Language of document : ECLI:EU:C:2005:419

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

F. G. JACOBS

van 30 juni 2005 (1)

Zaak C‑96/04

Standesamt Stadt Niebüll







1.        Na zijn arrest in de zaak Garcia Avello(2) dient het Hof zich opnieuw uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale bepaling inzake de vaststelling van de familienaam van een kind met het non-discriminatiebeginsel en de burgerrechten van het EG-Verdrag.

2.        In wezen gaat het om de vraag of een nationale conflictregel de vaststelling van de familienaam bij uitsluiting kan onderwerpen aan het recht van de staat waarvan het kind (en/of de ouders) de nationaliteit bezit – in casu Duitsland – zonder rekening te houden met het recht van het geboorteland van het kind – in casu Denemarken – met als gevolg dat het volgens beide rechtsstelsels een andere naam draagt.

3.        Voorafgaand daaraan moet echter worden onderzocht of de prejudiciële verwijzing ontvankelijk is, dat wil zeggen of de verwijzende rechter daadwerkelijk „uitspraak moet doen in het kader van een procedure die moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak”(3), dan wel slechts als bestuursorgaan optreedt.

 Rechtskader

 Aangehaalde verdragsbepalingen

4.        Artikel 12, lid 1, EG bepaalt:

„Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”

5.        Artikel 17 EG bepaalt:

„1.      Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.

2.      De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.”

6.        Artikel 18, lid 1, EG bepaalt:

„Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”

7.        Artikel 234 EG bepaalt:

„Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen

a)      over de uitlegging van dit Verdrag,

[...]

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.”

 Internationaal naamrecht

8.        Om vast te stellen welk recht van toepassing is bij de vaststelling van de familienaam van een persoon in gevallen waarin aanknopingspunten met meer dan één rechtsorde bestaan, verwijzen sommige rechtsstelsels naar het recht van de woonplaats van de persoon, alhoewel het gebruikelijker lijkt te zijn om naar het recht van de staat waarvan hij of zij de nationaliteit bezit, te verwijzen. Deze laatste benadering hebben tal van lidstaten in internationale overeenkomsten gekozen.

9.        Zo bepaalt de overeenkomst van de Internationale commissie voor de burgerlijke stand (CIEC) inzake het recht dat van toepassing is op geslachtsnamen en voornamen(4), dat de namen en de voornamen van een persoon bepaald worden aan de hand van het recht van de staat waarvan zij de nationaliteit bezit.

10.      In het kader van de CIEC is tevens een overeenkomst gesloten over de wijziging van geslachtsnamen en voornamen.(5) Volgens artikel 2 van deze overeenkomst verplicht elke overeenkomstsluitende staat zich ertoe, geen wijzigingen van namen of voornamen van onderdanen van andere overeenkomstsluitende staten toe te staan, tenzij de betrokken personen tevens de nationaliteit van eerstgenoemde staat bezitten.

11.      Op 25 september 2003 ten slotte is in Madrid een ontwerpovereenkomst van de CIEC inzake de erkenning van familienamen goedgekeurd. In het licht van het arrest van het Hof in de zaak Garcia Avello(6) is echter besloten, de gehele tekst te herzien teneinde beter rekening te houden met de wensen van de betrokken personen.

12.      De CIEC is een intergouvernementele organisatie, waarvan dertien lidstaten van de Europese Unie lid zijn en drie de status van waarnemer hebben. Van de in casu relevante lidstaten heeft Duitsland de in punt 10 hiervoor genoemde overeenkomst van Istanbul, die de verhouding tussen hem en de overige overeenkomstsluitende staten regelt, geratificeerd. De in punt 9 van deze conclusie vermelde overeenkomst van München heeft het alleen ondertekend, maar niet geratificeerd. Denemarken is daarentegen noch lid van de CIEC noch waarnemer.

 Relevant nationaal recht(7)

13.      Volgens Deens internationaal privaatrecht zijn alle vraagstukken betreffende de burgerlijke staat, met inbegrip van de vaststelling van de familienaam van een persoon, onderworpen aan het recht van het land waar betrokkene zijn woonplaats heeft, zoals die is gedefinieerd volgens Deens recht.

