Language of document : ECLI:EU:C:2022:905

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

A. RANTOS

van 17 november 2022 (1)

Zaak C628/21

TB

in tegenwoordigheid van:

Castorama Polska Sp. z o.o.,

„Knor” Sp. z o.o.

[verzoek van de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Onderlinge aanpassing van de wetgevingen – Richtlijn 2004/48/EG – Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten – Artikel 4 – Personen bevoegd tot het verzoeken van de toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen – Artikel 8, lid 1 – Gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht – Verkoop van inbreukmakende goederen – Auteursrecht en naburige rechten – Recht van de eiser op informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen – Al dan niet noodzakelijk zijn van aantoning door de eiser dat hij de houder van het intellectuele-eigendomsrecht is”






I.      Inleiding

1.        Een onderneming verkoopt reproducties van grafische voorstellingen zonder toestemming van de persoon die zich erop beroept de ontwerper van die voorstellingen te zijn. Deze persoon leidt een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht in krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG(2), waarin een instrumenteel recht is vastgelegd dat een doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendom beoogt te waarborgen(3). Dient deze persoon aan te tonen, of enkel aannemelijk te maken dat zij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is? Dat is in wezen de vraag van de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen).

2.        Deze zaak is voor het Hof aanleiding om, in het licht van zijn rechtspraak, te onderzoeken welke bewijsstandaard vereist is in het kader van een verzoek om informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten op grond van het recht op informatie waarin artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 voorziet. Om de gestelde vraag te beantwoorden, zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het recht op informatie van houders van intellectuele eigendom enerzijds en de bescherming van de verweerder tegen misbruik van dat recht anderzijds.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

3.        In de overwegingen 10 en 17 van richtlijn 2004/48 staat te lezen:

„(10)      Het doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van [de] wetgevingen [van de lidstaten] teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt te waarborgen.

[...]

(17)      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, moeten in elk afzonderlijk geval zodanig worden vastgesteld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval, waaronder de specifieke kenmerken van elk intellectuele-eigendomsrecht en in voorkomend geval de opzettelijke of onopzettelijke aard van de inbreuk.”

4.        Artikel 1 van deze richtlijn draagt het opschrift „Doel” en bepaalt:

„Deze richtlijn betreft de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. [...]”

5.        Hoofdstuk II van de richtlijn, met als opschrift „Maatregelen, procedures en rechtsmiddelen”, bevat de artikelen 3 tot en met 15. Artikel 3 van de richtlijn, met het opschrift „Algemene verplichting”, luidt:

„1.      De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.

2.      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

6.        Artikel 4 van richtlijn 2004/48, met het opschrift „Personen bevoegd tot het verzoeken van de toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen”, bepaalt:

„De lidstaten zullen als personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, erkennen:

a)      houders van intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijk recht,

b)      alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder houders van een licentie, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,

c)      instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,

d)      organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen, die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht.”

7.        Artikel 8 van deze richtlijn draagt het opschrift „Recht op informatie” en bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, tijdens een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, op gerechtvaardigd en redelijk verzoek van de eiser kunnen gelasten dat informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt verstrekt door de inbreukmaker en/of door een andere persoon die:

a)      de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit blijkt te hebben;

b)      de inbreukmakende diensten op commerciële schaal blijkt te gebruiken;

c)      op commerciële schaal diensten die bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt, blijkt te verlenen;

of

d)      door een onder a), b) of c) bedoelde persoon is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de fabricage of de distributie van deze goederen of bij het verlenen van deze diensten.

2.      De in lid 1 bedoelde informatie omvat naargelang passend is:

a)      de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en kleinhandelaren;

b)      inlichtingen over de geproduceerde, gefabriceerde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.”

B.      Pools recht

8.        Artikel 278 van de ustawa – Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding(4) (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), bepaalt in lid 1:

„In gevallen waarin specifieke kennis vereist is, kan de rechter, na de verzoeken van partijen betreffende het aantal en de keuze van de deskundigen te hebben gehoord, het advies van een of meer deskundigen inwinnen.”

9.        Artikel 47989 van dit wetboek bepaalt:

„1.      De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op zaken betreffende de bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten, de bescherming van industriële-eigendomsrechten en de bescherming van andere rechten betreffende immateriële activa (intellectuele-eigendomszaken).

2.      Als intellectuele-eigendomszaken in de zin van deze afdeling worden ook beschouwd:

1)      zaken betreffende de voorkoming en bestrijding van oneerlijke concurrentie;

[...]”

10.      Artikel 479112 van dit wetboek bepaalt:

„De bepalingen betreffende de informatieplichtige zijn van toepassing op eenieder die over de in artikel 479113 bedoelde informatie beschikt of er toegang toe heeft, met inbegrip van de verweerder.”

