ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer - uitgebreid)

11 maart 1999 (1)

„EGKS-Verdrag - Mededinging - Overeenkomsten tussen ondernemingen -Systeem voor informatieuitwisseling - Geldboete - Toerekenbaarheid vaninbreuk”

In zaak T-134/94,

NMH Stahlwerke GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Sulzbach-Rosenberg (Duitsland), vertegenwoordigd door P. B. Schäuble, advocaat teMünchen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt,advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd doorJ. Currall en N. Lorenz, leden van haar juridische dienst, en G. de Bergues, bij deCommissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, later door J.-L. Dewost, directeur-generaal van de juridische dienst, J. Currall en G. Charrier, bij de Commissiegedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Freund,advocaat te Frankfurt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez dela Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende primair een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKSvan de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond vanartikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderlingsamenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, waarnemend voor de president, A. Potockien J. Pirrung, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23, 24, 25, 26 en 27 maart1998,

het navolgende

Arrest(2)

     De feiten

A - Inleiding

1.
    Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKSvan de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond vanartikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderlingsamenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1,hierna: „beschikking”). De Commissie heeft daarbij vastgesteld, dat zeventienEuropese staalondernemingen en één van hun ondernemersverenigingen haddendeelgenomen aan een reeks overeenkomsten, besluiten en onderlingsamenhangende gedragingen ter vaststelling van prijzen, verdeling van markten enuitwisseling van vertrouwelijke informatie op de markt van balken in deGemeenschap. Ter zake van deze inbreuken op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag,die tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 hadden plaatsgevonden, heeft zij aanveertien ondernemingen uit de betrokken sector geldboeten opgelegd.

2.
    Punt 11, sub f, van de beschikking verschaft de volgende informatie oververzoekster:

„Neue Maxhütte Stahlwerke GmbH, hierna „Neue Maxhütte” genoemd, werd in1988 opgericht door de Duitse deelstaat Beieren (die in de beschouwde periode45 % van de aandelen in zijn bezit had), Thyssen Stahl AG (5,5 %), ThyssenEdelstahlwerke AG (5,5 %), Lech-Stahlwerke GmbH (11 %), Krupp Stahl AG(11 %), Klöckner Stahl GmbH (11 %) en Mannesmannröhren-Werke AG (11 %).Deze laatste onderneming nam de belangrijkste activa van Eisenwerk-GesellschaftMaximilianshütte mbH over, die op 16 april 1987 failliet was verklaard. Zijbehaalde in 1991 een omzet van 226 miljoen DM. De onderneming draagt nu denaam NMH Stahlwerke GmbH.”

[...]

D - De beschikking

17.
    De beschikking is verzoekster ter kennis gekomen op 3 maart 1994 en gingvergezeld van een brief van de heer Van Miert, gedateerd 28 februari 1994. Hetdispositief van de beschikking luidt als volgt:

Artikel 1

De volgende ondernemingen hebben in de in deze beschikking beschreven matedeelgenomen aan de bij hun naam vermelde concurrentiebeperkende praktijken,welke de normale werking van de mededinging op de gemeenschappelijke markthebben belet, beperkt en vervalst. Waar geldboeten worden opgelegd, wordt deduur van de inbreuk in maanden aangegeven, behalve in het geval van deharmonisatie van toeslagen, waar deelneming aan de inbreuk met „x” wordtaangegeven.

[...]

Neue Maxhütte

a)    Uitwisseling van vertrouwelijke informatie via het

    „Poutrelles Committee” en de „Walzstahl-Vereinigung”

    (monitoringsysteem)

(27)

[...]

Artikel 4

Voor de in artikel 1 beschreven inbreuken die na 30 juni 1988 (na 31 december1989(3) in het geval van Aristrain en Ensidesa) zijn geschied, worden de volgendegeldboeten opgelegd:

[...]

NMH Stahlwerke GmbH

150 000 ECU

[...]

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot:

[...]

    - NMH Stahlwerke GmbH

[...]”

[...]

De vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking

[...]

