Language of document : ECLI:EU:C:2022:309

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

28 april 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Richtlijn 2004/48/EG – Artikel 9, lid 1 – Europees octrooi – Voorlopige maatregelen – Bevoegdheid van nationale rechterlijke instanties om een voorlopig bevel uit te vaardigen om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen – Nationale rechtspraak waarbij verzoeken om voorlopige maatregelen worden afgewezen wanneer de geldigheid van het betrokken octrooi niet op zijn minst is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven na een oppositieprocedure of een procedure tot nietigverklaring – Verplichting tot conforme uitlegging”

In zaak C‑44/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht München I (rechter in eerste aanleg München I, Duitsland) bij beslissing van 19 januari 2021, ingekomen bij het Hof op 28 januari 2021, in de procedure

Phoenix Contact GmbH & Co. KG

tegen

HARTING Deutschland GmbH & Co. KG,

Harting Electric GmbH & Co. KG,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: I. Ziemele (rapporteur), kamerpresident, P. G. Xuereb en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Phoenix Contact GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door H. Jacobsen en P. Szynka, Rechtsanwälte,

–        HARTING Deutschland GmbH & Co. KG en Harting Electric GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door T. Müller, Rechtsanwalt,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf en S. L. Kalėda als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Phoenix Contact GmbH & Co. KG, enerzijds, en HARTING Deutschland GmbH & Co. KG en Harting Electric GmbH & Co. KG, anderzijds, over een vermeende inbreuk op een Europees octrooi waarvan Phoenix Contact de houder is.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 10, 17, en 22 van richtlijn 2004/48 luiden:

„(10)      Het doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van [de] wetgevingen [van de lidstaten] teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt te waarborgen.

[...]

(17)      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, moeten in elk afzonderlijk geval zodanig worden vastgesteld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval, waaronder de specifieke kenmerken van elk intellectuele-eigendomsrecht en in voorkomend geval de opzettelijke of onopzettelijke aard van de inbreuk.

[...]

(22)      Ook moet worden voorzien in voorlopige maatregelen om de inbreuk onmiddellijk te kunnen doen ophouden zonder op een beslissing ten gronde te wachten; hierbij moeten de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd, moet worden toegezien op de evenredigheid van de voorlopige maatregelen naargelang van het specifieke karakter van de desbetreffende zaak en moeten de noodzakelijke waarborgen worden geboden om de kosten en de schade te dekken die de verweerder door een ongerechtvaardigd verzoek heeft geleden. Deze maatregelen zijn met name gerechtvaardigd wanneer elk uitstel voor de houder van een intellectuele-eigendomsrecht onherstelbare schade zou veroorzaken.”

4        Artikel 2 van die richtlijn, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1 het volgende:

„Onverminderd de middelen die in de [Uniewetgeving] of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het [Unierecht] en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.”

5        Hoofdstuk II van deze richtlijn, met als opschrift „Maatregelen, procedures en rechtsmiddelen”, bevat onder meer een artikel 3, met als opschrift „Algemene verplichting”, dat luidt als volgt:

„1.      De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.

2.      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

6        In artikel 9 van deze richtlijn, met als opschrift „Voorlopige en conservatoire maatregelen”, is bepaald:

„1.      De lidstaten dragen er zorg voor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser:

a)      tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien het nationale recht hierin voorziet, op straffe van een dwangsom tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de rechthebbende; onder dezelfde voorwaarden kan een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om op een recht van intellectuele eigendom inbreuk te maken; [...]

b)      de inbeslagneming of afgifte kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of dat zij zich daarin bevinden.

[...]

5.      De lidstaten dragen er zorg voor dat de in de leden 1 en 2 bedoelde voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, indien de eiser niet een procedure die leidt tot een beslissing ten principale bij de bevoegde rechterlijke instantie heeft ingesteld binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke instantie die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toelaat of, bij gebreke daarvan, binnen een termijn van ten hoogste 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naargelang van welke van beide termijnen de langste is.

6.      De bevoegde rechterlijke instanties kunnen aan de in de leden 1 en 2 bedoelde voorlopige maatregelen de voorwaarde verbinden dat de eiser een passende zekerheid of een gelijkwaardige garantie stelt voor de eventuele schadeloosstelling van door de verweerder geleden schade, zoals bepaald in lid 7.