11.      De leden 1 en 2 van artikel 479113 van dit wetboek luiden als volgt:

„1.            Op verzoek van de houder van het recht kan de rechter, indien de betrokkene aannemelijk maakt dat er sprake is van omstandigheden die kenmerkend zijn voor een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, de inbreukmaker vóór de aanvang van of tijdens een procedure wegens deze inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht tot aan de sluiting van de terechtzitting in eerste aanleg verzoeken om informatie te verstrekken over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten, wanneer dit noodzakelijk is voor de gerechtelijke procedure van de houder van het recht.

2.      Wanneer het verzoek om informatie van de rechter voorafgaat aan de procedure wegens inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht moet deze procedure uiterlijk een maand na de datum van tenuitvoerlegging van de beschikking betreffende het verzoek om informatie worden ingeleid.”

III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

12.      TB is een natuurlijke persoon die via haar online winkels siervoorwerpen op de markt brengt. In het kader van haar commerciële activiteiten verkoopt zij machinaal door haar vervaardigde reproducties met een ongecompliceerde grafische vormgeving, bestaande uit een beperkt aantal kleuren, geometrische figuren en korte zinnen. In deze context bevatten de afbeeldingen A, B en C (hierna: „litigieuze reproducties”) respectievelijk de volgende zinnen: „Mój dom moje zasady” („Bij mij thuis bepaal ik de regels”); „Nie ma ludzi idealnych a jednak jestem” („Perfecte mensen bestaan niet en toch ben ik er één”), en „W naszym domu rano słychać tupot małych stopek. Zawsze pachnie pysznym ciastem. Mamy dużo obowiązków, mnóstwo zabawy i miłości” („Bij ons thuis hoor je ’s ochtends het getrippel van voetjes. Het ruikt er altijd heerlijk naar gebak. We hebben veel verplichtingen, plezier en liefde”). TB beroept zich erop dat zij de ontwerper van de door haar gereproduceerde afbeeldingen is en dat het werken in de zin van de auteursrechtwetgeving zijn.

13.      Getrouwe kopieën van de afbeeldingen A en B worden zonder toestemming van TB verkocht in de fysieke winkels en de webwinkel van Castorama Polska Sp. z o.o. (hierna: „Castorama”), die deze krijgt aangeleverd door „Knor” Sp. z o.o. (hierna: „Knor”). Noch de reproducties van TB noch de door Castorama aangeboden reproducties vermelden de auteur of herkomst van deze afbeeldingen. Castorama verkoopt tevens door Knor aangeleverde reproducties waarvan de tekst identiek is aan die van afbeelding C, maar met enkele verschillen in de grafische vormgeving en de lettertypen. Op 13 oktober 2020 heeft TB Castorama aangemaand de inbreuken op de aan het auteursrecht verbonden exploitatie- en persoonlijkheidsrechten op de door haar ontworpen werken, die die vennootschap zonder haar toestemming verkocht, te staken.

14.      Op 15 december 2020 heeft TB zich gewend tot de Sąd Okręgowy w Warszawie, de verwijzende rechter, krachtens artikel 479113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. In het kader van deze procedure heeft zij Castorama en Knor verzocht om haar met betrekking tot de litigieuze reproducties informatie te verstrekken over de distributiekanalen en de hoeveelheid ontvangen en bestelde goederen, een volledige lijst van leveranciers, de datum waarop de goederen in de fysieke winkels en de webwinkel van Castorama te koop zijn aangeboden en de hoeveelheid verkochte goederen, en de uit de verkoop van de goederen verkregen prijs, uitgesplitst naar fysieke en onlineverkoop. TB heeft zich beroepen op haar aan het auteursrecht verbonden exploitatie- en persoonlijkheidsrechten op de litigieuze reproducties en opgemerkt dat de gevraagde informatie noodzakelijk was om een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op haar auteursrechten in te leiden en, subsidiair, een schadevordering wegens oneerlijke concurrentie in te stellen.

