Language of document : ECLI:EU:C:2022:426

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

2 juni 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Maatregelen betreffende het erfrecht – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Artikelen 13 en 28 – Geldigheid van de verklaring van verwerping van een nalatenschap – Erfgenaam met verblijfplaats in een andere lidstaat dan de lidstaat van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging – Verklaring die wordt afgelegd voor het gerecht in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van die erfgenaam”

In zaak C‑617/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Bremen, Bremen, Duitsland) bij beslissing van 11 november 2020, ingekomen bij het Hof op 20 november 2020, in de procedure ingeleid door

T.N.,

N.N.

in tegenwoordigheid van:

E.G.,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, I. Jarukaitis, M. Ilešič (rapporteur), D. Gratsias en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Greco, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Grünheid, W. Wils en M. Wilderspin, vervolgens door S. Grünheid en W. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 januari 2022,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 13 en 28 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een door T.N. en N.N. ingeleide procedure inzake het verzoek om afgifte van een gezamenlijke erfrechtverklaring betreffende de nalatenschap van W.N., echtgenoot van E.G. en oom van T.N. en N.N. (hierna: „neven van de erflater”).

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 7, 32 en 67 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt:

„(7)      De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.

[...]

(32)      Ten behoeve van de erfgenamen en legatarissen met gewone verblijfplaats in een andere lidstaat dan die waar de erfopvolging wordt of zal worden behandeld, moet in deze verordening worden bepaald dat eenieder die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat of van een wettelijk erfdeel, of houdende beperking van zijn aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap kan afleggen, deze verklaring kan afleggen voor de gerechten van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, in de bij het recht van die lidstaat voorgeschreven vorm. Dit mag niet beletten dat dergelijke verklaringen kunnen worden afgelegd voor andere autoriteiten in die lidstaat die krachtens het nationaal recht bevoegd zijn om verklaringen te ontvangen. Wie gebruik wil maken van de mogelijkheid verklaringen af te leggen in de lidstaat van de gewone verblijfplaats, moet het gerecht of de autoriteit die de erfopvolging behandelt, binnen de termijn die in het op de erfopvolging toepasselijke recht is bepaald, ervan in kennis stellen dat dergelijke verklaringen bestaan.

[...]

(67)      Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. [...]”

4        Hoofdstuk II van deze verordening, met als opschrift „Bevoegdheid”, bevat onder meer de artikelen 4 en 13.

5        Artikel 4 van deze verordening („Algemene bevoegdheid”) bepaalt het volgende:

„De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.”

6        Artikel 13 van die verordening („Aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel”) bepaalt:

„Naast het gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, zijn de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht voor een gerecht een verklaring kan afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen, indien deze verklaringen volgens het recht van die lidstaat in rechte mogen worden afgelegd.”

7        Hoofdstuk III van verordening nr. 650/2012 („Toepasselijk recht”) bevat onder meer de artikelen 21, 23 en 28.

8        Artikel 21 van deze verordening („Algemene regel”) bepaalt in lid 1:

„Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.”

9        Artikel 23 van die verordening („Toepassingsgebied van het toepasselijke recht”) bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      Het krachtens artikel 21 of artikel 22 aangewezen recht beheerst de vererving van de gehele nalatenschap.

2.      Dit recht regelt in het bijzonder:

[...]

e)      de overgang op en de overdracht aan de erfgenamen en, naargelang van het geval, de legatarissen van de goederen, rechten en verplichtingen die de nalatenschap vormen, met inbegrip van de voorwaarden en de gevolgen van de aanvaarding of verwerping van de nalatenschap of van een legaat;

[...]”

10      Artikel 28 van verordening nr. 650/2012 („Formele geldigheid van de verklaring van aanvaarding of verwerping”) bepaalt:

„Een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat, of van een wettelijk erfdeel, of een verklaring tot beperking van de eigen aansprakelijkheid, is naar vorm geldig indien zij voldoet aan de voorschriften van:

a)      het overeenkomstig artikel 21 of artikel 22 op de erfopvolging toepasselijke recht, of

b)      het recht van de staat waar degene die de verklaring aflegt zijn gewone verblijfplaats heeft.”

