Language of document : ECLI:EU:C:2022:317

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

28 april 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele-eigendomsrechten – Richtlijn 2004/48/EG – Artikel 14 – Begrippen ‚gerechtskosten’ en ‚andere kosten’ – Aanmaning om de handhaving van een intellectuele-eigendomsrecht te waarborgen langs buitengerechtelijke weg – Advocatenkosten – Kwalificatie – Nationale regeling waarin onder bepaalde voorwaarden beperkingen worden gesteld aan het verhaalbare bedrag van deze kosten”

In zaak C‑559/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Saarbrücken (rechter in tweede aanleg Saarbrücken, Duitsland) bij beslissing van 6 oktober 2020, ingekomen bij het Hof op 26 oktober 2020, in de procedure

Koch Media GmbH

tegen

FU,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur) en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Koch Media GmbH, vertegenwoordigd door A. Nourbakhsch, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en U. Bartl als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun, T. Scharf en S. L. Kalėda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 november 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Koch Media GmbH en FU over de verhaalbaarheid van advocatenkosten die Koch Media heeft gemaakt om de eerbiediging van haar rechten te verzekeren door middel van een voorafgaand aan de instelling van een beroep aan FU gerichte aanmaning.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2004/48

3        De overwegingen 10, 14 en 17 van richtlijn 2004/48 zijn als volgt verwoord:

„(10)      Het doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van deze wetgevingen teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt te waarborgen.

[...]

(14)      De maatregelen ingesteld bij artikel 6, lid 2, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 2, moeten uitsluitend van toepassing zijn op handelingen die op commerciële schaal worden verricht. Dit neemt niet weg dat de lidstaten deze maatregelen ook op andere handelingen moeten kunnen toepassen. Op commerciële schaal verrichte handelingen zijn handelingen waarmee rechtstreeks of onrechtstreeks economisch of commercieel voordeel wordt beoogd; normaliter sluit dit handelingen van eindgebruikers te goeder trouw uit.

[...]

(17)      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, moeten in elk afzonderlijk geval zodanig worden vastgesteld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval, waaronder de specifieke kenmerken van elk intellectuele-eigendomsrecht en in voorkomend geval de opzettelijke of onopzettelijke aard van de inbreuk.”

4        Artikel 1 van die richtlijn heeft als opschrift „Doel” en bepaalt:

„Deze richtlijn betreft de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. In deze richtlijn omvat de term ‚intellectuele-eigendomsrechten’ ook industriële-eigendomsrechten.”

5        Artikel 2 van die richtlijn heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1:

„Onverminderd de middelen die in de communautaire of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het communautaire recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.”

6        Hoofdstuk II van deze richtlijn bevat de artikelen 3 tot en met 15 ervan, betreffende de door richtlijn 2004/48 geregelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen.

7        In artikel 3 van richtlijn 2004/48, met het opschrift „Algemene verplichting”, wordt het volgende bepaald:

„1.      De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.

2.      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

8        Artikel 13 van deze richtlijn, met het opschrift „Schadevergoeding”, luidt:

„1.      De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten de rechthebbende een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden.

De rechterlijke instanties die de schadevergoeding vaststellen:

a)      houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de rechthebbende door de inbreuk heeft geleden,

of

b)      kunnen, als alternatief voor het bepaalde onder a), in passende gevallen de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken.

2.      De lidstaten kunnen bepalen dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een vooraf vastgestelde schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde.”

9        Artikel 14 van deze richtlijn, met als opschrift „Aan de procedure verbonden kosten”, luidt:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.”

 Richtlijn 2001/29

10      In artikel 1 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10), met als opschrift „Werkingssfeer”, wordt in lid 2 het volgende bepaald:

„[...] [D]eze richtlijn [doet] geen afbreuk aan en raakt [...] op generlei wijze aan de bestaande bepalingen van de Gemeenschap betreffende:

a)      de rechtsbescherming van computerprogramma’s;

[...]”

11      Artikel 8 van deze richtlijn heeft als opschrift „Sancties en rechtsmiddelen” en bepaalt in lid 2 ervan:

„Elke lidstaat draagt er zorg voor, dat rechthebbenden wier belangen worden geschaad door een inbreukmakende handeling die op zijn grondgebied plaatsvindt, een vordering tot schadevergoeding en/of beëindiging van de inbreuk en in voorkomend geval een vordering tot inbeslagneming van het inbreukmakende materiaal en de in artikel 6, lid 2, bedoelde inrichtingen, producten of onderdelen kunnen instellen.”