15.      Castorama heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om informatie en, subsidiair, om een zo eng mogelijke uitspraak te doen die beperkt blijft tot werken in de zin van de auteursrechtwetgeving, waarbij zij de mogelijkheid heeft betwist dat de litigieuze reproducties als „werken” kunnen worden aangemerkt. Zij heeft zich tevens beroepen op de bescherming van het bedrijfsgeheim en betoogd dat TB niet had aangetoond dat zij over aan het auteursrecht verbonden exploitatierechten op deze reproducties beschikte. Volgens Castorama zijn de intellectuele werken waarop het verzoek van TB betrekking heeft geen originelen en heeft TB niet aangetoond dat aan de voorwaarde van vernieuwing was voldaan. Inwilliging van dit verzoek komt neer op auteursrechtelijke bescherming van ideeën en concepten, aangezien de litigieuze reproducties de huidige trend volgen van „vereenvoudigde motiverende afbeeldingen”, met triviale zinnen. Bovendien heeft Castorama zich op het standpunt gesteld dat alle grafische aspecten van de litigieuze reproducties triviaal en repetitief en wat betreft de samenstelling, kleuren en gebruikte lettertypen geenszins origineel zijn in vergelijking met andere op de markt verkrijgbare afbeeldingen.

16.      In reactie op deze argumenten heeft TB geen bewijs aangeboden om aan de hand van specifieke kennis (voor een deskundigenonderzoek) op het gebied van grafische vormgeving en ontwerp aan te tonen dat er sprake is van een intellectuele-eigendomsrecht op de litigieuze reproducties. Het bewijs dat zij in haar verzoek van 15 december 2020 heeft overgelegd bestond uit afdrukken van pagina’s van artikelen die in haar webwinkels te koop waren en verkoopfacturen vanaf 2014, alsmede afdrukken van pagina’s van de internetsites van Castorama en aankoopfacturen van afbeeldingen in Castorama’s webwinkel.

17.      Bij het onderzoek van het verzoek van TB heeft de verwijzende rechter zich afgevraagd hoe artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 moet worden uitgelegd, met name wat betreft de vraag of de juridische status van het eigendom waarop het verzoek om informatie betrekking heeft moet worden bewezen, dan wel of deze slechts aannemelijk hoeft te worden gemaakt, aangezien de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn verschillende bewoordingen gebruiken en artikel 4 van deze richtlijn ziet op „houders van intellectuele-eigendomsrechten”. Tevens twijfelde deze rechter over de mogelijkheid van een andere bewijsstandaard – en bijgevolg over de bevoegdheid van TB om in rechte op te treden – naargelang de litigieuze reproducties al dan niet werken waren.

18.      De verwijzende rechter merkt op dat artikel 8 van richtlijn 2004/48 bij artikel 479113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in nationaal recht is omgezet en dat artikel 47989 van dat wetboek, waarin het bereik van de intellectuele-eigendomszaken wordt gedefinieerd, in lid 2, punt 1, zaken noemt die betrekking hebben op de „voorkoming en bestrijding van oneerlijke concurrentie”. Onder verwijzing naar overweging 13 van deze richtlijn(5) benadrukt deze rechter dat hij, hoewel de Poolse rechtspraak nog geen eenduidig antwoord op deze vraag heeft gegeven, voor de onderhavige zaak de uitlegging aanvaardt volgens welke het nationale recht de toepassing van deze richtlijn voor interne doeleinden heeft uitgebreid tot handelingen van oneerlijke concurrentie die bestaan in het getrouw kopiëren van producten, zelfs indien op deze producten geen exclusieve rechten zoals die van de auteursrechthebbende rusten. Gelet op het voorgaande bestaat er, wat betreft het deel van het verzoek dat betrekking heeft op de afbeeldingen A en B, geen probleem voor de uitlegging van het Unierecht, aangezien TB het bewijs heeft geleverd dat Castorama reproducties heeft verkocht die getrouwe kopieën van die afbeeldingen zijn.

19.      Voor de beslissing op het verzoek met betrekking tot afbeelding C is evenwel een uitlegging van het Unierecht vereist, omdat de door Castorama verkochte reproductie geen getrouwe kopie van die afbeelding is, aangezien de tekst is overgenomen en de lay-out van de pagina is behouden maar er gebruik is gemaakt van andere grafische elementen en andere lettertypen. Volgens de Poolse rechtspraak, die overeenstemt met die van het Hof(6), staat het aan de aangezochte rechter om de kenmerken van een werk in termen van creativiteit te onderzoeken. In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat, wanneer de feiten van de zaak ingewikkeld zijn en de ervaring van de rechter niet volstaat, het advies van een deskundige moet worden ingewonnen, waarbij de bewijslast in de regel bij de eisende partij rust en een verzoek om een deskundigenonderzoek ook door deze partij moet worden ingediend.

20.      De Poolse rechtsleer bevat twee tegenstrijdige standpunten over de uitlegging van artikel 479113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, namelijk enerzijds dat de eiser moet bewijzen dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is en anderzijds dat hij niet de inbreuk op het beschermde recht, maar alleen de aannemelijkheid ervan hoeft te bewijzen, aangezien het verzoek om informatie niet alleen tot inbreukmakers maar ook tot een derde kan worden gericht.