 Duits recht

11      § 1942 van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „BGB”), met als opschrift „Overgang en verwerping van de nalatenschap”, bepaalt:

„1.      De nalatenschap gaat over op de daartoe geroepen erfgenaam, onverminderd het recht om de nalatenschap te verwerpen (overgang van de nalatenschap).

[...]”

12      § 1943 BGB („Aanvaarding en verwerping van de nalatenschap”) luidt:

„De erfgenaam kan de nalatenschap niet meer verwerpen indien hij deze heeft aanvaard of indien de termijn voor de verwerping ervan is verstreken; na het verstrijken van deze termijn wordt de nalatenschap geacht te zijn aanvaard.”

13      § 1944 BGB („Termijn voor de verwerping van de nalatenschap”) bepaalt:

„1.      De nalatenschap kan slechts binnen een termijn van zes weken worden verworpen.

2.      De termijn begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de erfgenaam kennisneemt van de overgang van de nalatenschap en van de grond waarop hij tot de nalatenschap wordt geroepen. [...]

3.      De termijn bedraagt zes maanden indien de erflater zijn laatste woonplaats uitsluitend in het buitenland had of indien de erfgenaam op het tijdstip waarop de termijn begint te lopen in het buitenland verblijft.”

14      § 1945 BGB („Vorm van de verwerping van de nalatenschap”) bepaalt:

„De nalatenschap wordt verworpen door een verklaring af te leggen voor het nalatenschapsgerecht; de verklaring wordt in het proces-verbaal of in een openbaar gewaarmerkte vorm afgelegd.

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15      W.N., een Nederlands onderdaan van wie de laatste gewone verblijfplaats in Duitsland was, is op 21 mei 2018 overleden te Bremen (Duitsland).

16      Op 21 januari 2019 heeft E.G., de in Duitsland woonachtige weduwe van W.N., bij het Amtsgericht Bremen (rechter in eerste aanleg Bremen, Duitsland), de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen over de nalatenschap van W.N., verzocht om afgifte van een erfrechtverklaring tot vaststelling dat zij door erfopvolging bij versterf voor drie vierde erfgenaam van de nalatenschap van W.N. is en de neven van de erflater, die beiden in Nederland wonen, elk voor een achtste.

17      Bij brief van 19 juni 2019 heeft deze rechter de neven van de erflater meegedeeld dat er een procedure van erfopvolging bij versterf gaande was en heeft hij hun verzocht bepaalde documenten met het oog op de afwikkeling van de nalatenschap over te leggen.

18      Op 13 september 2019 hebben de neven van de erflater voor de rechtbank Den Haag (Nederland) een verklaring van verwerping van de nalatenschap van de erflater afgelegd, die op 30 september 2019 in het erfrechtregister van deze rechtbank is ingeschreven.

19      Bij brief van 22 november 2019 heeft het Amtsgericht Bremen het verzoek om een erfrechtverklaring aan de neven van de erflater doen toekomen en hun verzocht hun opmerkingen in te dienen.

20      Bij in het Nederlands gestelde brief van 13 december 2019 hebben de neven van de erflater aan het Amtsgericht Bremen afschriften overgelegd van de stukken die door de rechtbank Den Haag waren opgesteld naar aanleiding van hun verklaringen van verwerping van de nalatenschap van de erflater. Bij brief van 3 januari 2020 heeft het Amtsgericht Bremen de neven van de erflater meegedeeld dat hun brief en stukken niet in aanmerking konden worden genomen omdat deze niet in het Duits waren vertaald.

