Language of document : ECLI:EU:C:2004:584

Arrêt de la Cour

ARREST VAN HET HOF (grote kamer)
5 oktober 2004 (1)

„Sociale politiek – Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers – Richtlijn 93/104/EG – Werkingssfeer – Hulpverleners die ambulance bemannen in kader van door Deutsches Rotes Kreuz georganiseerde dienst voor medische spoedhulp – Strekking van begrip ‚wegvervoer’ – Maximale wekelijkse arbeidstijd – Beginsel – Rechtstreekse werking – Afwijking – Voorwaarden”

In de gevoegde zaken C-397/01 tot en met C-403/01,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,

ingediend door het Arbeitsgericht Lörrach (Duitsland) bij beslissingen van 26 september 2001, ingekomen bij het Hof op 12 oktober 2001, in de procedures

Bernhard Pfeiffer (C-397/01),

Wilhelm Roith (C-398/01),

Albert Süß (C-399/01),

Michael Winter (C-400/01),

Klaus Nestvogel (C-401/01),

Roswitha Zeller (C-402/01),

Matthias Döbele (C-403/01)

tegen

Deutsches Rotes Kreuz, Kreisverband Waldshut eV,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),



samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, C. Gulmann, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresidenten, R. Schintgen (rapporteur), F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr en K. Lenaerts, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gezien de stukken,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 maart 2004,

gelet op de opmerkingen van:

Pfeiffer, Roith, Süß, Winter, Nestvogel, Zeller en Döbele, vertegenwoordigd door B. Spengler, Rechtsanwalt,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack en H. Kreppel als gemachtigden,

gelet op de opmerkingen van:

Pfeiffer, Roith, Nestvogel, Zeller en Döbele, vertegenwoordigd door B. Spengler,

Süß en Winter, vertegenwoordigd door K. Lörcher, Gewerkschaftssekretär,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing als gemachtigde,

de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Abraham, G. de Bergues en C. Bergeot-Nunes als gemachtigden,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door A. Cingolo, avvocato dello Stato,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Jackson als gemachtigde, bijgestaan door A. Dashwood, barrister,

de Commissie, vertegenwoordigd door J. Sack en H. Kreppel,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 mei 2003,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 april 2004,

het navolgende



Arrest



1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183, blz. 1), en van de artikelen 1, lid 3, 6 en 18, lid 1, sub b-i, van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18).

2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen enerzijds B. Pfeiffer, W. Roith, A. Süß, M. Winter, K. Nestvogel, R. Zeller en M. Döbele, die het beroep van ambulancehulpverlener uitoefenen of hebben uitgeoefend, en anderzijds het Deutsche Rote Kreuz, Kreisverband Waldshut eV [Duitse Rode Kruis, post Waldshut (hierna: „Deutsche Rote Kreuz”)], de instelling die verzoekers in het hoofdgeding in dienst heeft of had, over de Duitse regeling die voorziet in een wekelijkse arbeidstijd van meer dan 48 uur.


Toepasselijke bepalingen

Bepalingen van gemeenschapsrecht

3
Richtlijnen 89/391 en 93/104 zijn vastgesteld op basis van artikel 118 A EG-Verdrag (de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot en met 143 EG).

4
Richtlijn 89/391 is de kaderrichtlijn waarin de algemene beginselen op het gebied van de veiligheid en de gezondheid van werknemers zijn neergelegd. Deze beginselen zijn nadien nader uitgewerkt in een reeks bijzondere richtlijnen, waaronder richtlijn 93/104.

5
Artikel 2 van richtlijn 89/391 omschrijft de werkingssfeer ervan als volgt:

„1. Deze richtlijn is van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren (industriële, landbouw-, handels-, administratieve, dienstverlenende, educatieve, culturele, vrijetijdsactiviteiten, enz.).

2. Deze richtlijn geldt niet wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, [dwingend aan] de toepassing ervan in de weg staan.

In dat geval moet ervoor worden gezorgd dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk worden verzekerd, met inachtneming van de doelstellingen van deze richtlijn.”

6
Artikel 1 van richtlijn 93/104, met het opschrift „Doel en toepassingsgebied”, luidt:

„1. Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.

2. Deze richtlijn is van toepassing op:mm

a)
de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd,

           en

b)
bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid en van het werkrooster.

3. Onverminderd artikel 17 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG, met uitzondering van het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding.

4. Het bepaalde in richtlijn 89/391/EEG is ten volle van toepassing op de in lid 2 bedoelde aangelegenheden, onverminderd strengere en/of meer specifieke bepalingen die in deze richtlijn vervat zijn.”

7
Onder het opschrift „Definities” bepaalt artikel 2 van richtlijn 93/104:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)
arbeidstijd: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;

2)
rusttijd: de tijd die geen arbeidstijd is;

[…]”

8
Afdeling II van deze richtlijn bepaalt welke maatregelen de lidstaten moeten treffen opdat alle werknemers, met name, minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden genieten, en regelt tevens de maximale wekelijkse arbeidstijd.

9
Met betrekking tot de maximale wekelijkse arbeidstijd bepaalt artikel 6 van deze richtlijn:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:

[…]

2)
de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.”

10
Artikel 15 van richtlijn 93/104 luidt als volgt:

„Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.”

11
In artikel 16 van deze richtlijn heet het:

„De lidstaten mogen een referentieperiode vaststellen die:

[…]

2)
voor de toepassing van artikel 6 (maximale wekelijkse arbeidstijd), niet langer is dan vier maanden.

[…]”

12
Richtlijn 93/104 voorziet voorts in een reeks afwijkingen van verschillende basisregels ervan, gelet op de bijzondere kenmerken van bepaalde werkzaamheden en mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dienaangaande bepaalt artikel 17:

„1.    Met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, kunnen de lidstaten afwijken van de artikelen 3, 4, 5, 6, 8 en 16, wanneer de duur van de arbeidstijd wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheid niet wordt gemeten en/of vooraf bepaald, of door de werknemers zelf kan worden bepaald, en met name wanneer het gaat om:

a)
leidinggevend personeel of andere personen met een autonome beslissingsbevoegdheid;

b)
arbeidskrachten in gezins- of familieverband;

           
of

c)
werknemers die in kerken en religieuze gemeenschappen de eredienst verzorgen.

2.      Mits de betrokken werknemers gelijkwaardige compenserende rusttijden worden geboden of, in de uitzonderlijke gevallen waarin dit op objectieve gronden niet mogelijk is, een passende bescherming, kan bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners worden afgeweken:

2.1    van de artikelen 3, 4, 5, 8 en 16:

           […]

c)
voor werkzaamheden waarbij de continuïteit van de dienst of de productie moet worden gewaarborgd, met name in geval van:

i)
opvang, behandeling en/of verzorging in ziekenhuizen of soortgelijke instellingen, tehuizen en gevangenissen,

[…]

iii)
pers, radio, televisie, filmproductie, post en telecommunicatie, diensten van ambulances, brandweer en civiele bescherming,

[…]

3.      Van de artikelen 3, 4, 5, 8 en 16 mag worden afgeweken bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners op nationaal of regionaal niveau of, conform de door deze sociale partners vastgelegde regels, bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners op een lager niveau.

[…]

De afwijkingen bedoeld in de eerste en de tweede alinea zijn slechts toegestaan mits de betrokken werknemers gelijkwaardige compenserende rusttijden worden geboden of, in uitzonderlijke gevallen waarin dat op objectieve gronden niet mogelijk is, de betrokken werknemers een passende bescherming wordt geboden.