21.      De verwijzende rechter merkt op dat artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48, gelezen in samenhang met artikel 4 ervan, volgens hem aldus moet worden uitgelegd dat het ziet op een maatregel ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten die slechts kan worden genomen wanneer wordt vastgesteld wie de rechthebbende van het intellectuele-eigendomsrecht is en dat het niet volstaat om aannemelijk te maken dat die maatregel ziet op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht, aangezien die omstandigheid moet worden bewezen, met name wanneer het verzoek om informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten voorafgaat aan het indienen van schadevorderingen wegens inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten.

22.      In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 8, lid 1, van richtlijn [2004/48], gelezen in samenhang met artikel 4 [...] ervan, aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een maatregel ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten die slechts kan worden genomen wanneer in de betreffende procedure of in een andere procedure wordt vastgesteld dat de rechthebbende houder van een intellectuele-eigendomsrecht is?

–        Indien de [eerste prejudiciële vraag] ontkennend wordt beantwoord:

2)      Moet artikel 8, lid 1, van richtlijn [2004/48], gelezen in samenhang met artikel 4 [...], aldus worden uitgelegd dat het volstaat om aannemelijk te maken dat de betreffende maatregel ziet op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht en geen bewijs daarvan moet worden geleverd, met name wanneer het verzoek om informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten voorafgaat aan het indienen van schadevorderingen wegens inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten?”

23.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Castorama, de Poolse en de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie.

IV.    Analyse

A.      Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

24.      In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Oostenrijkse regering de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing betwijfeld. Deze regering heeft betoogd dat de kwalificatie van de litigieuze reproducties als „werken” in het kader van het hoofdgeding als rechtsvraag moet worden onderzocht. In dit verband staan de reproducties ter beschikking van de verwijzende rechter, en zijn de specifieke presentatie en het specifieke ontwerp ervan duidelijk en niet-betwist. De vraag welke bewijsstandaard in het kader van artikel 8 van richtlijn 2004/48 moet worden toegepast, hoeft derhalve niet te worden beantwoord om in deze zaak een beslissing te geven.

25.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het uitsluitend de taak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(7)

26.      In casu heeft de verwijzende rechter verklaard dat afbeelding C geen getrouwe kopie is. In dit verband dient hij de kenmerken van een werk in termen van creativiteit te onderzoeken. Volgens deze rechter moet, wanneer de feiten van de zaak ingewikkeld zijn en de ervaring van de rechter niet volstaat, het advies van een deskundige worden ingewonnen. Bovendien heeft TB geen bewijs aangeboden om aan de hand van specifieke kennis waarvoor een deskundigenonderzoek noodzakelijk is aan te tonen dat er sprake is van een intellectuele-eigendomsrecht. De verwijzende rechter wenst derhalve te vernemen of artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een maatregel ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten die slechts kan worden genomen wanneer in de situatie waarin de betrokken nationale rechterlijke instantie, bij gebreke van specifieke kennis, niet in staat is om zonder de hulp van een deskundige zelfstandig tot een oordeel te komen, de inbreuk op het eigendomsrecht van de rechthebbende is bewezen. Indien dit het geval is, moet het door TB ingediende verzoek om informatie worden afgewezen indien er geen sprake is van een bewijsprocedure waarin de eisende partij een actieve rol dient te spelen in het vaststellen van het bewijs.

27.      In het licht van deze juridische en feitelijke context, waarin de verwijzende rechter uiteenzet dat hij een prejudiciële beslissing nodig heeft om uitspraak te kunnen doen, blijkt niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging volledig losstaat van het hoofdgeding of dat het opgeworpen probleem hypothetisch is. In die omstandigheden ben ik van mening dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.

B.      Ten gronde

28.      Met zijn twee prejudiciële vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat, waar het gaat om een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, de eiser dient aan te tonen dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is dan wel dat het voldoende is dat hij aannemelijk maakt dat hij houder van dat recht is, met name wanneer het verzoek om informatie voorafgaat aan het indienen van schadevorderingen wegens inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht.

29.      Castorama alsmede de Poolse en de Oostenrijkse regering stellen voor om deze vragen in die zin te beantwoorden dat de eiser dient aan te tonen dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is. De Commissie stelt daarentegen dat het volstaat als hij met een voldoende mate van waarschijnlijkheid aantoont dat zijn verzoek om informatie betrekking heeft op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht.

30.      Volgens artikel 8, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/48 dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, tijdens een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, op gerechtvaardigd en redelijk verzoek van de eiser kunnen gelasten dat informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt verstrekt door de inbreukmaker of door een andere persoon die de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit blijkt te hebben.

