Language of document : ECLI:EU:C:2002:656

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

14 november 2002 (1)

„Executieverdrag - Toepassingsgebied - Verhaalsvordering op basis van nationale wettelijke regeling die in betaling van socialebijstandsuitkeringen voorziet - Begrip .burgerlijke zaak’ - Begrip .sociale zekerheid’”

In zaak C-271/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Hof van Beroep te Antwerpen (België), in het aldaar aanhangige geding tussen

Gemeente Steenbergen

en

Luc Baten,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1 van voornoemd Verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77) en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,

advocaat-generaal: A. Tizzano,


griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

-    de Gemeente Steenbergen, vertegenwoordigd door J. Jespers, advocaat,

-    L. Baten, vertegenwoordigd door J. de Meester, advocaat,

-    de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door V. J. M. Koningsberger als gemachtigde,

-    de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde,

-    de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Kruse als gemachtigde,

-    de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde, bijgestaan door K. Beal, barrister,

-    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues en W. Neirinck als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, bijgestaan door K. Beal, en de Commissie, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud en H. M. H. Speyart als gemachtigden, ter terechtzitting van 15 november 2001,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 april 2002,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij tussenarrest van 27 juni 2000, ingekomen bij het Hof op 5 juli daaraanvolgend, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1 van dat verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77) en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”).

2.
    Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geding betreffende een vordering die een Nederlandse gemeente, de Gemeente Steenbergen, heeft ingesteld tegen L. Baten, woonachtig in België, teneinde de geldbedragen te verhalen die zij als sociale bijstand aan de gescheiden echtgenote en het kind van Baten had uitgekeerd.

Rechtskader

Executieverdrag

3.
    In artikel 1 Executieverdrag wordt het toepassingsgebied ervan bepaald. Dit artikel luidt:

„Dit Verdrag wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen. Het heeft inzonderheid geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

Het is niet van toepassing op:

[...]

3.    de sociale zekerheid;

[...]”

4.
    Volgens artikel 26 Executieverdrag worden de in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen in de overige verdragsluitende staten automatisch erkend zonder vorm van proces.

5.
    In artikel 27 Executieverdrag wordt evenwel limitatief opgesomd in welke gevallen de beslissing niet wordt erkend. Dit artikel luidt:

„Beslissingen worden niet erkend:

[...]

3.    indien de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat gegeven beslissing;

[...]”

6.
    Volgens artikel 55 vervangt het Executieverdrag tussen de staten die daarbij partij zijn, een aantal in deze bepaling genoemde verdragen en overeenkomsten, waaronder „het verdrag tussen Nederland en België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, gesloten te Brussel op 28 maart 1925” (hierna: „Belgisch-Nederlands verdrag van 1925”).

7.
    Overeenkomstig artikel 56 Executieverdrag blijven de in artikel 55 vermelde verdragen en overeenkomsten van kracht ten aanzien van onderwerpen waarop het Executieverdrag niet van toepassing is.

De Nederlandse regeling

8.
    Bij de Algemene Bijstandswet (Staatsblad 1995, nr. 199; hierna: „ABW”) wordt een socialebijstandsregeling ingevoerd voor ingezetenen die geen middelen van bestaan hebben.

9.
    De algemene bijstand bestaat in een maandelijkse uitkering die gekoppeld is aan het wettelijk minimumloon, en beoogt de ontvanger in staat te stellen te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De bijstand wordt verleend door de gemeente op het grondgebied waarvan de betrokkene woont.

10.
    Artikel 93 ABW luidt:

„Kosten van bijstand worden tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald:

a)    op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt [...];

b)    op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding [...] niet of niet behoorlijk nakomt;

c)    [...]”

11.
    Artikel 94 ABW bepaalt:

„Een overeenkomst waarbij echtgenoten of gewezen echtgenoten hebben bepaald dat na echtscheiding [...], de een tegenover de ander in het geheel niet dan wel slechts tot een bepaald bedrag tot een uitkering tot diens onderhoud zal zijn gehouden [...], staat niet in de weg aan verhaal op een der partijen en laat de vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet.”