7.      Indien de voorlopige maatregelen worden herroepen of wanneer zij vervallen wegens enig handelen of nalaten van de eiser, of indien later wordt vastgesteld dat er geen inbreuk of dreiging van inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is, hebben de rechterlijke instanties de bevoegdheid, op verzoek van de verweerder, de eiser te gelasten de verweerder passende schadeloosstelling te bieden voor de door deze maatregelen toegebrachte schade.”

 Duits recht

7        § 58, lid 1, van het Patentgesetz (octrooiwet), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt:

„De verlening van het octrooi wordt gepubliceerd in het Patentblatt [(Duits octrooiblad)]. Tegelijkertijd wordt het octrooischrift gepubliceerd. De rechtsgevolgen van het octrooi treden in werking met de publicatie in het octrooiblad.”

8        § 139, lid 1, van deze wet bepaalt:

„Tegen eenieder die een geoctrooieerde uitvinding in strijd met de §§ 9 tot en met 13 gebruikt, kan door de gelaedeerde een vordering tot staking worden ingesteld wanneer er gevaar voor herhaling bestaat. De vordering kan ook worden ingesteld wanneer er voor de eerste maal een gevaar van inbreuk dreigt.”

9        § 935 van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt:

„Met betrekking tot het voorwerp van het geding kan een voorlopige maatregel worden uitgevaardigd, wanneer moet worden gevreesd dat door een wijziging van de bestaande toestand de verwezenlijking van het recht van een partij verijdeld dan wel ernstig bemoeilijkt kan worden.”

10      § 940 van dit wetboek bepaalt:

„Een verzoek om een voorlopige maatregel kan eveneens worden uitgevaardigd voor de regeling van een tijdelijke situatie met betrekking tot een geschil, in het bijzonder in duurzame rechtsverhoudingen, ter voorkoming van ernstige schade, dreigend geweld of om andere redenen.”

 Procedure bij het Hof

11      De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om deze zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

12      Ter ondersteuning van dit verzoek voert de verwijzende rechter in wezen aan dat hij, gelet op de aard van het hoofdgeding, binnen een korte termijn uitspraak moet doen. Bovendien zou Phoenix Contact volgens deze rechter zonder snelle gerechtelijke tussenkomst aanzienlijke economische schade lijden als gevolg van de voortzetting van de productie en de verkoop van de inbreukmakende producten. Volgens de verwijzende rechter zou een eventuele inbreuk op het octrooi met name het marktaandeel van Phoenix Contact in gevaar brengen en ertoe leiden dat Phoenix Contact als houder van het betrokken octrooi een onherstelbaar verlies van verkoopmogelijkheden lijdt, dat moeilijk zou kunnen worden gecompenseerd door een latere toekenning van schadevergoeding.

13      Artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, de president van het Hof, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure.

14      In dit verband zij eraan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument betreft dat bedoeld is om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen [arrest van 10 maart 2022, Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (Verzekering die de ziektekosten volledig dekt), C‑247/20, EU:C:2022:177, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

15      Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt eveneens dat de economische gevoeligheid van een zaak of de economische belangen, daaronder begrepen die welke gevolgen kunnen hebben voor de overheidsfinanciën, hoe belangrijk en legitiem deze ook mogen zijn, op zichzelf niet een beroep op de versnelde procedure kunnen rechtvaardigen (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 18 oktober 2017, Weiss e.a., C‑493/17, niet gepubliceerd, EU:C:2017:792, punt 10 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

16      Uit de rechtspraak van het Hof volgt verder dat een uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niet kan worden gevormd door het enkele belang van justitiabelen – hoe legitiem ook – dat de draagwijdte van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen zo snel mogelijk wordt vastgesteld [arrest van 3 maart 2022, Presidenza del Consiglio dei Ministri e.a. (Medisch specialisten in opleiding), C‑590/20, EU:C:2022:150, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

17      Wat de omstandigheid betreft dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een nationale procedure betreffende een verzoek om voorlopige maatregelen, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het feit dat een verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een nationale procedure waarin voorlopige maatregelen kunnen worden gelast, op zich noch in samenhang met de in punt 15 van het onderhavige arrest vermelde omstandigheden aantoont dat de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijn vereist (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 18 oktober 2017, Weiss e.a., C‑493/17, niet gepubliceerd, EU:C:2017:792, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18      Gelet op een en ander heeft de president van het Hof op 11 februari 2021, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten om het verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure af te wijzen.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

19      Op 5 maart 2013 heeft Phoenix Contact een octrooiaanvraag ingediend voor een aansluitstekker met beschermende geleiderbrug. In het kader van de procedure die aan de verlening van dit octrooi is voorafgegaan, heeft Harting Electric opmerkingen ingediend over de octrooieerbaarheid van voormeld product.