 Richtlijn 2009/24

12      Bij richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 2009, L 111, blz. 16), is richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 2009, L 122, blz. 42) gecodificeerd en ingetrokken.

13      Artikel 1 van richtlijn 2009/24, met het opschrift „Voorwerp van de bescherming”, bepaalt:

„Overeenkomstig deze richtlijn worden computerprogramma’s door de lidstaten auteursrechtelijk beschermd als werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst[, getekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de gewijzigde versie van 28 september 1979]. De term ‚computerprogramma’ in de zin van deze richtlijn omvat ook het voorbereidend materiaal.”

14      Artikel 7 van deze richtlijn, met als opschrift „Bijzondere beschermingsmaatregelen”, bepaalt in lid 1:

„Onverminderd de artikelen 4, 5 en 6, voorzien de lidstaten, overeenkomstig hun nationale wetgeving, in passende sancties tegen personen die de volgende handelingen verrichten:

a)      in het verkeer brengen van een kopie van een computerprogramma terwijl zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het een onrechtmatige kopie is;

[...]”

 Duits recht

15      § 97a van het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte – Urheberrechtsgesetz (Duitse wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) van 9 september 1965 (BGBl. 1965 I, blz. 1273), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „UrhG”), heeft als opschrift „Aanmaning” en luidt als volgt:

„(1)      Alvorens een gerechtelijke verbodsprocedure in te leiden, dient de benadeelde de inbreukmaker te sommeren de betrokken handelingen te staken en hem de gelegenheid te bieden het geschil te beslechten door zich ertoe te verbinden zich van de inbreuk te onthouden op straffe van betaling van een overeengekomen passende boete.

(2)      De aanmaning moet op duidelijke en begrijpelijke wijze:

1.      de naam of bedrijfsnaam van de benadeelde vermelden, indien niet de benadeelde zelf maar een vertegenwoordiger de aanmaning verstuurt;

2.      de inbreuk nauwkeurig beschrijven;

3.      de gevorderde vergoeding uitsplitsen naar schadevergoeding en vergoeding van gemaakte kosten, en

4.      indien een onthoudingsverklaring wordt verlangd, aangeven of de voorgestelde stakingsverplichting aanzienlijk verdergaat dan de inbreuk waarop de aanmaning betrekking heeft.

Een aanmaning die niet aan de eerste volzin voldoet, is ongeldig.

(3)      Voor zover de aanmaning gerechtvaardigd is en voldoet aan lid 2, eerste volzin, punten 1 tot en met 4, kan vergoeding van de noodzakelijke kosten worden gevorderd. Voor het gebruik van de diensten van een advocaat is de vergoeding van de noodzakelijke kosten, wat betreft de wettelijke tarieven, beperkt tot een waarde van 1 000 EUR voor verbods- of stakingsvorderingen, wanneer de aangemaande persoon:

1.      een natuurlijke persoon is die krachtens deze wet beschermde werken of ander krachtens deze wet beschermd materiaal niet voor zijn bedrijfs- of zelfstandige beroepsactiviteit gebruikt, en

2.      niet reeds tot onthouding verplicht is uit hoofde van een contractueel recht van de aanmanende partij of op grond van een onherroepelijke rechterlijke beslissing of een voorlopige op staking gerichte maatregel.

De in de tweede volzin aangegeven waarde is ook van toepassing indien er gelijktijdig sprake is van een verbodsvordering en een stakingsvordering. De tweede volzin is niet van toepassing indien deze waarde in de bijzondere omstandigheden van het concrete geval niet billijk is.

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      Koch Media is houder van de intellectuele-eigendomsrechten betreffende het computerspel „This War of Mine” voor het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland. Het betreft een computerspel dat in november 2014 in de handel is gebracht en volgens Koch Media de Duitse computerspelprijs heeft ontvangen. Volgens de verwijzingsbeslissing bedroeg de verkoopprijs van het werk op de betrokken markt in de eerste maanden nadat het was uitgegeven, meer dan 30 EUR.

17      Koch Media was van mening dat FU, een natuurlijke persoon, haar intellectuele-eigendomsrechten meermaals had geschonden door dit computerspel via zijn internetaansluiting op een filesharing-platform in het kader van een peer-to-peernetwerk voor het publiek beschikbaar te stellen en heeft daarom een advocatenkantoor gemachtigd om de eerbiediging van haar rechten te verzekeren, met name door FU overeenkomstig § 97a UrhG aan te manen om haar handelingen te staken.