31.      In casu wenst de verwijzende rechter te vernemen of een eiser die een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht in de zin van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 start, dient aan te tonen dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is.

32.      Gelet op de bewoordingen ervan legt deze bepaling op zich niet een dergelijke verplichting aan de eiser op. Aangezien het verzoek om informatie „gerechtvaardigd” moet zijn, vloeit hier evenwel uit voort dat het verzoek een motivering moet bevatten die voldoende feiten en bewijzen bevat met betrekking tot het ingeroepen intellectuele-eigendomsrecht.

33.      Zoals de verwijzende rechter opmerkt, moet artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 worden gelezen in samenhang met artikel 4 van deze richtlijn, volgens welk artikel een persoon die verzoekt om toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen als bedoeld in hoofdstuk II van deze richtlijn moet vallen onder een van de vier onder a) tot en met d) van dit artikel 4 genoemde categorieën van personen, instanties of organisaties. Tot deze categorieën behoren ten eerste de houders van intellectuele-eigendomsrechten, ten tweede alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, ten derde instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, en ten vierde organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten. In tegenstelling tot de in artikel 4, onder a), van richtlijn 2004/48 bedoelde houders van intellectuele-eigendomsrechten moeten de drie in artikel 4, onder b) tot en met d), van die richtlijn bedoelde categorieën personen overeenkomstig overweging 18(8) van die richtlijn echter tevens – voor zover dit toegelaten is door en in overeenstemming is met het toepasselijk recht – een rechtstreeks belang hebben bij de vrijwaring van deze rechten en juridisch bevoegd zijn.(9)

34.      Aangezien artikel 4, onder a), van richtlijn 2004/48 ziet op „houders van intellectuele-eigendomsrechten”, kan deze bepaling aldus worden begrepen dat de eiser in het kader van de toepassing van artikel 8 van deze richtlijn daadwerkelijk moet aantonen dat hij de houder van het intellectuele-eigendomsrecht is.

35.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel evenwel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van deze bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling.(10)

36.      Wat betreft de context van artikel 8 van richtlijn 2004/48 moet worden opgemerkt dat artikel 6 van deze richtlijn, met het opschrift „Bewijsmateriaal”, in lid 1 bepaalt dat de lidstaten er zorg voor dragen dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd dat voldoende is om haar vorderingen te onderbouwen, en voor de staving van haar vorderingen bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, overlegging van dit bewijsmateriaal door de wederpartij kunnen gelasten, behoudens bescherming van vertrouwelijke informatie. Artikel 7 van deze richtlijn, met het opschrift „Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal”, bepaalt in lid 1 dat de lidstaten er zorg voor dragen dat de bevoegde rechterlijke instanties, reeds voordat er een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar beweringen dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd. In artikel 9 van deze richtlijn, met het opschrift „Voorlopige en conservatoire maatregelen”, bepaalt lid 3 dat de rechterlijke instanties met betrekking tot de in de leden 1 en 2 van dat artikel bedoelde maatregelen de bevoegdheid hebben om van de eiser te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal overlegt opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat de eiser de houder van het recht is en dat er inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt.

37.      Hoewel richtlijn 2004/48 de „houders van intellectuele-eigendomsrechten” noemt als personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in hoofdstuk II van deze richtlijn bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, bepaalt zij dus uitdrukkelijk dat de eiser, overeenkomstig de artikelen 6, 7 en 9 van deze richtlijn, redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal kan overleggen dat voldoende is om zijn vorderingen te onderbouwen, dat wil zeggen zonder te hoeven aantonen dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is. Ik ben derhalve van mening dat het begrip „houder van intellectuele-eigendomsrechten” in de zin van artikel 4 van richtlijn 2004/48 niet aldus kan worden begrepen dat het de eiser dwingt aan te tonen dat hij de houder is van het intellectuele-eigendomsrecht waarop hij zich beroept in het kader van een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht die wordt ingeleid krachtens artikel 8 van deze richtlijn.