De aansprakelijkheid van verzoekster tot 30 juni 1990

94.
    Blijkens artikel 1 van de beschikking heeft de Commissie verzoekster een geldboeteopgelegd, omdat zij gedurende zevenentwintig maanden aan de uitwisseling vanvertrouwelijke informatie via het „Poutrelles Committee” en Walzstahl-Vereinigunghad deelgenomen. Volgens punt 314 van de beschikking zijn geldboeten opgelegdvoor „concurrentiebeperkende gedragingen vanaf 1 juli 1988”.

Summiere samenvatting van het betoog van partijen

95.
    Verzoekster stelt, dat ongeacht op welke periode in de tijd de in artikel 1 van debeschikking bedoelde 27 maanden betrekking hebben, de Commissie haar tenonrechte een geldboete heeft opgelegd wegens concurrentiebeperkendegedragingen tot 30 juni 1990. Enkel de op 16 april 1987 failliet verklaardeEisenwerk-Gesellschaft Maximilianshütte mbH (hierna: „Eisenwerkgesellschaft”,in voorkomend geval met de toevoeging „in staat van faillissement”) en nietverzoekster kon aansprakelijk worden gesteld voor inbreuken die in die periodezouden zijn gepleegd.

96.
    Verzoekster geeft de volgende uiteenzetting van de feiten, die niet wordttegengesproken door de Commissie.

97.
    Na de inleiding van de faillissementsprocedure in 1987 heeft Eisenwerk-Gesellschaft de productie en verkoop van staalproducten, in het bijzonder balken,voortgezet.

98.
    Op 4 november 1987 hebben de latere oprichters van verzoekster [zie punt 11,sub f, van de beschikking] een kaderovereenkomst gesloten met het oog opverzoeksters oprichting als „Auffanggesellschaft”. Punt 3 van die overeenkomstbepaalt:

„De .Auffanggesellschaft‘ heeft tot doel, het voortbestaan van de staalindustrie inMidden-Opper-Palts veilig te stellen door bepaalde bedrijfsonderdelen van de[Eisenwerk-Gesellschaft], in staat van faillissement, aan te kopen en met behulpvan een deel van de werknemers verder te exploiteren.

De niet overgenomen bedrijfsonderdelen worden zo snel mogelijk buiten gebruikgesteld.

[...]”

99.
    De nieuwe onderneming zou gaan werken met minder personeel (duizendwerknemers) en een kleinere capaciteit (maximumcapaciteit voor warmgewalsteproducten: 386 000 ton per jaar in plaats van 780 000). Zij zou één van de driehoogovens overnemen, twee van de drie continugietinstallaties, de warmwalserijvoor gietstalen blokken en één van de twee profielwalsen. De fabriek voor devervaardiging van stalen buizen, die deel uitmaakte vanEisenwerkgesellschaft, zou door een zelfstandige onderneming wordengeëxploiteerd.

100.
    Verzoekster werd in januari 1988 opgericht onder de handelsnaam „NMHStahlwerke GmbH (Vorgesellschaft Neue Maxhütte)”. In die periode was hetmaatschappelijk doel van verzoekster het bepalen en voorbereiden van de nodigemaatregelen op technisch, financieel en personeelsgebied voor de oprichting vaneen vennootschap ter opvolging van Eisenwerk-Gesellschaft, in staat vanfaillissement.

101.
    Vanaf oktober 1988 heeft verzoekster aan een deel van de werknemers vanEisenwerk-Gesellschaft werk aangeboden, met dien verstande dat zij naarverwachting vanaf 1 juli 1990 voor haar zouden kunnen beginnen te werken.

102.
    Op 23 oktober 1989 heeft verzoekster twee overeenkomsten gesloten metEisenwerk-Gesellschaft, in staat van faillissement. In een „overgangsregeling”verbond zij zich, overeenkomstig haar doel, tot overname van de vaste activa dienodig waren voor een beperkte voortzetting van de productie. Bij een„huurovereenkomst betreffende de vaste activa” verleende zij Eisenwerk-Gesellschaft tot 30 juni 1990 het gebruiksrecht van alle bij de overgangsregelingovergedragen materiële vaste activa. Krachtens diezelfde overeenkomst wasEisenwerk-Gesellschaft gerechtigd, de onderneming in eigen naam en voor eigenrekening te exploiteren.