18      Bij brief van 9 april 2015 hebben de advocaten van Koch Media aan FU een minnelijke schikking voorgesteld en hem verzocht om zich met een strafbewehrte Unterlassungserklärung (onthoudingsverklaring met boetebeding) ertoe te verbinden, dit computerspel niet meer op een filesharing-platform ter download voor het publiek beschikbaar te stellen en schadevergoeding te betalen.

19      Aangezien FU dit voorstel enkel met betrekking tot de verbintenis om zijn handelingen te staken en niet met betrekking tot de betaling van schadevergoeding aanvaardde, heeft Koch Media bij het Amtsgericht Saarbrücken (rechter in eerste aanleg Saarbrücken, Duitsland) een schadevergoedingsvordering ingesteld. Bij vonnis van 29 januari 2020 heeft deze rechter dat beroep toegewezen en vastgesteld dat FU tussen 26 en 28 november 2014 het betrokken computerspel op ten minste 13 momenten via zijn internetaansluiting op een filesharing-platform ter download beschikbaar had gesteld. Bovendien heeft deze rechter FU verwezen in de kosten, met inbegrip van een bedrag van 124 EUR, vermeerderd met rente, voor de advocatenkosten die Koch Media had moeten maken om via een aanmaning haar stakingsvordering te kunnen instellen.

20      Aangezien Koch Media onder meer van mening was dat haar alle gemaakte advocatenkosten ter hoogte van in het onderhavige geval 984,60 EUR, wat overeenkomt met een vorderingswaarde van 20 000 EUR, moesten worden vergoed, heeft zij tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, het Landgericht Saarbrücken (rechter in tweede aanleg Saarbrücken, Duitsland).

21      De verwijzende rechter zet uiteen dat de vergoeding van de advocatenkosten die in de precontentieuze fase van een geschil over de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten in verband met de instelling van een stakingsvordering zijn gemaakt, in het Duitse recht wordt geregeld in § 97a UrhG. Volgens deze bepaling kan de houder van het auteursrecht waarop inbreuk is gemaakt, in beginsel de „noodzakelijke kosten” vergoed krijgen. In dit verband blijkt uit § 97a, lid 3, tweede volzin, UrhG dat de Duitse wetgever in beginsel de vorderingswaarde van het door natuurlijke personen terug te betalen bedrag plafonneert op 1 000 EUR, hetgeen betekent dat een aanzienlijk deel van de advocatenkosten ten laste van de houder van de intellectuele-eigendomsrechten blijft. Volgens § 97a, lid 3, vierde volzin, UrhG hoeft de bevoegde rechter bij wijze van uitzondering met dit maximum geen rekening te houden in geval van „onbillijkheid”. Daarentegen blijkt uit de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) dat wanneer een houder van rechten op actuele films, muziek of dvd’s zijn stakingsvordering geldend maakt, de vorderingswaarde hoe dan ook meer dan 10 000 EUR bedraagt.

22      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich ten eerste af of de advocatenkosten in verband met een aanmaning, zoals aan de orde in de bij hem aanhangige zaak, vallen onder de „gerechtskosten” dan wel de „andere kosten” als bedoeld in artikel 14 van richtlijn 2004/48 of onder de in artikel 13 van deze richtlijn genoemde „schadevergoeding”, of dat deze kosten in het geheel niet onder die richtlijn vallen.

23      Volgens de verwijzende rechter heeft de in § 97a UrhG bedoelde aanmaning een tweeledig doel, namelijk enerzijds door een minnelijke schikking van het geschil tussen de partijen voorkomen dat het tot een proces komt, en anderzijds, in geval van een proces, de houder van het intellectuele-eigendomsrecht beschermen tegen het risico dat hij wordt verwezen in de kosten indien hij zonder voorafgaande aanmaning een stakingsvordering instelt, maar de verwerende partij meteen de gegrondheid van zijn vordering erkent.