14.      Bij de vaststelling van de familienaam van een persoon die (in het bijzonder bij de geboorte) zijn woonplaats in Denemarken heeft, dient dus het Deense recht te worden toegepast. Kortom, indien de ouders slechts één familienaam gebruiken, dient deze naam aan het kind te worden gegeven; indien zij niet dezelfde familienaam gebruiken, mag de familienaam van één van de ouders worden gekozen. Volgens Deens recht kan de familienaam echter ook langs administratieve weg worden gewijzigd in een uit de namen van beide ouders, verbonden met een koppelteken, samengestelde naam.

15.      In Duitsland valt het bijhouden van de burgerlijke stand overeenkomstig § 1 van het Personenstandsgesetz (wet op de burgerlijke stand) onder de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

16.      Volgens artikel 10, lid 1, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (wet tot invoering van het Duits burgerlijk wetboek; hierna: „EGBGB”) wordt de naam van een persoon geregeld door het recht van de staat waarvan deze persoon onderdaan is.

17.      Het recht van een andere staat kan volgens artikel 10, lid 3, EGBGB slechts van toepassing zijn wanneer één van de ouders de nationaliteit van die staat bezit (wanneer één van de ouders meer dan één nationaliteit bezit, kunnen de ouders zelf kiezen welk nationaal recht van toepassing is). Bovendien kan Duits recht worden toegepast wanneer geen van de ouders Duits onderdaan is, maar ten minste één van beiden zijn of haar woonplaats in Duitsland heeft. Het nationale recht van de echtgenoot van de moeder kan worden toegepast, indien deze echtgenoot het kind zijn naam wenst te geven.

18.      Wanneer Duits recht van toepassing is, wordt de naam van een kind wiens ouders verschillende namen dragen volgens § 1617 van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) als volgt vastgesteld:

„(1)      Wanneer de ouders geen huwelijksnaam dragen en zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, stellen zij bij voor de ambtenaar van de burgerlijke stand afgelegde verklaring als geboortenaam van het kind de naam vast die de vader of de moeder op het tijdstip van de verklaring draagt. [...]

(2)      Wanneer de ouders binnen één maand na de geboorte van het kind geen verklaring hebben afgelegd, dan draagt het Familiengericht (familierechter) het vaststellingsrecht over aan één van de ouders. Lid 1 geldt mutatis mutandis. De rechter kan de ouder een termijn voor de uitoefening van het vaststellingsrecht stellen. Wanneer na afloop van de termijn het vaststellingsrecht niet is uitgeoefend, krijgt het kind de naam van de ouder aan wie het vaststellingsrecht is overgedragen.

(3)      Wanneer een kind niet op Duits grondgebied is geboren, draagt de rechter het vaststellingsrecht krachtens lid 2 enkel over aan één van de ouders wanneer één van de ouders of het kind hierom verzoekt of wanneer de naam van het kind moet worden ingeschreven in een register van de Duitse burgerlijke stand of moet worden vermeld op een officieel Duits identiteitsbewijs.”

19.      „Familiengericht” is de naam van een afdeling van het Amtsgericht die uitspraak doet in familiezaken.

20.      § 46 van het Gesetz über die Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit (wet inzake procedures van vrijwillige rechtspraak) luidt als volgt:

20.      „Vóór een beslissing tot overdracht aan één van de ouders van het vaststellingsrecht krachtens § 1617, lid 2, [BGB] moet het Familiengericht beide ouders horen en een vaststelling in onderling overleg nastreven. De beslissing van het Familiengericht behoeft niet met redenen te worden omkleed; zij is niet vatbaar voor beroep.”

 Feiten en procesverloop

21.      In 1998 werd in Denemarken Leonhard Matthias geboren als kind van Dorothee Paul en Stefan Grunkin, beiden van Duitse nationaliteit. Niets wijst erop dat het kind zelf of één van de ouders een andere dan de Duitse nationaliteit bezit. Sinds zijn geboorte heeft het kind hoofdzakelijk in Denemarken gewoond, waar zijn ouders oorspronkelijk samenwoonden. In de jaren 2001‑2002 woonde het gedurende een aantal maanden met hen in Niebüll (Duitsland). Sinds februari 1992 woont het kind hoofdzakelijk bij zijn moeder in Tønder (Denemarken), die zich daar heeft gevestigd en een artsenpraktijk heeft geopend. Het verblijft echter regelmatig bij zijn vader in Niebüll, dat ongeveer 20 km van Tønder vandaan ligt.