103.
    Na afloop van deze huurperiode heeft Eisenwerk-Gesellschaft, in staat vanfaillissement, de overgedragen vaste activa aan verzoekster teruggegeven. Op 1 juli1990 is verzoekster begonnen met de productie en verkoop van staalproducten. Op4 juli daarop zijn haar maatschappelijk doel en handelsnaam dienovereenkomstiggewijzigd. Sindsdien draagt zij de naam NMH Stahlwerke GmbH.

104.
    Op 5 september 1994 werd de faillissementsprocedure met betrekking totEisenwerk-Gesellschaft beëindigd; haar naam werd echter niet uit hethandelsregister geschrapt.

105.
    Op basis van deze gegevens stelt verzoekster onder verwijzing naar de arresten vanhet Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie (40/73 tot 48/73, 50/73,54/73 tot 56/73, 111/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punten 84-87), en 28 maart1984, CRAM en Rheinzink/Commissie (29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679,punten 6-9), en de arresten van het Gerecht van 17 december 1991, EnichemAnic/Commissie (T-6/89, Jurispr. blz. II-1623, punten 236-238), en 28 april 1994,AWS Benelux/Commissie (T-38/92, Jurispr. blz. II-211, punten 26-30), dat zij in deperiode tot 30 juni 1990 noch als rechtsopvolger, noch als economische opvolgeraansprakelijk kan worden gesteld voor de gedragingen van Eisenwerk-Gesellschaft.

106.
    Verzoekster is niet ontstaan uit een wijziging van de rechtsvorm van Eisenwerk-Gesellschaft, in staat van faillissement, maar is een nieuwe vennootschap. Andersdan Eisenwerk-Gesellschaft heeft zij vóór 30 juni 1990 geen activiteiten ontplooidop de gemeenschappelijke markt voor staal. Verder zijn de twee vennootschappennooit door dezelfde personen bestuurd. Evenmin heeft verzoekster alle rechten enverplichtingen van Eisenwerk-Gesellschaft overgenomen. Integendeel, in deovergangsregeling werden hun respectieve verplichtingen afgebakend aan de handvan de vastgelegde begindatum voor verzoeksters activiteiten.

107.
    Verder is Eisenwerk-Gesellschaft gedurende de gehele procedure blijven bestaanen bestaat zij nog steeds, aangezien zij niet is vereffend en evenmin uit hethandelsregister is geschrapt. Volgens een beschikking van het Oberlandesgerichtte Frankfurt am Main van 20 december 1993 kunnen de inbreuken die Eisenwerk-Gesellschaft zou hebben gepleegd, bij gebreke van misbruik of ontduiking niet aanverzoekster worden toegerekend.

108.
    De bestuurders van verzoekster zijn niet dezelfde personen als degenen diesoortgelijke functies hebben uitgeoefend of nog uitoefenen bij Eisenwerk-Gesellschaft. Verder heeft verzoekster niet de „belangrijkste activa” van dezevennootschap overgenomen, maar slechts 14,25 % van haar materiële vaste activa(63 199 401 DM op 443 339 291). Overeenkomstig haar doel heeft zij slechts eendeel van de machines en technische installaties overgenomen en heeft zij dejaarlijkse productiecapaciteit voor warmgewalste producten verminderd van 780 000tot 386 000 ton. Het onroerend goed van Eisenwerk-Gesellschaft is in het kadervan de faillissementsprocedure overgedragen aan derden. Bovendien bestaat dehelft van de boekwaarde van de technische installaties en machines van verzoeksteruit investeringen van haarzelf.

