ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer - uitgebreid)

11 maart 1999 (1)

„EGKS-Verdrag - Mededinging - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Prijsvaststelling - Systemen voor informatie-uitwisseling”

In zaak T-147/94,

Krupp Hoesch Stahl AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Dortmund (Duitsland), vertegenwoordigd door O. Lieberknecht en, tijdens de mondelinge behandeling, door M. Klusmann, advocaten te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Currall en N. Lorenz, leden van haar juridische dienst, en G. de Bergues, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, later door J.-L. Dewost, directeur-generaal van de juridische dienst, J. Currall en G. Charrier, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Freund, advocaat te Frankfurt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende primair een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, waarnemend voor de president, A. Potocki en J. Pirrung, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23, 24, 25, 26 en 27 maart 1998,

het navolgende

Arrest(2)

     De feiten

A - Inleiding

1.
    Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1, hierna: „beschikking”). De Commissie heeft daarbij vastgesteld, dat zeventien Europese staalondernemingen en één van hun ondernemersverenigingen hadden deelgenomen aan een reeks overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen ter vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie op de markt van balken in de Gemeenschap. Ter zake van deze inbreuken op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, die tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 hadden plaatsgevonden, heeft zij aan veertien ondernemingen uit de betrokken sector geldboeten opgelegd.

2.
    Uit de beschikking (punt 11, sub d) blijkt, dat Hoesch Stahl AG (hierna: „Hoesch”) een 100 %-dochtermaatschappij is van Hoesch AG, waarvan de geconsolideerde omzet in 1989 10,679 miljard DM bedroeg. Zij is in 1992 met Krupp gefuseerd tot Krupp Hoesch Stahl AG, verzoekster in de onderhavige procedure.

(...)

D - De beschikking

17.
    De beschikking is verzoekster ter kennis gekomen op 3 maart 1994 en ging vergezeld van een brief van de heer Van Miert, gedateerd 28 februari 1994. Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:

Artikel 1

De volgende ondernemingen hebben in de in deze beschikking beschreven mate deelgenomen aan de bij hun naam vermelde concurrentiebeperkende praktijken, welke de normale werking van de mededinging op de gemeenschappelijke markt hebben belet, beperkt en vervalst. Waar geldboeten worden opgelegd, wordt de duur van de inbreuk in maanden aangegeven, behalve in het geval van de harmonisatie van toeslagen, waar deelneming aan de inbreuk met „x” wordt aangegeven.

(...)

Hoesch

a)    Uitwisseling van vertrouwelijke informatie via het

    „Poutrelles Committee” en de „Walzstahl-Vereinigung”

    (monitoring-systeem)

(27)

b)    Vaststelling van prijzen op de Duitse markt

(3)

(...)

Artikel 4

Voor de in artikel 1 beschreven inbreuken die na 30 juni 1988 (na 31 december 1989(3) in het geval van Aristrain en Ensidesa) zijn geschied, worden de volgende geldboeten opgelegd:

(...)

Krupp Hoesch Stahl AG

13 000 ECU

(...)

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot:

(...)

- Krupp Hoesch Stahl AG

(...)”

(...)

E - De geldboete

(...)

De uitoefening door het Gerecht van zijn volledige rechtsmacht ten aanzien van de hoogte van de geldboete

203.
    De bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is naar haar aard geen nauwkeurige wiskundige operatie. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de berekeningen van de Commissie, maar dient het met in achtneming van alle omstandigheden van het concrete geval een eigen oordeel te vormen.

204.
    In casu is uit het onderzoek van het Gerecht niet gebleken van onjuistheden in de algemene aanpak van de Commissie ter bepaling van de hoogte van de geldboeten (zie hierboven, punten 187 en volgende)(4), ook al heeft deze voor verzoekster geresulteerd in een geringe geldboete.

205.
    Er dient aan te worden herinnerd, dat verzoekster weliswaar daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de uitwisseling van cijfergegevens, ook aan die georganiseerd door het „Poutrelles Committee”, maar niet aan de bijeenkomsten van deze commissie en dus evenmin aan de discussies die daar op basis van deze cijfers werden gevoerd.

206.
    Naar het oordeel van het Gerecht toonden die discussies niet alleen het concurrentieverstorend karakter van de informatie-uitwisseling aan, maar verzwaarden zij dit ook, omdat de met deze uitwisseling gepaard gaande onderlinge controle erdoor werd versterkt. Met de tijdens deze bijeenkomsten geuite kritische opmerkingen werd enerzijds onredelijk geacht gedrag van concurrenten in concrete gevallen voorkomen en werd anderzijds de concurrentie herinnerd aan het bestaanvan een permanente controle en de mogelijkheid van gerichte vergeldingsmaatregelen.

207.
    De door de Commissie toegepaste factor van 1,5 % is weliswaar gerechtvaardigd ingeval de informatieuitwisseling gepaard gaat met een dergelijk disussiesysteem, doch niet wanneer een onderneming als verzoekster niet aan de discussies heeft deelgenomen, maar enkel cijfergegevens heeft uitgewisseld, zonder een van de betrokken bijeenkomsten bij te wonen.

208.
    In het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht overeenkomstig artikel 36, tweede alinea, van het Verdrag is het Gerecht dan ook van oordeel, dat deze factor voor verzoekster moet worden verlaagd tot 1 % van de omzet. Hij moet worden toegepast over een periode van 24 van de theoretisch in aanmerking te nemen 30 maanden. Verzoeksters geldboete dient dienovereenkomstig te worden verlaagd.

(...)

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),

rechtdoende:

1)    Bepaalt het bedrag van de bij artikel 4 van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderlingsamenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten aan verzoekster opgelegde geldboete op 9 000 euro.

2)    Verwerpt het beroep voor het overige.

3)    Verwijst verzoekster in haar eigen kosten alsmede in de helft van de kosten van de Commissie. Verstaat dat de Commissie de helft van haar eigen kosten zal dragen.

Bellamy
Potocki
Pirrung

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 maart 1999.

De griffier

De president

H. Jung

C. W. Bellamy


1: Procestaal: Duits.

Jurispr.


2: -     De feiten van de zaak en het procesverloop voor het Gerecht worden beschreven in de punten 1-70 van het arrest van het Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen/Commissie (T-141/94, Jurispr. blz. II-0000). De middelen en argumenten van verzoekster die identiek zijn aan of overeenstemmen met die welke in de zaak Thyssen/Commissie zijn aangevoerd, worden met name onderzocht in de punten 121-170 (schending van wezenlijke vormvoorschriften tijdens de totstandkoming van de beschikking), 366-412 [uitwisseling van informatie in het „Poutrelles Committee” (monitoring van bestellingen en leveringen) en via de Walzstahl-Vereinigung], 457-565 (betrokkenheid van de Commissie bij de aan verzoekster verweten inbreuk) en 604-613 (motivering van de beschikking met betrekking tot de geldboete) van dat arrest.


3: -     Datum als vermeld in de Franse en de Spaanse versie van de beschikking. De Duitse en de Engelse versie vermelden als datum 31 december 1988.


4: -     Zie arrest Thyssen/Commissie, punten 577 en volgende.