24      Ten tweede wenst hij te vernemen of de relevante richtlijnen, gelet op de bevindingen van het arrest van 28 juli 2016, United Video Properties (C‑57/15, EU:C:2016:611), aldus moeten worden uitgelegd dat de aanmaningskosten in beginsel ook volledig moeten worden vergoed wanneer de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten is gepleegd door natuurlijke personen die geen beroeps- of bedrijfsbelang nastreven, en of bepaalde factoren ertoe kunnen leiden dat alleen een zeer klein deel van deze kosten hoeft te worden vergoed. Zo ja, dan vraagt de verwijzende rechter zich af welke kosten dan voor vergoeding in aanmerking komen.

25      Ten derde moeten de advocatenkosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 2004/48 in de regel worden gedragen door de verliezende partij, tenzij dat niet billijk is. § 97a, lid 3, vierde volzin, UrhG heeft de verhouding tussen deze regel en de uitzondering daarop omgekeerd. Volgens deze bepaling is de bovengrens van 1 000 EUR die geldt voor de bij de begroting van proceskosten toegepaste vorderingswaarde alleen niet van toepassing in het bijzondere geval dat deze, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, onbillijk is.

26      Als slotsom verduidelijkt de verwijzende rechter dat zijn verzoek om een prejudiciële beslissing past in de context van een groot aantal bij hem aanhangige gedingen waarvan de beslechting, wat de vergoeding van advocatenkosten in de precontentieuze fase van een geschil inzake de verdediging van intellectuele-eigendomsrechten betreft, afhangt van de uitlegging van het Unierecht, aangezien de Duitse rechtspraak hieromtrent sterk uiteenloopt.

27      Daarop heeft het Landgericht Saarbrücken de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      a)      Moet artikel 14 van [richtlijn 2004/48] aldus worden uitgelegd dat noodzakelijke advocatenkosten die voor een houder van intellectuele-eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van de handhavingsrichtlijn zijn ontstaan doordat hij buitengerechtelijk en middels een aanmaning een inbreukmaker op deze rechten heeft verzocht om de inbreuk te staken, als ‚gerechtskosten’ of ‚andere kosten’ onder die bepaling vallen?

b)      Indien de eerste vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 13 van de [richtlijn 2004/48] aldus worden uitgelegd dat de in de eerste vraag, onder a), genoemde advocatenkosten in aanmerking komen voor ‚schadevergoeding’ in de zin van die bepaling?

2)      a)      Moet het Unierecht, met name in het licht van

–      de artikelen 3, 13 en 14 van [richtlijn 2004/48];

–      artikel 8 van [richtlijn 2001/29] en

–      artikel 7 van [richtlijn 2009/24],

aldus worden uitgelegd dat een houder van intellectuele-eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van [richtlijn 2004/48] in beginsel recht heeft op volledige vergoeding van de in de eerste vraag, onder a), genoemde advocatenkosten, dan wel op vergoeding van een redelijk en substantieel deel daarvan, ook wanneer

–      de gestelde inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen, en

–      een nationale regeling in een dergelijk geval bepaalt dat deze advocatenkosten doorgaans slechts vergoedbaar zijn op grond van een verlaagde waarde van de vordering?

b)      Indien de tweede vraag, onder a), bevestigend wordt beantwoord: moeten de [daarin] aangehaalde bepalingen van Unierecht aldus worden uitgelegd dat een uitzondering op het [daarin] genoemde beginsel, volgens hetwelk de houder van intellectuele-eigendomsrechten recht heeft op volledige vergoeding van de in de eerste vraag, onder a), genoemde advocatenkosten, dan wel op vergoeding van een redelijk en substantieel deel daarvan,

met inachtneming van andere factoren (zoals bijvoorbeeld de recente aard van het werk, de duur van de publicatie en het feit dat de inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen),

kan worden toegepast, zelfs wanneer de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van [richtlijn 2004/48] bestaat in filesharing, dat wil zeggen de beschikbaarstelling van het werk aan het publiek door het te plaatsen op een vrij toegankelijk online-uitwisselingsplatform zonder digital rights management waar alle leden het gratis kunnen downloaden?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

28      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat de kosten die een houder van intellectuele-eigendomsrechten voor zijn vertegenwoordiging door een raadsman maakt teneinde de handhaving van die rechten langs buitengerechtelijke weg te verzekeren, zoals kosten in verband met een aanmaning, onder het begrip „gerechtskosten” of „andere kosten” in de zin van die bepaling vallen. Subsidiair vraagt hij zich af of dergelijke kosten onder het begrip „schadevergoeding” in de zin van artikel 13 van deze richtlijn vallen.