109.
    In die omstandigheden kan noch het repressieve noch het preventieve karakter vande geldboeten de toerekening van aansprakelijkheid door de Commissierechtvaardigen. Verder heeft verzoekster geen enkel voordeel behaald uit degewraakte gedragingen. Zowel het Duitse nationale recht (artikel 30 van de Duitsewet inzake administratieve overtredingen [Gesetz über Ordnungswidrigkeiten]) alsde beginselen „nulla poena sine lege” en „nullum crimen sine lege”, die in deDuitse grondwet en het Duitse wetboek van strafrecht, in de constituties van deoverige lidstaten en in artikel 7 van het Europese Verdrag tot bescherming van derechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn erkend, verzetten zichtegen de toerekening door de Commissie.

110.
    Overigens blijkt noch uit de relevante passages van de motivering noch uit hetdispositief van de beschikking, waarom de Commissie haar de inbreuken heefttoegerekend die Eisenwerk-Gesellschaft tot 30 juni 1990 heeft gepleegd. DeCommissie heeft met name niet geantwoord op haar uitvoerige antwoord op demededeling van de punten van bezwaar.

111.
    Ten slotte heeft verzoekster ter terechtzitting hieraan nog toegevoegd, dat deCommissie zich met haar aanpak op ongeoorloofde wijze in een bevoorrechtepositie heeft geplaatst ten opzichte van de overige schuldeisers van Eisenwerk-Gesellschaft.

112.
    Onder verwijzing naar punt 11, sub f, van de beschikking en de uiteenzetting vande feiten door verzoekster, in het bijzonder de specifieke omstandigheden waarinzij de activa van Eisenwerk-Gesellschaft heeft overgenomen, voert de Commissieaan, dat verzoekster de economische opvolger van deze vennootschap is en daaromverantwoordelijk is voor de inbreuken die deze tot 30 juni 1990 heeft gepleegd.

Beoordeling door het Gerecht

113.
    Eerst dient de motivering van de bestreden beschikking met betrekking tot detoerekening van de inbreuk voor de periode tot 30 juni 1990 en vervolgens dejuistheid van die toerekening te worden onderzocht.

- De motivering van de beschikking

114.
    Volgens de rechtspraak dient de door artikel 15 van het Verdrag vereistemotivering ertoe, de betrokkene in staat te stellen te achterhalen, waarom demaatregel is genomen, zodat hij in voorkomend geval zijn rechten kan verdedigenen kan nagaan, of de beschikking al dan niet gegrond is, en bovendien degemeenschapsrechter in staat te stellen om zijn controle uit te oefenen. Hetmotiveringsvereiste moet worden beoordeeld met inachtneming van deomstandigheden van het geval, in het bijzonder de inhoud van de betrokkenhandeling, de aard van de redengeving en de context waarin zij is vastgesteld(arrest van het Gerecht van 24 september 1996, NALOO/Commissie, T-57/91,Jurispr. blz. II-1019, punten 298 en 300).

115.
    Volgens punt 11, sub f, van de beschikking (zie hierboven, punt 2) is verzoekster,„Neue Maxhütte”, in 1988 opgericht door de Duitse deelstaat Beieren, die in dieperiode 45 % van de aandelen bezat, en een aantal Duitse staalondernemingen, en„nam [zij] de belangrijkste activa van Eisenwerk-Gesellschaft MaximilianshüttembH over, die (...) failliet was verklaard”.

116.
    Blijkens voormeld punt wordt verzoekster aansprakelijk gehouden voor de aan„Neue Maxhütte” ten laste gelegde deelneming aan de gewraakteinformatieuitwisseling tot 30 juni 1990 (zie met name de punten 10, 39, 41, 213, 263en 314). De vermelding, dat zij de „belangrijkste” activa van de failliete Eisenwerk-Gesellschaft heeft overgenomen, geeft ook aan, dat de Commissie verzoekster alsde economische opvolger van deze vennootschap beschouwt en haar op die grondaansprakelijk houdt voor de door deze vennootschap gepleegde inbreuken.

117.
    Deze aanwijzingen, hoe beknopt ook, geven naar het oordeel van het Gerecht debelangrijkste redenen aan, waarom de Commissie de inbreuken aan verzoeksterheeft toegerekend.

