Language of document : ECLI:EU:C:2022:427

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

2 juni 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening (EG) nr. 1393/2007 – Artikel 5 – Vertaling van stukken – Dragen van de vertaalkosten door de aanvrager – Begrip ‚aanvrager’ – Op initiatief van de aangezochte rechter gedane kennisgeving van gerechtelijke stukken aan interveniënten in de procedure”

In zaak C‑196/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Ilfov (rechter in tweede aanleg Ilfov, Roemenië) bij beslissing van 4 februari 2021, ingekomen bij het Hof op 26 maart 2021, in de procedure

SR

tegen

EW,

in tegenwoordigheid van:

FB,

CX,

IK,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: J. Passer, kamerpresident, N. Wahl en M. L. Arastey Sahún (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        EW, vertegenwoordigd door S. Dumitrescu, avocată,

–        de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, L.‑E. Baţagoi en A. Wellman als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en N. Vincent als gemachtigden,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Z. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan en S. Noë als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB 2007, L 324, blz. 79).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SR en EW over de ontbinding van hun huwelijk met wederzijdse toestemming en de toekenning en uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor hun minderjarige kind.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 2 tot en met 4 van verordening nr. 1393/2007 luiden:

„(2)      Het is voor de goede werking van de interne markt nodig de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen.

(3)      De Raad heeft bij de akte van 26 mei 1997 de tekst van een verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken opgesteld en heeft aanbevolen dat de lidstaten dit verdrag overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aannemen. Dit verdrag is niet in werking getreden. De continuïteit van de bij het sluiten van het verdrag behaalde resultaten moet worden gewaarborgd.

(4)      Op 29 mei 2000 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken [(PB 2000, L 160, blz. 37)] aangenomen. De inhoud van die verordening is grotendeels gebaseerd op het verdrag.”

4        Artikel 2 van verordening nr. 1393/2007 luidt:

„1.      Elke lidstaat wijst de deurwaarders, autoriteiten of andere personen aan, hierna ‚verzendende instanties’ genoemd, die bevoegd zijn gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken te verzenden ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat.

2.      Elke lidstaat wijst de deurwaarders, autoriteiten of andere personen aan, hierna ‚ontvangende instanties’ genoemd, die bevoegd zijn van een andere lidstaat afkomstige gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken in ontvangst te nemen.

[...]”

5        Artikel 5 van die verordening bepaalt:

„1.      De aanvrager wordt door de verzendende instantie waaraan hij het stuk ter verzending overdraagt, in kennis gesteld van het feit dat degene voor wie het stuk is bestemd, kan weigeren het stuk in ontvangst te nemen omdat het niet in een van de in artikel 8 bedoelde talen is gesteld.

2.      De aanvrager draagt de eventuele kosten van vertaling vóór de verzending van het stuk, onverminderd een eventuele latere verwijzing in die kosten door de rechter of bevoegde autoriteit.”

6        Artikel 8, lid 1, van deze verordening luidt:

„De ontvangende instantie stelt degene voor wie het stuk is bestemd, door middel van het in bijlage II opgenomen modelformulier in kennis van het feit dat hij kan weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in ontvangst te nemen op het ogenblik van de betekening of kennisgeving ofwel door het stuk binnen een week naar de ontvangende instantie terug te zenden, indien het niet is gesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de volgende talen:

a)      een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt, of

b)      de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in de aangezochte lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht.”

 Roemeens recht

7        Artikel 61 van Lege nr. 134/2010 privind Codul de procedură civilă (wet nr. 134/2010 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 1 juli 2010 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 247 van 10 april 2015) bepaalt:

„1.      Iedere belanghebbende kan interveniëren in een procedure tussen de oorspronkelijke partijen.

[...]

3.      De interventie is accessoir wanneer zij uitsluitend de verdediging van een van de partijen steunt.”

8        Artikel 64 van deze wet luidt:

„1.      De rechter zal het verzoek tot interventie en kopieën van de begeleidende stukken aan partijen doen toekomen.

