtingen mogen er evenmin toe leiden dat de lidstaten een algemene toezichtsverplichting opleggen. Bij de beoordeling of een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content overeenkomstig de strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding alles in het werk heeft gesteld, moet rekening worden gehouden met de vraag of de dienstverlener alle maatregelen heeft genomen die een zorgvuldige exploitant zou hebben genomen om te voorkomen dat niet-toegestane werken of andere materialen op zijn website beschikbaar zijn, rekening houdend met de beste sectorale praktijken en de doeltreffendheid van de genomen maatregelen in het licht van alle relevante factoren en ontwikkelingen, alsook met het evenredigheidsbeginsel. Met het oog op deze beoordeling moet een aantal elementen in overweging worden genomen, zoals de omvang van de dienst en de ontwikkeling van de stand van de techniek inzake de bestaande middelen, inclusief mogelijke toekomstige ontwikkelingen, om te voorkomen dat verschillende soorten content beschikbaar zijn, en de kosten van dergelijke middelen voor de diensten. Afhankelijk van het soort content kunnen er verschillende passende en evenredige middelen zijn om te voorkomen dat niet-toegestane auteursrechtelijk beschermde content beschikbaar komt, en het kan daarom niet worden uitgesloten dat niet-toegestane content in sommige gevallen pas na kennisgeving door de rechthebbenden kan worden vermeden. Door de dienstverleners genomen maatregelen moeten doeltreffend zijn met het oog op de nagestreefde doelstellingen, maar mogen niet verder gaan dan wat nodig is om ervoor te zorgen dat niet-toegestane werken en andere materialen niet of niet langer beschikbaar zijn.

[...]

(70)      De door de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content in samenwerking met de rechthebbenden genomen maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de toepassing van uitzonderingen of beperkingen op het auteursrecht, waaronder met name die welke de vrijheid van meningsuiting van gebruikers garanderen. Gebruikers moeten de mogelijkheid hebben om door gebruikers gegenereerde content te uploaden en beschikbaar te stellen voor de specifieke doeleinden van citeren, kritiek, recensie, karikatuur, parodie of pastiche. Dat is met name van belang om een evenwicht te vinden tussen de grondrechten die zijn verankerd in het [Handvest], met name de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van kunsten, en het recht op eigendom, met inbegrip van intellectuele eigendom. Die uitzonderingen en beperkingen moeten bijgevolg verplicht worden gesteld om te garanderen dat gebruikers in de gehele Unie uniforme bescherming genieten. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat aanbieders van onlinediensten voor het delen van content gebruikmaken van een doeltreffend klacht- en schadevergoedingsmechanisme om het gebruik voor dergelijke specifieke doeleinden te ondersteunen.

De aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content moeten ook doeltreffende en snelle klacht- en schadevergoedingsmechanismen instellen waarmee gebruikers een klacht kunnen indienen over de genomen maatregelen met betrekking tot hun uploads, met name wanneer zij kunnen gebruikmaken van een uitzondering of beperking op het auteursrecht in verband met een upload waartoe de toegang is gedeactiveerd of die is verwijderd. Klachten die in het kader van dergelijke mechanismen worden ingediend, moeten onverwijld worden behandeld en onderworpen zijn aan menselijke toetsing. Wanneer rechthebbenden de diensten verzoeken maatregelen te nemen tegen uploads door gebruikers, bijvoorbeeld het deactiveren van de toegang tot of het verwijderen van geüploade content, moeten zij hun verzoek naar behoren motiveren. [...] De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat gebruikers voor het beslechten van geschillen toegang hebben tot mechanismen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting. Dergelijke mechanismen moeten het mogelijk maken geschillen op onpartijdige wijze te beslechten. Gebruikers moeten ook toegang hebben tot een rechtbank of andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht en naburige rechten te laten gelden.

[...]

(84)      Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest. Derhalve dient deze richtlijn in het licht van die rechten en beginselen te worden uitgelegd en toegepast.”

9        Artikel 1 van richtlijn 2019/790, met als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1 dat bij deze richtlijn voorschriften worden vastgesteld die gericht zijn op verdere harmonisatie van het Unierecht met betrekking tot het auteursrecht en naburige rechten in het kader van de interne markt, met name rekening houdend met digitaal en grensoverschrijdend gebruik van beschermde content en dat deze richtlijn ook regels bevat inzake uitzonderingen op en beperkingen van het auteursrecht en naburige rechten en inzake de bevordering van de licentieverlening, alsmede regels die erop gericht zijn te zorgen voor een goed werkende markt voor de exploitatie van werken en andere materialen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat richtlijn 2019/790 in beginsel geen afbreuk doet aan de bestaande regels die zijn vastgelegd in de op dit gebied geldende richtlijnen, met name de richtlijnen 2000/31 en 2001/29.

10      Artikel 2, punt 6, eerste alinea, van richtlijn 2019/790 definieert het begrip „aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content” voor de toepassing van deze richtlijn als „een aanbieder van een dienst van de informatiemaatschappij die als belangrijkste of een van de belangrijkste doelstellingen heeft een grote hoeveelheid door de gebruikers van de dienst geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen op te slaan en toegankelijk te maken voor het publiek, waarbij hij deze werken en materialen ordent en promoot met een winstoogmerk”. Volgens de tweede alinea van deze bepaling zijn „aanbieders van diensten als online-encyclopedieën zonder winstoogmerk, onderwijs- of wetenschappelijke gegevensbanken zonder winstoogmerk, platforms voor het ontwikkelen en delen van opensourcesoftware, aanbieders van elektronischecommunicatiediensten [...], onlinemarktplaatsen en business-to-business-clouddiensten en clouddiensten waarmee gebruikers content kunnen uploaden voor eigen gebruik” van dit begrip uitgesloten.

11      Artikel 17 van deze richtlijn, met als opschrift „Gebruik van beschermde content door aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content”, is de enige bepaling in hoofdstuk 2 („Bepaalde vormen van gebruik van beschermde content door onlinediensten”) van titel IV van deze richtlijn („Maatregelen om de goede werking van de markt voor auteursrechten te verzekeren”). Dit artikel 17 luidt als volgt:

„1.      De lidstaten voorzien erin dat een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content, voor de toepassing van deze richtlijn een handeling verricht van mededeling aan het publiek of een handeling van beschikbaarstelling voor het publiek, wanneer hij het publiek toegang verleent tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen die door de gebruikers ervan zijn geüpload.

Een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content moet daarom toestemming krijgen van de in artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn [2001/29] bedoelde rechthebbenden, bijvoorbeeld door het sluiten van een licentieovereenkomst, teneinde werken of andere materialen mee te delen of beschikbaar te stellen voor het publiek.

2.      De lidstaten voorzien erin dat, indien een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content toestemming krijgt, bijvoorbeeld door het sluiten van een licentieovereenkomst, die toestemming ook betrekking heeft op handelingen die worden verricht door gebruikers van de onder artikel 3 van richtlijn [2001/29] vallende diensten wanneer zij niet op commerciële basis handelen of indien hun activiteit geen significante inkomsten genereert.

3.      Wanneer een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content een handeling van mededeling aan het publiek of een handeling van beschikbaarstelling voor het publiek verricht, onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden, is de in artikel 14, lid 1, van richtlijn [2000/31] vastgestelde beperking van de aansprakelijkheid niet van toepassing op situaties die onder dit artikel vallen.

De eerste alinea van dit lid laat de mogelijke toepassing onverlet van artikel 14, lid 1, van richtlijn [2000/31] op die dienstverleners voor doeleinden die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.