118.
    Verzoekster heeft zowel in haar antwoord op de mededeling van de punten vanbezwaar als in haar memories alle feitelijke en juridische argumenten aangevoerddie zij relevant acht ter weerlegging van de stelling van de Commissie, in hetbijzonder de feitelijke gegevens die het Gerecht inzicht geven in deomstandigheden waarin zij een deel van de activa van Eisenwerk-Gesellschaft heeftovergenomen.

119.
    In die omstandigheden staat niets eraan in de weg, dat de Commissie de motiveringvan de beschikking voor het gerecht nader uitwerkt aan de hand van verzoeksterseigen uiteenzetting van de feitelijke omstandigheden rond de overname van deactiva van Eisenwerk-Gesellschaft (zie ook het arrest van het Gerecht van12 december 1996, Rendo e.a./Commissie, T-16/91 RV, Jurispr. blz. II-1827,punt 55).

120.
    Bijgevolg stelt de motivering van de beschikking verzoekster in staat, haar rechtente verdedigen, en de gemeenschapsrechter, zijn controle uit te oefenen.

121.
    Verzoeksters motiveringsklachten dienen dan ook te worden verworpen.

- De gegrondheid van de bestreden toerekening

122.
    Volgens artikel 65, lid 5, van het Verdrag kan de Commissie aan ondernemingen,die een van rechtswege nietige overeenkomst hebben gesloten of zich aangedragingen schuldig maken die in strijd zijn met de bepalingen van het eerste lid,boeten opleggen.

123.
    De aan verzoekster verweten inbreuk op artikel 65, lid 1, heeft deels vóór en deelsna 30 juni 1990 plaatsgevonden.

124.
    Verzoekster betwist niet, dat zij verantwoordelijk is voor de inbreuk voorzover dezegepleegd is na 30 juni 1990. Vaststaat immers, dat zij vanaf dat ogenblik devoordien door de failliete Eisenwerk-Gesellschaft uitgeoefende economischeactiviteit, te weten de productie van balken, op eigen naam heeft voortgezet.

125.
    De Commissie betwist niet, dat deze activiteit - zoals verzoekster stelt - tot 30 juni1990 werd uitgeoefend door Eisenwerk-Gesellschaft, in staat van faillissement.

126.
    Vaststaat tevens, dat naar nationaal recht verzoekster niet alle rechten enverplichtingen van Eisenwerk-Gesellschaft heeft overgenomen en dus niet derechtsopvolger ervan is. Bijgevolg is niet voldaan aan de voorwaarde van juridischecontinuïteit tussen twee rechtspersonen, zoals omschreven door het Hof in zijnarresten Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald (punt 84), en CRAM enRheinzink/Commissie, reeds aangehaald (punt 9). Anders dan in de zaak die heeftgeleid tot het arrest Suiker Unie e.a./Commissie (zie punt 85 van dat arrest),betwist de Commissie bovendien niet, dat verzoekster niet door dezelfde personenwordt bestuurd als Eisenwerk-Gesellschaft (zie dienaangaande de conclusie vanrechter Vesterdorf, aangewezen als advocaat-generaal, bij het arrest van hetGerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc e.a./Commissie, T-1/89, Jurispr.blz. II-867, II-921 - gemeenschappelijke conclusie in de „polypropyleen”-zaken,arresten van 24 oktober 1991, T-2/89, T-3/89, Jurispr. blz. II-1087, II-1177,17 december 1991, T-4/89, T-6/89, T-7/89, T-8/89, Jurispr. blz. II-1523, II-1623,II-1711, II-1833, en 10 maart 1992, T-9/89 tot T-15/89, Jurispr. blz. II-499, II-629,II-757, II-907, II-1021, II-1155 en II-1275).