[…]

4.      De in lid 2, punt 2.1 en punt 2.2, en in lid 3, bedoelde mogelijkheid om af te wijken van artikel 16, punt 2, mag niet tot gevolg hebben dat er een referentieperiode wordt vastgesteld die langer is dan zes maanden.

De lidstaten kunnen evenwel, met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, toestaan dat om objectieve, technische of arbeidsorganisatorische redenen in collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners langere referentieperioden worden vastgesteld, die echter in geen geval langer mogen zijn dan twaalf maanden.

[…]”

13
Artikel 18 van richtlijn 93/104 luidt als volgt:

„1.a)
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 23 november 1996 aan deze richtlijn te voldoen of vergewissen zich er uiterlijk op die datum van dat de sociale partners via overeenkomsten de nodige maatregelen nemen; de lidstaten nemen in dit laatste geval alle noodzakelijke maatregelen om te allen tijde de door deze richtlijn geëiste resultaten te kunnen waarborgen.

b)i)
Een lidstaat kan evenwel, met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, besluiten artikel 6 niet toe te passen, mits hij door de nodige maatregelen te treffen het volgende waarborgt:

geen enkele werkgever verlangt dat een werknemer meer dan achtenveertig uur werkt tijdens een periode van zeven dagen, berekend als gemiddelde van de in artikel 16, punt 2, bedoelde referentieperiode, tenzij de werknemer met het verrichten van dergelijke arbeid heeft ingestemd;

geen enkele werknemer mag nadeel ondervinden van het feit dat hij niet bereid is dergelijke arbeid te verrichten;

de werkgever houdt registers bij van alle werknemers die dergelijke arbeid verrichten;

de registers worden ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten die, in verband met de veiligheid en/of de gezondheid van de werknemers, de mogelijkheid om de maximale wekelijkse arbeidstijd te overschrijden, kunnen verbieden of beperken;

de werkgever verstrekt de bevoegde autoriteiten, op hun verzoek, inlichtingen over de gevallen waarin werknemers ermee hebben ingestemd om langer dan achtenveertig uur te werken tijdens een periode van zeven dagen, berekend als gemiddelde van de in artikel 16, punt 2, bedoelde referentieperiode.

[…]”

Bepalingen van nationaal recht

14
In het Duitse arbeidsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”), beschikbaarheidsdienst („Bereitschaftsdienst”) en bereikbaarheidsdienst („Rufbereitschaft”).

15
Deze drie begrippen zijn in de nationale regeling niet omschreven, doch de kenmerken ervan vloeien voort uit de rechtspraak.

16
Aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) betreft de situatie waarin de werknemer zich ter beschikking van zijn werkgever moet houden op zijn werkplek en voorts permanent alert moet zijn om indien nodig onmiddellijk te kunnen handelen.

17
Bij beschikbaarheidsdienst („Bereitschaftsdienst”) moet de werknemer op een door de werkgever bepaalde plek aanwezig zijn, binnen of buiten diens instelling, en zich gereed houden om op verzoek van de werkgever de dienst waar te nemen, maar hij mag rusten of zich naar eigen keuze bezighouden zolang van hem geen beroepswerkzaamheden worden verlangd.

18
Bereikbaarheidsdienst („Rufbereitschaft”) wordt er door gekenmerkt dat de werknemer niet verplicht is om op een door de werkgever aangewezen plek beschikbaar te blijven, maar dat het volstaat dat hij ieder ogenblik bereikbaar is om op verzoek van de werkgever zijn beroepswerkzaamheden binnen een korte termijn te kunnen verrichten.

19
In het Duitse recht wordt in het algemeen enkel aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) volledig als arbeidstijd aangemerkt. Zowel beschikbaarheidsdienst („Bereitschaftsdienst”) als bereikbaarheidsdienst („Rufbereitschaft”) worden daarentegen als rusttijd aangemerkt, behalve voor het gedeelte van de dienst waarin de werknemer zijn beroepswerkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

20
De Duitse regeling inzake arbeidstijd en rusttijd is opgenomen in het Arbeitszeitgesetz (arbeidstijdenwet) van 6 juni 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 1170; hierna: „ArbZG”), dat is vastgesteld ter omzetting van richtlijn 93/104.

21
§ 2, lid 1, ArbZG omschrijft arbeidstijd als de tijd van het begin tot het einde van de arbeid, zonder de pauzes.

22
In § 3 ArbZG is bepaald:

„De arbeidstijd van een werknemer mag per dag niet meer dan 8 uur bedragen. De arbeidstijd kan slechts worden verlengd tot 10 uur indien binnen een tijdvak van 6 kalendermaanden of 24 weken gemiddeld niet meer dan 8 uur per dag wordt gewerkt.”

23
§ 7 ArbZG luidt als volgt:

„(1) Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij bedrijfsakkoord op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst kan worden toegestaan dat:

1.      in afwijking van § 3,

a)
de arbeidstijd, zelfs zonder compensatie, tot meer dan 10 uur per dag wordt verlengd, wanneer de arbeidstijd regelmatig en in een aanzienlijke mate aanwezigheidsdienst (‚Arbeitsbereitschaft’) omvat,

b)
een ander compensatietijdvak wordt vastgesteld,

c)
de arbeidstijd, zonder compensatie, tot 10 uur per dag wordt verlengd gedurende maximaal 60 dagen per jaar,

[…]”

24
§ 25 ArbZG bepaalt:

„Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een overeenkomst die ook na dit tijdstip effect blijft sorteren, afwijkende voorschriften bevat ingevolge § 7, leden 1 of 2 [...], die de in genoemde bepalingen vastgestelde maxima overschrijden, blijven deze voorschriften onverkort gelden. Bedrijfsakkoorden op basis van collectieve arbeidsovereenkomsten worden gelijkgesteld met de in de eerste volzin bedoelde collectieve arbeidsovereenkomsten [...]”

25
Het Tarifvertrag über die Arbeitsbedingungen für Angestellte, Arbeiter und Auszubildende des Deutschen Roten Kreuzes (collectieve arbeidsovereenkomst inzake de arbeidsvoorwaarden voor functionarissen, werknemers en medewerkers in opleiding, van het Duitse Rode Kruis; hierna: „DRK-TV”) bepaalt onder meer het volgende:

㤠14 Normale arbeidstijd

(1)
De normale arbeidstijd bedraagt gemiddeld 39 uur exclusief pauzes (vanaf 1 april 1990: 38½ uur) per week. In het algemeen wordt de gemiddelde normale wekelijkse arbeidstijd over een tijdvak van 26 weken berekend.

In het geval van werknemers die hun taken in ploegen of bij toerbeurt verrichten kan een langere periode worden vastgesteld.

(2)    De normale arbeidstijd kan worden verlengd […]

a)
tot 10 uur per dag (gemiddeld 49 uur per week) indien de arbeidstijd regelmatig aanwezigheidsdienst (‚Arbeitsbereitschaft’) van gemiddeld minstens 2 uur per dag omvat,

b)
tot 11 uur per dag (gemiddeld 54 uur per week) indien de arbeidstijd regelmatig aanwezigheidsdienst (‚Arbeitsbereitschaft’) van gemiddeld minstens 3 uur per dag omvat,

c)
tot 12 uur per dag (gemiddeld 60 uren per week) indien de werknemer enkel op de werkplek aanwezig behoeft te zijn om indien nodig werkzaamheden te verrichten.

[...]