4.      Als geen toestemming wordt verleend, zijn aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content aansprakelijk voor niet-toegestane handelingen van mededeling aan het publiek, met inbegrip van het beschikbaar stellen voor het publiek, van auteursrechtelijk beschermde werken en andere materialen, tenzij de dienstverleners aantonen dat zij:

a)      alles in het werk hebben gesteld om toestemming te krijgen, en

b)      overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding, alles in het werk hebben gesteld om ervoor te zorgen dat bepaalde werken en andere materialen waarvoor de rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar zijn, en in ieder geval

c)      na ontvangst van een voldoende onderbouwde melding van de rechthebbenden, prompt zijn opgetreden om de toegang tot de werken en andere materialen in kwestie te deactiveren of deze van hun websites te verwijderen, en alles in het werk hebben gesteld om toekomstige uploads ervan overeenkomstig punt b) te voorkomen.

5.      Bij het bepalen of de dienstverlener zijn verplichtingen uit hoofde van lid 4 is nagekomen en in het licht van het evenredigheidsbeginsel wordt onder meer rekening gehouden met de volgende elementen:

a)      het type, het publiek en de omvang van de diensten en het soort werken of andere materialen die door de gebruikers van de dienst zijn geüpload, en

b)      de beschikbaarheid van passende en doeltreffende middelen en de kosten daarvan voor dienstverleners.

6.      De lidstaten voorzien erin, met betrekking tot nieuwe aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content waarvan de diensten gedurende minder dan drie jaar beschikbaar waren voor het publiek in de Unie en die een jaaromzet hebben van minder dan 10 miljoen EUR, berekend overeenkomstig aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie [van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB 2003, L 124, blz. 36)], dat de voorwaarden uit hoofde van de aansprakelijkheidsregeling van lid 4 beperkt zijn tot de naleving van lid 4, onder a), en tot prompt optreden, na ontvangst van een voldoende onderbouwde melding, om de toegang tot de gemelde werken of andere materialen te deactiveren of die werken of andere materialen van hun websites te verwijderen.

Wanneer het gemiddelde aantal maandelijkse unieke bezoekers van deze dienstverleners meer dan 5 miljoen bedraagt, berekend op basis van het voorgaande kalenderjaar, moeten zij ook aantonen dat zij alles in het werk hebben gesteld om verdere uploads van de werken en andere materialen in kwestie waarvoor de rechthebbenden de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, te voorkomen.

7.      De samenwerking tussen de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en de rechthebbenden leidt niet tot het voorkomen van de beschikbaarheid van door gebruikers geüploade werken of andere materialen die geen inbreuk maken op het auteursrecht en naburige rechten, ook niet wanneer deze werken of andere materialen vallen onder een uitzondering of beperking.

De lidstaten zorgen ervoor dat gebruikers in elke lidstaat kunnen gebruikmaken van elk van de volgende bestaande uitzonderingen of beperkingen wanneer zij door gebruikers van onlinediensten voor het delen van content gegenereerde content uploaden en beschikbaar maken:

a)      citaat, kritiek, recensie;

b)      gebruik voor een karikatuur, parodie of pastiche.

8.      De toepassing van dit artikel leidt niet tot een algemene toezichtsverplichting.

De lidstaten bepalen dat aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content rechthebbenden op hun verzoek passende informatie verstrekken over de werking van hun praktijken met betrekking tot de in lid 4 bedoelde samenwerking en, indien licentieovereenkomsten worden gesloten tussen dienstverleners en rechthebbenden, informatie over het gebruik van content die onder de overeenkomsten valt.

9.      De lidstaten voorzien erin dat aanbieders van onlinediensten voor het delen van content een doeltreffend en snel klachten- en beroepsmechanisme invoeren dat beschikbaar is voor de gebruikers van hun diensten in geval van geschillen over het deactiveren van de toegang tot of het verwijderen van door hen geüploade werken of andere materialen.

Wanneer rechthebbenden verzoeken om de toegang tot hun specifieke werken of andere materialen te deactiveren of om die specifieke werken of andere materialen te verwijderen, motiveren zij de redenen voor hun verzoek naar behoren. Klachten die in het kader van het in de eerste alinea bedoelde mechanisme worden ingediend, worden onverwijld behandeld en besluiten om geüploade content ontoegankelijk te maken of te verwijderen, worden onderworpen aan menselijke toetsing. De lidstaten voorzien er ook in dat er voor geschillen mechanismen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting beschikbaar zijn. Deze mechanismen maken het mogelijk dat geschillen onpartijdig worden beslecht en ontnemen de gebruiker niet de door het nationale recht geboden rechtsbescherming, onverminderd de rechten van gebruikers om een beroep te doen op efficiënte rechtsmiddelen. Met name zorgen de lidstaten ervoor dat de gebruikers toegang hebben tot een rechtbank of een andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht en naburige rechten te laten gelden.

Deze richtlijn heeft geen gevolgen voor rechtmatig gebruik, zoals op grond van uitzonderingen of beperkingen waarin het Unierecht voorziet, en leidt niet tot de identificatie van individuele gebruikers, noch tot de verwerking van persoonsgegevens, tenzij overeenkomstig richtlijn 2002/58/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37)] en verordening (EU) 2016/679 [van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1)].

Aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content delen hun gebruikers in hun voorwaarden mee dat zij werken en andere materialen kunnen gebruiken op grond van uitzonderingen of beperkingen op het auteursrecht en naburige rechten waarin het Unierecht voorziet.

10.      Vanaf 6 juni 2019 organiseert de Commissie in samenwerking met de lidstaten dialogen met belanghebbenden om beste praktijken te bespreken voor de samenwerking tussen aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en rechthebbenden. De Commissie verstrekt, in overleg met aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content, rechthebbenden, gebruikersorganisaties en andere relevante belanghebbenden, en rekening houdend met de resultaten van de dialogen met belanghebbenden, richtsnoeren voor de toepassing van dit artikel, met name betreffende de in lid 4 bedoelde samenwerking. Bij het bespreken van beste praktijken wordt in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat een evenwicht moet worden gevonden tussen grondrechten en het gebruik van uitzonderingen en beperkingen. Voor deze dialoog met belanghebbenden hebben de gebruikersorganisaties toegang tot adequate informatie van de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content over de werking van hun praktijken met betrekking tot lid 4.”

 Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

12      De Republiek Polen verzoekt het Hof:

–        artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790, dat wil zeggen voor zover het betrekking heeft op de bewoordingen „en alles in het werk hebben gesteld om toekomstige uploads ervan overeenkomstig punt b) te voorkomen”, nietig te verklaren;

–        subsidiair, mocht het Hof oordelen dat de bestreden bepalingen niet van de overige in artikel 17 van die richtlijn opgenomen bepalingen kunnen worden gescheiden zonder de kern ervan te wijzigen, artikel 17 in zijn geheel nietig te verklaren;

–        het Parlement en de Raad in de kosten te verwijzen.

13      Het Parlement verzoekt het Hof het beroep ongegrond te verklaren en de Republiek Polen in de kosten te verwijzen.

14      De Raad verzoekt het Hof de hoofdvordering niet-ontvankelijk te verklaren of het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren en de Republiek Polen in de kosten te verwijzen.

15      Bij beslissing van de president van het Hof van 17 oktober 2019 zijn het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Portugese Republiek en de Europese Commissie overeenkomstig artikel 131, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof toegelaten tot interventie aan de zijde van het Parlement en de Raad.

 Beroep

 Ontvankelijkheid

16      Het Parlement en de Raad, ondersteund door de Franse Republiek en de Commissie, betogen dat de hoofdvordering niet-ontvankelijk is, aangezien artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790 niet kan worden gescheiden van de rest van dat artikel 17.