22.      De geboorte van Leonhard Matthias is in Denemarken in het register ingeschreven. Een aantal maanden na de geboorte werd op grond van een door een Deense instantie afgegeven verklaring de naam Grunkin-Paul vermeld op de Deense geboorteakte. Vermoedelijk is de verklaring afgegeven, omdat het kind zijn woonplaats in de zin van het Deense internationale privaatrecht in Denemarken had, zodat ten aanzien van de vaststelling van zijn naam Deens materieel recht gold.

23.      De ouders, die zelf nooit een gemeenschappelijke naam hebben gedragen, willen het kind bij de Duitse autoriteiten in Niebüll laten inschrijven met de naam „Grunkin-Paul”, die het in Denemarken heeft verkregen. In het licht van de reeds genoemde Duitse wettelijke bepalingen(8) hebben die instanties geweigerd deze naam te erkennen en verklaard dat als naam ofwel „Grunkin”, ofwel „Paul” moet worden gekozen.

24.      Het door de ouders bij de Duitse rechters tegen deze weigering ingestelde beroep is in laatste aanleg bij uitspraak van 7 januari 2003 verworpen. Het Bundesverfassungsgericht (federaal grondwettelijk Hof) heeft op 27 februari 2003 geweigerd de ingediende Verfassungsbeschwerde (klacht over grondrechtenschending) te onderzoeken.

25.      Het Standesamt (de bevoegde burgerlijke stand) heeft de zaak overeenkomstig § 1617, lid 2, BGB voorgelegd aan het Amtsgericht Niebüll, dat als Familiengericht de ouder moet aanwijzen die het recht heeft de naam van het kind vast te stellen of wiens eigen naam aan het kind zal worden gegeven, indien hij of zij geen gebruik maakt van het vaststellingsrecht.

26.      Het Amtsgericht Niebüll betwijfelt of de in artikel 10 EGBGB verankerde Duitse conflictregel in het licht van de artikelen 12 EG en 18 EG geldig is, voorzover deze ten aanzien van het naamrecht uitsluitend bij de nationaliteit aanknoopt. Het kind draagt in het land waar het geboren is en verblijft, een andere naam dan volgens de wetgeving van het land waarvan het onderdaan is, vereist is. Het feit dat een burger van de Unie op grond van zijn nationaliteit gedwongen is in verschillende lidstaten uiteenlopende namen te dragen, lijkt amper verenigbaar met het recht op vrij verkeer van personen.

27.      Aangezien zijn beslissing volgens het nationale recht niet vatbaar is voor hoger beroep, acht het Amtsgericht Niebüll zich gelet op artikel 234, lid 3, EG verplicht het Hof van Justitie een vraag voor te leggen betreffende de uitlegging van het EG-Verdrag.

28.      Bij beslissing van 2 juni 2003, uitgevaardigd op 23 februari 2004, heeft het derhalve verzocht om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van het EG-Verdrag met het oog op de verenigbaarheid van het Duitse artikel 10 EGBGB met het EG-Verdrag.

29.      De Belgische, de Duitse, de Franse, de Griekse, de Nederlandse en de Spaanse regering evenals de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Grunkin, de Duitse, de Griekse en de Spaanse regering evenals de Commissie hebben ter terechtzitting mondelinge opmerkingen gemaakt.

 Ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing

30.      Volgens artikel 234 EG kan iedere rechterlijke instantie van de lidstaten het Hof een vraag stellen betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