(5)
De werknemer is verplicht om op verlangen van de werkgever buiten de normale arbeidstijd op een door de werkgever bepaalde plaats te verblijven, waar op hem een beroep kan worden gedaan om indien nodig werkzaamheden te verrichten [beschikbaarheidsdienst (‚Bereitschaftsdienst’)]. De werkgever mag slechts een dergelijke beschikbaarheidsdienst verlangen wanneer weliswaar te verwachten is dat werkzaamheden zullen moeten worden verricht, maar de ervaring leert dat het grootste gedeelte van de tijd niet zal behoeven te worden gewerkt.

[...]”

26
Bij § 14, lid 2, DRK-TV is een als volgt geformuleerde aantekening gemaakt:

„Bij de toepassing van bijlage 2 voor de medewerkers van een dienst voor medische spoedhulp en een ambulancedienst moet de toelichting bij § 14, lid 2, [DRK-TV] in acht worden genomen.”

27
Deze bijlage 2 bevat bijzondere cao-bepalingen voor het personeel van de diensten voor medische spoedhulp en de ambulancediensten. In de desbetreffende toelichting is bepaald dat de in § 14, lid 2, sub b, DRK-TV genoemde maximale wekelijkse arbeidstijd van 54 uur, trapsgewijze zal worden verlaagd. Dientengevolge is deze maximale arbeidstijd per 1 januari 1993 van 54 uur tot 49 uur verkort.


De hoofdgedingen en de prejudiciële vragen

28
Aan de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing liggen zeven gedingen ten grondslag.

29
Blijkens de bij het Hof ingediende dossiers beheert het Deutsche Rote Kreuz onder meer de dienst voor medische spoedhulp te land in een gedeelte van de Landkreis Waldshut. Het Deutsche Rote Kreuz onderhoudt de medische hulpposten Waldshut (Duitsland), Dettighofen (Duitsland) en Bettmaringen (Duitsland), die 24 uur per dag bemand zijn, en de medische hulppost Lauchringen (Duitsland), die 12 uur per dag bemand is. De medische spoedhulp te land wordt middels ambulances en medische-urgentiewagens uitgevoerd. De ambulances worden bemand door twee ambulancehulpverleners, terwijl de medische-urgentiewagen wordt bemand door een ambulancehulpverlener en een spoedarts. Bij alarm worden deze voertuigen ingezet om de patiënten ter plekke medische zorg te geven. Daarna worden deze patiënten gewoonlijk naar een ziekenhuis vervoerd.

30
Pfeiffer en Nestvogel waren in het verleden als ambulancehulpverlener in dienst van het Deutsche Rote Kreuz, terwijl de andere verzoekers in de hoofdgedingen op het tijdstip van het instellen van hun beroepen bij de verwijzende rechter nog bij deze instelling in dienst waren.

31
Partijen in de hoofdgedingen zijn het in wezen oneens over de vraag of bij de berekening van de maximale wekelijkse arbeidstijd rekening moet worden gehouden met de perioden van aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) die de betrokken werknemers in het kader van hun aanstelling bij het Deutsche Rote Kreuz moeten of hebben moeten verrichten.

32
De door Pfeiffer en Nestvogel bij het Arbeitsgericht Lörrach ingestelde beroepen betreffen een vordering tot uitbetaling van de overuren die zij boven de 48 uur per week hebben gemaakt. Zij stellen immers dat zij tussen juni 2000 en maart 2001 ten onrechte meer dan gemiddeld 48 uur per week hebben moeten werken. Bijgevolg verzoeken zij deze rechter het Deutsche Rote Kreuz te veroordelen hun de brutobedragen van respectievelijk 4 335,45 DEM (voor 156,85 overuren tegen het brutotarief van 29,91 DEM) en 1 841,88 DEM (voor 66,35 overuren tegen het brutotarief van 27,76 DEM) te betalen, vermeerderd met vertragingsrente.

33
De door de andere verzoekers in de hoofdgedingen ingestelde beroepen betreffen de vaststelling van de maximale wekelijkse arbeidstijd die zij voor het Duitse Rode Kruis moeten verrichten.

34
In de verschillende arbeidsovereenkomsten zijn partijen in de hoofdgedingen overeengekomen dat het DRK-TV wordt toegepast.

35
Het Arbeitsgericht Lörrach stelt vast dat de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd in de door het Deutsche Rote Kreuz beheerde dienst voor medische spoedhulp, op basis van deze contractuele bepalingen 49 uur was. De normale arbeidstijd was immers gelet op de verplichting van belanghebbenden om gedurende gemiddeld ten minste drie uur per dag aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) te verrichten, ingevolge § 14, lid 2, sub b, DRK-TV verlengd.

36
Verzoekers in de hoofdgedingen menen dat de door het Deutsche Rote Kreuz genomen maatregelen om de wekelijkse arbeidstijd op 49 uur vast te stellen, onwettig zijn. Zij baseren zich in dit verband op richtlijn 93/104 en op het arrest van het Hof van 3 oktober 2000, Simap (C-303/98, Jurispr. blz. I-7963). Volgens hen schendt § 14, lid 2, sub b, DRK-TV het gemeenschapsrecht voorzover daarbij een arbeidstijd van meer dan 48 uur per week is voorzien. Voorts is deze contractuele regeling niet gerechtvaardigd op basis van de afwijkingsbepaling van § 7, lid 1, punt 1, sub a, ArbZG. Verzoekers in de hoofdgedingen betogen immers dat deze wet richtlijn 93/104 op dit punt onjuist omzet. Bijgevolg staan zij op het standpunt dat de afwijking in het ArbZG in overeenstemming met het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, of anders zonder meer niet-toepasselijk is.

37
Het Deutsche Rote Kreuz daarentegen concludeert tot verwerping van de beroepen. Het betoogt in het bijzonder dat zijn regeling betreffende de verlenging van de arbeidstijd de nationale voorschriften en de cao's eerbiedigt.

38
Het Arbeitsgericht Lörrach, waaraan het geschil is voorgelegd, vraagt zich om te beginnen af of de activiteit van verzoekers in de hoofdgedingen onder de werkingssfeer van richtlijn 93/104 valt.

39
Enerzijds sluit artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104, die wat haar werkingssfeer betreft naar artikel 2 van richtlijn 89/391 verwijst, verschillende gebieden van haar werkingssfeer uit, omdat de bijzondere aspecten van bepaalde specifieke werkzaamheden daaraan dwingend in de weg staan. Volgens de verwijzende rechter mag deze uitsluiting echter enkel gelden voor die werkzaamheden die de openbare veiligheid en orde beogen te garanderen, die onontbeerlijk zijn voor het algemeen welzijn en die naar hun aard niet kunnen worden gepland. Hij noemt als voorbeeld grote rampen. Diensten voor medische spoedhulp mogen daarentegen niet van de werkingssfeer van de twee richtlijnen worden uitgesloten – ook al moeten de ambulancehulpverleners zich 24 uur per dag gereed houden om te kunnen uitrukken – aangezien het mogelijk blijft de taken en de arbeidstijd van ieder van hen te plannen.

40
Anderzijds dient te worden vastgesteld of het werk binnen een dienst voor medische spoedhulp te land moet worden aangemerkt als een werkzaamheid die onder het gebied van het „wegvervoer” in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 valt. Indien dit begrip aldus moet worden opgevat dat daaronder elke werkzaamheid wordt begrepen die wordt verricht in een voertuig dat op de openbare weg rijdt, moet de dienst die wordt verricht door middel van ambulances en medische-urgentiewagens, tot dat gebied behoren, omdat een aanzienlijk gedeelte van deze werkzaamheid bestaat in het zich begeven naar de plek waar zich een medisch spoedgeval heeft voorgedaan en in het vervoer van de patiënten naar het ziekenhuis. De dienst voor medische spoedhulp opereert normalerwijze echter in een geografisch beperkt gebied, gewoonlijk binnen een Landkreis, zodat de afstanden niet groot zijn en de interventietijd beperkt is. Het werk binnen een dienst voor medische spoedhulp te land wijkt in zoverre af van de typische activiteit van het wegvervoer. Toch blijft hierover twijfel bestaan vanwege het arrest van 24 september 1998, Tögel (C-76/97, Jurispr. blz. I-5357, punt 40).