21      Bij in het Duits gestelde brief van 15 januari 2020 heeft N.N. het Amtsgericht Bremen meegedeeld dat zijn broer en hij de nalatenschap van de erflater hadden verworpen, dat de betreffende verklaring van verwerping overeenkomstig het Unierecht door de bevoegde gerechten in het Nederlands was ingeschreven en dat de betrokken documenten dus niet in het Duits hoefden te worden vertaald. Daarop heeft deze rechter geantwoord dat de betrokken relevante stukken moesten worden vertaald en dat de termijnen voor verwerping van de nalatenschap in acht moesten worden genomen.

22      Bij beslissing van 27 februari 2020 heeft het Amtsgericht Bremen overeenkomstig het verzoek van E.G. de voor de afgifte van de erfrechtverklaring noodzakelijke feitelijke vaststellingen verricht en geoordeeld dat de neven van de erflater werden geacht de nalatenschap te hebben aanvaard.

23      Laatstgenoemden hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld en verzocht om een verlenging van de termijn zodat zij aanvullende bewijsstukken konden overleggen. Op 30 juli 2020 hebben zij het Amtsgericht Bremen een kleurenkopie van de door de rechtbank Den Haag opgestelde stukken en vertalingen daarvan in het Duits overgelegd. Nadat het Amtsgericht Bremen hun had tegengeworpen dat de originele stukken ontbraken, hebben zij deze op 17 augustus 2020 aan het Amtsgericht Bremen overgelegd.

24      Bij beslissing van 2 september 2020 heeft het Amtsgericht Bremen het beroep verworpen en de zaak doorverwezen naar de verwijzende rechter, het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Bremen, Bremen, Duitsland), en vastgesteld dat de neven van de erflater werden geacht de nalatenschap van de erflater te hebben aanvaard omdat zij deze niet binnen de gestelde termijn hadden verworpen. Voor een rechtsgeldige verklaring van verwerping van de nalatenschap volstaat noch een eenvoudige mededeling aan de bevoegde Duitse rechter van deze verklaring voor de betrokken Nederlandse rechter noch de overlegging van een afschrift van de betreffende stukken, maar is vereist dat deze rechter over de betreffende originele stukken beschikt. Die rechter heeft die stukken echter pas na het verstrijken van de in § 1944, lid 3, BGB gestelde termijn van zes maanden ontvangen.

25      De verwijzende rechter vraagt zich af aan welke vereisten moet zijn voldaan in het geval dat de erfgenaam overeenkomstig de artikelen 13 en 28 van verordening nr. 650/2012 voor het bevoegde gerecht van zijn gewone verblijfplaats een verklaring van verwerping van een nalatenschap aflegt, om te kunnen oordelen dat deze verklaring, die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht binnen een bepaalde termijn moet worden afgelegd voor het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, kan worden geacht tijdig te zijn opgesteld.

26      De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat er in Duitsland in de rechtsleer en in de rechtspraak meningsverschillen bestaan over de geldigheid van verklaringen van verwerping van een nalatenschap die worden afgelegd voor een gerecht van een andere lidstaat dan die van het gerecht dat in beginsel bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging. Volgens de meerderheidsmening in de rechtsleer en de rechtspraak heeft de enkele aflegging van een dergelijke verklaring voor het gerecht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam tot gevolg dat deze verklaring geldig is ten aanzien van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging.

27      Volgens een tweede mening in de rechtsleer en rechtspraak zijn verklaringen van verwerping van de nalatenschap slechts geldig indien zij in de voorgeschreven vorm worden overgelegd aan het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging of in elk geval ter kennis van dit gerecht zijn gebracht. In dit verband blijkt uit overweging 32 van verordening nr. 650/2012 dat dergelijke verklaringen volgens de Uniewetgever pas rechtsgevolgen kunnen hebben indien dat gerecht daarvan in kennis wordt gesteld. De verwijzende rechter wijst er evenwel op dat artikel 13 van verordening nr. 650/2012, anders dan het Duitse recht, niet voorziet in de verplichting voor het gerecht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam om de voor dat gerecht afgelegde verklaring van verwerping van de nalatenschap ter kennis te brengen van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging.