2.      Na interveniënt en partijen te hebben gehoord, zal de rechter bij gemotiveerde beschikking oordelen of de interventie ontvankelijk is.

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        SR en EW zijn respectievelijk moeder en vader van een minderjarig kind.

10      Op een in de verwijzingsbeslissing niet nader aangegeven datum hebben SR en EW elk bij de Judecătorie Buftea (rechter in eerste aanleg Buftea, Roemenië) een verzoek ingediend tot ontbinding van hun huwelijk en tot toekenning van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor hun kind, alsmede tot vaststelling van de wijze waarop die verantwoordelijkheid moet worden uitgeoefend.

11      Bij vonnis van 4 juli 2016 heeft deze rechter het huwelijk van SR en EW met wederzijdse instemming ontbonden. Verder heeft de rechter in eerste aanleg bepaald dat de verblijfplaats van het kind bij de moeder zal zijn, dat beide ouders het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen, en dat de persoonlijke band tussen de vader en het kind volgens een bezoekregeling in stand zal worden gehouden. Bovendien heeft deze rechter EW veroordeeld tot betaling van alimentatie ten behoeve van het kind.

12      EW en SR hebben elk tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunal Ilfov (rechter in tweede aanleg Ilfov, Roemenië).

13      EW verzoekt primair om vernietiging van dat vonnis wegens onbevoegdheid van de Judecătorie Buftea en subsidiair om gedeeltelijke herziening van dit vonnis wat betreft de verblijfplaats van het kind en de betaling van alimentatie voor het kind.

14      SR vordert dat uitsluitend zij het ouderlijk gezag mag uitoefenen, dat de bezoekregeling ten gunste van EW wordt geschrapt, dat de hoogte van de alimentatie die is vastgesteld ten laste van EW wordt gewijzigd en dat er een nieuwe verdeling van de proceskosten plaatsvindt.

15      Op 5 juli 2018 hebben FB, CX en IK, die respectievelijk broer, zus en grootvader van vaderszijde van het kind zijn, verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van EW. Deze interveniënten hebben hun verblijfplaats in Frankrijk.

16      Bij beschikking van 15 september 2020 heeft de verwijzende rechter, teneinde uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van deze verzoeken tot interventie, beslist dat SR en EW overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1393/2007 verplicht waren om zorg te dragen voor de vertaling in het Frans van de door deze rechter uitgevaardigde dagvaardingen met het oog op de kennisgeving ervan aan FB, CX en IK.

17      SR en EW hebben geweigerd om de kosten voor de vertaling van deze processtukken naar het Frans voor te schieten omdat zij van mening waren dat de verwijzende rechter deze kosten dient te dragen. Zij betogen dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat de „aanvrager” in de zin van die bepaling de verwijzende rechter is.

18      In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat het begrip „aanvrager” in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1393/2007 geen betrekking kan hebben op een gerecht. Een gerecht kan immers slechts optreden als verzendende instantie in de zin van artikel 2, lid 1, van die verordening of als ontvangende instantie in de zin van artikel 2, lid 2. In casu treedt de verwijzende rechter op als de verzendende instantie die bevoegd is om de betrokken gerechtelijke stukken te verzenden ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat, te weten Frankrijk.

19      Uit artikel 5, lid 1, van die verordening blijkt dat het begrip „aanvrager” – net als het begrip „degene voor wie het stuk is bestemd” – kennelijk niet onder de begrippen „verzendende instantie” en „ontvangende instantie” kan vallen, aldus de verwijzende rechter. Aangezien deze rechter in het hoofdgeding de verzendende instantie is, kan hij niet als de aanvrager worden aangemerkt.

20      Volgens de verwijzende rechter is de aanvrager in de zin van verordening nr. 1393/2007 de persoon die de aanvraag heeft ingediend en die er belang bij heeft dat een betekening overeenkomstig deze verordening plaatsvindt, zodat de gerechtelijke procedure kan worden afgerond. In casu gaat het om SR en EW, aangezien elk van deze partijen hoger beroep heeft ingesteld bij de verwijzende rechter en dus in beginsel belang heeft bij de afronding van de beroepsprocedure.