127.
    Uit de rechtspraak van het Hof en het Gerecht blijkt evenwel, dat een inbreuk opde mededingingsregels onder bepaalde omstandigheden kan worden toegerekendaan de economische opvolger van de rechtspersoon die deze heeft gepleegd, omte vermijden dat het nuttig effect van deze regels door wijzigingen in met name derechtsvorm van de betrokken ondernemingen in gevaar wordt gebracht (zie dearresten van het Hof, Suiker Unie e.a./Commissie en CRAM enRheinzink/Commissie, reeds aangehaald, en de arresten van het Gerecht, EnichemAnic/Commissie en AWS Benelux/Commissie, reeds aangehaald).

128.
    Vaststaat tevens, dat verzoekster in januari 1988 - dus reeds voordat de inbreukbegon - juist is opgericht met het oog op de voortzetting van bepaaldebedrijfsonderdelen van Eisenwerk-Gesellschaft. Haar maatschappelijk doel was,preciezer gezegd, het bepalen en voorbereiden van de nodige maatregelen om dezevennootschap op te volgen.

129.
    Daartoe heeft verzoekster in oktober 1988 aan een deel van de werknemers vanEisenwerk-Gesellschaft werk aangeboden met ingang van 1 juli 1990. Bij de„overgangsregeling” en de „huurovereenkomst betreffende de vaste activa” van23 oktober 1989 heeft zij zich enerzijds ertoe verbonden, de vaste activa vanEisenwerk-Gesellschaft over te nemen die nodig waren voor een beperktevoortzetting van de productie, en heeft zij anderzijds aan deze laatste tot 30 juni1990 het gebruiksrecht verleend van alle betrokken materiële vaste activa.

130.
    Verder wordt niet betwist, dat verzoekster zo niet alle, dan toch wel debelangrijkste activa en werknemers van Eisenwerk-Gesellschaft heeft overgenomen,die werden ingezet voor de productie van balken en dus betrokken waren bij hetplegen van de inbreuk (zie het arrest Enichem Anic/Commissie, reeds aangehaald,punt 237).

131.
    Verzoekster heeft evenmin aangevoerd, dat de betrokken onderneming zich na30 juni 1990 anders is gaan gedragen. Uit de in de bijlagen I en II bij debeschikking genoemde stukken blijkt verder, dat de monitoringcijfers van het„Poutrelles Committee” die in casu aan de orde zijn (zie hierboven), zowel vóórals na 30 juni 1990 verwijzen naar „Maxhütte”, zonder enig onderscheid te makentussen Eisenwerk-Gesellschaft en verzoekster.

132.
    In die omstandigheden en inzonderheid gelet op het feit dat verzoekster juist isopgericht om het voortbestaan van de staalindustrie in Midden-Opper-Palts veiligte stellen door middel van voortzetting van Eisenwerk-Gesellschaft, moetverzoekster als de economische opvolger van Eisenwerk-Gesellschaft wordenbeschouwd en op die grond aansprakelijk worden gehouden voor de inbreuken diedeze vóór 30 juni 1990 heeft gepleegd.

133.
    Aangezien de specifieke draagwijdte van de mededingingsregels hierin bestaat, datzij tot economische eenheden zijn gericht, en verzoekster de belangrijksteeconomische activiteiten waarop de inbreuken betrekking hadden, heeftovergenomen, moet worden geoordeeld, dat artikel 65, lid 5, van het Verdrag zicher niet tegen verzet, dat de Commissie verzoekster niet enkel bestraft voor hetgedeelte van de inbreuk dat zij vanaf 1 juli 1990 in eigen naam heeft gepleegd,maar ook voor het gedeelte dat voordien is gepleegd door dezelfde economischeeenheid, handelend onder de naam Eisenwerk-Gesellschaft. Dit geldt te meer, daarverzoekster reeds vóór het begin van de inbreuk juist als economische opvolger vanEisenwerk-Gesellschaft is opgericht en zij de voortzetting van haar economischeactiviteiten tot 30 juni 1990 heeft vergemakkelijkt.