41
De verwijzende rechter vraagt zich vervolgens af of het niet-toepassen van de maximale wekelijkse arbeidstijd van gemiddeld 48 uur als bedoeld in artikel 18, lid 1, sub b-i, van richtlijn 93/104 veronderstelt dat de betrokken werknemer hiermee uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft ingestemd, dan wel of het volstaat dat hij instemt met de toepassing van een cao in zijn geheel, wanneer deze cao met name bepaalt dat de maximumduur van 48 uur mag worden overschreden.

42
Ten slotte vraagt het Arbeitsgericht Lörrach zich af of artikel 6 van richtlijn 93/104 onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is opdat een particulier zich voor een nationale rechter daarop kan beroepen wanneer een lidstaat deze richtlijn niet juist heeft omgezet. Het Duitse recht impliceert immers dat indien de regeling van § 14, lid 2, sub b, DRK‑TV, die van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten die door partijen in de hoofdgedingen zijn gesloten, onder de door de wetgever bij § 7, lid 1, punt 1, sub a, ArbZG geopende mogelijkheden valt, laatstgenoemde bepaling het de werkgever mogelijk maakt de dagelijkse werktijd zonder tegenprestatie te verlengen, zodat de beperking van de gemiddelde arbeidstijd van 48 uur per week, die uit § 3 ArbZG, alsmede uit artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 voortvloeit, wordt omzeild.

43
Van oordeel dat in deze omstandigheden voor de beslechting van de aan hem voorgelegde geschillen de uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is, heeft het Arbeitsgericht Lörrach besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen, die in de zaken C-397/01 tot en met C-403/01 identiek zijn geformuleerd:

„1)a)
Moet de verwijzing in artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 […] naar artikel 2, lid 2, van richtlijn 89/391 […], op grond waarvan deze richtlijnen niet gelden wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming dwingend aan toepassing ervan in de weg staan, aldus worden uitgelegd dat deze uitsluiting geldt voor de werkzaamheden van ambulancehulpverleners zoals verzoekers in de onderhavige zaken?

b)
Moet het begrip wegvervoer in artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 aldus worden uitgelegd, dat van de werkingssfeer van de richtlijn alleen zijn uitgesloten de vervoersactiviteiten die naar hun aard het afleggen van lange afstanden met zich brengen, waardoor arbeidstijden, vanwege de onvoorzienbaarheid van eventuele hindernissen, niet kunnen worden vastgelegd, of moet onder wegvervoer in de zin van deze bepaling ook de werkzaamheid in het kader van de diensten voor medische spoedhulp te land worden verstaan die in ieder geval ook het besturen van een ambulance en het begeleiden van de patiënt tijdens het vervoer omvat?

2)
Moet artikel 18, lid 1, sub b-i, van richtlijn 93/104, gelet op het arrest van het Hof […] in de zaak Simap […] (punten 73 en 74), aldus worden uitgelegd, dat voor een verlenging van de arbeidstijd tot meer dan 48 uur per week de uitdrukkelijke instemming van de individuele werknemer nodig is, of kan die instemming ook hierin bestaan dat een werknemer met de werkgever in het arbeidscontract overeenkomt dat op de arbeidsvoorwaarden een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is die in de mogelijkheid voorziet de arbeidstijd tot gemiddeld meer dan 48 uur per week te verlengen?

3)
Is artikel 6 van richtlijn 93/104 […], naar zijn inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, zodat particulieren zich voor de nationale rechter daarop kunnen beroepen wanneer een staat de richtlijn niet naar behoren in nationaal recht heeft omgezet?”

44
Bij beschikking van de president van het Hof van 7 november 2001 zijn de zaken C-397/01 tot en met C-403/01 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

45
Bij beschikking van 14 januari 2003 heeft het Hof de procedure in deze zaken geschorst tot de dag van de terechtzitting, op 25 februari 2003, in de zaak die tot het arrest van 9 september 2003, Jaeger (C-151/02, Jurispr. blz. I-8339), heeft geleid.

46
Bij beschikking van het Hof van 13 januari 2004 is de mondelinge behandeling in de zaken C-397/01 tot en met C-403/01 heropend.


De prejudiciële vragen

De eerste vraag, sub a

47
Met zijn eerste vraag, sub a, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2 van richtlijn 89/391 en artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 aldus moeten worden uitgelegd dat de werkzaamheid van ambulancehulpverlener die wordt uitgeoefend in het kader van een dienst voor medische spoedhulp zoals die in de hoofdgedingen, binnen de werkingssfeer van deze richtlijnen valt.

48
Voor de beantwoording van deze vraag zij meteen in herinnering gebracht dat artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 de werkingssfeer ervan onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 2 van richtlijn 89/391 omschrijft. Alvorens te bepalen of een activiteit als die van de hulpverleners die een ambulance of een medische urgentiewagen bemannen, in het kader van een door het Deutsche Rote Kreuz georganiseerde dienst voor medische spoedhulp, binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/104 valt, dient dus eerst te worden onderzocht of deze werkzaamheid binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/391 valt (zie arrest Simap, reeds aangehaald, punten 30 en 31).

49
Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/391 is deze richtlijn van toepassing op „alle particuliere of openbare sectoren” waartoe onder meer dienstverlenende activiteiten in het algemeen behoren.

50
Uit lid 2, eerste alinea, van dit artikel volgt evenwel, dat deze richtlijn niet geldt wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde specifieke activiteiten, met name in het kader van de bevolkingsbescherming, aan de toepassing ervan dwingend in de weg staan.

51
Niettemin dient te worden vastgesteld dat de activiteit van hulpverleners die in het kader van een door een instelling als het Duitse Rode Kruis georganiseerde dienst voor medische spoedhulp, een ambulance of een medische urgentiewagen bemannen, niet onder de in het vorige punt genoemde uitsluiting kan vallen.

52
Zowel uit het doel van richtlijn 89/391, te weten de bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk, als uit de bewoordingen van artikel 2, lid 1, daarvan volgt dat de werkingssfeer van deze richtlijn ruim moet worden opgevat. Daaruit volgt dat de afwijkingen waarin artikel 2, eerste alinea, van dit artikel voorziet, restrictief moeten worden uitgelegd (zie arrest Simap, reeds aangehaald, punten 34 en 35, en beschikking van 3 juli 2001, CIG, C-241/99, Jurispr. blz. I-5139, punt 29).

53
Voorts sluit artikel 2, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 89/391 de diensten inzake bevolkingsbescherming niet als zodanig uit van toepassing van deze richtlijn, maar uitsluitend „bepaalde [specifieke] activiteiten” van deze diensten, waarvan de bijzondere aspecten van dien aard zijn dat zij dwingend in de weg staan aan de toepassing van de voorschriften van genoemde richtlijn.

54
Deze – ruim omschreven – uitzondering op de werkingssfeer van richtlijn 89/391 moet derhalve aldus worden uitgelegd dat de strekking ervan wordt beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor het veiligstellen van de belangen die de lidstaten op grond van deze uitzondering mogen beschermen.