21      Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Ilfov de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer de rechter beslist over de verschijning van interveniënten in een civiele procedure en deze laat oproepen, is de ‚aanvrager’ in de zin van artikel 5 van [verordening nr. 1393/2007] dan de rechter van de lidstaat die beslist om de interveniënten op te roepen, of is dat de partij in de procedure die bij de rechter aanhangig is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

 Ontvankelijkheid

22      De Roemeense regering is van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, aangezien uit de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van het feitelijke kader niet kan worden opgemaakt of in het hoofdgeding de vraag rijst of het processtuk dient te worden vertaald en bijgevolg de vraag wie de daarmee verband houdende kosten moet dragen.

23      Meer in het bijzonder geeft de verwijzende rechter niet aan of de dagvaardingen reeds aan interveniënten zijn betekend en of zij hebben geweigerd deze in ontvangst te nemen op grond dat zij niet waren gesteld in een taal die zij begrijpen of geacht worden te begrijpen. Is dat niet het geval, dan is de vraag van de verwijzende rechter hypothetisch en dus niet-ontvankelijk.

24      De Roemeense regering wijst erop dat het Hof reeds heeft verduidelijkt dat de verzendende instantie krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 de aandacht van de aanvrager moet vestigen op het risico dat de degene voor wie het stuk is bestemd, mogelijkerwijs weigert om een stuk dat niet in een van de in artikel 8 van die verordening bedoelde talen is gesteld, in ontvangst te nemen. Volgens het arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punt 35), is het echter aan de aanvrager om te beslissen of het betreffende stuk dient te worden vertaald. Bovendien draagt deze aanvrager overeenkomstig artikel 5, lid 2, van die verordening de kosten voor de vertaling daarvan.

25      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder diens eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a., C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19, EU:C:2021:1034, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Gelet op de geest van samenwerking waarop de betrekkingen tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof in het kader van de prejudiciële procedure zijn gebaseerd, heeft het ontbreken van bepaalde voorafgaande vaststellingen door de verwijzende rechter bovendien niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is indien het Hof, niettegenstaande die tekortkomingen, gelet op de gegevens in het dossier, van oordeel is dat het de verwijzende rechter een nuttig antwoord kan geven (arrest van 2 april 2020, Reliantco Investments en Reliantco Investments Limassol Sucursala Bucureşti, C‑500/18, EU:C:2020:264, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      In casu dient te worden vastgesteld dat het Hof over voldoende gegevens beschikt om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven. Uit de door EW bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen blijkt immers dat de verwijzende rechter in 2019 de kennisgeving van de processtukken aan interveniënten heeft verricht en dat laatstgenoemden overeenkomstig verordening nr. 1393/2007 hebben geweigerd deze stukken in ontvangst te nemen op grond dat zij in het Roemeens waren gesteld. Daar zij deze taal niet beheersen, hebben zij verzocht om ontvangst van een vertaling van deze processtukken in het Frans.

28      Deze door EW uiteengezette feitelijke gegevens maken het dus mogelijk om, voor zover nodig, het door de verwijzende rechter geschetste feitelijke kader aan te vullen en aldus het vermoeden van relevantie van de gestelde vraag te onderbouwen en uit te sluiten dat deze als hypothetisch kan worden beschouwd.

29      In die omstandigheden is het verzoek om een prejudiciële beslissing dan ook ontvankelijk.

 Ten gronde

30      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat de rechter die gelast dat gerechtelijke stukken worden verzonden aan derden die hebben verzocht om toelating tot interventie in de procedure, als „aanvrager” in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt.

31      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens die bepaling de aanvrager de eventuele kosten van vertaling vóór de verzending van het stuk draagt, onverminderd een eventuele latere verwijzing in die kosten door de rechter of bevoegde autoriteit.

32      In dit verband moet worden vastgesteld dat verordening nr. 1393/2007 geen definitie van het begrip „aanvrager” bevat.