20      Op 26 november 2020 is het gevraagde octrooi verleend aan Phoenix Contact, met name voor Duitsland.

21      Op 14 december 2020 heeft Phoenix Contact bij de verwijzende rechter een verzoek in kort geding ingediend om HARTING Deutschland en Harting Electric te verbieden inbreuk te maken op het octrooi in kwestie.

22      De vermelding van de verlening van dit octrooi is op 23 december 2020 in het Europees Octrooiblad gepubliceerd.

23      Op 15 januari 2021 heeft Harting Electric tegen dat octrooi oppositie ingesteld bij het Europees Octrooibureau (EOB).

24      De verwijzende rechter merkt op dat hij tot de voorlopige conclusie is gekomen dat het betrokken octrooi geldig is en dat daarop inbreuk is gemaakt. Hij is van mening dat de geldigheid van dit octrooi niet in gevaar is.

25      De verwijzende rechter preciseert echter dat hij geen voorlopige maatregel mag opleggen gelet op de bindende rechtspraak van het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland), volgens welke het voor het uitvaardigen van een voorlopig bevel in geval van octrooi-inbreuk niet volstaat dat het betrokken octrooi door de octrooiverlenende autoriteit, in casu het EOB, is verleend na grondig onderzoek van de octrooieerbaarheid en dat de geldigheid van dat octrooi in het kader van de beslissing over een verzoek in kort geding eveneens aan rechterlijke toetsing is onderworpen.

26      Volgens deze rechtspraak kunnen voorlopige maatregelen slechts worden gelast indien het betrokken octrooi bovendien het voorwerp is geweest van een beslissing van het EOB in een oppositie- of beroepsprocedure of van een beslissing van het Bundespatentgericht (hoogste federale rechter in octrooizaken, Duitsland) in een oppositie- of nietigheidsprocedure, waarbij wordt bevestigd dat dit octrooi het betrokken product bescherming verleent.

27      Omdat de verwijzende rechter van oordeel is dat die rechtspraak onverenigbaar is met het Unierecht, met name met artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is het verenigbaar met artikel 9, lid 1, van richtlijn [2004/48] dat het Oberlandesgericht (hoogste rechterlijke instantie op deelstaatniveau), dat in laatste aanleg bevoegd is voor de uitvaardiging van voorlopige maatregelen, in beginsel weigert om voorlopige maatregelen tegen octrooi-inbreuk uit te vaardigen wanneer de geldigheid van het litigieuze octrooi niet is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg in een oppositie- of nietigheidsprocedure?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

28      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke verzoeken in kort geding wegens octrooi-inbreuk in beginsel moeten worden afgewezen wanneer de geldigheid van het betrokken octrooi niet op zijn minst is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven na een oppositie- of nietigheidsprocedure.

29      Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft [zie in die zin arrest van 28 oktober 2021, Magistrat der Stadt Wien (Veldamster – II), C‑357/20, EU:C:2021:881, punt 20].

30      In de eerste plaats moeten de lidstaten er krachtens artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/48 voor zorgen dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de verzoeker tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen teneinde een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen.

31      Zo verplicht artikel 9, lid 1, onder a), gelezen in samenhang met de overwegingen 17 en 22 van richtlijn 2004/48, de lidstaten om in hun nationale recht te voorzien in de mogelijkheid voor de bevoegde nationale rechterlijke instanties om na een onderzoek van de bijzonderheden van elk geval en met inachtneming van de in artikel 9 gestelde voorwaarden een voorlopig bevel uit te vaardigen.