29      Zoals in overweging 10 wordt weergegeven, bestaat het doel van richtlijn 2004/48 erin om de wetgevingen van de lidstaten inzake de middelen ter handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten onderling aan te passen teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt te waarborgen.

30      Daartoe betreft richtlijn 2004/48 overeenkomstig artikel 1 ervan alle maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Volgens artikel 2, lid 1, van deze richtlijn zijn deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen van toepassing op elke inbreuk op deze rechten, zoals bepaald in het Unierecht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.

31      Evenwel wordt met de bepalingen van richtlijn 2004/48 niet beoogd om alle aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten te regelen, maar alleen de aspecten die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken op die rechten, door te eisen dat doeltreffende rechtswegen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen (arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands, C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Bovendien heeft de Uniewetgever er bij de vaststelling van deze richtlijn voor gekozen om een minimumharmonisatie inzake de eerbiediging van de intellectuele-eigendomsrechten in het algemeen tot stand te brengen (arrest van 9 juli 2020, Constantin Film Verleih, C‑264/19, EU:C:2020:542, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, moet niettemin worden vastgesteld dat richtlijn 2004/48, gelet op de doelstelling ervan om een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom te waarborgen, zowel op gerechtelijke als op buitengerechtelijke procedures van toepassing is, aangezien het ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten noodzakelijk kan blijken om gebruik te maken van beide soorten procedures.

34      Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat een autonome procedure die voorafgaat aan de schadevordering, zoals het verzoek om informatie waarmee een verzoeker krachtens artikel 8, lid 1, onder c), van richtlijn 2004/48 een internetprovider verzoekt om informatie aan de hand waarvan zijn klanten kunnen worden geïdentificeerd om op nuttige wijze een rechtsvordering tegen de vermeende inbreukmakers te kunnen instellen, voldoet aan het in die bepaling neergelegde criterium, namelijk dat een dergelijk verzoek verband houdt met „een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht” (zie in die zin arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M., C‑597/19, EU:C:2021:492, punten 81 en 82).

35      Aangezien de buitengerechtelijke aanmaningsprocedure een manier is om tot een minnelijke schikking te komen voordat er een rechtsvordering in eigenlijke zin wordt ingesteld, kan niet worden geoordeeld dat deze procedure niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/48 valt.

36      Wat de vraag betreft of aanmaningskosten onder de begrippen „gerechtskosten” of „andere kosten” in de zin van artikel 14 van richtlijn 2004/48 dan wel onder het begrip „schadevergoeding” in de zin van artikel 13 van deze richtlijn vallen, moet worden vastgesteld dat artikel 14 van richtlijn 2004/48 volgens de bewoordingen ervan niet alleen betrekking heeft op „gerechtskosten” in de strikte zin van het woord, maar ook op „andere kosten” die zijn gemaakt door de „in het gelijk gestelde partij”.

37      Deze bepaling beoogt het niveau van de bescherming van de intellectuele eigendom te verhogen door te voorkomen dat een benadeelde partij ervan zou worden weerhouden om ter waarborging van zijn rechten een gerechtelijke procedure in te stellen (arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands, C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      De aldus met deze bepaling nagestreefde specifieke doelstelling strookt volledig met de algemene doelstelling van richtlijn 2004/48, namelijk de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming van de intellectuele eigendom te waarborgen. Overeenkomstig die doelen moet in het algemeen de pleger van de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten alle financiële gevolgen van zijn handelwijze dragen (zie in die zin arrest van 18 oktober 2011, Realchemie Nederland, C‑406/09, EU:C:2011:668, punt 49).

39      Gelet op deze doelstellingen alsmede de ruime en algemene bewoordingen van artikel 14 van richtlijn 2004/48, waarin wordt verwezen naar de „in het gelijk gestelde partij” en de „verliezende partij” zonder nadere verduidelijking van de aard of beperking van de strekking van de procedure waarop de daarbij vastgestelde regel toepassing moet vinden, is deze bepaling van toepassing op de gerechtskosten die zijn gemaakt in elke procedure die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt (arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands, C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 78).

40      Evenwel houdt een ruime uitlegging van artikel 14 van richtlijn 2004/48, in die zin dat de verliezende partij als algemene regel „de andere kosten” van de in het gelijk gestelde partij moet dragen, zonder enige precisering wat betreft de aard van die kosten, het risico in dat dit artikel een te ruime werkingssfeer wordt verleend, waardoor artikel 13 van die richtlijn zijn nuttig effect wordt ontnomen (arrest van 28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 36).