33      Bij gebreke van een dergelijke definitie moet artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007 worden uitgelegd in het licht van de context ervan en van de doelstellingen van die verordening (zie in die zin arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus, C‑519/13, EU:C:2015:603, punt 28, en naar analogie, met betrekking tot verordening nr. 1348/2000, arrest van 8 mei 2008, Weiss und Partner, C‑14/07, EU:C:2008:264, punt 45). Ook de ontstaansgeschiedenis van een bepaling van Unierecht kan relevante gegevens voor de uitlegging van die bepaling bevatten (arrest van 10 december 2018, Wightman e.a., C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Wat in de eerste plaats de contextuele en historische uitlegging van artikel 5, lid 2, van die verordening betreft, moet worden vastgesteld dat in de bewoordingen zelf van deze bepaling onderscheid wordt gemaakt tussen de aanvrager, die de eventuele kosten van vertaling vóór de verzending van het stuk draagt, en de bevoegde rechter of autoriteit in de lidstaat van herkomst bij wie de zaak aanhangig is en die een eventuele latere beslissing over de verwijzing in die kosten kan nemen.

35      Dit onderscheid tussen de aanvrager en de nationale rechter bij wie de zaak aanhangig is blijkt ook uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot verordening nr. 1393/2007, en in het bijzonder uit het arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punten 41‑43), waarin het Hof ten eerste heeft benadrukt dat de in de lidstaat van herkomst aangezochte rechter zich over inhoudelijke kwesties moet uitspreken wanneer de aanvrager en degene voor wie het stuk bestemd is daarover van mening verschillen, en ten tweede dat die rechter ervoor moet zorgen dat de respectievelijke rechten van de betrokken partijen, te weten de aanvrager en degene voor wie het stuk bestemd is, op evenwichtige wijze worden beschermd.

36      Een soortgelijk onderscheid volgt uit de beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punt 75), waarin het Hof de mogelijkheid heeft overwogen dat de rechter die van de zaak kennisneemt, vóór de betekening of kennisgeving van het stuk een eerste voorlopige beoordeling geeft over de talenkennis van degene voor wie het stuk is bestemd, om in overleg met de aanvrager te bepalen of het stuk dient te worden vertaald.

37      Ook moet worden opgemerkt dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 een onderscheid maakt dat overeenkomt met het onderscheid als bedoeld in punt 34 van het onderhavige arrest, waar het bepaalt dat de aanvrager door de verzendende instantie in kennis wordt gesteld van het feit dat degene voor wie het stuk is bestemd, kan weigeren het stuk in ontvangst te nemen omdat het niet in een van de in artikel 8 bedoelde talen is gesteld. Volgens artikel 2, lid 1, van die verordening zijn de verzendende instanties immers deurwaarders, autoriteiten of andere personen die bevoegd zijn gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken te verzenden ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter in casu als verzendende instantie handelt.

38      Bovendien blijkt uit overweging 4 van verordening nr. 1393/2007 dat verordening nr. 1348/2000, die bij eerstgenoemde verordening is ingetrokken, grotendeels was gebaseerd op het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dat bij akte van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 1997 (PB 1997, C 261, blz. 1) is vastgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

39      Het toelichtend verslag over dit verdrag (PB 1997, C 261, blz. 26), dat relevant is voor de interpretatie van verordening nr. 1393/2007 (zie in die zin arrest van 11 november 2015, Tecom Mican en Arias Domínguez, C‑223/14, EU:C:2015:744, punt 40, en naar analogie, met betrekking tot verordening nr. 1348/2000, arrest van 8 mei 2008, Weiss und Partner, C‑14/07, EU:C:2008:264, punt 53), biedt steun voor de uitlegging dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007 niet beoogt de vertaalkosten van een stuk ten laste te leggen van de aangezochte rechter.

40      Uit het commentaar in dat toelichtend verslag bij artikel 5, lid 2, van dat verdrag, waarvan de bewoordingen in wezen identiek zijn aan die van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007, blijkt immers dat „[o]nder ‚aanvrager’ [...] steeds [wordt] verstaan de partij die belang heeft bij de toezending van het stuk, en dus niet de rechterlijke instantie.”