31.      Volgens vaste rechtspraak wordt de vraag of het verwijzende orgaan een rechterlijke instantie in deze zin is, uitsluitend door het gemeenschapsrecht bepaald. Hierbij houdt het Hof rekening met een samenstel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, het uitspraak doen na een procedure op tegenspraak, het toepassen van regelen des rechts, alsmede de onafhankelijkheid van het orgaan. Bovendien is de nationale rechter enkel bevoegd tot verwijzing naar het Hof, indien bij hem een geding aanhangig is gemaakt dat moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak. Een instantie kan derhalve als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 234 EG worden gekwalificeerd wanneer zij een rechtsprekende functie vervult, maar niet wanneer zij andere functies, bijvoorbeeld van bestuursrechtelijke aard, uitoefent. Om vast te stellen of een nationale instantie die functies van verschillende aard uitoefent als „rechterlijke instantie” moet worden aangemerkt, dient derhalve te worden nagegaan in welke hoedanigheid zij zich tot het Hof wendt. Daarbij is niet van belang dat ditzelfde orgaan als „rechterlijke instantie” moet worden aangemerkt wanneer het in een andere samenstelling optreedt of zelfs wanneer het in dezelfde samenstelling een andere functie vervult dan die waarin het zich tot het Hof heeft gewend.(9)

32.      Tegen deze achtergrond stelt de Duitse regering dat het Amtsgericht Niebüll in deze zaak niet bevoegd is een prejudiciële vraag te stellen. Het Amtsgericht vervult in het kader van § 1617, lid 2, BGB een louter bestuurlijke functie, die anders door een ambtenaar van de burgerlijke stand zou moeten worden uitgeoefend. Voorts stelt het deze vraag in het kader van een niet-contradictoire procedure waarbij slechts de burgerlijke stand is betrokken, ook al moet het Amtsgericht beide ouders horen voordat het een beslissing neemt. In elk geval bestaat er in casu geen geschil tussen de ouders. Het Amtsgericht Niebüll neemt geen beslissing over de naam van het kind, maar alleen over de vraag aan welke ouder het recht tot vaststelling van de naam wordt overgedragen. Indien de betrokken ouder geen gebruik maakt van dit recht, krijgt het kind van rechtswege diens naam.

33.      De situatie in de onderhavige procedure moet volgens de Duitse regering worden onderscheiden van die in de door de ouders reeds uitgeputte beroepsprocedures voor de gewone rechter. Voorafgaand aan de onderhavige procedure hebben de ouders van Leonhard Matthias reeds bij de Duitse instanties om erkenning van de hem in Denemarken gegeven naam verzocht. Het door hen tegen de weigering van deze erkenning ingestelde beroep is uiteindelijk bij uitspraak van het Kammergericht Berlin verworpen. Tegen deze uitspraak hebben de ouders bij het Bundesverfassungsgericht Verfassungsbeschwerde ingediend. Al deze procedures vertonen zonder meer de kenmerken van een rechterlijke uitspraak. Een prejudiciële vraag had in iedere fase van de procedure kunnen worden gesteld, maar dit is niet gebeurd. De conclusie dat procedures van het soort dat voor het Amtsgericht Niebüll aanhangig is, niet dienen uit te monden in een beslissing die de kenmerken van een rechterlijke uitspraak vertoont, sluit derhalve niet uit dat deze vraag in andere gevallen aan het Hof zou kunnen worden voorgelegd.

34.      Tijdens de terechtzitting schaarden de Griekse en de Spaanse regering zich achter deze opvatting, terwijl Grunkin en de Commissie zich hiertegen uitspraken.

35.      Grunkin benadrukte in het bijzonder dat de ouders in een procedure zoals in casu niet alleen het recht hebben te worden gehoord, maar dat het zelfs van hen afhangt of de procedure wordt ingeleid.

36.      De Commissie stelde dat het vraagstuk van de ontvankelijkheid niet tegen de achtergrond van de omstandigheden van het concrete geval, die ongewoon zijn, moet worden beoordeeld, maar uitgaande van de situatie die normaal gesproken tot een procedure als de onderhavige leidt. Gewoonlijk kiezen de ouders niet gezamenlijk een naam die volgens Duits recht niet is toegestaan, maar verschillen zij van mening over de vraag welke van hun beider namen aan het kind moet worden gegeven. Deze normale situatie verschilt principieel en duidelijk van de gevallen met betrekking tot de inschrijving in het kadaster of het handelsregister die in de rechtspraak van het Hof aan de orde waren. Het gaat hier om een geschil tussen twee partijen waarin een rechter uitspraak moet doen. Deze rechter is bovendien volledig vrij bij de beslechting van het geschil en hoeft niet enkel puur formele criteria toe te passen, zoals in die andere gevallen. Hij dient de argumenten te beoordelen en een besluit te nemen dat uitsluitend is ingegeven door de belangen van het kind. De ouders hebben het recht gehoord te worden en kunnen zelf de procedure inleiden. Ten slotte doet niet ter zake dat volgens Duits recht ook een andere procedurele weg tot hetzelfde resultaat zou kunnen leiden en aanleiding tot een verzoek om een prejudiciële beslissing zou kunnen geven. De vraag of een dergelijk verzoek in het kader van een bepaalde procedure is ingediend, is niet relevant voor de ontvankelijkheid van een dergelijk verzoek in een andere procedure met hetzelfde voorwerp.

