Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 23 december 2015 – Shiraz Baig Mirza/Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal

(Zaak C-695/15)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Shiraz Baig Mirza

Verwerende partij: Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal

Prejudiciële vragen

Moet artikel 3, lid 3, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend1 (hierna: „Dublin III-verordening”) aldus worden uitgelegd dat

a) de lidstaten het recht om een verzoeker naar een veilig derde land te zenden, alleen vóór het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat kunnen uitoefenen dan wel ook na het bepalen daarvan?

b) Luidt het antwoord op de vorige vraag anders indien de lidstaat niet op het tijdstip waarop het verzoek om internationale bescherming voor de eerste maal bij zijn diensten wordt ingediend overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de Dublin III-verordening en hoofdstuk III van die verordening, maar op het tijdstip waarop hij de uit een andere lidstaat afkomstige verzoeker na een verzoek tot overdracht of terugname overeenkomstig de hoofdstukken V en VI van de Dublin III verordening ontvangt, vaststelt dat hij de verantwoordelijke lidstaat is?

Indien volgens de door het Hof in antwoord op de eerste vraag gegeven uitlegging het recht om een verzoeker naar een veilig derde land te zenden ook na een overdracht volgens de Dublinprocedure kan worden uitgeoefend:

kan artikel 3, lid 3, van de Dublin III-verordening dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaten dat recht ook kunnen uitoefenen wanneer de overdragende lidstaat tijdens de Dublinprocedure niet is ingelicht over de precieze nationale regeling inzake de uitoefening van dat recht of de praktijk van de nationale autoriteiten?

Kan artikel 18, lid 2, van de Dublin III-verordening aldus worden uitgelegd dat, wanneer een verzoeker overeenkomstig artikel 18[, lid 1], onder c), van die verordening wordt teruggenomen, de procedure moet worden hervat in de fase waarin zij in de vorige procedure is onderbroken?

____________

1 PB L 180, blz. 31.