17      In dit verband zij eraan herinnerd dat gedeeltelijke nietigverklaring van een Uniehandeling slechts mogelijk is wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling. Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat aan dit vereiste niet is voldaan wanneer de gedeeltelijke nietigverklaring van een handeling tot gevolg zou hebben dat de kern ervan wordt gewijzigd (arrest van 8 december 2020, Polen/Parlement en Raad, C‑626/18, EU:C:2020:1000, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18      De beoordeling van de scheidbaarheid van onderdelen van een Uniehandeling veronderstelt dat de draagwijdte ervan wordt onderzocht, om te kunnen uitmaken of de nietigverklaring van die onderdelen de geest en de kern van deze handeling zou wijzigen (arrest van 8 december 2020, Polen/Parlement en Raad, C‑626/18, EU:C:2020:1000, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19      Bovendien is de vraag of gedeeltelijke nietigverklaring van een Uniehandeling de kern van die handeling wijzigt, een objectief criterium, en geen subjectief criterium dat samenhangt met de politieke wil van de instelling die die handeling heeft vastgesteld (arrest van 8 december 2020, Polen/Parlement en Raad, C‑626/18, EU:C:2020:1000, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20      Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt en zoals het Parlement en de Raad – ondersteund door de Franse Republiek en de Commissie – betogen, voert artikel 17 van richtlijn 2019/790 voor de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content een nieuwe aansprakelijkheidsregeling in, waarvan de verschillende bepalingen een geheel vormen en, zoals blijkt uit de overwegingen 61 en 66 van deze richtlijn, beogen een evenwicht tot stand te brengen tussen de rechten en belangen van deze aanbieders, de gebruikers van hun diensten en de rechthebbenden. In het bijzonder zou de nietigverklaring van enkel artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van die richtlijn ertoe leiden dat er voor die aansprakelijkheidsregeling een regeling in de plaats zou komen die zowel aanzienlijk zou verschillen alsook duidelijk gunstiger zou zijn voor die aanbieders. Door een dergelijke gedeeltelijke nietigverklaring zou dus de kern van dat artikel 17 worden gewijzigd.

21      Hieruit volgt dat artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790 niet kan worden gescheiden van de rest van dat artikel 17, zodat de hoofdvordering, die strekt tot nietigverklaring van enkel deze bepalingen, niet-ontvankelijk is.

22      Daarentegen wordt niet betwist dat artikel 17 van richtlijn 2019/790, dat is opgenomen in een afzonderlijk hoofdstuk van titel IV ervan, dat betrekking heeft op maatregelen om de goede werking van de markt voor auteursrechten te verzekeren, kan worden gescheiden van de rest van deze richtlijn en dat de subsidiaire vordering van de Republiek Polen tot volledige nietigverklaring van dat artikel 17 derhalve ontvankelijk is.

 Ten gronde

23      Tot staving van haar vorderingen voert de Republiek Polen één enkel middel aan, dat is ontleend aan schending van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, dat is gewaarborgd door artikel 11, lid 1, van het Handvest.

24      Dit middel is in wezen gebaseerd op het betoog dat de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, om te worden vrijgesteld van elke aansprakelijkheid voor het verlenen van toegang aan het publiek tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen die door hun gebruikers in strijd met het auteursrecht zijn geüpload, krachtens artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790 preventief toezicht moeten uitoefenen op alle content die hun gebruikers online willen plaatsen. Die aanbieders zijn daartoe genoodzaakt om gebruik te maken van software waarmee die content vooraf automatisch kan worden gefilterd. Aangezien de litigieuze bepaling in feite dergelijke preventieve toezichtsmaatregelen oplegt aan aanbieders van onlinediensten voor het delen van content zonder te voorzien in waarborgen die de eerbiediging van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie verzekeren, vormen die bepalingen een beperking van de uitoefening van dit fundamentele recht die noch de wezenlijke inhoud daarvan, noch het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt en die bijgevolg niet als gerechtvaardigd kan worden beschouwd.

25      Het Parlement en de Raad, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en de Commissie, betwisten de gegrondheid van dit enige middel.

 Aansprakelijkheidsregeling van artikel 17 van richtlijn 2019/790

26      Vooraf zij eraan herinnerd dat de aansprakelijkheid van aanbieders van onlinediensten voor het delen van content voor het verlenen van toegang aan het publiek tot beschermde content die door gebruikers van hun platformen in strijd met het auteursrecht daarop is geüpload, tot de inwerkingtreding van artikel 17 van richtlijn 2019/790 werd geregeld door artikel 3 van richtlijn 2001/29 en artikel 14 van richtlijn 2000/31.

27      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de exploitant van een videodeelplatform of een host- en deelplatform voor bestanden, waarop gebruikers beschermde content illegaal beschikbaar voor het publiek kunnen stellen, geen „mededeling aan het publiek” van die content in de zin van deze bepaling verricht, tenzij hij – naast het louter ter beschikking stellen van het platform – ertoe bijdraagt dat het publiek toegang tot die content wordt verleend in strijd met het auteursrecht. Dit is met name het geval wanneer die exploitant concreet weet dat beschermde content op onwettige wijze op zijn platform beschikbaar wordt gesteld en deze content niet prompt verwijdert of prompt ontoegankelijk maakt, of wanneer die exploitant, hoewel hij weet of behoort te weten dat beschermde content in het algemeen via zijn platform door gebruikers ervan illegaal beschikbaar voor het publiek wordt gesteld, niet de passende technische maatregelen treft die van een normaal behoedzame marktdeelnemer in zijn situatie kunnen worden verwacht om op geloofwaardige en doeltreffende wijze inbreuken op het auteursrecht op dit platform tegen te gaan, of wanneer hij deelneemt aan de selectie van beschermde content die illegaal aan het publiek wordt meegedeeld, op zijn platform hulpmiddelen aanbiedt die specifiek bedoeld zijn om dergelijke content illegaal te delen of het delen van die content bewust stimuleert, wat kan blijken uit de omstandigheid dat die exploitant een bedrijfsmodel hanteert dat de gebruikers van zijn platform aanspoort om beschermde content illegaal op dat platform mee te delen aan het publiek (arrest van 22 juni 2021, YouTube en Cyando, C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punt 102).

28      Verder heeft het Hof vastgesteld dat de activiteit van de exploitant van een videodeelplatform of een host- en deelplatform voor bestanden binnen de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 valt, mits deze exploitant geen actieve rol speelt waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over de op zijn platform geüploade content. Bovendien moet een dergelijke exploitant, om op grond van artikel 14, lid 1, onder a), van die richtlijn te worden uitgesloten van de in dat artikel 14, lid 1, bedoelde vrijstelling van aansprakelijkheid, kennis hebben van de concrete onwettige handelingen van zijn gebruikers met betrekking tot op zijn platform geüploade beschermde content (arrest van 22 juni 2021, YouTube en Cyando, C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punten 117 en 118).

29      Zoals blijkt uit met name de overwegingen 61 en 66 van richtlijn 2019/790, was de Uniewetgever echter van mening dat, gelet op het feit dat de werking van de markt voor online-content de laatste jaren complexer is geworden en dat de onlinediensten voor het delen van content met toegang tot een grote hoeveelheid beschermde content, nu een belangrijke bron van toegang tot online-content vormen, moest worden voorzien in een specifiek aansprakelijkheidsmechanisme voor de aanbieders van die diensten om de ontwikkeling van de markt voor de verlening van eerlijke licenties tussen rechthebbenden en die aanbieders te bevorderen.

30      De Uniewetgever heeft dit nieuwe specifieke aansprakelijkheidsmechanisme een beperkte werkingssfeer gegeven, aangezien artikel 2, punt 6, eerste alinea, van richtlijn 2019/790 een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content definieert als een aanbieder van een dienst van de informatiemaatschappij die als belangrijkste of een van de belangrijkste doelstellingen heeft een grote hoeveelheid door de gebruikers van de dienst geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen op te slaan en toegankelijk te maken voor het publiek, waarbij hij deze werken en materialen ordent en promoot met een winstoogmerk. Dit mechanisme heeft dus geen betrekking op aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die niet voldoen aan een of meer van de in die bepaling genoemde criteria, zodat laatstgenoemden overeenkomstig artikel 1, lid 2, van richtlijn 2019/790 als „hostingdienst” onderworpen blijven aan de algemene aansprakelijkheidsregeling van artikel 14 van richtlijn 2000/31 en, in voorkomend geval, aan de algemene aansprakelijkheidsregeling van artikel 3 van richtlijn 2001/29.