38.      Wat betreft de door richtlijn 2004/48 nagestreefde doelstelling, volgt uit de overwegingen 10 respectievelijk 13 daarvan dat deze bestaat in de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten om een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht in de interne markt te waarborgen, en dat de werkingssfeer van deze richtlijn zo ruim mogelijk moet worden gedefinieerd om alle intellectuele-eigendomsrechten die onder de desbetreffende bepalingen van het Unierecht of de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat vallen, te kunnen bestrijken.(11) Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat het doel van deze richtlijn erin bestaat dat de lidstaten, met name in de informatiemaatschappij, zorgen voor een doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendom.(12) Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat de bepalingen van deze richtlijn aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten beogen te regelen die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken daarop, door te eisen dat doeltreffende rechtsgangen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen.(13)

39.      Daarnaast moet volgens de rechtspraak van het Hof een uitlegging waarbij het in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 bedoelde recht op informatie alleen zou bestaan in het kader van een gerechtelijke procedure ter vaststelling van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, worden verworpen, teneinde te zorgen voor een hoog beschermingsniveau van de intellectuele eigendom, aangezien het gevaar zou bestaan dat dit beschermingsniveau niet kan worden gewaarborgd indien het niet mogelijk zou zijn om dit recht op informatie ook uit te oefenen in het kader van een afzonderlijke procedure die aanhangig is gemaakt na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke procedure waarin is geoordeeld dat inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht.(14) Het Hof heeft erop gewezen dat dezelfde regeling dient te gelden voor een afzonderlijke procedure die voorafgaat aan een schadevordering om op nuttige wijze een rechtsvordering tegen de vermeende inbreukmakers te kunnen instellen.(15)

40.      Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat met het in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 bedoelde recht op informatie invulling wordt gegeven aan het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en er aldus voor wordt gezorgd dat het grondrecht op eigendom, waartoe het in artikel 17, lid 2, van het Handvest beschermde intellectuele-eigendomsrecht behoort, ten volle wordt uitgeoefend. Met dit recht op informatie kan de houder van een intellectuele-eigendomsrecht achterhalen wie inbreuk maakt op dit intellectuele-eigendomsrecht en de nodige maatregelen ter bescherming van dit intellectuele-eigendomsrecht nemen, zoals het indienen van een verzoek om voorlopige maatregelen als bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van deze richtlijn of een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 13 van deze richtlijn. Zonder volledige kennis van de omvang van de inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht zou de houder van dat recht immers niet in staat zijn om nauwkeurig de omvang van de schadevergoeding waarop hij wegens die inbreuk recht heeft, vast te stellen of te berekenen.(16)

41.      Uit al deze rechtspraak komt duidelijk naar voren dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de functie van een verzoek om informatie krachtens artikel 8 van richtlijn 2004/48 en de functie van een gerechtelijke procedure tot vaststelling van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht. Met name in de situatie waar de verwijzende rechter in zijn tweede prejudiciële vraag op doelt, namelijk wanneer het verzoek om informatie voorafgaat aan het indienen van schadevorderingen wegens inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht, gaat het om een afzonderlijk verzoek dat voorbereidend van aard is en is bedoeld om volledig inzicht te krijgen in de omvang van de inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht om eventueel op nuttige wijze een vordering tot herstel van die inbreuk te kunnen instellen.

42.      In dit stadium van de procedure kan van de eiser niet worden verlangd dat hij aantoont dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is, om procesbevoegd te zijn. Als dat wel zo was, zou het in artikel 8 van richtlijn 2004/48 genoemde verzoek om informatie worden onderworpen aan dezelfde vereisten inzake het bewijs als de rechtsvordering tot vaststelling van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, terwijl die een andere rol vervult. Aangezien de in dit artikel 8 geregelde afzonderlijke procedure een specifiek aspect van het Unierecht vormt(17), zou zij in een dergelijk geval dus een groot deel van haar praktisch nut verliezen.

43.      In die omstandigheden ben ik van mening dat de eiser, in het kader van de toepassing van dit artikel 8, door middel van de overlegging van voldoende bewijsmateriaal aannemelijk moet maken dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is, zonder dat te hoeven aantonen, met name wanneer het verzoek om informatie voorafgaat aan het indienen van schadevorderingen wegens inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht.

44.      In casu merkt de verwijzende rechter op dat het in het hoofdgeding om het auteursrecht van TB gaat. Hoewel richtlijn 2004/48 geen omschrijving bevat van de intellectuele-eigendomsrechten die binnen de werkingssfeer ervan vallen, is wat dat betreft in de verklaring van de Commissie betreffende artikel 2 van richtlijn 2004/48(18) bepaald dat de auteursrechten volgens deze instelling daartoe behoren. Ook uit de rechtspraak van het Hof komt naar voren dat het auteursrecht onder het begrip „intellectuele eigendom” in de zin van die richtlijn valt.(19)