32      In de tweede plaats zij erop gewezen dat overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/48, gelezen in samenhang met overweging 22 ervan, de in het nationale recht vastgestelde voorlopige maatregelen het mogelijk moeten maken de inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht onmiddellijk te beëindigen zonder een beslissing ten gronde af te wachten. Deze maatregelen zijn met name gerechtvaardigd wanneer elk uitstel voor de houder van een dergelijk recht onherstelbare schade zou veroorzaken. De factor „tijd” is dus van bijzonder belang voor de daadwerkelijke handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

33      In casu geeft de verwijzende rechter aan dat het betrokken octrooi geldig is en dat inbreuk daarop is gemaakt, zodat het door Phoenix Contact ingediende verzoek in kort geding moet worden ingewilligd. Deze rechter is echter gebonden aan nationale rechtspraak volgens welke het betrokken octrooi enkel voorlopige rechtsbescherming kan genieten indien de geldigheid van dat octrooi is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven na een procedure tot betwisting ervan.

34      Vastgesteld moet worden dat een dergelijke rechtspraak evenwel een vereiste oplegt dat artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/48 elk nuttig effect ontneemt, aangezien zij de nationale rechter niet toestaat om overeenkomstig die bepaling een voorlopig bevel uit te vaardigen teneinde onmiddellijk een einde te maken aan de inbreuk op het betrokken octrooi, alhoewel diezelfde rechter van mening is dat dit octrooi geldig is en dat er inbreuk op is gemaakt.

35      Zoals Phoenix Contact in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, kan een dergelijk vereiste aanleiding geven tot een situatie waarin concurrenten van de houder van het betrokken octrooi, die potentiële inbreukplegers zijn, willens en wetens besluiten om de geldigheid van dat octrooi niet te betwisten om te voorkomen dat het effectieve rechterlijke bescherming geniet, waardoor het in artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48 neergelegde mechanisme van voorlopige bescherming wordt uitgehold.

36      In de derde plaats moet worden geoordeeld dat de onverenigbaarheid met richtlijn 2004/48 van nationale rechtspraak als die welke in punt 33 van het onderhavige arrest is vermeld, steun vindt in de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen.

37      Volgens overweging 10 van richtlijn 2004/48 is het doel van die richtlijn de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt te waarborgen (zie in die zin arrest van 18 december 2019, IT Development, C‑666/18, EU:C:2019:1099, punt 38). Dit neemt niet weg dat dezelfde richtlijn, zoals blijkt uit artikel 2, lid 1, ervan, van toepassing is onverminderd de middelen die met name in de nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden (arrest van 25 januari 2017, Stowarzyszenie Oławska Telewizja Kablowa, C‑367/15, EU:C:2017:36, punt 22).

38      Richtlijn 2004/48 legt bijgevolg een minimumnorm inzake de eerbiediging van de intellectuele-eigendomsrechten vast en belet de lidstaten niet om maatregelen met ruimere bescherming te treffen (arrest van 25 januari 2017, Stowarzyszenie Oławska Telewizja Kablowa, C‑367/15, EU:C:2017:36, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat de bepalingen van die richtlijn aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten beogen te regelen die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken daarop, door te eisen dat doeltreffende rechtsgangen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen (arrest van 18 december 2019, IT Development, C‑666/18, EU:C:2019:1099, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Een nationale procedure die ertoe strekt elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht onmiddellijk te doen staken, zou echter ondoeltreffend zijn en dus voorbijgaan aan het doel van een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom, indien voor de toepassing van deze procedure een vereiste zou gelden als het vereiste dat is geformuleerd in de in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde nationale rechtspraak.

41      In dit verband zij eraan herinnerd dat voor Europese octrooien een vermoeden van geldigheid geldt vanaf de datum van bekendmaking van de verlening ervan. Vanaf die datum genieten deze octrooien dus de volledige beschermingsomvang die met name door richtlijn 2004/48 wordt gewaarborgd [zie in die zin en naar analogie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 48].

42      Wat voorts het risico betreft dat de verweerder in de kortgedingprocedure door de vaststelling van voorlopige maatregelen wordt benadeeld, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48 de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen, zodanig moeten worden toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

43      Deze bepaling verplicht aldus de lidstaten en uiteindelijk de nationale rechterlijke instanties om garanties te bieden zodat met name de maatregelen en procedures van artikel 9 van richtlijn 2004/48 niet onrechtmatig worden gebruikt (arrest van 12 september 2019, Bayer Pharma, C‑688/17, EU:C:2019:722, punt 68).