28      De verwijzende rechter geeft aan dat de verklaring van verwerping van de nalatenschap die in het hoofdgeding aan de orde is, indien de in punt 26 van het onderhavige arrest bedoelde benadering werd gevolgd, reeds geldig was op de dag waarop zij door de neven van de erflater bij de rechtbank Den Haag werd afgelegd, te weten 13 september 2019. In dat geval zouden de neven van de erflater dus de in § 1944, lid 3, BGB gestelde termijn van zes maanden voor verwerping van de nalatenschap, die begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de erfgenaam kennisneemt van de overgang van de nalatenschap, in acht hebben genomen.

29      Volgens de andere, in punt 27 van het onderhavige arrest uiteengezette benadering kan de geldigheid van de betrokken verklaring van verwerping van de nalatenschap afhangen van het tijdstip waarop het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging kennis heeft genomen van deze verklaring. De vraag rijst dan echter aan welke vormvereisten die verklaring moet voldoen om ze als rechtsgeldig te beschouwen, en met name of het volstaat om de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging in kennis te stellen van het bestaan van die verklaring, aan die rechter afschriften van de relevante stukken over te leggen en hem informatie in de taal van die verklaring te verstrekken, dan wel of het noodzakelijk is dat de door het gerecht van een andere lidstaat opgestelde stukken in verband met de verwerping in origineel, vergezeld van een beëdigde vertaling in de taal van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, aan die rechter worden overgelegd.

30      In deze omstandigheden heeft het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Vervangt de verklaring van verwerping van een nalatenschap die een erfgenaam aflegt bij het gerecht van een lidstaat dat bevoegd is voor zijn gewone verblijfplaats, overeenkomstig de aldaar geldende vormvereisten, de verwerpingsverklaring die moet worden afgelegd bij het gerecht van een andere lidstaat dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, in die zin dat zij rechtsgeldig wordt geacht vanaf het tijdstip waarop zij wordt afgelegd (substitutie)?

2)      Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet degene die bij het gerecht van zijn gewone verblijfplaats een naar de vorm geldige verklaring van verwerping van een nalatenschap heeft afgelegd, om te kunnen spreken van een rechtsgeldige verwerpingsverklaring, ook het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging ervan in kennis te stellen dat hij deze verklaring heeft afgelegd?

3)      Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend en de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

a)      Moet het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, worden aangezocht in de in zijn rechtsgebied toepasselijke taal om te kunnen spreken van een rechtsgeldige verwerpingsverklaring, in het bijzonder om de in zijn rechtsgebied gestelde termijnen voor het afleggen van deze verklaring in acht te nemen?

b)      Is het, om te kunnen spreken van een rechtsgeldige verwerpingsverklaring, in het bijzonder om de in het rechtsgebied van het laatstgenoemde gerecht gestelde termijnen voor het afleggen van deze verklaring in acht te nemen, noodzakelijk dat de akten in verband met de verwerping, die zijn opgesteld door het gerecht van de gewone verblijfplaats van degene die de verklaring van verwerping heeft afgelegd, in origineel met vertaling worden overgelegd aan het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

31      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arrest van 26 oktober 2021, PL Holdings, C‑109/20, EU:C:2021:875, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      De onderhavige prejudiciële verwijzing heeft betrekking op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te kunnen oordelen dat een verklaring van verwerping van een nalatenschap in de zin van de artikelen 13 en 28 van verordening nr. 650/2012, die is afgelegd voor het gerecht van de staat waar de verwerpende erfgenaam zijn gewone verblijfplaats heeft, geldig is. In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich met name af of, en zo ja, wanneer en hoe die verklaring ter kennis moet worden gebracht van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging.