45.      Volgens overweging 17 van richtlijn 2004/48 moeten de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin zij voorziet in elk afzonderlijk geval zodanig worden vastgesteld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval. In dit verband wordt in overweging 19 van deze richtlijn(20) benadrukt dat het auteursrecht bestaat vanaf de schepping van een werk en hiervoor geen formele registratie noodzakelijk is. Wat dit recht betreft, komt uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot richtlijn 2001/29/EG(21) naar voren dat het begrip „werk” uit twee elementen bestaat. Ten eerste impliceert dit begrip een oorspronkelijk voorwerp dat een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan is, en ten tweede vereist het dat die schepping wordt uitgedrukt. Wat het eerste element betreft is het, om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als voldoende dat dit voorwerp een intellectuele schepping van de auteur is die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzen van die auteur bij de totstandkoming ervan. Wat betreft het tweede element impliceert het begrip „werk”, waarnaar in richtlijn 2001/29 wordt verwezen, noodzakelijkerwijs een uitdrukkingsvorm van het voorwerp van de auteursrechtelijke bescherming waardoor dit voorwerp voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd.(22) Het staat aan de verwijzende rechter om te bepalen of TB door voldoende bewijsmaterialen over te leggen aannemelijk heeft gemaakt dat zij de houder is van het auteursrecht op afbeelding C, met het oog op de door Castorama in de handel gebrachte reproductie ervan.

46.      Hieraan zij toegevoegd dat richtlijn 2004/48 tot doel heeft een juist evenwicht tot stand te brengen tussen enerzijds het belang dat de houders van intellectuele-eigendomsrechten hebben bij de bescherming van hun rechten, zoals neergelegd in artikel 17, lid 2, van het Handvest, en anderzijds de bescherming van de belangen en grondrechten van de gebruikers van beschermd materiaal alsmede van het algemeen belang. Wat meer in het bijzonder artikel 8 van deze richtlijn betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze bepaling beoogt de eerbiediging van verschillende rechten, met name het recht van de rechthebbenden op informatie en het recht op bescherming van de persoonsgegevens van de gebruikers, met elkaar in overeenstemming te brengen.(23)

47.      In dezelfde zin bepaalt artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/48 dat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen onder meer eerlijk en billijk moeten zijn en niet onnodig kostbaar mogen zijn. Bovendien moeten deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen volgens lid 2 van dit artikel doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en zodanig worden toegepast dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures. Dit artikel verplicht aldus de lidstaten en uiteindelijk de nationale rechterlijke instanties om garanties te bieden zodat met name het verzoek om informatie als bedoeld in artikel 8 van deze richtlijn niet onrechtmatig wordt gebruikt.(24)

48.      Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om de gegrondheid van het verzoek om informatie te beoordelen en om na te gaan of de eisende partij al dan niet misbruik heeft gemaakt van dat verzoek. Daartoe dient hij naar behoren rekening te houden met alle objectieve omstandigheden van de zaak, daaronder begrepen het gedrag van de partijen.(25) Ingeval die rechter vaststelt dat er sprake is van een dergelijk misbruik moet hij de toekenning van het in artikel 8 van richtlijn 2004/48 genoemde recht op informatie weigeren.(26)

49.      In het licht van het voorgaande ben ik van mening dat artikel 8, lid 1, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de eiser, tijdens een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, door voldoende bewijsmateriaal over te leggen aannemelijk dient te maken dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is, zonder dat van hem wordt verlangd dat hij dat aantoont, met name wanneer het verzoek om informatie voorafgaat aan een het indienen van schadevorderingen wegens inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht. Tevens dient de nationale rechter de gegrondheid van dat verzoek te beoordelen en naar behoren rekening te houden met alle objectieve omstandigheden van de zaak, daaronder begrepen het gedrag van de partijen, in het bijzonder om na te gaan of de eiser geen misbruik van het verzoek heeft gemaakt.

V.      Conclusie

50.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Sąd Okręgowy w Warszawie te beantwoorden als volgt:

„Artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

moet aldus worden uitgelegd dat:

de eiser, tijdens een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, door voldoende bewijsmateriaal over te leggen aannemelijk dient te maken dat hij de houder van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht is, zonder dat van hem wordt verlangd dat hij dat aantoont, met name wanneer het verzoek om informatie voorafgaat aan het indienen van schadevorderingen wegens inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht. Tevens dient de nationale rechter de gegrondheid van dat verzoek te beoordelen en naar behoren rekening te houden met alle objectieve omstandigheden van de zaak, daaronder begrepen het gedrag van de partijen, in het bijzonder om na te gaan of de eiser geen misbruik van het verzoek heeft gemaakt.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16). Zie over deze richtlijn Petillion, F., en Heirwegh, A., „Genesis, Adoption and Application of European Directive 2004/48/EC”, in Enforcement of Intellectual Property Rights in the EU Member States, Petillion, F. (red.), Intersentia, Antwerpen, 2019, blz. 1‑48.