44      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever met name heeft voorzien in rechtsinstrumenten die het mogelijk maken om het risico dat de verweerder ten gevolge van de voorlopige maatregelen schade lijdt, op omvattende wijze te beperken en hem aldus te beschermen.

45      Ten eerste zorgen de lidstaten krachtens artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 ervoor dat met name de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, indien de eiser niet een procedure die leidt tot een beslissing ten gronde bij de bevoegde rechterlijke instantie heeft ingesteld binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke instantie die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toelaat of, bij gebreke daarvan, binnen een termijn van ten hoogste 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naargelang van welke van beide termijnen de langste is.

46      Ten tweede voorziet artikel 9, lid 6, van richtlijn 2004/48 in de mogelijkheid om aan deze voorlopige maatregelen de voorwaarde te verbinden dat de eiser een passende zekerheid of een gelijkwaardige garantie stelt voor de eventuele schadeloosstelling van door de verweerder geleden schade. Dit beschermingsinstrument kan door de bevoegde rechter bij wie het verzoek in kort geding aanhangig is gemaakt, ten uitvoer worden gelegd bij de behandeling van dat verzoek.

47      Ten derde voorziet artikel 9, lid 7, van richtlijn 2004/48 in de in die bepaling bedoelde gevallen in de mogelijkheid om de eiser op verzoek van de verweerder te gelasten de verweerder passende schadeloosstelling te bieden voor de door die voorlopige maatregelen toegebrachte schade.

48      Deze rechtsinstrumenten vormen waarborgen die de Uniewetgever noodzakelijk heeft geacht als tegengewicht voor de snelle en doeltreffende voorlopige maatregelen waarvan hij het bestaan heeft voorzien. Zij komen aldus overeen met de waarborgen die richtlijn 2004/48 aan de verwerende partij biedt als tegengewicht voor een voorlopige maatregel waardoor zijn belangen zijn geschaad (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands, C‑681/13, EU:C:2015:471, punten 74 en 75).

49      Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, dient eraan te worden herinnerd dat bij de toepassing van het nationale recht de nationale rechterlijke instanties die dit recht dienen uit te leggen, rekening moeten houden met alle regels ervan en de daarin erkende uitleggingsmethoden moeten toepassen teneinde dit recht zo veel mogelijk uit te leggen tegen de achtergrond van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn om het met deze richtlijn beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen (arrest van 19 april 2016, DI, C‑441/14, EU:C:2016:278, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      Het Hof heeft verder geoordeeld dat er bepaalde grenzen zijn aan dit beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht. Zo wordt de verplichting voor de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van het interne recht te refereren aan het Unierecht, begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan zij niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (arrest van 19 april 2016, DI, C‑441/14, EU:C:2016:278, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Zoals de verwijzende rechter benadrukt, bevat de Duitse wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, in casu geen enkele bepaling die het uitvaardigen van een voorlopig bevel om een octrooi-inbreuk te verbieden, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat over dit octrooi een rechterlijke beslissing is gegeven na een procedure tot betwisting van het octrooi, zodat deze wettelijke regeling volledig in overeenstemming is met richtlijn 2004/48.

52      In dit verband dient te worden gepreciseerd dat het vereiste van Unierechtconforme uitlegging voor de nationale rechterlijke instanties de verplichting inhoudt om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht (arrest van 19 april 2016, DI, C‑441/14, EU:C:2016:278, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om de volle werking van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48 te verzekeren door zo nodig op eigen gezag nationale rechtspraak buiten toepassing te laten wanneer die rechtspraak niet verenigbaar is met die bepaling.

54      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke verzoeken in kort geding wegens octrooi-inbreuk in beginsel moeten worden afgewezen wanneer de geldigheid van het betrokken octrooi niet op zijn minst is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven in een oppositie- of nietigheidsprocedure.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke verzoeken in kort geding wegens octrooi-inbreuk in beginsel moeten worden afgewezen wanneer de geldigheid van het betrokken octrooi niet op zijn minst is bevestigd door een beslissing in eerste aanleg die is gegeven in een oppositie- of nietigheidsprocedure.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.