55
In dit verband is de uitsluiting waarin artikel 2, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 89/391 voorziet, enkel vastgesteld om de goede werking te garanderen van de diensten die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid, gezondheid en orde in omstandigheden van uitzonderlijke ernst en omvang – bijvoorbeeld een ramp – die zich kenmerken door het feit dat daarvoor naar hun aard geen planning van de arbeidstijd van de interventie- en hulpverleningsdiensten kan worden gemaakt.

56
De aldus afgebakende dienst van bevolkingsbescherming in strikte zin, als bedoeld in deze bepaling, onderscheidt zich echter duidelijk van de hulpverlening aan gewonden of zieken, die in het hoofdgeding aan de orde is.

57
Hoewel een dienst als door de verwijzende rechter bedoeld, het hoofd moet bieden aan gebeurtenissen die per definitie niet zijn te voorzien, neemt dit immers niet weg dat de activiteiten die in het kader van deze dienst onder normale omstandigheden moeten worden verricht, en die overigens precies de taak vormen waarmee een dergelijke dienst is belast, van tevoren kunnen worden georganiseerd, met inbegrip van de arbeidsuren van het personeel van deze dienst.

58
Deze dienst vertoont dus geen bijzondere aspecten die dwingend in de weg staan aan toepassing van de gemeenschapsbepalingen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, zodat de uitsluiting waarin artikel 2, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 89/391 voorziet, voor deze dienst niet geldt, en deze richtlijn op een dergelijke dienst van toepassing is.

59
Wat nu richtlijn 93/104 betreft, volgt uit de bewoordingen van artikel 1, lid 3, daarvan dat zij van toepassing is op alle in artikel 2 van richtlijn 89/391 bedoelde particuliere of openbare sectoren, met uitzondering van bepaalde limitatief opgesomde bijzondere activiteiten.

60
Geen van laatstbedoelde activiteiten heeft echter iets te maken met een dienst als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is. In het bijzonder spreekt het vanzelf dat de activiteit van de hulpverleners die in het kader van een dienst voor medische spoedhulp patiënten in een ambulance of een medische urgentiewagen begeleiden, niet kan worden gelijkgesteld met die van artsen in opleiding, voor wie richtlijn 93/104 ingevolge artikel 1, lid 3, daarvan niet geldt.

61
Ook een activiteit als door de verwijzende rechter bedoeld, valt dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/104.

62
Zoals de Commissie op goede gronden heeft beklemtoond, vindt deze gevolgtrekking nog steun in de omstandigheid dat artikel 17, lid 2, punt 2.1. sub c‑iii, van richtlijn 93/104 uitdrukkelijk onder meer de ambulancediensten vermeldt. Een dergelijke vermelding zou immers zinloos zijn indien de bedoelde activiteit reeds uit hoofde van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 van de werkingssfeer van deze richtlijn in haar geheel was uitgesloten. Deze vermelding bewijst integendeel dat de gemeenschapswetgever beslist heeft dat deze richtlijn op activiteiten van deze aard van toepassing was, met dien verstande dat in bepaalde omstandigheden van enkele bijzondere bepalingen van deze richtlijn mag worden afgeweken.

63
In die omstandigheden dient op de eerste vraag, sub a, te worden geantwoord dat artikel 2 van richtlijn 89/391 en artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 aldus moeten worden uitgelegd, dat de werkzaamheid van ambulancehulpverlener die wordt uitgeoefend in het kader van een dienst voor medische spoedhulp zoals in de hoofdgedingen aan de orde is, binnen de werkingssfeer van deze richtlijnen valt.

De eerste vraag, sub b

64
Met zijn eerste vraag, sub b, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „wegvervoer” in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 aldus moet worden uitgelegd dat het de activiteit van een dienst voor medische spoedhulp omvat, nu deze – althans gedeeltelijk – bestaat in het gebruik van een voertuig en de begeleiding van de patiënt tijdens de rit naar het ziekenhuis.

65
Ingevolge artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 is deze „van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren […] met uitzondering van het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart […]”

66
In zijn arrest van 4 oktober 2001, Bowden e.a. (C-133/00, Jurispr. blz. I-7031), heeft het Hof voor recht verklaard dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat alle werknemers in de wegvervoerssector, met inbegrip van het kantoorpersoneel, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

67
Als uitzonderingen op de bij richtlijn 93/104 ingevoerde gemeenschapsregeling inzake de organisatie van de arbeidstijd moeten de in artikel 1, lid 3, genoemde uitsluitingen van de werkingssfeer ervan aldus worden uitgelegd, dat de strekking ervan beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de belangen die deze uitsluitingen beogen te beschermen, veilig te stellen (zie naar analogie, arrest Jaeger, reeds aangehaald, punt 89).

68
De vervoerssector is van de werkingssfeer van richtlijn 93/104 uitgesloten omdat er op dat gebied reeds een gemeenschapsregeling bestond waarbij, vanwege de bijzondere aard van de betrokken activiteit, specifieke voorschriften zijn gegeven, met name inzake de organisatie van de arbeidstijd. Deze regeling geldt echter niet voor vervoer dat in noodsituaties of door hulpverleningsdiensten wordt verricht.

69
Voorts is het reeds aangehaalde arrest Bowden e.a. gebaseerd op het feit dat de werkgever tot een van de in artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 uitdrukkelijk genoemde vervoerssectoren behoort (zie punten 39‑41 van dat arrest). Daarentegen kan niet worden betoogd dat de activiteit van het Deutsche Rote Kreuz tot de sector van het wegvervoer behoort wanneer het een dienst voor medische spoedhulp organiseert, zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is.

70
De omstandigheid dat deze activiteit voor een gedeelte bestaat in het gebruik van een urgentiewagen en in de begeleiding van de patiënt tijdens zijn vervoer naar het ziekenhuis, is niet beslissend, aangezien de betrokken activiteit tot hoofddoel heeft medische spoedhulp te verlenen aan een zieke of gewonde en niet om een handeling te verrichten die tot de sector van het wegvervoer behoort.

71
Bovendien zij in herinnering gebracht dat ambulancediensten in artikel 17, lid 2, punt 2.1, sub c-iii, van richtlijn 93/104 uitdrukkelijk zijn vermeld. Deze vermelding, die de mogelijkheid creëert om eventueel van bepaalde specifieke voorschriften van deze richtlijn af te wijken, zou overbodig zijn indien dergelijke diensten reeds uit hoofde van artikel 1, lid 3, van deze richtlijn van de werkingssfeer van de gehele richtlijn waren uitgesloten.

72
In die omstandigheden geldt het begrip „wegvervoer” in artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 niet voor een dienst voor medische spoedhulp zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is.

73
Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het reeds aangehaalde arrest Tögel, waar de verwijzende rechter naar verwijst, aangezien dat arrest niet de uitlegging van richtlijn 93/104 betrof, maar van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1), waarvan de inhoud en het doel volstrekt irrelevant zijn voor de vaststelling van de werkingssfeer van richtlijn 93/104.

74
Gelet op een en ander, moet op de eerste vraag, sub b, worden geantwoord dat het begrip „wegvervoer” in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 aldus moet worden uitgelegd dat het niet geldt voor de activiteit van een dienst voor medische spoedhulp, ook al bestaat deze activiteit – althans gedeeltelijk – in het gebruik van een voertuig en de begeleiding van de patiënt tijdens de rit naar het ziekenhuis.