37.      De argumenten van de Duitse regering zijn beslist overtuigend. De procedure van § 1617, lid 2, BGB en § 46, sub a, van het Gesetz über die Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit vertoont tal van kenmerken van een bestuurlijke en niet van een gerechtelijke procedure. Dit wordt bevestigd door het feit dat er daarnaast een afzonderlijke procedure bestaat die duidelijk van gerechtelijke aard is.

38.      Bovendien zou de tegengestelde opvatting nopen tot een verplichte prejudiciële verwijzing in de zin van artikel 234, lid 3, EG, aangezien de beslissing van het Amtsgericht Niebüll in dit soort zaken niet vatbaar is voor hoger beroep – een gevolg dat niet verenigbaar lijkt met de opzet van dit artikel.

39.      Anderzijds kan ik mij ook vinden in de analyse van de Commissie, die uitgaat van het fundamenteel contentieuze karakter van de procedures in hun gewoonlijke context, met het recht van beide partijen om te worden gehoord, en van de rechterlijke aard van de beslissing van het Amtsgericht Niebüll.

40.      Deze analyse is vanzelfsprekend minder relevant, gelet op de specifieke kenmerken van de onderhavige procedure. Deze kenmerken doen een ander probleem betreffende de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing rijzen: in hoeverre is een beslissing op de voorgelegde vraag vereist opdat het Amtsgericht uitspraak kan doen?

41.      Uit de aan het Hof verstrekte informatie blijkt dat het Amtsgericht zich uitsluitend behoeft uit te spreken over of daadwerkelijk bevoegd is voor de aanwijzing van de ouder waaraan het recht tot vaststelling van de naam van het kind wordt overgedragen. Het is niet bevoegd te bepalen hoe deze naam zal luiden. In casu lijkt het duidelijk dat de naam „Grunkin-Paul” zal worden gekozen, ongeacht welke ouder wordt aangewezen. Pas op dat moment – wanneer de zaak niet meer onder de bevoegdheid van het Amtsgericht valt – gaan de regels inzake de keuze van de familienaam en dus een eventuele schending van het gemeenschapsrecht een rol spelen.

42.      Indien de Duitse rechtssituatie hiermee inderdaad juist wordt weergegeven, valt moeilijk in te zien hoe het Amtsgericht de uitspraak van het Hof, hoe deze ook zou mogen luiden, op de prejudiciële vraag zou kunnen toepassen.

43.      Maar mogelijkerwijs gaan de bevoegdheden van het Amtsgericht in dergelijke gevallen verder dan is beschreven of wil het Amtsgericht de burgerlijke stand – terecht – aan de verzochte uitspraak binden. Tegen deze achtergrond zou het onverstandig van het Hof kunnen zijn om te weigeren de vraag te beantwoorden met als argument dat een antwoord voor het wijzen van het vonnis door de nationale rechter niet noodzakelijk is. Uiteindelijk kan alleen de nationale rechter beoordelen of dit het geval is.

44.      Derhalve geef ik de voorkeur eraan de prejudiciële vraag te beantwoorden, ook al ben ik mij ervan bewust dat twijfel bestaat omtrent de vraag of volledig is voldaan aan de criteria voor indiening van een verzoek om een prejudiciële beslissing in de zin van artikel 234 EG.