3      Zie de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Coty Germany (C‑580/13, EU:C:2015:243, punt 24).


4      Dz. U. 2020, volgnr. 1575.


5      In deze overweging staat te lezen dat „[d]e werkingssfeer van deze richtlijn [...] zo breed mogelijk [dient] te worden vastgesteld, zodat zij alle intellectuele-eigendomsrechten omvat die onder de communautaire bepalingen op dit gebied en/of het nationaal recht van de betrokken lidstaat vallen. Dit vereiste vormt echter voor de lidstaten die dat wensen, geen belemmering de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn voor interne doeleinden uit te breiden tot handelingen die oneerlijke concurrentie vormen, waaronder het maken van illegale kopieën, of soortgelijke activiteiten.”


6      Arrest van 16 juli 2009, Infopaq International (C‑5/08, EU:C:2009:465).


7      Zie arrest van 6 oktober 2022, HV (Ontzegging van de rijbevoegdheid) (C‑266/21, EU:C:2022:754, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


8      Volgens die overweging moeten „[n]iet alleen rechthebbenden [...] bevoegd zijn toepassing van deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te vragen, maar ook – voor zover dit toegelaten is door en in overeenstemming is met het toepasselijk recht – personen die een rechtstreeks belang hebben en juridisch bevoegd zijn, waaronder mogelijk professionele organisaties, belast met het beheer van die rechten of de verdediging van de collectieve en individuele belangen die zij behartigen”.


9      Zie arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M. (C‑597/19, EU:C:2021:492, punten 63 en 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


10      Zie arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van een nalatenschap) (C‑617/20, EU:C:2022:426, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


11      Arrest van 18 december 2019, IT Development (C‑666/18, EU:C:2019:1099, punt 38).


12      Arrest van 18 december 2019, IT Development (C‑666/18, EU:C:2019:1099, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


13      Arrest van 28 april 2022, Phoenix Contact (C‑44/21, EU:C:2022:309, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


14      Arrest van 18 januari 2017, NEW WAVE CZ (C‑427/15, EU:C:2017:18, punt 24).


15      Arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M. (C‑597/19, EU:C:2021:492, punt 82). Zo bepaalt artikel 479113, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering dat „[w]anneer het verzoek om informatie van de rechter voorafgaat aan de procedure wegens inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht, [...] deze procedure uiterlijk een maand na de datum van tenuitvoerlegging van de beschikking betreffende het verzoek om informatie [moet] worden ingeleid”.


16      Zie arresten van 18 januari 2017, NEW WAVE CZ (C‑427/15, EU:C:2017:18, punt 25), en 17 juni 2021, M.I.C.M. (C‑597/19, EU:C:2021:492, punt 83).


17      Zoals is aangegeven in het voorstel van de Commissie van 30 januari 2003 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen [COM(2003) 46 definitief, blz. 16], was een dergelijk recht op informatie slechts in de rechtsorde van enkele lidstaten ingevoerd, te weten in Duitsland in de wetgeving op het gebied van intellectuele eigendom en in de Benelux-merkenwet.


18      PB 2005, L 94, blz. 37.


19      Zie bijvoorbeeld arrest van 18 december 2019, IT Development (C‑666/18, EU:C:2019:1099).


20      Volgens deze overweging is het, „[d]aar het auteursrecht bestaat vanaf de schepping van een werk en hiervoor geen formele registratie noodzakelijk is, [...] nuttig artikel 15 van de Berner Conventie te bevestigen, waarin het vermoeden is vastgelegd dat degene wiens naam op een letterkundig of artistiek werk is vermeld, als auteur van dat werk wordt beschouwd. [...]”


21      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).


22      Zie arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle (C‑833/18, EU:C:2020:461, punten 22‑25).


23      Zie arrest van 9 juli 2020, Constantin Film Verleih (C‑264/19, EU:C:2020:542, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 november 2017 getiteld „Richtsnoeren inzake bepaalde aspecten van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten” [COM(2017) 708 final, blz. 11], volgens welke „[o]m een evenwichtig gebruik van het systeem voor civielrechtelijke handhaving van [intellectuele-eigendomsrechten] te waarborgen, [...] de bevoegde rechterlijke instanties [...] in het algemeen elk geval apart [moeten] beoordelen ter zake van toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin [richtlijn 2004/48] voorziet”.


24      Zie in die zin arrest van 28 april 2022, Phoenix Contact (C‑44/21, EU:C:2022:309, punt 43).


25      Zie in die zin arrest van 12 september 2019, Bayer Pharma (C‑688/17, EU:C:2019:722, punt 70).


26      Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak M.I.C.M. (C‑597/19, EU:C:2020:1063, punt 121).