31      Bovendien heeft de Uniewetgever met de tweede alinea van artikel 2, punt 6, van artikel 2019/790 de werkingssfeer van het nieuwe specifieke aansprakelijkheidsmechanisme van die richtlijn beperkt en de draagwijdte van dat mechanisme beperkt in artikel 17, lid 6, van deze richtlijn, dat bepaalde nieuwe aanbieders in beginsel uitsluit van de toepassing van de bepalingen van die richtlijn waarop het beroep tot nietigverklaring betrekking heeft.

32      Met betrekking tot dit nieuwe specifieke aansprakelijkheidsmechanisme bepaalt artikel 17, lid 1, van richtlijn 2019/790 dat een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content een handeling verricht van mededeling aan het publiek of een handeling van beschikbaarstelling voor het publiek, wanneer hij het publiek toegang verleent tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen die door de gebruikers ervan zijn geüpload, en dat hij daarom toestemming van de rechthebbenden moet krijgen, bijvoorbeeld door het sluiten van een licentieovereenkomst.

33      Tegelijk komt een aanbieder van onlinediensten voor het delen van content, wat dergelijke handelingen betreft, krachtens artikel 17, lid 3, van richtlijn 2019/790 niet in aanmerking voor de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 bedoelde vrijstelling van aansprakelijkheid.

34      Artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 voert een specifiek aansprakelijkheidsmechanisme in voor het geval geen toestemming wordt verleend. In dat geval kan een aanbieder van onlinediensten voor het delen van content zich dus slechts aan zijn aansprakelijkheid voor dergelijke op het auteursrecht inbreukmakende handelingen van mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling voor het publiek van content onttrekken, indien is voldaan aan bepaalde cumulatieve voorwaarden die in artikel 17, lid 4, onder a) tot en met c) van deze richtlijn zijn opgesomd. Volgens deze bepalingen moeten deze aanbieders aantonen dat zij:

–        alles in het werk hebben gesteld om toestemming te krijgen [onder a)], en

–        overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding, alles in het werk hebben gesteld om ervoor te zorgen dat bepaalde werken en andere materialen waarvoor de rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar zijn [onder b)], en in ieder geval

–        na ontvangst van een voldoende onderbouwde melding van de rechthebbenden, prompt zijn opgetreden om de toegang tot de werken en andere materialen in kwestie te deactiveren of deze van hun websites te verwijderen, en alles in het werk hebben gesteld om toekomstige uploads ervan overeenkomstig punt b) te voorkomen [onder c)].

35      Dit specifieke aansprakelijkheidsmechanisme van artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 wordt verduidelijkt en aangevuld in artikel 17, leden 5 tot en met 10, van deze richtlijn.

36      Om te beginnen somt artikel 17, lid 5, van richtlijn 2019/790 de elementen op waarmee rekening moet worden gehouden om in het licht van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of de dienstverlener zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 17, lid 4, van deze richtlijn is nagekomen.

37      Vervolgens wordt in artikel 17, lid 7, van richtlijn 2019/790 verduidelijkt dat de samenwerking tussen de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en de rechthebbenden niet leidt tot het verhinderen van de beschikbaarheid van door gebruikers geüploade werken of andere materialen die geen inbreuk maken op het auteursrecht en naburige rechten, ook niet wanneer deze werken of andere materialen vallen onder een uitzondering of beperking. Deze bepaling somt de uitzonderingen of beperkingen op waarvan de gebruikers in elke lidstaat moeten kunnen gebruikmaken. Artikel 17, lid 8, van deze richtlijn bepaalt met name dat de toepassing van dit artikel niet leidt tot een algemene toezichtsverplichting en artikel 17, lid 9, ervan voorziet met name in de invoering van een doeltreffend en snel klachten- en beroepsmechanisme dat beschikbaar is voor gebruikers, zoals mechanismen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting die de gerechtelijke verhaalmogelijkheden aanvullen.

38      Ten slotte draagt artikel 17, lid 10, van richtlijn 2019/790 de Commissie op om in samenwerking met de lidstaten dialogen met belanghebbenden te organiseren om beste praktijken te bespreken, waarbij zij in het bijzonder rekening moet houden met het feit dat een evenwicht moet worden gevonden tussen grondrechten en het gebruik van uitzonderingen en beperkingen, en om in overleg met die partijen richtsnoeren te verstrekken voor de toepassing van met name de in artikel 17, lid 4, van deze richtlijn bedoelde samenwerking tussen aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en rechthebbenden.

 Bestaan van een beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie die voortvloeit uit de aansprakelijkheidsregeling van artikel 17 van richtlijn 2019/790

39      De Republiek Polen betoogt dat artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790 de uitoefening van het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers van onlinediensten voor het delen van content beperkt door aanbieders van dergelijke diensten ertoe te verplichten alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat bepaalde beschermde content waarvoor de rechthebbenden hun de nodige relevante informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar is, en, wanneer zij van de rechthebbenden een voldoende onderbouwde melding over de aanwezigheid van beschermde content ontvangen, alles in het werk te stellen om toekomstige uploads van die content te voorkomen.

40      Volgens de Republiek Polen zouden de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, om aan deze verplichtingen te kunnen voldoen en aldus in aanmerking te komen voor de in artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 bedoelde vrijstelling van aansprakelijkheid, namelijk verplicht zijn om alle door hun gebruikers geüploade content voorafgaand aan de verspreiding ervan onder het publiek te controleren. Daartoe zouden deze aanbieders, bij gebreke van andere bruikbare oplossingen, automatische filtersoftware moeten gebruiken.

41      Een dergelijk preventief toezicht vormt een bijzonder ernstige inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content, aangezien hierdoor mogelijk rechtmatige content wordt geblokkeerd en zelfs al voordat de betrokken content wordt verspreid, automatisch door algoritmen zou worden bepaald of die content onrechtmatig is en dus moet worden geblokkeerd.

42      De Republiek Polen voert bovendien aan dat de Uniewetgever niet kan ontkennen aansprakelijk te zijn voor deze inmenging in het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht, aangezien deze inmenging het onvermijdelijke, ja zelfs door de instellingen van de Unie verwachte gevolg is van de aansprakelijkheidsregeling van artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790.

43      Het Parlement en de Raad, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en de Commissie, betwisten dat deze aansprakelijkheidsregeling tot gevolg heeft dat het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content wordt beperkt, en betogen dat een eventuele beperking van dit recht als gevolg van de toepassing van die regeling hoe dan ook niet aan de Uniewetgever kan worden toegerekend.

44      Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 11 van het Handvest eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting, hetgeen de vrijheid omvat een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Zoals uit de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) naar voren komt en overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, hebben de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde rechten dezelfde inhoud en reikwijdte als de door artikel 10 EVRM gewaarborgde rechten.

45      In dit verband moet worden opgemerkt dat de uitwisseling van informatie op internet via onlineplatformen voor het delen van content binnen de werkingssfeer van artikel 10 EVRM en artikel 11 van het Handvest valt.