12.
    Indien de persoon op wie de gemeente verhaal zoekt, niet bereid is uit eigen beweging te betalen, kan de gemeente overeenkomstig de artikelen 102 en volgende ABW een vordering tot verhaal instellen, waarop de bepalingen van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing zijn.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

13.
    Het huwelijk van Baten en Kil werd ontbonden bij een op 14 mei 1987 door een Belgische rechterlijke instantie gewezen vonnis van echtscheiding bij onderlinge toestemming. In de aan de echtscheiding voorafgaande akte van regeling, die op 25 maart 1986 voor een in België gevestigde notaris was opgesteld, waren de echtgenoten overeengekomen dat tussen henzelf geen enkele onderhoudsuitkering verschuldigd zou zijn en dat Baten als bijdrage aan de kosten van onderhoud van het uit hun huwelijk geboren minderjarige kind een maandelijks bedrag van 3 000 BEF zou betalen.

14.
    Kil heeft zich met haar kind in de gemeente Steenbergen (Nederland) gevestigd. Deze gemeente heeft hun krachtens de ABW een socialebijstandsuitkering verleend.

15.
    De gemeente Steenbergen heeft nadien op grond van de artikelen 93 en volgende ABW van Baten terugbetaling van de aldus uitgekeerde bedragen gevorderd. Omdat Baten niet aan deze vordering voldeed, heeft de gemeente Steenbergen krachtens artikel 102 ABW voor de Arrondissementsrechtbank te Breda (Nederland) een verhaalsvordering tegen hem ingesteld.

16.
    Bij beschikking van 22 juli 1996 heeft de Arrondissementsrechtbank te Breda Baten veroordeeld tot betaling, aan de gemeente Steenbergen, van de bedragen die uit hoofde van sociale bijstand aan Kil en haar kind waren uitgekeerd.

17.
    Bij beschikking van 11 februari 1998 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout (België) het exequatur verleend voor de beschikking van 22 juli 1996.

18.
    Baten is van deze beschikking in verzet gekomen. Bij vonnissen van 17 maart en 23 juni 1999 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout dit verzet gegrond verklaard en geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 22 juli 1996 niet mogelijk was, „gelet op de onverenigbaarheid met het vonnis van echtscheiding bij onderlinge toestemming van 14 mei 1987 waarin impliciet de authentieke akte verleden voor notaris [...] van 25 maart 1986 is vervat en bekrachtigd”.

19.
    De gemeente Steenbergen is van beide vonnissen in hoger beroep gegaan bij het Hof van Beroep te Antwerpen, met het betoog dat aangezien het om een geding op het gebied van de sociale zekerheid gaat, dit niet binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag valt, maar binnen het toepassingsgebied van het Belgisch-Nederlands verdrag van 1925.

20.
    In deze omstandigheden heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende twee prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)    Is een rechtsgeding betreffende een vordering tot verhaal op grond van de Nederlandse Algemene Bijstandswet, ingesteld door een verhaalsgerechtigde gemeente ten aanzien van een onderhoudsplichtige, zoals bedoeld door artikel 93 Algemene Bijstandswet, een burgerlijke zaak in de zin van artikel 1, eerste alinea, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en kan een in dergelijk rechtsgeding gewezen rechterlijke beslissing om die reden binnen het toepassingsgebied van dit verdrag vallen?

2)    Is een rechtsgeding betreffende een vordering tot verhaal op grond van de Nederlandse Algemene Bijstandswet, ingesteld door een verhaalsgerechtigde gemeente ten aanzien van een onderhoudsplichtige, zoals bedoeld door artikel 93 Algemene Bijstandswet, een zaak betreffende de sociale zekerheid in de zin van artikel 1, tweede alinea, punt 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en valt een in dergelijk geding gewezen rechterlijke beslissing om die reden buiten het toepassingsgebied van dit verdrag?”

De eerste vraag

21.
    Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het begrip „burgerlijke zaak” in de zin van artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag ook betrekking heeft op een vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

22.
    Partijen in het hoofdgeding, de lidstaten en de Commissie zijn het er in hun bij het Hof ingediende opmerkingen over eens dat het begrip „burgerlijke zaak” in de zin van artikel 1 Executieverdrag als een autonoom begrip moet worden opgevat. Bovendien beklemtonen zij allen dat het Executieverdrag ook van toepassing kan zijn op geschillen tussen een overheidsorgaan en een particulier, voorzover dat orgaan niet krachtens overheidsbevoegdheid heeft gehandeld.