33      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de neven van de erflater op 13 september 2019 een verklaring van verwerping van de nalatenschap van de erflater hebben afgelegd voor een gerecht van de lidstaat van hun gewone verblijfplaats, te weten de rechtbank Den Haag (Nederland). Op 13 december 2019 hebben zij de Duitse rechter die bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging bij in het Nederlands gestelde brief, vergezeld van een kopie van de door de Nederlandse rechter opgestelde stukken, in kennis gesteld van het bestaan van deze verklaring. Op 15 januari 2020 hebben zij de Duitse rechter opnieuw, ditmaal bij in het Duits gestelde brief, in kennis gesteld van het bestaan van die verklaring. De Duitse vertaling en de originelen van de door de Nederlandse rechter opgestelde stukken zijn daarentegen pas op 17 augustus 2020 bij de Duitse rechter ingekomen, dus na het verstrijken van de termijn die in het op de erfopvolging toepasselijke recht is gesteld.

34      In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of de artikelen 13 en 28 van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat een verklaring van verwerping van een nalatenschap die door een erfgenaam is afgelegd voor het gerecht van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, naar de vorm geldig is wanneer is voldaan aan de voor dit gerecht geldende vormvereisten en dat het voor de geldigheid ervan niet noodzakelijk is dat die verklaring voldoet aan de vormvereisten die zijn gesteld in het op de erfopvolging toepasselijke recht.

 Ten gronde

35      Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van deze bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling [arresten van 1 maart 2018, Mahnkopf, C‑558/16, EU:C:2018:138, punt 32, en 9 september 2021, UM (Overeenkomst tot eigendomsoverdracht bij overlijden), C‑277/20, EU:C:2021:708, punt 29].

36      Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de betrokken bepalingen en hun context betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 13 van verordening nr. 650/2012 deel uitmaakt van hoofdstuk II, dat alle gronden voor rechterlijke bevoegdheid in erfrechtzaken regelt. Volgens deze bepaling zijn, naast het gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht een verklaring kan afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen.

37      Dit artikel 13 voorziet dus in een alternatieve bevoegde rechter, met als doel om erfgenamen die hun gewone verblijfplaats niet hebben in de lidstaat waarvan de gerechten overeenkomstig de algemene regels van de artikelen 4 tot en met 11 van verordening nr. 650/2012 bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, in staat te stellen hun verklaringen betreffende de aanvaarding of de verwerping van de nalatenschap af te leggen voor een gerecht van de lidstaat waar zij hun gewone verblijfplaats hebben.

38      Deze regel van rechterlijke bevoegdheid wordt aangevuld door een conflictregel in artikel 28 van verordening nr. 650/2012, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III, dat het toepasselijke recht en specifiek de formele geldigheid van die verklaringen regelt. Volgens dit artikel zijn die verklaringen naar vorm geldig indien zij voldoen aan de voorschriften van het op de erfopvolging toepasselijke recht (lex successionis) (punt a) of voldoen aan de voorschriften van het recht van de staat waar degene die de verklaring aflegt, zijn gewone verblijfplaats heeft (punt b).

39      Uit de bewoordingen van artikel 28 van verordening nr. 650/2012 kan worden afgeleid dat deze bepaling is bedoeld om de geldigheid van een verklaring van verwerping van een nalatenschap te erkennen, hetzij wanneer aan de in het erfrecht gestelde voorwaarden is voldaan, wanneer dat recht van toepassing is, hetzij wanneer aan de voorwaarden van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de verwerpende erfgenaam is voldaan, wanneer dat van toepassing is.

40      In dit verband blijkt uit artikel 13 juncto artikel 28 van verordening nr. 650/2012 – zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 58 van zijn conclusie – dat er een nauw verband bestaat tussen deze twee bepalingen, zodat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam om verklaringen van verwerping van een nalatenschap in ontvangst te nemen, afhankelijk is van de voorwaarde dat het in die staat geldende erfrecht voorziet in de mogelijkheid om in rechte een dergelijke verklaring af te leggen. Indien aan deze voorwaarde is voldaan, worden alle handelingen die moeten worden verricht voor een gerecht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam die een dergelijke verklaring wenst af te leggen, beheerst door het recht van die lidstaat.