De tweede vraag

75
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104 aldus moet worden uitgelegd, dat een overschrijding van de bij artikel 6 van deze richtlijn vastgestelde maximumarbeidstijd van 48 uur per week slechts geldig is wanneer zij uitdrukkelijk en vrij door iedere werknemer individueel is aanvaard, dan wel of het in dit verband volstaat dat de arbeidsovereenkomst van de belanghebbende verwijst naar een cao die een dergelijke overschrijding toestaat.

76
Voor de beantwoording van de aldus geherformuleerde vraag, zij in herinnering gebracht, enerzijds, dat zowel uit artikel 118 A van het Verdrag, dat de rechtsgrondslag voor richtlijn 93/104 vormt, als uit de eerste, de vierde, de zevende en de achtste overweging van de considerans daarvan, en uit de bewoordingen van artikel 1, lid 1, daarvan, blijkt dat de richtlijn tot doel heeft een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te waarborgen, door hun een recht op – met name dagelijkse en wekelijkse – minimumrusttijden alsmede voldoende pauzes toe te kennen, en door aan de wekelijkse arbeidstijd een maximumgrens te stellen.

77
Anderzijds kan in het bij richtlijn 93/104 ingevoerde stelsel door de lidstaten of de sociale partners alleen van bepaalde, limitatief genoemde bepalingen van deze richtlijn worden afgeweken. Voorts gelden voor de toepassing van dergelijke afwijkingen strikte voorwaarden ter verzekering van een doeltreffende bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.

78
Zo bepaalt artikel 18, lid 1, sub b-i, van deze richtlijn dat de lidstaten kunnen besluiten artikel 6 niet toe te passen, met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, en mits zij aan een aantal in eerstgenoemde bepaling gestelde cumulatieve voorwaarden voldoen.

79
In het bijzonder vereist genoemd artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, dat de arbeidstijd niet langer dan 48 uur is tijdens een tijdvak van 7 dagen, berekend als gemiddelde van de in artikel 16, punt 2, van richtlijn 93/104 bedoelde referentieperiode, maar dat de werknemer ermee kan instemmen meer dan 48 uur per week te werken.

80
In dit verband heeft het Hof in punt 73 van het reeds aangehaalde arrest Simap geoordeeld dat uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104 de individuele instemming van de werknemer vereist.

81
In punt 74 van bedoeld arrest heeft het Hof daaruit afgeleid dat de instemming van de vakbondsvertegenwoordigers in het kader van een overeenkomst of een collectieve overeenkomst niet in de plaats kan komen van die van de werknemer zelf, in de zin van genoemd artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje.

82
Deze uitlegging vloeit voort uit het doel van richtlijn 93/104, die een doeltreffende bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers beoogt te waarborgen, door met name te verzekeren dat voor hen daadwerkelijk een maximumgrens voor de wekelijkse arbeidstijd geldt en dat zij minimumrusttijden genieten. Elke afwijking van deze minimumvoorschriften moet derhalve met alle nodige waarborgen worden omkleed opdat de betrokken werknemer, ingeval hij ertoe wordt gebracht afstand te doen van een sociaal recht dat hem bij die richtlijn rechtstreeks is verleend, dit uit vrije wil en met kennis van zaken doet. Deze vereisten zijn des te belangrijker omdat de werknemer moet worden aangemerkt als de zwakkere partij bij de arbeidsovereenkomst, zodat moet worden verhinderd dat de werkgever over de mogelijkheid beschikt om voorbij te gaan aan de wil van de medecontractant of om hem een beperking van zijn rechten op te leggen zonder dat de werknemer in dit opzicht zijn uitdrukkelijke instemming heeft gegeven.

83
Deze overwegingen gelden eveneens voor het in de tweede vraag bedoelde geval.

84
Daaruit volgt dat van de bij artikel 6 van richtlijn 93/104 vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur slechts rechtsgeldig kan worden afgeweken indien de werknemer niet alleen individueel, maar ook uitdrukkelijk en vrijelijk daarmee heeft ingestemd.

85
Aan deze voorwaarden is niet voldaan wanneer in de arbeidsovereenkomst van de belanghebbende enkel wordt verwezen naar een cao die overschrijding van de maximale wekelijkse arbeidstijd toestaat. Het is immers geenszins zeker dat de betrokken werknemer bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst op de hoogte was van de beperking van de rechten die hij aan richtlijn 93/104 ontleent.

86
Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104 aldus moet worden uitgelegd, dat een overschrijding van de bij artikel 6 van deze richtlijn vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur, slechts rechtsgeldig is indien iedere werknemer daarmee individueel, uitdrukkelijk en vrijelijk heeft ingestemd. In dit verband volstaat het niet dat de arbeidsovereenkomst van de belanghebbende verwijst naar een cao die een dergelijke overschrijding toestaat.

De derde vraag

87
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 moet worden geacht rechtstreekse werking te hebben indien deze richtlijn niet naar behoren is omgezet.

88
Blijkens de bewoordingen van de vraag en de context waarin zij is gesteld, heeft zij twee aspecten: het eerste betreft de uitlegging van artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104, om de verwijzende rechter in staat te stellen zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de relevante bepalingen van nationaal recht met de vereisten van het gemeenschapsrecht; het tweede aspect betreft de vraag of de genoemde bepaling, indien de betrokken lidstaat ze niet naar behoren in nationaal recht heeft omgezet, aan de voorwaarden voldoet opdat een particulier zich in omstandigheden als die van de hoofdgedingen voor de nationale rechter daarop kan beroepen.

89
Deze twee aspecten moeten dus achtereenvolgens worden onderzocht.

De strekking van artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104

90
Vooraf zij in herinnering gebracht, dat artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 de lidstaten verplicht de nodige maatregelen te treffen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van 7 dagen, inclusief overwerk, niet meer dan 48 uur bedraagt.

91
Uit artikel 118 A van het Verdrag, dat de rechtsgrondslag van richtlijn 93/104 vormt, uit de eerste, de vierde, de zevende en de achtste overweging van de considerans daarvan, uit het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, dat tijdens de Europese Raad van Straatsburg van 9 december 1989 is aangenomen, waarvan de punten 8 en 19, eerste alinea, in de vierde overweging van de considerans van richtlijn 93/104 zijn weergegeven, alsmede uit de bewoordingen van artikel 1, lid 1, daarvan, blijkt dat zij ertoe strekt minimumvoorschriften vast te stellen om de levens- en arbeidsomstandigheden van de werknemers te verbeteren door de nationale bepalingen inzake met name de duur van de arbeidstijd te harmoniseren. Deze harmonisatie op gemeenschapsniveau inzake de organisatie van de arbeidstijd moet een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers waarborgen door hen – met name dagelijkse en wekelijkse – minimumrusttijden en voldoende pauzes te waarborgen (zie arrest Jaeger, reeds aangehaald, punten 45‑47).

92
Richtlijn 93/104 stelt dus meer in het bijzonder in artikel 6, punt 2, een plafond van 48 uur vast voor de gemiddelde maximale wekelijkse arbeidstijd, waarbij uitdrukkelijk is gepreciseerd dat dit de maximumgrens inclusief overwerk is.

93
In deze context heeft het Hof reeds geoordeeld dat de beschikbaarheidsdienst („Bereitschaftsdienst”), waarbij een werknemer op een door de werkgever bepaalde plaats fysiek aanwezig moet zijn, in zijn geheel als arbeidstijd in de zin van richtlijn 93/104 moet worden aangemerkt, ook wanneer hij gedurende deze dienst niet continu daadwerkelijk beroepswerkzaamheden verricht (zie arrest Jaeger, reeds aangehaald, punten 71, 75 en 103).