46      Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarborgt artikel 10 EVRM namelijk de vrijheid van meningsuiting en informatie van eenieder en heeft het niet alleen betrekking op de inhoud van de informatie, maar ook op de middelen voor verspreiding ervan, en op elke beperking van deze middelen die betrekking heeft op het recht om kennis te nemen en te geven van informatie. Zoals deze rechter heeft opgemerkt, is internet thans een van de belangrijkste middelen voor de uitoefening door individuen van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie. Internetsites en met name onlineplatformen voor het delen van content zijn goed toegankelijk en in staat om grote hoeveelheden gegevens te bewaren en te verspreiden, en dragen zo in ruime mate bij aan het verbeteren van de toegang van het publiek tot de actualiteit en in het algemeen aan het faciliteren van de mededeling van informatie, zodat de mogelijkheid voor gebruikers om zich op internet te uiten een ongekend platform biedt voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting (zie in die zin EHRM, 1 december 2015, Cengiz e.a. tegen Turkije, CE:ECHR:2015:1201JUD004822610, § 52, en EHRM, 23 juni 2020, Vladimir Kharitonov tegen Rusland, CE:ECHR:2020:0623JUD001079514, § 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      Zo heeft het Hof bij zijn uitlegging van de aansprakelijkheidsregeling van artikel 3 van richtlijn 2001/29 en artikel 14 van richtlijn 2000/31, die tot aan de inwerkingtreding van artikel 17 van richtlijn 2019/790 van toepassing was op aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, uitdrukkelijk gewezen op de noodzaak om naar behoren rekening te houden met het bijzondere belang van internet voor de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie, en aldus te verzekeren dat dit grondrecht wordt geëerbiedigd bij de toepassing van deze regeling (zie in die zin arrest van 22 juni 2021, YouTube en Cyando, C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punten 64, 65 en 113).

48      Om uit te maken of de specifieke aansprakelijkheidsregeling van artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 voor aanbieders van onlinediensten voor het delen van content een beperking inhoudt van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers van dergelijke diensten, moet om te beginnen worden vastgesteld dat deze bepaling berust op de premisse dat deze aanbieders niet noodzakelijkerwijs in staat zijn om toestemming te verkrijgen voor alle beschermde content die door de gebruikers van hun platformen kan worden geüpload. In deze context moet worden opgemerkt dat de rechthebbenden vrij kunnen bepalen of en onder welke voorwaarden hun werken en andere beschermde materialen worden gebruikt. Zoals in overweging 61 van deze richtlijn wordt benadrukt, doet deze immers geen afbreuk aan de contractuele vrijheid en mogen deze rechthebbenden dus geenszins worden verplicht toestemming of licenties voor het gebruik van hun werk te verlenen aan aanbieders van onlinediensten voor het delen van content.

49      In die omstandigheden moeten aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, om te vermijden dat zij aansprakelijk worden gesteld wanneer gebruikers illegale content uploaden op hun platformen waarvoor deze aanbieders geen toestemming van de rechthebbenden hebben, aantonen dat zij alles in het werk hebben gesteld in de zin van artikel 17, lid 4, onder a), van richtlijn 2019/790 om die toestemming te krijgen en dat zij aan alle andere vrijstellingsvoorwaarden van artikel 17, lid 4, onder b) en c), van deze richtlijn voldoen.

50      Volgens deze andere voorwaarden hebben de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content niet alleen de verplichting die aan het begin van artikel 17, lid 4, onder c), van richtlijn 2019/790 wordt genoemd en die overeenstemt met de verplichting die reeds op hen rustte krachtens artikel 14, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/31 en erin bestaat dat zij, zodra zij van de rechthebbenden een voldoende onderbouwde melding hebben ontvangen, prompt optreden om de toegang tot de gemelde beschermde content te deactiveren of deze van hun platform te verwijderen (zie ook arrest van 22 juni 2021, YouTube en Cyando, C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punt 116).

51      Naast deze verplichting zijn deze aanbieders namelijk verplicht om, wat betreft bepaalde beschermde content waarvoor de rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, krachtens artikel 17, lid 4, onder b), van richtlijn 2019/790 „overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding, alles in het werk [te stellen] om ervoor te zorgen dat [die content] niet beschikbaar [is]”.

52      Voorts moeten die aanbieders, wat betreft bepaalde beschermde content waarvoor de rechthebbenden na de beschikbaarstelling ervan voor het publiek een voldoende onderbouwde melding hebben ingediend, krachtens artikel 17, lid 4, onder c), in fine, van richtlijn 2019/790 „alles in het werk [stellen] om toekomstige uploads ervan overeenkomstig punt b) [van die bepaling] te voorkomen”.

53      Uit de bewoordingen en de opzet van artikel 17, lid 4, onder b) en c), van richtlijn 2019/790 volgt dus dat aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van aansprakelijkheid en onder voorbehoud van de uitzondering voor nieuwe aanbieders in de zin van artikel 17, lid 6, van deze richtlijn, niet alleen prompt moeten optreden om concrete inbreuken op het auteursrecht op hun platform te beëindigen nadat deze zich hebben voorgedaan en zij daarvan een voldoende onderbouwde melding van de rechthebbenden hebben ontvangen, maar ook, na ontvangst van een dergelijke melding of wanneer die rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt voordat een inbreuk op het auteursrecht zich voordoet, „overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding, alles in het werk [moeten stellen]” om ervoor te zorgen dat die inbreuken zich niet (opnieuw) voordoen. Zoals de Republiek Polen stelt, moeten die aanbieders op grond van die laatste verplichtingen dus de facto vooraf de content controleren die gebruikers op hun platformen willen uploaden, voor zover zij van de rechthebbenden de in artikel 17, lid 4, onder b) en c), bedoelde informatie of meldingen hebben ontvangen.

54      Overigens zijn de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, zoals de advocaat-generaal in de punten 57 tot en met 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, om een dergelijke voorafgaande controle te kunnen uitvoeren, naargelang van het aantal geüploade bestanden en het soort beschermd materiaal in kwestie, gedwongen om binnen de in artikel 17, lid 5, van richtlijn 2019/790 gestelde grenzen gebruik te maken van software voor de automatische herkenning en filtering van content. Meer bepaald konden noch de verwerende instellingen, noch de interveniënten ter terechtzitting voor het Hof alternatieven voor dergelijke software aandragen.

55      Deze voorafgaande controle en filtering kunnen een belangrijk middel voor de verspreiding van online-content aan banden leggen en aldus een beperking vormen van het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht.

56      Bovendien is deze beperking, anders dan de verwerende instellingen betogen, toe te rekenen aan de Uniewetgever, aangezien zij het rechtstreekse gevolg is van de specifieke aansprakelijkheidsregeling die in artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 is vastgesteld voor aanbieders van onlinediensten voor het delen van content.

57      Bovendien verwijst artikel 17, lid 5, van deze richtlijn uitdrukkelijk naar de „verplichtingen” van die aanbieders „uit hoofde van lid 4” van dat artikel 17, en somt het de elementen op waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of die aanbieder in het licht van het evenredigheidsbeginsel die verplichtingen „is nagekomen”.

58      Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de specifieke aansprakelijkheidsregeling van artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 voor aanbieders van onlinediensten voor het delen van content een beperking inhoudt van de uitoefening van het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers van deze diensten voor het delen van content.

 Rechtvaardiging van de beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie die voortvloeit uit de aansprakelijkheidsregeling van artikel 17 van richtlijn 2019/790

59      De Republiek Polen voert aan dat de uit de aansprakelijkheidsregeling van artikel 17 van richtlijn 2019/790 voortvloeiende beperking van de uitoefening van dit fundamentele recht van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content, niet voldoet aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

60      Volgens de Republiek Polen bevat artikel 17 namelijk geen waarborgen waarmee kan worden verzekerd dat de wezenlijke inhoud van dat grondrecht en het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd bij de nakoming van de verplichtingen van artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790. In het bijzonder bevatten laatstgenoemde bepalingen geen duidelijke en nauwkeurige regels met betrekking tot de wijze waarop de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content aan deze verplichtingen moeten voldoen, hetgeen hun „carte blanche” geeft om systemen voor voorafgaande controle en filtering in te voeren die indruisen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers van die diensten. Bovendien voorkomt artikel 17, leden 7 tot en met 9, van deze richtlijn bij de uitvoering van die verplichtingen niet dat ook wettige content automatisch wordt geblokkeerd en dat de verspreiding ervan onder het publiek op zijn minst aanzienlijk wordt vertraagd, met het risico dat die content vóór de verspreiding ervan al haar belang en informatieve waarde verliest.