41      Zo heeft het Hof in punt 36 van het arrest van 28 juli 2016, United Video Properties (C‑57/15, EU:C:2016:611), geoordeeld dat artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat onder „andere kosten” in de zin van die bepaling enkel de kosten vallen die rechtstreeks en nauw verbonden zijn met de betrokken gerechtelijke procedure.

42      Indien – net als in het arrest van 28 juli 2016, United Video Properties (C‑57/15, EU:C:2016:611), gelet op de kenmerken van de tot dat arrest leidende zaak is geoordeeld – de „andere kosten” in de zin van artikel 14 van richtlijn 2004/48 alleen terugvorderbaar zijn als ze aan deze criteria voldoen, geldt dit des te meer voor de in die bepaling bedoelde „gerechtskosten”.

43      Met betrekking tot de vraag of de aanmaningskosten „gerechtskosten” of „andere kosten” in de zin van artikel 14 van richtlijn 2000/48 vormen, moet worden vastgesteld dat de aanmaningskosten weliswaar niet als „gerechtskosten” in de zin van deze bepaling kunnen worden aangemerkt, aangezien in dit stadium nog geen geding aanhangig is bij een rechterlijke instantie, maar dat richtlijn 2004/48 er niet aan in de weg staat om die kosten aan te merken als „andere kosten” in de zin van die bepaling, ook al is het in dit precontentieuze stadium nog niet zeker of de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht vervolgens een gerechtelijke procedure zal inleiden dan wel de vermeende inbreukmaker diens voorstel voor een minnelijke regeling zal aanvaarden.

44      Aangezien de aanmaningsprocedure een procedure vormt die noodzakelijk is om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te verzekeren en erop gericht is latere gerechtelijke procedures te vermijden of zelfs te vervangen, moet om dezelfde redenen als die welke in de punten 32 tot en met 35 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, worden aangenomen dat de kosten van bijstand en vertegenwoordiging in die procedure vallen onder het begrip „andere kosten” in de zin van artikel 14 van richtlijn 2004/48.

45      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat de kosten die een houder van intellectuele-eigendomsrechten voor zijn vertegenwoordiging door een raadsman maakt teneinde de handhaving van die rechten langs buitengerechtelijke weg te verzekeren, zoals kosten in verband met een aanmaning, onder het begrip „andere kosten” in de zin van die bepaling vallen.

 Tweede vraag

46      Er zij allereerst aan herinnerd dat het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof tot taak heeft de nationale rechter een voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding nuttig antwoord te geven. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren (arrest van 21 december 2021, Randstad Italia, C‑497/20, EU:C:2021:1037, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      In dat verband moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat de vergoeding van de in deze bepaling vermelde „andere kosten” waarop de houder van een intellectuele-eigendomsrecht aanspraak kan maken, in een situatie waarin de inbreuk op dat recht door een natuurlijke persoon buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit is gepleegd, als forfaitair bedrag wordt berekend op basis van een vorderingswaarde die door deze regeling is geplafonneerd, tenzij de nationale rechter van oordeel is dat, gelet op de specifieke kenmerken van de bij hem aanhangige zaak, de toepassing van een dergelijk plafond onbillijk is. Indien dat het geval is, wenst de verwijzende rechter tevens te vernemen welke factoren hij in voorkomend geval in aanmerking moet nemen om te bepalen of deze kosten redelijk en evenredig zijn in de zin van dat artikel 14.

48      In de eerste plaats vereist artikel 14 van richtlijn 2004/48 dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij zullen worden gedragen.

49      Ten eerste legt artikel 14 van deze richtlijn de lidstaten de verplichting op om ervoor te zorgen dat alleen „redelijke” gerechtskosten worden vergoed. Dit vereiste, dat zowel op de „gerechtskosten” als op de „andere kosten” in de zin van die bepaling van toepassing is, weerspiegelt de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/48 aan de lidstaten opgelegde algemene verplichting om er met name op toe te zien dat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen, niet onnodig kostbaar zijn (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 24).

50      Het Hof heeft aldus geoordeeld dat kosten die buitensporig zijn wegens ongewoon hoge honoraria die de in het gelijk gestelde partij en haar advocaat waren overeengekomen, of wegens diensten van de advocaat die niet noodzakelijk worden geacht voor het waarborgen van de eerbiediging van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht, niet redelijk zijn (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 25).