 De prejudiciële vraag

45.      Vragen inzake de vaststelling van de familienaam worden in gemeenschapsrechtelijke context niet vaak gesteld. Bij het Hof zijn echter twee verzoeken om een prejudiciële beslissing op dit gebied ingediend: Konstantinidis(10) en Garcia Avello.(11)

46.      In de zaak Konstantinidis oordeelde het Hof dat het discriminatieverbod op grond van nationaliteit zich ertegen verzette dat een Grieks onderdaan werd gedwongen om bij de uitoefening van zijn beroep in een andere lidstaat een schrijfwijze van zijn naam te gebruiken die zodanig was, dat de uitspraak erdoor werd verbasterd met het risico van een persoonsverwisseling bij zijn potentiële clientèle.

47.      In de zaak Garcia Avello oordeelde het Hof dat de artikelen 12 EG en 17 EG zich ertegen verzetten dat de Belgische autoriteiten automatisch weigeren een gunstig gevolg te geven aan een verzoek om naamsverandering met betrekking tot minderjarige kinderen die in België verblijven en die een dubbele nationaliteit, de Belgische en de Spaanse, bezitten, wanneer dat verzoek tot doel heeft dat die kinderen de naam kunnen dragen die zij zouden dragen op grond van het recht en de gebruiken van Spanje.

48.      In beide gevallen onderzocht het Hof om te beginnen of de betrokken vraagstukken binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vielen – hetgeen zijns inziens het geval was – voordat het op de gestelde vragen inging. In de zaak Konstantinidis werd het verband met het gemeenschapsrecht gebaseerd op het feit dat de verzoeker opkwam tegen een aantasting van de uitoefening van een economische vrijheid, namelijk het recht van vrije vestiging. In de zaak Garcia Avello – die aanhangig was toen het burgerschap van de Unie met alle daaruit voortvloeiende rechten reeds was ingevoerd – beperkte het Hof zich ertoe, vast te stellen dat bij de betrokken kinderen die „onderdanen van een lidstaat [zijn] die legaal op het grondgebied van een andere lidstaat verblijven”(12) een aanknoping met het gemeenschapsrecht bestond.

49.      Laatstgenoemde overweging geldt duidelijk ook ten aanzien van Leonhard Matthias.

50.      Alhoewel het naamrecht onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, dienen de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid niettemin het gemeenschapsrecht te eerbiedigen. Burgers van de Unie kunnen in dit verband een beroep doen op de hen door het EG-Verdrag toegekende rechten, in het bijzonder het in artikel 12 verankerde verbod op discriminatie op grond van nationaliteit en het in artikel 18, lid 1, EG neergelegde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.(13)

51.      In de zaak Garcia Avello(14) stelde het Hof in wezen vast dat in België personen die enkel de Belgische nationaliteit bezitten in de regel net zo worden behandeld als personen die zowel de Belgische als de Spaanse nationaliteit hebben, hetgeen tot gevolg heeft dat deze laatsten in de twee betrokken rechtsstelsels verschillende namen dragen. Aangezien dit in de praktijk tot moeilijkheden leidt, is sprake van discriminatie op grond van nationaliteit. Het non-discriminatiebeginsel houdt in dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld.

52.      Alle betrokkenen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, zijn van mening dat in casu geen sprake is van een dergelijke discriminatie. Ook Grunkin heeft tijdens de terechtzitting niet gesteld dat discriminatie op grond van nationaliteit aan de orde is. Ik onderschrijf dit.

53.      Uit de relevante Duitse wettelijke bepalingen(15) volgt duidelijk, dat alle personen die enkel de Duitse nationaliteit bezitten gelijk worden behandeld en dat alle personen die meer dan één nationaliteit hebben (of waarvan de ouders meer dan één nationaliteit hebben) verschillend worden behandeld, zonder dat evenwel sprake is van enige vorm van discriminatie op grond van nationaliteit.

54.      Praktisch gezien bevindt Leonhard Matthias zich echter in een situatie die sterke gelijkenissen vertoont met die van de kinderen van Garcia Avello, indien in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit een andere naam moet worden ingeschreven dan de naam die hij in zijn geboorteland draagt. Ook al vloeien de praktische moeilijkheden waarmee hij waarschijnlijk zal worden geconfronteerd, niet uit discriminatie op grond van nationaliteit voort, toch wordt zijn recht als burger om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven hierdoor ingeperkt. Al zijn deze problemen wellicht vergelijkbaar met die van Konstantinidis, uit artikel 17 EG, juncto artikel 18, lid 1, EG volgt dat thans geen economisch verband meer behoeft te worden aangetoond om te bewijzen dat het recht van vrij verkeer wordt geschonden.