94
Dit moet eveneens gelden voor perioden van aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) die door ambulancehulpverleners worden verricht in het kader van een dienst voor medische spoedhulp, die tussen de spoedinterventies in noodzakelijkerwijs meer of minder lange perioden omvat waarin geen werkzaamheden worden verricht.

95
Dergelijke perioden van aanwezigheidsdienst moeten bij de bepaling van de maximale dagelijkse en wekelijkse arbeidstijd dus volledig worden meegerekend.

96
Bovendien blijkt, dat in het door richtlijn 93/104 gecreëerde systeem artikel 15 daarvan weliswaar in het algemeen toestaat dat nationale bepalingen worden toegepast of ingevoerd die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, maar dat door de lidstaten of de sociale partners slechts van bepaalde door de richtlijn uitdrukkelijk genoemde bepalingen mag worden afgeweken (zie arrest Jaeger, reeds aangehaald, punt 80).

97
Enerzijds nu is artikel 6 van richtlijn 93/104 enkel in artikel 17, lid 1, daarvan genoemd, terwijl vaststaat dat laatstbedoelde bepaling werkzaamheden betreft die geen enkel verband houden met de werkzaamheden van ambulancehulpverleners zoals verzoekers in de hoofdgedingen. Artikel 17, lid 2, punt 2.1, sub c‑iii, daarentegen verwijst naar „werkzaamheden waarbij de continuïteit van de dienst […] moet worden gewaarborgd” waartoe onder meer „ambulancediensten” behoren, doch ingevolge deze bepaling mag enkel van de artikelen 3, 4, 5, 8 en 16 van deze richtlijn worden afgeweken.

98
Anderzijds bepaalt artikel 18, lid 1, sub b-i, van richtlijn 93/104 dat de lidstaten mogen besluiten artikel 6 daarvan niet toe te passen voorzover zij de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers eerbiedigen en aan een aantal in eerstgenoemde bepaling genoemde cumulatieve voorwaarden voldoen. Vast staat echter dat de Bondsrepubliek Duitsland geen gebruik heeft gemaakt van deze afwijkingsmogelijkheid (zie arrest Jaeger, reeds aangehaald, punt 85).

99
Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten niet eenzijdig de strekking van de voorschriften van richtlijn 93/104 kunnen bepalen, door enige voorwaarde of beperking te verbinden aan het recht van de werknemers op een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van niet langer dan 48 uur, zoals in artikel 6, punt 2, van deze richtlijn is bepaald (zie in die zin arrest Jaeger, reeds aangehaald, punten 58 en 59). Iedere andere uitlegging zou de doelstelling van deze richtlijn om de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te verzekeren door hen daadwerkelijk minimumrusttijden toe te staan, ondermijnen (zie arrest Jaeger, reeds aangehaald, punten 70 en 92).

100
In die omstandigheden dient de conclusie te luiden dat, gelet op de bewoordingen van artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 en op de doelstelling en de opzet van deze richtlijn, de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van maximaal 48 uur, inclusief overwerk, moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk voorschrift van communautair sociaal recht dat voor alle werknemers geldt als een minimumnorm ter bescherming van hun veiligheid en hun gezondheid (zie naar analogie arrest van 26 juni 2001, BECTU, C‑173/99, Jurispr. blz. I-4881, punten 43 en 47), zodat een nationale regeling zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, die arbeidstijden van meer dan 48 uur per week toestaat, aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) inbegrepen, met genoemde bepaling klaarblijkelijk niet verenigbaar is.

101
Op de derde vraag moet dus, wat het eerste aspect betreft, worden geantwoord dat artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich in omstandigheden zoals die van de hoofdgedingen verzet tegen de regeling van een lidstaat die met betrekking tot perioden van aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) die worden verricht door ambulancehulpverleners in het kader van een dienst voor medische spoedhulp van een instelling zoals het Deutsche Rote Kreuz, ertoe leidt dat, in voorkomend geval middels een cao of een bedrijfsakkoord op basis van een dergelijke cao, wordt toegestaan dat de bij deze bepaling vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur wordt overschreden.

Rechtstreekse werking van artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 en de gevolgen daarvan voor de hoofdgedingen

102
Nu de relevante nationale regeling in de omstandigheden van de hoofdgedingen niet in overeenstemming blijkt te zijn met de voorschriften van richtlijn 93/194 wat de maximale wekelijkse arbeidstijd betreft, moet nog worden onderzocht of artikel 6, punt 2, daarvan voldoet aan de voorwaarden om rechtstreekse werking te hebben.

103
In dit verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof, dat in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, particulieren zich voor de nationale rechter op die bepalingen kunnen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan (zie met name arresten van 19 november 1991, Francovich e.a., C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. I-5357, punt 11, en 11 juli 2002, Marks & Spencer, C-62/00, Jurispr. blz. I-6325, punt 25).

104
Artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 voldoet aan deze criteria aangezien het de lidstaten in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen voorwaarde is verbonden met betrekking tot de toepassing van de daarin vervatte regel, inhoudende dat voor de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd, inclusief overuren, een plafond van 48 uur geldt.

105
Richtlijn 93/104 laat de lidstaten weliswaar een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen daarvan, met name wat de voor de toepassing van artikel 6 daarvan vast te stellen referentieperiode betreft, en staat hun voorts toe van dit artikel af te wijken, doch deze omstandigheden doen niet af aan het nauwkeurige en onvoorwaardelijke karakter van punt 2 daarvan. Enerzijds volgt immers uit artikel 17, lid 4, van die richtlijn, dat de referentieperiode in geen geval langer dan twaalf maanden mag zijn, en anderzijds mogen de lidstaten artikel 6 slechts buiten toepassing laten wanneer zij voldoen aan alle voorwaarden van artikel 18, lid 1, sub b-i, van genoemde richtlijn. De minimale bescherming die hoe dan ook moet worden geboden, kan dus precies worden vastgesteld (zie in die zin arrest Simap, reeds aangehaald, punten 68 en 69).

106
Bijgevolg voldoet artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 aan alle voorwaarden voor rechtstreekse werking.

107
Voorts dient nog te worden bepaald welke rechtsgevolgen een nationale rechter in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, waarin particulieren tegenover elkaar staan, aan deze uitlegging moet verbinden.

108
In dit verband is het vaste rechtspraak dat een richtlijn uit zichzelf aan particulieren geen verplichtingen kan opleggen en dat een bepaling van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen (zie met name arresten van 26 februari 1986, Marshall, 152/84, Jurispr. blz. 723, punt 48; 14 juli 1994, Faccini Dori, C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 20, en 7 januari 2004, Wells, C‑201/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 56).

109
Daaruit volgt dat zelfs een duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen of hun verplichtingen op te leggen, niet als zodanig kan worden toegepast in gedingen tussen uitsluitend particulieren.

110
Sinds het arrest van 10 april 1984, Von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26), is het evenwel ook vaste rechtspraak dat de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het daarin gestelde doel te verwezenlijken, alsook hun verplichting krachtens artikel 10 EG om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de lidstaten gelden, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties (zie met name arrest van 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8; arrest Faccini Dori, reeds aangehaald, punt 26; arresten van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie, C-129/96, Jurispr. blz. I-7411, punt 40, en 25 februari 1999, Carbonari e.a., C-131/97, Jurispr. blz. I-1103, punt 48).

111
Het staat immers in het bijzonder aan de nationale rechterlijke instanties om de rechtsbescherming die voor de justitiabelen uit het gemeenschapsrecht voortvloeit, te verzekeren en de volle werking daarvan te waarborgen.