41      Wat in de tweede plaats de doelstellingen van verordening nr. 650/2012 betreft, vindt een dergelijke lezing van de artikelen 13 en 28 van deze verordening steun in overweging 32 ervan, volgens welke deze bepalingen zijn ingevoerd „ten behoeve van de erfgenamen en legatarissen met gewone verblijfplaats in een andere lidstaat dan die waar de erfopvolging wordt of zal worden behandeld”. Daartoe moet volgens diezelfde overweging in deze verordening worden bepaald dat eenieder die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht bepaalde verklaringen betreffende de nalatenschap kan afleggen, waaronder een verklaring van verwerping van de nalatenschap, deze verklaring kan afleggen voor de gerechten van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, in de bij het recht van die lidstaat voorgeschreven vorm. Het Hof heeft in dit verband reeds aangegeven dat artikel 13 van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 32 ervan, ertoe strekt de gang van zaken voor erfgenamen en legatarissen te vereenvoudigen door een afwijking van de bevoegdheidsregels in de artikelen 4 tot en met 11 van deze verordening (arrest van 21 juni 2018, Oberle, C‑20/17, EU:C:2018:485, punt 42).

42      Een dergelijke uitlegging vindt bovendien steun in de doelstelling van verordening nr. 650/2012 die, zoals blijkt uit overweging 7 ervan, erin bestaat de goede werking van de interne markt te vergemakkelijken door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die hun rechten willen doen gelden die voortkomen uit een grensoverschrijdende nalatenschap. Meer bepaald moeten de rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap in de Europese justitiële ruimte daadwerkelijk worden gegarandeerd (zie in die zin arresten van 1 maart 2018, Mahnkopf, C‑558/16, EU:C:2018:138, punt 35, en 1 juli 2021, Vorarlberger Landes- und Hypotheken-Bank, C‑301/20, EU:C:2021:528, punten 27 en 34).

43      Zo waarborgt artikel 28, onder b), van verordening nr. 650/2012 dat de erfgenaam die zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan die van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over een erfopvolging, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om een verklaring van verwerping van een nalatenschap af te leggen voor het gerecht dat krachtens artikel 13 van die verordening bevoegd is.

44      In dit verband moet worden vastgesteld dat elke andere uitlegging die ertoe strekt de formele geldigheid van een verklaring van verwerping van een nalatenschap te beperken, met name door deze te onderwerpen aan de in het op de erfopvolging toepasselijke recht gestelde vormvereisten, gelet op de beperkte omvang van de bevoegdheid van het in artikel 13 van verordening nr. 650/2012 bedoelde gerecht, tot gevolg zou hebben dat de bepalingen van artikel 13 en artikel 28, onder b), van deze verordening elk nuttig effect wordt ontnomen en afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van die verordening en aan het rechtszekerheidsbeginsel.

45      Zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft benadrukt, impliceert de eerbiediging van het doel van verordening nr. 650/2012, dat erin bestaat erfgenamen in staat te stellen verklaringen van verwerping van een nalatenschap af te leggen in de lidstaat van hun gewone verblijfplaats, bijgevolg dat deze erfgenamen voor de gerechten van andere lidstaten geen verdere stappen hoeven te ondernemen dan die welke zijn voorzien in het recht van de lidstaat waar die verklaring wordt afgelegd, om te bewerkstelligen dat die verklaringen geldig zijn.

46      Wat betreft de mededeling van die verklaringen aan het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, moet worden opgemerkt dat uit de laatste volzin van overweging 32 van verordening nr. 650/2012 blijkt dat „wie gebruik wil maken van de mogelijkheid verklaringen af te leggen in de lidstaat van de gewone verblijfplaats, [...] het gerecht of de autoriteit die de erfopvolging behandelt, binnen de termijn die in het op de erfopvolging toepasselijke recht is bepaald, ervan in kennis [moet] stellen dat dergelijke verklaringen bestaan”.