61      Door het vaststellen van de aansprakelijkheidsregeling van artikel 17 van die richtlijn heeft de Uniewetgever het juiste evenwicht miskend tussen de bescherming van de rechthebbenden en de bescherming van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content, temeer daar de doelstellingen van deze aansprakelijkheidsregeling reeds ruimschoots zouden kunnen worden bereikt door de andere voorwaarden van artikel 17, lid 4, van die richtlijn.

62      Het Parlement en de Raad, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en de Commissie, betwisten het betoog van de Republiek Polen en stellen met name dat artikel 17 van richtlijn 2019/790 een systeem van volledige waarborgen bevat dat het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content en het juiste evenwicht tussen de betrokken rechten en belangen beschermt.

63      Opgemerkt zij dat, volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest, beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

64      In dit verband heeft het Hof vastgesteld dat het vereiste volgens hetwelk elke beperking op de uitoefening van grondrechten bij wet wordt gesteld, inhoudt dat de rechtsgrond die de inmenging in die rechten toestaat zelf de reikwijdte van de beperking op de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C‑311/18, EU:C:2020:559, punt 175 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      Verder vereist de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel dat de beperkingen die door met name handelingen van Unierecht kunnen worden gesteld aan in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, de maatregel moet worden gekozen die het minst belastend is, en dat de door die maatregel berokkende nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arresten van 13 maart 2019, Polen/Parlement en Raad, C‑128/17, EU:C:2019:194, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 december 2020, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., C‑336/19, EU:C:2020:1031, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      Wanneer verscheidene in de Verdragen neergelegde grondrechten en beginselen aan de orde zijn, moeten voorts bij de beoordeling of het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen, de vereisten inzake de bescherming van die verschillende rechten en beginselen met elkaar worden verzoend en moet een juist evenwicht hiertussen worden verzekerd (zie in die zin arrest van 17 december 2020, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., C‑336/19, EU:C:2020:1031, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67      Om aan het evenredigheidsbeginsel te voldoen, moet de regeling die de inmenging in grondrechten bevat bovendien duidelijke en nauwkeurige regels over de reikwijdte en de toepassing van de maatregel bevatten die minimale eisen opleggen, zodat degenen van wie de uitoefening van die rechten wordt beperkt over voldoende garanties beschikken dat zij doeltreffend worden beschermd tegen het risico van misbruik. Die regeling moet in het bijzonder aangeven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden een dergelijke maatregel kan worden genomen, en aldus waarborgen dat de inmenging tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt. De noodzaak om over dergelijke garanties te beschikken is des te groter wanneer de inmenging voortvloeit uit een geautomatiseerd proces (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C‑311/18, EU:C:2020:559, punt 176 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Wat met name een beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie betreft, zoals die welke in de onderhavige zaak aan de orde is, volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat artikel 10 EVRM weliswaar niet elke beperking die voorafgaat aan een middel tot verspreiding als zodanig verbiedt, maar dat dergelijke beperkingen toch een zo groot gevaar voor de eerbiediging van dit grondrecht opleveren, dat zij binnen een bijzonder strikt rechtskader moeten passen (EHRM, 18 december 2012, Ahmet Yildirim tegen Turkije, CE:ECHR:2012:1218JUD000311110, §§ 47 en 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69      In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of de beperking van de uitoefening van het in artikel 11 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content, die voortvloeit uit de aansprakelijkheidsregeling die in artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 voor de aanbieders van deze diensten is vastgesteld, voldoet aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest. Bij dit onderzoek moet niet alleen rekening worden gehouden met artikel 17, lid 4, afzonderlijk bezien, maar ook met de bepalingen die deze regeling verduidelijken en aanvullen, en in het bijzonder met artikel 17, leden 7 tot en met 10, van deze richtlijn. Bovendien moet rekening worden gehouden met het legitieme doel dat met de invoering van deze regeling wordt nagestreefd, te weten de bescherming van de houders van auteursrechten en naburige rechten, die in artikel 17, lid 2, van het Handvest als intellectuele-eigendomsrechten worden gewaarborgd.

70      In dit verband zij eraan herinnerd dat een handeling van de Unie volgens een algemeen uitleggingsbeginsel zoveel mogelijk aldus moet worden uitgelegd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de geldigheid ervan en dat het gehele primaire recht, waaronder met name de bepalingen van het Handvest, in acht wordt genomen. Wanneer een bepaling van afgeleid Unierecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, verdient de uitlegging die ervoor zorgt dat de bepaling in overeenstemming is met het primaire recht, dan ook de voorkeur boven de uitlegging die met zich meebrengt dat zij in strijd is met dat recht [arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus), C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

71      Bovendien heeft het onderhavige onderzoek, in het licht van de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest, betrekking op de bij artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 ingevoerde specifieke aansprakelijkheidsregeling voor aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, hetgeen niet vooruitloopt op elk onderzoek dat later betrekking kan hebben op de bepalingen die de lidstaten hebben vastgesteld ter omzetting van deze richtlijn of de maatregelen die deze aanbieders hebben vastgesteld om aan die regeling te voldoen.

72      In het kader van het onderhavige onderzoek moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content bij wet is gesteld, aangezien deze beperking voortvloeit uit de verplichtingen die aan de aanbieders van die diensten worden opgelegd door een bepaling van een handeling van de Unie, te weten, zoals in punt 53 van het onderhavige arrest is aangegeven, artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790.

73      Deze bepaling geeft inderdaad niet aan welke concrete maatregelen die dienstverleners moeten nemen om ervoor te zorgen dat bepaalde beschermde content waarvoor de rechthebbenden de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar is, of om toekomstige uploads van beschermde content waarvoor deze rechthebbenden een voldoende onderbouwde melding hebben ingediend te voorkomen. Deze bepaling legt deze dienstverleners enkel de verplichting op om in dit verband „overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding” „alles in het werk [te stellen]”. Volgens de door het Parlement en de Raad verstrekte uitleg beoogt de formulering van deze bepaling te verzekeren dat de aldus opgelegde verplichtingen kunnen worden aangepast aan de omstandigheden van het concrete geval van de verschillende aanbieders van onlinediensten voor het delen van content en aan de ontwikkeling van de praktijken in de sector en de beschikbare technologieën.

74      Volgens de rechtspraak van het EHRM verzet het vereiste dat beperkingen op de uitoefening van een grondrecht bij wet moeten worden gesteld, zich er echter niet tegen dat de regeling die deze beperking bevat, in voldoende open bewoordingen is geformuleerd om te kunnen worden aangepast aan veranderende omstandigheden (zie in die zin EHRM, 16 juni 2015, Delfi AS tegen Estland, CE:ECHR:2015:0616JUD006456909, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      Met betrekking tot een verplichting voor aanbieders van internetdiensten om maatregelen te nemen in verband met de naleving van het auteursrecht bij het gebruik van hun diensten, kan het bovendien, naargelang van het geval, zelfs noodzakelijk blijken te zijn om, teneinde de in artikel 16 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van ondernemerschap van deze dienstverleners en het juiste evenwicht tussen die vrijheid en het in artikel 11 van het Handvest vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers van hun diensten en het door artikel 17, lid 2, van het Handvest gewaarborgde recht op intellectuele eigendom van de rechthebbenden te eerbiedigen, die dienstverleners te laten bepalen welke concrete maatregelen moeten worden genomen om het beoogde resultaat te bereiken, zodat zij kunnen beslissen om de maatregelen te nemen die het best aansluiten op hun middelen en capaciteiten en verenigbaar zijn met de andere verplichtingen en uitdagingen waarmee zij bij de uitoefening van hun activiteit worden geconfronteerd (zie in die zin arrest van 27 maart 2014, UPC Telekabel Wien, C‑314/12, EU:C:2014:192, punt 52).