112
Dit geldt des te meer wanneer aan de nationale rechter een geschil is voorgelegd over de toepassing van nationale voorschriften die zoals in casu speciaal zijn ingevoerd ter uitvoering van een richtlijn die tot doel heeft rechten te verlenen aan particulieren. Deze rechter moet er gelet op artikel 249, derde alinea, EG van uitgaan dat de lidstaat, wanneer hij eenmaal gebruikt heeft gemaakt van de beoordelingsmarge die hij krachtens deze bepaling geniet, de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de betrokken richtlijn voortvloeiende verplichtingen (zie arrest van 16 december 1993, Wagner Miret, C-334/92, Jurispr. blz. I-6911, punt 20).

113
De nationale rechter moet dan ook bij de toepassing van het nationale recht, en met name van een speciaal ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde nationale regeling, het nationale recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen (zie in die zin, met name, de reeds aangehaalde arresten Von Colson en Kamann, punt 26; Marleasing, punt 8, en Faccini Dori, punt 26; zie tevens arresten van 23 februari 1999, BMW, C-63/97, Jurispr. blz. I-905, punt 22; 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores, C-240/98–C-244/98, Jurispr. blz. I‑4941, punt 30, en 23 oktober 2003, Adidas-Salomon en Adidas Benelux, C‑2408/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 21).

114
Het vereiste van een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is inherent aan het systeem van het Verdrag aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding (zie in die zin arrest van 15 mei 2003, Mau, C-160/01, Jurispr. blz. I-4791, punt 34).

115
Hoewel het aldus door het gemeenschapsrecht opgelegde beginsel van richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht in de eerste plaats de ter uitvoering van de betrokken richtlijn ingevoerde nationale bepalingen betreft, blijft het echter niet beperkt tot de uitlegging van deze bepalingen, maar vereist het dat de nationale rechter het gehele nationale recht in beschouwing neemt om te beoordelen in hoeverre dit zodanig kan worden toegepast dat het niet tot een resultaat leidt dat in strijd is met het door de richtlijn beoogde resultaat (zie in die zin arrest Carbonari e.a, reeds aangehaald, punten 49 en 50).

116
Wanneer het nationale recht het door de toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden in bepaalde omstandigheden mogelijk maakt om een bepaling van de nationale rechtsorde aldus uit te leggen dat een conflict met een andere bepaling van nationaal recht wordt vermeden of om met dit doel de strekking van die bepaling te beperken door haar slechts toe te passen voorzover zij met die andere bepaling verenigbaar is, is de rechter verplicht dezelfde methoden te gebruiken om het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken.

117
In casu dient de verwijzende rechter dus in geschillen zoals die in de hoofdgedingen, die binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/104 vallen en waarvan de feiten dateren van na het verstrijken van de omzettingstermijn daarvan, bij de toepassing van nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn, deze zoveel mogelijk aldus uit te leggen dat de toepassing ervan in overeenstemming is met de doelstellingen van die richtlijn (zie in die zin arrest van 13 juli 2000, Centrosteel, C-456/98, Jurispr. blz. I-6007, punten 16 en 17).

118
In casu vereist het beginsel van richtlijnconforme uitlegging dus dat de verwijzende rechter, door het gehele nationale recht in beschouwing te nemen, binnen zijn bevoegdheid al het mogelijke doet om de volle werking van richtlijn 93/104 te verzekeren, teneinde overschrijding van de bij artikel 6, punt 2, daarvan vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd te voorkomen (zie in die zin arrest Marleasing, reeds aangehaald, punten 7 en 13).

119
De slotsom dient bijgevolg te luiden, dat een nationale rechter die uitspraak moet doen in een geding tussen uitsluitend particulieren, bij de toepassing van de ter uitvoering van de verplichtingen van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen en dit zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van deze richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel. In de hoofdgedingen moet de verwijzende rechter dus binnen zijn bevoegdheid al het mogelijke doen om te voorkomen dat de maximale wekelijkse arbeidstijd, die krachtens artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 op 48 uur is vastgesteld, wordt overschreden.

120
Gelet op een en ander, dient op de derde vraag te worden geantwoord:

dat artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 aldus moet worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden zoals die van de hoofdgedingen verzet tegen de regeling van een lidstaat die met betrekking tot perioden van aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) die worden verricht door ambulancehulpverleners in het kader van een dienst voor medische spoedhulp van een instelling zoals het Deutsche Rote Kreuz, ertoe leidt dat, in voorkomend geval middels een cao of een bedrijfsakkoord op basis van een dergelijke cao, wordt toegestaan dat de bij deze bepaling vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur wordt overschreden;

dat deze bepaling aan alle voorwaarden voor rechtstreekse werking voldoet;

dat de nationale rechter, wanneer hij uitspraak moet doen in een geding tussen uitsluitend particulieren, bij de toepassing van nationale voorschriften die ter uitvoering van de uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen zijn vastgesteld, het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen, en dit zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en de doelstelling van deze richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel. In de hoofdgedingen moet de verwijzende rechter dus binnen zijn bevoegdheid al het mogelijke doen om te voorkomen dat de maximale wekelijkse arbeidstijd, die bij artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 op 48 uur is vastgesteld, wordt overschreden.


Kosten

121
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.




Het Hof van Justitie (grote kamer) verklaart voor recht:

1)a)
Artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, en artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, moeten aldus worden uitgelegd dat de werkzaamheid van ambulancehulpverlener die wordt uitgeoefend in het kader van een dienst voor medische spoedhulp zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, binnen de werkingssfeer van deze richtlijnen valt.

b)      Het begrip „wegvervoer” in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 moet aldus worden uitgelegd, dat het niet geldt voor de activiteit van een dienst voor medische spoedhulp, ook al bestaat deze activiteit – althans gedeeltelijk – in het gebruik van een voertuig en de begeleiding van de patiënt tijdens de rit naar het ziekenhuis.

2)      Artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104 moet aldus worden uitgelegd, dat een overschrijding van de bij artikel 6 van deze richtlijn vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur slechts rechtsgeldig is indien iedere werknemer daarmee individueel, uitdrukkelijk en vrijelijk heeft ingestemd. In dit verband volstaat het niet dat de arbeidsovereenkomst van de belanghebbende verwijst naar een cao die een dergelijke overschrijding toestaat.

3)
Artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 moet aldus worden uitgelegd, dat het zich in omstandigheden zoals die van de hoofdgedingen verzet tegen de regeling van een lidstaat die met betrekking tot perioden van aanwezigheidsdienst („Arbeitsbereitschaft”) die worden verricht door ambulancehulpverleners in het kader van een dienst voor medische spoedhulp van een instelling als het Deutsche Rote Kreuz, ertoe leidt dat, in voorkomend geval middels een cao of een bedrijfsakkoord op basis van een dergelijke cao, wordt toegestaan dat de bij deze bepaling vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur wordt overschreden;

        deze bepaling voldoet aan alle voorwaarden voor rechtstreekse werking;

        wanneer de nationale rechter uitspraak moet doen in een geding tussen uitsluitend particulieren, moet hij bij de toepassing van nationale voorschriften die ter uitvoering van de uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen zijn vastgesteld, het gehele nationale recht in beschouwing nemen en dit zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en de doelstelling van deze richtlijn uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel. In de hoofdgedingen moet de verwijzende rechter dus binnen zijn bevoegdheid al het mogelijke doen om te voorkomen dat de maximale wekelijkse arbeidstijd, die bij artikel 6, punt 2, van richtlijn 93/104 op 48 uur is vastgesteld, wordt overschreden.


ondertekeningen


1
Procestaal: Duits.