23.
    De opmerkingen lopen echter uiteen wanneer het om de toepassing van deze beginselen op het hoofdgeding gaat.

24.
    De gemeente Steenbergen en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen dat een overheidsinstantie die tegen een particulier een vordering instelt om de bedragen te verhalen die zij uit hoofde van sociale bijstand heeft uitgekeerd, krachtens overheidsbevoegdheid handelt.

25.
    Tijdens de schriftelijke procedure heeft de Commissie dit standpunt ondersteund, zich daarbij baserend op het feit dat de gemeente die de sociale bijstand toekent, in het kader van de ABW over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt zowel ten aanzien van de vaststelling van de rechthebbenden en van het toegekende bedrag als ten aanzien van het besluit om dit bedrag al dan niet te verhalen. Ter terechtzitting heeft zij haar standpunt echter gewijzigd en zich op een andere lezing van de ABW gebaseerd. Deze wet zou de gemeente verplichten tot verhaal over te gaan, zodra er sprake is van een wettelijk onderhoudsplichtige, waarbij het verhaalsrecht evenwel alleen kan worden uitgeoefend binnen de grenzen van de onderhoudsplicht die deze onderhoudsplichtige niet is nagekomen. De gemeente zou op deze wijze een civiel recht geldend maken.

26.
    De Oostenrijkse en de Zweedse regering zijn eveneens van mening dat de betrokken vordering tot verhaal verband houdt met een civielrechtelijke onderhoudsvordering, in casu die welke Kil en haar dochter op Baten hebben. Het feit dat deze vordering op een overheidsinstantie is overgegaan, zou de aard ervan niet hebben gewijzigd.

27.
    Ook de Nederlandse regering is van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering een civiele vordering is. Zij geeft er echter de voorkeur aan, deze te kwalificeren als een vordering tot vergoeding van de schade die de betrokken gemeente heeft geleden doordat zij een socialebijstandsuitkering heeft moeten betalen aan een tot onderhoud gerechtigde die geen middelen van bestaan heeft.

Beoordeling door het Hof

28.
    Volgens vaste rechtspraak mogen de bewoordingen van artikel 1 Executieverdrag, waarin het toepassingsgebied van het verdrag wordt afgebakend, niet worden opgevat als een eenvoudige verwijzing naar het nationale recht van een der betrokken staten, zulks ter verzekering van de grootst mogelijke gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende staten en de belanghebbende personen uit dit verdrag voortvloeien. Derhalve moet worden aangenomen dat bedoelde term een autonoom begrip is en moet worden uitgelegd aan de hand van, enerzijds, de doelen en het stelsel van het Executieverdrag en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden (arresten van 14 oktober 1976, LTU, 29/76, Jurispr. blz. 1541, punt 3; 22 februari 1979, Gourdain, 133/78, Jurispr. blz. 733, punt 3; 16 december 1980, Rüffer, 814/79, Jurispr. blz. 3807, punt 7, en 21 april 1993, Sonntag, C-172/91, Jurispr. blz. I-1963, punt 18).

29.
    Het Hof heeft gepreciseerd dat deze uitlegging ertoe leidt, dat bepaalde rechterlijke beslissingen buiten het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen wegens elementen die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen partijen bestaande rechtsbetrekkingen of van het voorwerp van het geschil (arrest LTU, reeds aangehaald, punt 4).

30.
    Zo heeft het Hof geoordeeld dat het Executieverdrag weliswaar van toepassing kan zijn op bepaalde beslissingen in geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier, doch dat dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt (arresten LTU, punt 4, en Rüffer, punt 8, beide reeds aangehaald).

31.
    Om te bepalen of dit het geval is in een geding als het hoofdgeding, waarin een overheidsorgaan op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd, moeten dus de grondslag en de wijze van instellen van deze vordering worden onderzocht.

32.
    Dienaangaande bepaalt artikel 93 ABW dat de kosten van de sociale bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek worden verhaald. Op basis van civielrechtelijke regels wordt dus bepaald in welke gevallen het overheidsorgaan een verhaalsvordering kan instellen, namelijk wanneer er een wettelijk onderhoudsplichtige bestaat. Op basis van diezelfde regels wordt bepaald tegen welke persoon het overheidsorgaan de vordering kan instellen, namelijk tegen genoemde wettelijk onderhoudsplichtige, en worden de grenzen vastgesteld van de bedragen die het orgaan kan verhalen, namelijk de grenzen van de wettelijke onderhoudsplicht zelf.