76      In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content, overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest, de wezenlijke inhoud van het in artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie eerbiedigt.

77      In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 17, lid 7, eerste alinea, van richtlijn 2019/790 uitdrukkelijk vermeldt dat de „samenwerking tussen de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en de rechthebbenden [...] niet [leidt] tot het voorkomen van de beschikbaarheid van door gebruikers geüploade werken of andere materialen die geen inbreuk maken op het auteursrecht en naburige rechten, ook niet wanneer deze werken of andere materialen vallen onder een uitzondering [op] of beperking” van die rechten.

78      Volgens de eenduidige bewoordingen van artikel 17, lid 7, eerste alinea, vereist deze bepaling, anders dan artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790, niet alleen dat de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content daartoe „alles in het werk [stellen]”, maar bepaalt zij ook een nauwkeurig te bereiken resultaat.

79      Bovendien benadrukt artikel 17, lid 9, derde alinea, van richtlijn 2019/790 dat deze richtlijn „geen gevolgen [heeft] voor rechtmatig gebruik, zoals op grond van uitzonderingen of beperkingen waarin het Unierecht voorziet”.

80      Uit artikel 17, leden 7 en 9, van richtlijn 2019/790 en de overwegingen 66 en 70 ervan blijkt dus duidelijk dat de Uniewetgever ter bescherming van het in artikel 11 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content, en van het juiste evenwicht tussen de betrokken rechten en belangen, heeft bepaald dat de uitvoering van de in artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van deze richtlijn aan de aanbieders van die diensten opgelegde verplichtingen er met name niet toe kan leiden dat die aanbieders maatregelen vaststellen die afbreuk doen aan de wezenlijke inhoud van dat grondrecht van de gebruikers die op hun platformen content delen die geen inbreuk maakt op het auteursrecht en naburige rechten.

81      Richtlijn 2019/790 weerspiegelt hiermee overigens de rechtspraak van het Hof volgens welke de door aanbieders als die in het hoofdgeding vastgestelde maatregelen het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van internetgebruikers moeten eerbiedigen en met name dermate doelgericht moeten zijn dat zij een doeltreffende bescherming van het auteursrecht mogelijk maken zonder dat zij nadelige gevolgen hebben voor de gebruikers die rechtmatig gebruikmaken van de diensten van deze aanbieders (zie in die zin arrest van 27 maart 2014, UPC Telekabel Wien, C‑314/12, EU:C:2014:192, punten 55 en 56).

82      In de derde plaats moet in het kader van de evenredigheidstoetsing als bedoeld in artikel 52, lid 1, van het Handvest allereerst worden vastgesteld dat de in punt 69 van het onderhavige arrest bedoelde beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content beantwoordt aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest, te weten in casu de door artikel 17, lid 2, van het Handvest gewaarborgde noodzaak van bescherming van de intellectuele eigendom. Zoals met name blijkt uit de overwegingen 2, 3 en 61 van richtlijn 2019/790, beogen de bij artikel 17 van richtlijn 2019/790 aan aanbieders van onlinediensten voor het delen van content opgelegde verplichtingen, waaruit die beperking voortvloeit, namelijk de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen teneinde bij te dragen tot een goede en eerlijke werking van de markt voor auteursrechten. In het kader van onlinediensten voor het delen van content gaat de bescherming van auteursrechten echter tot op zekere hoogte gepaard met een beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers.

83      Vervolgens is het aansprakelijkheidsmechanisme van artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 niet alleen geschikt, maar blijkt dit ook kennelijk noodzakelijk om te voldoen aan de eisen van bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten. Meer bepaald is het door de Republiek Polen voorgestelde alternatieve mechanisme op grond waarvan enkel de verplichtingen van artikel 17, lid 4, onder a), en de aanhef van lid 4, onder c), aan aanbieders van onlinediensten voor het delen van content zouden worden opgelegd, stellig een maatregel die minder beperkend is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, maar dit neemt niet weg dat dit alternatieve mechanisme de intellectuele-eigendomsrechten niet even doeltreffend beschermt als het door de Uniewetgever gekozen mechanisme.

84      Ten slotte moet worden vastgesteld dat de verplichtingen die artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 oplegt aan aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers van deze diensten niet onevenredig beperken.

85      Ten eerste volgt namelijk, zoals de advocaat-generaal in de punten 164, 165 en 191 tot en met 193 van zijn conclusie heeft opgemerkt, uit artikel 17, leden 7 en 9, van richtlijn 2019/790 en uit de overwegingen 66 en 70 ervan, dat de Uniewetgever, ter voorkoming van het risico dat met name het gebruik van automatische herkennings- en filtersoftware met zich meebrengt voor het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers van onlinediensten voor het delen van content, een duidelijke en nauwkeurige grens in de zin van de in punt 67 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak heeft gesteld aan de maatregelen die kunnen of moeten worden genomen ter uitvoering van de verplichtingen van artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790, door in het bijzonder maatregelen uit te sluiten die wettige content bij het uploaden filteren en blokkeren.

86      In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft vastgesteld dat een filtersysteem dat mogelijkerwijs onvoldoende onderscheid maakt tussen illegale inhoud en legale inhoud, zodat de toepassing ervan zou kunnen leiden tot blokkering van legale communicatie, onverenigbaar is met het in artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, en het juiste evenwicht tussen dat recht en het intellectuele-eigendomsrecht niet eerbiedigt. Het Hof heeft in dit verband benadrukt dat de beantwoording van de vraag of een datatransmissie legaal is, ook afhangt van de toepassing van wettelijke uitzonderingen op het auteursrecht, die van lidstaat tot lidstaat verschillen. Bovendien kunnen sommige werken in bepaalde lidstaten tot het publieke domein behoren of kunnen zij door de betrokken auteurs gratis op het internet zijn geplaatst (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, SABAM, C‑360/10, EU:C:2012:85, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87      Ten tweede moet met betrekking tot de uitzonderingen en beperkingen op het auteursrecht, die rechten bevatten voor de gebruikers van werken of ander beschermd materiaal en die ten doel hebben een juist evenwicht te waarborgen tussen de grondrechten van die gebruikers en de rechthebbenden (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak), worden vastgesteld dat artikel 17, lid 7, tweede alinea, van richtlijn 2019/790 de lidstaten verplicht om ervoor te zorgen dat gebruikers in elke lidstaat de mogelijkheid hebben om door gebruikers gegenereerde content te uploaden en beschikbaar te stellen voor de specifieke doeleinden van citeren, kritiek, recensie, karikatuur, parodie of pastiche. Uit overweging 70 van deze richtlijn blijkt dat de Uniewetgever namelijk heeft geoordeeld dat het, gelet op het bijzondere belang ervan voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van kunsten en derhalve voor dit juiste evenwicht, noodzakelijk was die uitzonderingen en beperkingen, die facultatief zijn opgenomen in artikel 5 van richtlijn 2001/29, verplicht te stellen om te garanderen dat gebruikers dienaangaande in de gehele Unie uniforme bescherming genieten.

88      Bovendien verplicht artikel 17, lid 9, vierde alinea, van richtlijn 2019/790 – met hetzelfde doel de rechten van de gebruikers te waarborgen – de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content om hun gebruikers in hun algemene gebruiksvoorwaarden mee te delen dat zij beschermde werken en ander beschermd materiaal kunnen gebruiken op grond van uitzonderingen of beperkingen op het auteursrecht en naburige rechten waarin het Unierecht voorziet.