134.
    Aangezien de oplossing voor het gerezen probleem uitsluitend in hetgemeenschapsrecht dient te worden gezocht (zie de conclusie van advocaat-generaal Rozès in de zaak CRAM en Rheinzink/Commissie, reeds aangehaald,blz. 1718), zijn de nationale voorschriften betreffende de aansprakelijkheid vanvennootschappen voor handelingen van hun organen niet ter zake dienend. Om dehierboven genoemde redenen is het Gerecht tevens van oordeel, dat de Commissiede beginselen „nulla poena sine lege” en „nullum crimen sine lege” niet heeftgeschonden.

135.
    De omstandigheid, dat Eisenwerk-Gesellschaft ten tijde van de vaststelling van debeschikking nog bestond, doet hieraan niet af.

136.
    Immers, wanneer de rechtspersoon die de onderneming controleerde ten tijde vanhet plegen van de inbreuk, nog bestaat bij de totstandkoming van de beschikkingwaarin deze inbreuk wordt vastgesteld, maar de onderneming op dit tijdstip dooreen andere rechtspersoon wordt gecontroleerd, dan wordt weliswaar volgens hetbovengenoemde arrest Enichem Anic/Commissie (punt 238) de inbreuk normalitertoegerekend aan de eerste rechtspersoon, die de inbreuk heeft gepleegd, veeleerdan aan de tweede rechtspersoon, die de onderneming thans exploiteert (zie ookhet arrest AWS Benelux/Commissie, reeds aangehaald, punten 25-36). Dezerechtspraak sluit evenwel niet uit, dat een andere oplossing gerechtvaardigd kanzijn in de bijzondere omstandigheden van het concrete geval.

137.
    Zelfs indien het faillissement van Eisenwerk-Gesellschaft pas op 5 september 1994is afgesloten, terwijl de beschikking is vastgesteld op 16 februari 1994, en dezevennootschap niet uit het handelsregister is geschrapt, staat niettemin vast, dat op1 juli 1990 de belangrijkste materiële en menselijke factoren waarmee Eisenwerk-Gesellschaft haar staalproductie en -verkoop kon voortzetten, aan verzoekster zijnovergedragen. Vanaf dat tijdstip heeft Eisenwerk-Gesellschaft haarhandelsactiviteiten gestaakt en zich beperkt tot de afwikkeling van haarfaillissement.

138.
    Gelet op het feit dat, in de eerste plaats, het begrip onderneming in de zin vanartikel 65 van het Verdrag een economische draagwijdte heeft, in de tweede plaats,ten tijde van de vaststelling van de beschikking de economische activiteit waaropde inbreuken betrekking hadden, werd uitgeoefend door verzoekster, en, in dederde plaats, de formele dader op dat tijdstip alle handelsactiviteiten had gestaakt,heeft de Commissie naar het oordeel van het Gerecht de betrokken inbreuk terechtaan verzoekster toegerekend, niettegenstaande dat Eisenwerk-Gesellschaft ten tijdevan de vaststelling van de beschikking - zeven jaar na de aanvang van defaillissementsprocedure en vier jaar na de verkoop van haar belangrijkste activa -juridisch nog steeds bestond.

139.
    Om dezelfde redenen moet verzoeksters argument worden verworpen, dat deCommissie zichzelf een voordeel heeft verschaft ten opzichte van de andereschuldeisers van de failliete vennootschap door haar de gewraakte inbreuken toete rekenen. Door deze vennootschap geen boete op te leggen, heeft zij integendeelhet aan de andere schuldeisers ter beschikking staande vermogen vergroot entegelijkertijd het belang van de Gemeenschap gehandhaafd, dat de bij de inbreukenbetrokken onderneming de verantwoordelijkheid hiervoor draagt.

140.
    Hieraan dient te worden toegevoegd, dat de geldboete niet is berekend naar deomzet van Eisenwerk-Gesellschaft, maar naar die van verzoekster, zodat deberekeningsgrondslag, ook voor de periode vóór 1 juli 1990, overeenstemt met deeconomische betekenis van inbreuken van een onderneming van haar omvang, diekleiner is dan die van Eisenwerk-Gesellschaft.