47      Deze laatste volzin van overweging 32 van verordening nr. 650/2012 geeft op het eerste gezicht te verstaan dat het volgens de Uniewetgever noodzakelijk is dat de verklaring van verwerping van een nalatenschap die wordt afgelegd voor een gerecht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam die de nalatenschap verwerpt, ter kennis wordt gebracht van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging. Evenwel moet worden vastgesteld dat noch artikel 13 noch artikel 28 van deze verordening voorziet in een mechanisme voor de overlegging van die verklaringen door het gerecht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam die een nalatenschap verwerpt aan het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging. Overweging 32 veronderstelt echter dat personen die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om die verklaringen in de lidstaat van hun gewone verblijfplaats af te leggen, de taak op zich zullen nemen om het bestaan van deze verklaringen mee te delen aan de met de erfopvolging belaste autoriteiten.

48      Bij gebreke van een uniform stelsel in het Unierecht dat voorziet in de overlegging van verklaringen over de nalatenschap aan het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, moet overweging 32, laatste volzin, van verordening nr. 650/2012 aldus worden opgevat dat de persoon die een verklaring van verwerping van een nalatenschap heeft afgelegd, de nodige stappen dient te ondernemen om het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging in kennis te stellen van het bestaan van een geldige verklaring. Wanneer die stappen niet binnen de in het op de erfopvolging toepasselijke recht gestelde termijn zijn ondernomen, kan de geldigheid van die verklaring echter niet in twijfel worden getrokken.

49      Bijgevolg zou de verklaring van verwerping van een nalatenschap die een erfgenaam voor het gerecht van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats heeft afgelegd met inachtneming van de voor dat gerecht geldende vormvereisten, rechtsgevolgen moeten hebben voor het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging, voor zover deze rechter kennis heeft genomen van het bestaan van die verklaring, zonder dat die verklaring wordt onderworpen aan de aanvullende vormvereisten die worden gesteld door het op de erfopvolging toepasselijke recht.

50      In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat de neven van de erflater bij een Nederlands gerecht een verklaring van verwerping van de nalatenschap van de erflater hebben afgelegd met inachtneming van de voor dit gerecht geldende vormvereisten, en dat het Amtsgericht Bremen kennis heeft genomen van het bestaan van deze verklaring alvorens uitspraak te doen over de erfopvolging. Bijgevolg blijkt dat het Amtsgericht Bremen die verklaring in aanmerking had moeten nemen, los van de inachtneming van de andere vereisten of verduidelijkingen die deze Duitse rechter noodzakelijk achtte om die verklaring geldig te kunnen achten. Zoals blijkt uit overweging 67 van verordening nr. 650/2012, impliceert „een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie” namelijk dat de erfgenamen gemakkelijk hun rechtspositie en/of hun rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen.

51      Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 13 en 28 van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat een verklaring van verwerping van een nalatenschap die door een erfgenaam is afgelegd voor het gerecht van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, naar de vorm geldig is wanneer is voldaan aan de voor dit gerecht geldende vormvereisten en dat het voor de geldigheid ervan niet noodzakelijk is dat die verklaring voldoet aan de vormvereisten die zijn gesteld in het op de erfopvolging toepasselijke recht.

 Kosten

52      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 13 en 28 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring moeten aldus worden uitgelegd dat een verklaring van verwerping van een nalatenschap die door een erfgenaam is afgelegd voor het gerecht van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, naar de vorm geldig is wanneer is voldaan aan de voor dit gerecht geldende vormvereisten en dat het voor de geldigheid ervan niet noodzakelijk is dat die verklaring voldoet aan de vormvereisten die zijn gesteld in het op de erfopvolging toepasselijke recht.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.