89      Ten derde wordt de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers die deze diensten rechtmatig gebruiken, beschermd door het feit dat de aansprakelijkheid van de dienstverleners om ervoor te zorgen dat bepaalde content niet beschikbaar is, krachtens artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790 slechts kan worden ingeroepen indien de betrokken rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie over die content verstrekken. Aangezien het verstrekken van kennelijk relevante informatie de voorafgaande voorwaarde is voor de eventuele vaststelling van deze aansprakelijkheid van de dienstverleners, zullen laatstgenoemden bij gebreke van dergelijke informatie namelijk niet verplicht zijn om ervoor te zorgen dat de betrokken content niet beschikbaar is.

90      Ten vierde stelt artikel 17, lid 8, van richtlijn 2019/790, door net als artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 te bepalen dat de toepassing van dat artikel 17 niet leidt tot een algemene toezichtsverplichting, een extra waarborg voor de eerbiediging van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content. Deze verduidelijking houdt namelijk in dat de aanbieders van deze diensten niet kunnen worden verplicht om te voorkomen dat content wordt geüpload en voor het publiek beschikbaar wordt gesteld waarvan zij de onwettigheid enkel kunnen vaststellen indien zij een autonome beoordeling verrichten van de inhoud in het licht van de door de rechthebbenden verstrekte informatie en eventuele uitzonderingen en beperkingen op het auteursrecht (zie naar analogie arrest van 3 oktober 2019, Glawischnig-Piesczek, C‑18/18, EU:C:2019:821, punten 41‑46).

91      In het bijzonder wordt in overweging 66 van richtlijn 2019/790 aangegeven dat het niet kan worden uitgesloten dat in sommige gevallen pas na kennisgeving door de rechthebbenden kan worden vermeden dat niet-toegelaten content beschikbaar komt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat die kennisgeving voldoende gegevens moet bevatten om de aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content in staat te stellen zich zonder grondig juridisch onderzoek ervan te vergewissen dat die mededeling onrechtmatig was en dat een eventuele verwijdering van de betrokken content verenigbaar is met de vrijheid van meningsuiting (arrest van 22 juni 2021, YouTube en Cyando, C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punt 116).

92      In dit verband zij eraan herinnerd dat het recht op intellectuele eigendom weliswaar door artikel 17, lid 2, van het Handvest wordt beschermd, maar dat noch uit deze bepaling, noch uit de rechtspraak van het Hof voortvloeit dat dit recht onaantastbaar is en daarom absolute bescherming moet genieten (arrest van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93      Ten vijfde voert artikel 17, lid 9, eerste en tweede alinea, van richtlijn 2019/790 meerdere procedurele waarborgen in naast die van artikel 17, leden 7 en 8, van deze richtlijn, die het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van onlinediensten voor het delen van content beschermen voor de gevallen waarin de aanbieders van deze diensten, ondanks de in deze laatste bepalingen gestelde waarborgen, per vergissing of zonder grondslag wettige content blokkeren.

94      Zo volgt uit artikel 17, lid 9, eerste en tweede alinea, en overweging 70 van richtlijn 2019/790 dat de Uniewetgever het van belang heeft geacht ervoor te zorgen dat de aanbieders van onlinediensten voor het delen van content een doeltreffend en snel klachten- en beroepsmechanisme instellen ter ondersteuning van het rechtmatige gebruik van werken of andere beschermde materialen, in het bijzonder die welke vallen onder uitzonderingen en beperkingen op het auteursrecht die strekken tot bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van kunsten. Volgens deze bepalingen moeten gebruikers een klacht kunnen indienen wanneer zij van mening zijn dat de toegang tot door hen geüploade content ten onrechte is geblokkeerd of dat die content ten onrechte is verwijderd. Elke klacht moet onverwijld worden behandeld en onderworpen zijn aan menselijke toetsing. Voorts moeten rechthebbenden die dienstverleners verzoeken maatregelen te nemen tegen uploads door gebruikers, bijvoorbeeld het deactiveren van de toegang tot of het verwijderen van geüploade content, hun verzoek naar behoren motiveren.

95      Bovendien moeten de lidstaten er overeenkomstig deze bepalingen voor zorgen dat gebruikers voor het beslechten van geschillen toegang hebben tot efficiënte rechtsmiddelen en tot mechanismen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting die het mogelijk maken dat geschillen onpartijdig worden beslecht. Met name moeten de gebruikers toegang hebben tot een rechtbank of een andere bevoegde rechterlijke instantie om het gebruik van een uitzondering of beperking op het auteursrecht en naburige rechten te laten gelden.

96      Ten zesde vult artikel 17, lid 10, van richtlijn 2019/790 de waarborgregeling van artikel 17, leden 7 tot en met 9, ervan aan door de Commissie op te dragen om in samenwerking met de lidstaten dialogen met belanghebbenden te organiseren om beste praktijken te bespreken voor de samenwerking tussen de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en rechthebbenden, en om, rekening houdend met de resultaten van de dialogen met belanghebbenden en in overleg met belanghebbenden, met inbegrip van de gebruikersorganisaties, richtsnoeren te verstrekken voor de toepassing van artikel 17 van die richtlijn en met name lid 4 ervan.

97      Artikel 17, lid 10, van richtlijn 2019/790 benadrukt in dit verband uitdrukkelijk dat er bij het bespreken van beste praktijken in het bijzonder rekening moet worden gehouden met het feit dat een evenwicht moet worden gevonden tussen grondrechten en het gebruik van uitzonderingen en beperkingen. Voorts hebben de gebruikersorganisaties voor deze dialoog met belanghebbenden toegang tot adequate informatie van de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content over de werking van hun praktijken met betrekking tot artikel 17, lid 4, van deze richtlijn.

98      Uit de vaststellingen in de punten 72 tot en met 97 van het onderhavige arrest volgt dat, anders dan de Republiek Polen stelt, de verplichting voor aanbieders van onlinediensten voor het delen van content om de content die gebruikers op hun platformen willen uploaden voorafgaand aan de verspreiding ervan onder het publiek te controleren, die voortvloeit uit de specifieke aansprakelijkheidsregeling van artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van richtlijn 2019/790 en met name de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 17, lid 4, onder b) en onder c), in fine, van die richtlijn, door de Uniewetgever is omgeven met passende waarborgen om overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest de eerbiediging te verzekeren van het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van die diensten alsook van het juiste evenwicht tussen dat recht en het door artikel 17, lid 2, van het Handvest beschermde recht op intellectuele eigendom.

99      Bij de omzetting van artikel 17 van richtlijn 2019/790 in hun nationale recht moeten de lidstaten er zorg voor dragen dat zij zich baseren op een uitlegging van die bepaling die het mogelijk maakt om een juist evenwicht te vinden tussen de verschillende door het Handvest beschermde grondrechten. Vervolgens moeten de autoriteiten en rechterlijke instanties van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter omzetting van deze richtlijn niet alleen hun nationale recht in overeenstemming met die bepaling uitleggen, maar er ook op toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van die bepaling die in conflict zou komen met deze grondrechten of de andere algemene beginselen van het Unierecht, zoals het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 29 januari 2008, Promusicae, C‑275/06, EU:C:2008:54, punt 68).

100    Gelet op een en ander moet het enige middel dat de Republiek Polen ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, worden afgewezen, zodat dit beroep moet worden verworpen.

 Kosten

101    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Republiek Polen in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het Parlement en de Raad in de kosten te worden verwezen.

102    Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Portugese Republiek en de Commissie hun eigen kosten.

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      De Republiek Polen wordt in de kosten verwezen.

3)      Het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Portugese Republiek en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Pools.