51      Ten tweede bepaalt artikel 14 van richtlijn 2004/48 dat de gerechtskosten en de andere kosten die de verliezende partij moet dragen, „evenredig” moeten zijn.

52      In dit verband stelt het Hof vast dat de vraag of die kosten evenredig zijn, niet kan worden beoordeeld zonder acht te slaan op de kosten die de in het gelijk gestelde partij daadwerkelijk heeft gemaakt voor de bijstand van een advocaat, voor zover die „redelijk” zijn in de zin van punt 49 van dit arrest. Hoewel het evenredigheidsvereiste niet impliceert dat de verliezende partij noodzakelijkerwijze alle kosten van de andere partij moet vergoeden, vergt het immers wel dat de in het gelijk gestelde partij recht heeft op vergoeding van minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten die zij daadwerkelijk heeft gemaakt (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 29).

53      Wat in het bijzonder de situatie betreft van een natuurlijk persoon die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit inbreuk zou hebben gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht, moet bovendien worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit overweging 14 van richtlijn 2004/48, de voorwaarde dat inbreuken slechts binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen indien zij op commerciële schaal worden verricht, uitsluitend geldt voor maatregelen betreffende bewijsmateriaal, maatregelen betreffende het recht op informatie en voorlopige en conservatoire maatregelen als bedoeld in hoofdstuk II van die richtlijn, wat niet wegneemt dat de lidstaten deze maatregelen ook moeten kunnen toepassen op handelingen die niet op commerciële schaal zijn verricht (zie in die zin arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M., C‑597/19, EU:C:2021:492, punt 88).

54      Deze voorwaarde is echter niet van toepassing op „gerechtskosten” en „andere kosten” als bedoeld in artikel 14 van richtlijn 2004/48. Bijgevolg kunnen individuele inbreukmakers krachtens deze bepaling in beginsel worden gelast om de houder van intellectuele-eigendomsrechten al deze kosten te betalen, voor zover die redelijk en evenredig zijn (zie naar analogie arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M., C‑597/19, EU:C:2021:492, punt 89).

55      Niettemin heeft het Hof erkend dat de lidstaten, wanneer zij de algemene regel van artikel 14 van richtlijn 2004/48 omzetten in hun nationale rechtsorde, forfaitaire tarieven kunnen vaststellen. Het Hof heeft evenwel verduidelijkt dat deze tarieven ervoor moeten zorgen dat de kosten die krachtens de nationale omzettingsregeling ten laste van de verliezende partij kunnen worden gebracht, redelijk zijn en dat de maximumbedragen die voor deze kosten kunnen worden gevorderd, evenmin te laag zijn in vergelijking met de tarieven die een advocaat gewoonlijk toepast op het gebied van intellectuele eigendom (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punten 25, 26, 30 en 32).

56      Indien de inbreukmaker slechts zou kunnen worden verwezen in een gering deel van de redelijke advocaatkosten die de benadeelde houder van het intellectuele-eigendomsrecht heeft gemaakt, zou de afschrikkende werking van een inbreukprocedure immers aanzienlijk worden afgezwakt, hetgeen in strijd zou zijn met de algemene verplichting van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48 en de voornaamste doelstelling van deze richtlijn, die erin bestaat een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt te waarborgen, zoals uitdrukkelijk vermeld in overweging 10 van deze richtlijn, overeenkomstig artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 27).

57      Bovendien dient de nationale rechter er tevens op toe te zien dat het bedrag dat naar verwachting als gerechtskosten aan de houder van intellectuele-eigendomsrechten kan worden toegekend, niet van dien aard is dat het hem ervan kan weerhouden, gelet op de buitengerechtelijke kosten die te zijnen laste blijven en het nut daarvan voor de primaire vordering tot schadevergoeding, zijn rechten geldend te maken in rechte (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, Hansson, C‑481/14, EU:C:2016:419, punt 63).

58      In de tweede plaats is in artikel 14 van richtlijn 2004/48 niet alleen bepaald dat de redelijkheid en evenredigheid van de verhaalbare kosten wordt getoetst, maar ook dat de algemene regel voor de verdeling van die kosten niet van toepassing is indien de billijkheid verbiedt om de verliezende partij te verplichten om de kosten te vergoeden die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, zelfs wanneer deze redelijk en evenredig zijn.