33.
    Met betrekking tot de wijze van instellen van de verhaalsvordering, preciseert artikel 103 ABW dat deze vordering voor de civiele rechter moet worden gebracht en dat daarop de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn.

34.
    Gelijk de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de rechtssituatie van het overheidsorgaan ten opzichte van de onderhoudsplichtige worden vergeleken met de situatie van een particulier die om welke reden ook een schuld van een ander heeft betaald en in de rechten van de oorspronkelijke schuldeiser is gesubrogeerd, dan wel met de situatie van degene die, omdat hij schade heeft geleden door een aan een derde toe te rekenen handeling of verzuim, van deze derde vergoeding van die schade vordert.

35.
    Met betrekking tot deze vaststelling moet evenwel een voorbehoud worden gemaakt dat verband houdt met artikel 94 ABW, volgens hetwelk een overeenkomst tussen echtgenoten of gewezen echtgenoten om onderhoudsverplichtingen na echtscheiding uit te sluiten of te beperken, niet in de weg staat aan verhaal op een der partijen en de vaststelling van de te verhalen bedragen onverlet laat.

36.
    Voorzover deze bepaling het overheidsorgaan de mogelijkheid biedt, eventueel geen rekening te houden met een tussen echtgenoten of gewezen echtgenoten wettig gesloten overeenkomst, die tussen hen bindende werking heeft en aan derden kan worden tegengeworpen, plaatst zij het overheidsorgaan immers in een van het gemene recht afwijkende rechtssituatie. Dit geldt a fortiori voorzover zij dit orgaan de mogelijkheid biedt, geen rekening te houden met een door een rechterlijke beslissing gehomologeerde overeenkomst die de aan deze beslissing verbonden kracht van gewijsde geniet. In dergelijke omstandigheden handelt het overheidsorgaan niet langer krachtens civielrechtelijke regels, maar krachtens een eigen recht dat de wetgever hem specifiek heeft verleend.

37.
    Gelet op deze overwegingen, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „burgerlijke zaak” ook betrekking heeft op een vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd, voorzover de grondslag en de wijze van instellen van deze vordering worden beheerst door de regels van het gemene recht op het gebied van de onderhoudsplicht. Wanneer de verhaalsvordering gebaseerd is op bepalingen waarmee de wetgever het overheidsorgaan een eigen recht heeft verleend, kan niet worden aangenomen dat deze vordering onder het begrip „burgerlijke zaak” valt.

De tweede vraag

38.
    Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het begrip „sociale zekerheid” in de zin van artikel 1, tweede alinea, punt 3, Executieverdrag ook omvat een vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

39.
    De Nederlandse en de Oostenrijkse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie merken op dat het Executieverdrag geen definitie van het begrip „sociale zekerheid” geeft, en stellen voor hiervoor te rade te gaan bij artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”)

40.
    Evenals de Commissie betogen deze regeringen evenwel dat de uitsluiting van geschillen op het gebied van de sociale zekerheid van het toepassingsgebied van het Executieverdrag strikt moet worden opgevat. Het zou alleen gaan om geschillen tussen de organen en de uitkeringsgerechtigden en zich niet uitstrekken tot beroepen die een orgaan tegen een derde instelt.

Beoordeling door het Hof

41.
    Om te beginnen moet worden opgemerkt dat deze vraag alleen beantwoording behoeft indien het overheidsorgaan handelt volgens de regels van het gemene recht en wanneer de beslissing die op de door hem ingestelde verhaalsvordering is gegeven, als een beslissing in een „burgerlijke zaak” in de zin van artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag kan worden aangemerkt.

42.
    Aangezien het begrip „sociale zekerheid” wordt gebruikt ter afbakening van het toepassingsgebied van het Executieverdrag, moet worden aangenomen, dat het, gelijk het Hof in punt 28 van dit arrest in herinnering heeft gebracht, een autonoom begrip is en moet worden uitgelegd aan de hand van de doelen en het stelsel van dit verdrag.