141.
    Om al die redenen moeten de argumenten betreffende de rechtmatigheid van detoerekening worden verworpen.

[...]

De vordering tot nietigverklaring van artikel 4 van de beschikking of althans totverlaging van de geldboete

[...]

De uitoefening door het Gerecht van zijn volledige rechtsmacht ter zake van degeldboete

277.
    Er dient aan te worden herinnerd, dat verzoekster en haar economischevoorgangster, Eisenwerk-Gesellschaft, weliswaar daadwerkelijk hebbendeelgenomen aan de uitwisseling van cijfergegevens, ook aan die georganiseerddoor het „Poutrelles Committee”, maar niet aan de bijeenkomsten van dezecommissie en dus evenmin aan de discussies die daar op basis van deze cijferswerden gevoerd.

278.
    Naar het oordeel van het Gerecht toonden die discussies niet alleen hetconcurrentieverstorend karakter van de informatieuitwisseling aan, maarverzwaarden zij dit nog, omdat de met deze uitwisseling gepaard gaande onderlingecontrole erdoor werd versterkt. Met de tijdens deze bijeenkomsten geuite kritischeopmerkingen werd enerzijds onredelijk geacht gedrag van concurrenten in concretegevallen voorkomen en werd anderzijds de concurrentie herinnerd aan het bestaanvan een permanente controle en de mogelijkheid van gerichtevergeldingsmaatregelen.

279.
    De door de Commissie toegepaste factor van 1,5 % is weliswaar gerechtvaardigdingeval de informatieuitwisseling gepaard gaat met een dergelijk discussiesysteem,doch niet wanneer een onderneming als verzoekster niet aan de discussies heeftdeelgenomen, maar enkel cijfergegevens heeft uitgewisseld, zonder een van debetrokken bijeenkomsten bij te wonen.

280.
    In het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht overeenkomstigartikel 36, tweede alinea, van het Verdrag is het Gerecht dan ook van oordeel, datdeze factor voor verzoekster moet worden verlaagd tot 1 % van de omzet. Hijmoet worden toegepast over een periode van 27 van de theoretisch in aanmerkingkomende 30 maanden. Verzoeksters geldboete dient dienovereenkomstig te wordenverlaagd.

[...]

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),

rechtdoende:

1)    Bepaalt het bedrag van de bij artikel 4 van beschikking 94/215/EGKS vande Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond vanartikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderlingsamenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten, aanverzoekster opgelegde geldboete op 110 000 euro.

2)    Verwerpt het beroep voor het overige.

3)    Verwijst verzoekster in haar eigen kosten alsmede in de helft van de kostenvan verweerster. Verstaat dat verweerster de helft van haar eigen kosten zaldragen.

Bellamy
Potocki
Pirrung

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 maart 1999.

De griffier

De president

H. Jung

C. W. Bellamy


1: Procestaal: Duits.


2: -     Enkel die rechtsoverwegingen worden weergegeven waarvan het Gerecht de publicatienuttig acht. De feiten die aan het beroep ten gronde liggen en het procesverloop voor hetGerecht worden beschreven in de punten 1-70 van het arrest van het Gerecht van 11 maart1999, Thyssen/Commissie (T-141/94, Jurispr. blz. II-0000). De middelen en argumenten vanverzoekster die identiek zijn aan of overeenstemmen met die welke in de zaakThyssen/Commissie zijn aangevoerd, worden met name onderzocht in de punten 121-170(schending van wezenlijke vormvoorschriften tijdens de totstandkoming van debeschikking), 366-412 [uitwisseling van informatie in het „Poutrelles Committee”(monitoring van bestellingen en leveringen) en via Walzstahl-Vereinigung], 457-565(betrokkenheid van de Commissie bij de aan verzoekster verweten inbreuk) en 604-614(motivering van de beschikking met betrekking tot de geldboete) van dat arrest.


3: -     Datum als vermeld in de Franse en de Spaanse versie van de beschikking. De Duitse ende Engelse versie vermelden als datum 31 december 1988.