59      Het Hof heeft geoordeeld dat die bepaling betrekking heeft op nationale regels op grond waarvan de rechter in een bijzonder geval bij wijze van uitzondering de algemene regeling inzake proceskosten buiten toepassing mag laten als die zou leiden tot een resultaat dat onrechtvaardig wordt geacht. Het Hof verduidelijkt evenwel dat de billijkheid – uit haar aard – evenwel niet kan rechtvaardigen dat vergoeding van kosten die een bepaald plafond overschrijden, algemeen en onvoorwaardelijk wordt uitgesloten (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, United Video Properties, C‑57/15, EU:C:2016:611, punt 31).

60      In de derde plaats moet overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 2004/48, gelezen in het licht van overweging 17 ervan, de nationale regeling ter omzetting van dit artikel 14 de rechter die over de proceskosten uitspraak moet doen, hoe dan ook in staat stellen om in elk afzonderlijk geval rekening te houden met de specifieke kenmerken daarvan.

61      Zo zou de nationale rechter uit hoofde van die specifieke kenmerken met name rekening kunnen houden met de recente aard van het werk, de duur van de publicatie, het feit dat de inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen, alsook, zoals blijkt uit overweging 17 van richtlijn 2004/48, met de specifieke kenmerken van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht en eventueel met de opzettelijke of onopzettelijke aard van de inbreuk.

62      Bovendien is het in het kader van deze inaanmerkingneming van de specifieke kenmerken van elk afzonderlijk geval ook noodzakelijk dat de verwijzende rechter, overeenkomstig de algemene verplichting van artikel 3 van richtlijn 2004/48, met name kan nagaan of een verzoek om verwijzing in de kosten dat betrekking heeft op de kosten van een vertegenwoordiger voor een aanmaningsbrief, eerlijk en billijk is en geen misbruik vormt (zie in die zin arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M., C‑597/19, EU:C:2021:492, punten 93 en 94).

63      De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, namelijk § 97a UrhG, bepaalt dat de invorderbare kosten worden verlaagd door op die kosten een maximale vorderingswaarde van 1 000 EUR toe te passen ingeval de persoon die in gebreke wordt gesteld, een natuurlijke persoon is die geen beschermde werken of ander beschermd materiaal voor zijn bedrijfs- of zelfstandige beroepsactiviteit gebruikt. In lid 3, vierde volzin, van deze § 97a is evenwel een uitzondering opgenomen voor het geval dat die bovengrens in de bijzondere omstandigheden van het concrete geval onbillijk is.

64      Artikel 14 van richtlijn 2004/48 staat niet in de weg aan een dergelijke regeling, aangezien daarmee wordt beoogd te verzekeren dat de kosten van de verliezende partij redelijk en evenredig zijn, voor zover die regeling de rechter die over de proceskosten uitspraak moet doen, de mogelijkheid biedt om in elk afzonderlijk geval rekening te houden met de specifieke kenmerken daarvan.

65      In die omstandigheden moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat de vergoeding van de in die bepaling vermelde „andere kosten” waarop de houder van een intellectuele-eigendomsrecht aanspraak kan maken, in een situatie waarin een inbreuk op dat recht door een natuurlijke persoon buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit is gepleegd, als forfaitair bedrag wordt berekend op basis van een vorderingswaarde die door deze regeling is geplafonneerd, tenzij de nationale rechter van oordeel is dat, gelet op de specifieke kenmerken van de bij hem aanhangige zaak, de toepassing van een dergelijk plafond onbillijk is.

 Kosten

66      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door andere wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, moet aldus worden uitgelegd dat de kosten die een houder van intellectuele-eigendomsrechten voor zijn vertegenwoordiging door een raadsman maakt teneinde de handhaving van die rechten langs buitengerechtelijke weg te verzekeren, zoals kosten in verband met een aanmaning, onder het begrip „andere kosten” in de zin van die bepaling vallen.

2)      Artikel 14 van richtlijn 2004/48 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat de vergoeding van de in die bepaling vermelde „andere kosten” waarop de houder van een intellectuele-eigendomsrecht aanspraak kan maken, in een situatie waarin een inbreuk op dat recht door een natuurlijke persoon buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit is gepleegd, als forfaitair bedrag wordt berekend op basis van een vorderingswaarde die door deze regeling is geplafonneerd, tenzij de nationale rechter van oordeel is dat, gelet op de specifieke kenmerken van de bij hem aanhangige zaak, de toepassing van een dergelijk plafond onbillijk is.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.