43.
    Gezien het verband tussen het Executieverdrag en het gemeenschapsrecht (zie arresten van 10 februari 1994, Mund & Fester, C-398/92, Jurispr. blz. I-467, punt 12, en 28 maart 2000, Krombach, C-7/98, Jurispr. blz. I-1935, punt 24), moet rekening worden gehouden met de inhoud die dit begrip in het gemeenschapsrecht heeft.

44.
    Met de op basis van artikel 51 EEG-Verdrag (nadien artikel 51 EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 42 EG) vastgestelde verordening nr. 1408/71 heeft de gemeenschapswetgever regels inzake de coördinatie van de nationale wettelijke regelingen op het gebied van de sociale zekerheid gegeven. Gelijk de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is daarbij een regeling ingevoerd waarin de uitsluitende regelgevende bevoegdheid van een lidstaat in beginsel overeenkomt met de bevoegdheid van de administratieve autoriteiten en rechterlijke instanties van die staat. Hieruit volgt, dat de effectieve bescherming van rechtsposities wordt gewaarborgd door de aanwijzing van een algemeen bevoegd nationaal rechtsstelsel en niet vereist dat de erkenning van beslissingen op dit gebied wordt verzekerd.

45.
    Derhalve moet worden aangenomen dat de inhoud van het begrip „sociale zekerheid” in de zin van artikel 1, tweede alinea, Executieverdrag de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 omvat, zoals deze is omschreven in artikel 4 ervan en is gepreciseerd in de rechtspraak van het Hof.

46.
    Maar los van de kwalificatie die met betrekking tot artikel 4 van verordening nr. 1408/71 moet worden gegeven aan uitkeringen die een overheidsorgaan uit hoofde van sociale bijstand betaalt aan personen die geen bestaansmiddelen hebben, betreft de verhaalsvordering die dat orgaan instelt tegen een derde, een particulier in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige van de ondersteunde personen, niet de voorwaarden voor toekenning van de betrokken uitkeringen, maar de terugvordering van de uit dien hoofde betaalde bedragen.

47.
    Hieruit volgt dat het voorwerp van het geschil in geen geval verband houdt met de toepassing van verordening nr. 1408/71.

48.
    Deze uitlegging vindt steun in het rapport-Jenard over het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1, 12 en 13), en in het rapport-Schlosser inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Executieverdrag (PB 1979, C 59, blz. 71, punt 60). Volgens deze rapporten betreft de uitsluiting van de sociale zekerheid van het toepassingsgebied van het Executieverdrag slechts de geschillen op dit gebied, dat wil zeggen de geschillen die voortkomen uit de betrekkingen tussen de administratie en werkgevers of werknemers. Deze rapporten voegen hieraan toe dat het Executieverdrag wel van toepassing is wanneer de administratie een regresrecht uitoefent tegen een derde die aansprakelijk is voor de schade of jegens deze derde is gesubrogeerd in de rechten van een door haar verzekerd slachtoffer, omdat zij in zulke gevallen optreedt overeenkomstig de bepalingen van het gemene recht.

49.
    Gelet op het voorgaande, moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 1, tweede alinea, punt 3, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „sociale zekerheid” niet omvat de vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan volgens de regels van het gemene recht op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd.

Kosten

50.
    De kosten door de Nederlandse, de Oostenrijkse en de Zweedse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Hof van Beroep te Antwerpen bij tussenarrest van 27 juni 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)    Artikel 1, eerste alinea, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „burgerlijke zaak” ook betrekking heeft op een vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd, voorzover de grondslag en de modaliteiten van instellen van deze vordering worden beheerst door de regels van het gemene recht op het gebied van de onderhoudsplicht. Wanneer de verhaalsvordering gebaseerd is op bepalingen waarmee de wetgever het overheidsorgaan een eigen recht heeft verleend, kan niet worden aangenomen dat deze vordering onder het begrip „burgerlijke zaak” valt.

    

2)    Artikel 1, tweede alinea, punt 3, van dit verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „sociale zekerheid” niet omvat de vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan volgens de regels van het gemene recht op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd.

Timmermans

Edward
La Pergola

            Jann                        von Bahr

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 november 2002.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

M. Wathelet


1: Procestaal: Nederlands.