41      In die omstandigheden volgt uit de contextuele en historische uitlegging van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007 dat de rechter die gelast dat gerechtelijke stukken worden verzonden aan derden die verzoeken om toelating tot interventie in de procedure, niet kan worden aangemerkt als „aanvrager” in de zin van die bepaling met het oog op het dragen van de eventuele kosten van vertaling vóór de verzending van die stukken.

42      In de tweede plaats vindt deze vaststelling steun in de teleologische uitlegging van verordening nr. 1393/2007.

43      Het Hof heeft met betrekking tot de doelstellingen van verordening nr. 1393/2007 immers reeds aangegeven dat deze verordening, zoals blijkt uit overweging 2 ervan, beoogt een mechanisme voor de betekening en de kennisgeving in de Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken in te stellen, met het oog op de goede werking van de interne markt. Teneinde de doelmatigheid en snelheid van gerechtelijke procedures te verbeteren en een goede rechtsbedeling te verzekeren, is in die verordening dan ook het beginsel neergelegd dat gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken rechtstreeks tussen de lidstaten worden verzonden, zodat de procedures worden vereenvoudigd en versneld (arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus, C‑519/13, EU:C:2015:603, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat, C‑384/14, EU:C:2016:316, punten 47 en 48).

44      Het Hof heeft evenwel tevens voor recht verklaard dat verordening nr. 1393/2007 zo moet worden uitgelegd dat in elk concreet geval wordt gezorgd voor een juist evenwicht tussen de belangen van de aanvrager en die van degene voor wie het stuk is bestemd, door het streven naar een doelmatige en snelle verzending van processtukken in overeenstemming te brengen met het vereiste te waarborgen dat de rechten van de verdediging van degenen voor wie die stukken zijn bestemd, op passende wijze worden beschermd (arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus, C‑519/13, EU:C:2015:603, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat, C‑384/14, EU:C:2016:316, punt 51).

45      Bovendien heeft het Hof erop gewezen dat het van wezenlijk belang is dat, wil degene voor wie een stuk is bestemd zich daadwerkelijk kunnen verweren, dit stuk is opgesteld in een taal die hij begrijpt. De aanvrager mag echter niet de negatieve gevolgen ondervinden van een weigering om een niet-vertaald stuk in ontvangst te nemen wanneer die weigering louter dilatoir en kennelijk abusief is en vaststaat dat degene voor wie het stuk bestemd is, de taal begrijpt waarin dat stuk is gesteld. Het staat dus aan de in de lidstaat van herkomst aangezochte rechter om de belangen van beide partijen zo goed mogelijk te beschermen en met name te kijken naar alle feiten en sluitende bewijzen waaruit de specifieke talenkennis van degene voor wie het stuk is bestemd, blijkt (zie in die zin beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat, C‑384/14, EU:C:2016:316, punten 78 en 79).

46      Een uitlegging volgens welke de in de lidstaat van herkomst aangezochte rechter moet worden beschouwd als de aanvrager in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007 zou indruisen tegen de verplichting van die rechter om te zorgen voor een juist evenwicht tussen de belangen van de aanvrager en die van degene voor wie het stuk is bestemd. De naleving van een dergelijke verplichting impliceert immers noodzakelijkerwijs dat de autoriteit waarop deze verplichting rust, onpartijdig is ten opzichte van de belangen van de aanvrager en die van degene voor wie het stuk is bestemd. Hieruit volgt dat deze autoriteit niet mag worden verward met een van de belanghebbenden, te weten de aanvrager.

47      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat de rechter die gelast dat gerechtelijke stukken worden verzonden aan derden die verzoeken om toelating tot interventie in de procedure, niet als „aanvrager” in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt.

 Kosten

48      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat de rechter die gelast dat gerechtelijke stukken worden verzonden aan derden die verzoeken om toelating tot interventie in de procedure, niet als „aanvrager” in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Roemeens.