55.      Afgezien van praktische problemen, die kunnen variëren van louter hinderlijk tot – door het klimaat van wantrouwen dat na de gebeurtenissen van 11 september 2001 is ontstaan – uiterst ingrijpend, is de naam van een persoon een fundamenteel bestanddeel van zijn identiteit en zijn privéleven, die volgens nationale grondwetten en internationale verdragen algemene bescherming genieten.(16)

56.      Mijns inziens is het derhalve volkomen onverenigbaar met de status en de rechten van een burger van de Europese Unie – die volgens het Hof „de primaire status van de onderdanen van de lidstaten [dient] te zijn”(17) – dat een persoon ertoe wordt verplicht op grond van de wettelijke bepalingen van verschillende lidstaten uiteenlopende namen te dragen.

 Conclusie

57.      Tegen deze achtergrond stel ik het Hof voor, de prejudiciële vraag van het Amtsgericht Niebüll als volgt te beantwoorden:

Een bepaling van een lidstaat op basis waarvan een burger van de Europese Unie wiens naam in een andere lidstaat rechtmatig is geregistreerd, deze naam volgens het recht van de eerstgenoemde staat niet kan laten inschrijven, is in strijd met de artikelen 17 EG en 18, lid 1, EG.


1 – Oorspronkelijke taal: Engels.


2 – Arrest van 2 oktober 2003 (C‑148/02, Jurispr. blz. I‑11613); zie punten 47 e.v. van deze conclusie.


3 – Zie beschikkingen van 5 maart 1986, Greis Unterweger (318/85, Jurispr. blz. 955, punt 4); 10 juli 2001, HSB-Wohnbau (C‑86/00, Jurispr. blz. I‑5353, punt 11), en 22 januari 2002, Holto (C‑447/00, Jurispr. blz. I‑735, punt 17), evenals de arresten van 19 oktober 1995, Job Centre (C‑111/94, Jurispr. blz. I‑3361, punt 9); 12 november 1998, Victoria Film (C‑134/97, Jurispr. blz. I‑7023, punt 14), en 14 juin 2001, Salzmann (C‑178/99, Jurispr. blz. I‑4421, punt 14).


4 – CIEC-overeenkomst, ondertekend te München op 5 september 1980; zie met name de artikelen 1 en 2 daarvan.


5 – CIEC-overeenkomst nr. 4, ondertekend te Istanbul op 4 september 1958.


6 – Aangehaald in voetnoot 2; zie ook punten 47 e.v. van de onderhavige conclusie.


7 – Voor een algemener overzicht van de situatie in de toenmalige lidstaten, zie de punten 5 e.v. van mijn conclusie in de zaak Garcia Avello, aangehaald in voetnoot 2.


8 – Zie punten 16, 17 en 18 van deze conclusie.


9 – Zie bijvoorbeeld beschikking van 26 november 1999, ANAS (C‑192/98, Jurispr. blz. I‑8583, punten 21‑23) en arrest van 15 januari 2002, Lutz e.a. (C‑182/00, Jurispr. blz. I‑547, punt 12), en de aldaar aangehaalde rechtspraak.


10 – Arrest van 30 maart 1993 (C‑168/91, Jurispr. blz. I‑1191).


11 – Aangehaald in voetnoot 2.


12 – Punt 27; zie tevens arrest van 19 oktober 2004, Zhu en Chen (C‑200/02, Jurispr. blz. I‑9925, punt 19).


13 – Zie arrest Garcia Avello, reeds aangehaald, punten 25 en 29.


14 – Zie punten 31‑37.


15 – Zie punten 16 en 17 van deze conclusie.


16 – Zie mijn conclusie in de zaken Konstantinidis (arrest reeds aangehaald, punten 35‑40) en Garcia Avello (arrest reeds aangehaald, punten 5, 27 en 36), evenals de daar aangehaalde bronnen.


17 – Zie, meest recentelijk, arrest van 15 maart 2005, Bidar (C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punt 31).