BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

16 oktober 2014

Zaak F‑69/10 DEP

Luigi Marcuccio

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Procedure – Begroting van kosten – Artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering – Vertegenwoordiging van een instelling door een advocaat – Honoraria van de advocaat – Invorderbare kosten – Verzoek om moratoire rente”

Betreft:      Verzoek om begroting van kosten, krachtens artikel 92, lid 1, van het destijds geldende Reglement voor de procesvoering (hierna: „oude Reglement voor de procesvoering”) door de Europese Commissie ingediend na het arrest Marcuccio/Commissie (F‑69/10, EU:F:2011:128).

Beslissing:      Het totaalbedrag van de invorderbare kosten die Marcuccio in zaak F‑69/10, Marcuccio/Commissie, aan de Commissie moet betalen, wordt vastgesteld op 1 250 EUR. Over dit bedrag zal vertragingsrente worden betaald vanaf de datum van betekening van deze beschikking tot aan de datum van de daadwerkelijke betaling ervan, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank op de eerste kalenderdag van de maand waarop de betaling verschuldigd wordt toepast op de basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met 3,5 punten.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Kosten die de partijen hebben moeten maken – Door een instelling aan haar advocaat betaalde honoraria – Daaronder begrepen – Elementen die bij de begroting in aanmerking moeten worden genomen

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 19, eerste alinea, en bijlage I, art. 7, lid 1)

2.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Begroting – Vertragingsrente

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 96‑98 en 106)

1.      Zoals blijkt uit artikel 19, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, dat op grond van artikel 7, lid 1, van bijlage I bij dat Statuut van toepassing is op het Gerecht voor ambtenarenzaken, kunnen de instellingen zich laten bijstaan door een advocaat. Het honorarium van die advocaat valt dus onder het begrip „in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten”, zonder dat de instelling dient aan te tonen dat die bijstand objectief gerechtvaardigd was.

Wat de bepaling betreft van het bedrag ter hoogte waarvan de honoraria van de advocaat kunnen worden teruggevorderd, is de Unierechter niet bevoegd om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar dient hij te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd bij de partij die in de kosten is verwezen. Bij zijn beslissing op een verzoek om begroting van kosten hoeft de Unierechter geen rekening te houden met een nationaal tarief voor advocatenhonoraria noch met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden.

Evenmin heeft het forfaitaire karakter van de bezoldiging invloed op de beoordeling door het Gerecht voor ambtenarenzaken van het bedrag dat aan kosten kan worden ingevorderd, daar de rechter zich baseert op in de rechtspraak vastgestelde criteria en de precieze aanwijzingen die de partijen hem moeten verstrekken. Ofschoon het ontbreken van dergelijke informatie niet verhindert dat het Gerecht op basis van een redelijke beoordeling het bedrag van de invorderbare kosten bepaalt, bevindt het zich hierdoor wel in een situatie waarin de aanspraken van de verzoeker noodzakelijkerwijs strikt moeten worden beoordeeld.

Aangezien een tariefregeling in het recht van de Unie ontbreekt, moet de rechter de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geding, het belang ervan vanuit het oogpunt van het recht van de Unie, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad en het economisch belang van het geding voor de partijen.

Ten slotte kan het bedrag van de invorderbare honoraria van de advocaat van de betrokken instelling niet worden begroot door het werk dat haar diensten zelfs vóór de instelling van het beroep bij het Gerecht voor ambtenarenzaken hebben verricht, buiten beschouwing te laten. Aangezien de ontvankelijkheid van een beroep afhangt van de indiening van een klacht en de afwijzing daarvan door het tot aanstelling bevoegd gezag, zijn de diensten van de instelling in beginsel betrokken bij de behandeling van de geschillen zelfs voordat deze voor het Gerecht voor ambtenarenzaken worden gebracht.

(cf. punten 16‑21)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: beschikkingen Marcuccio/Commissie, T‑278/07 P-DEP, EU:T:2013:269, punt 20, en Marcuccio/Commissie, T‑366/10 P-DEP, EU:T:2014:63, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking Chatzidoukakis/Commissie, F‑84/10 DEP, EU:F:2014:41, punten 20‑24 en aldaar aangehaalde rechtspraak

2.      Op grond van artikel 106 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken behoren de vaststelling van de verplichting om vertragingsrente te betalen over een verwijzing in de kosten door dat Gerecht en de bepaling van de toepasselijke rentevoet tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht.

Uit de artikelen 96 tot en met 98 van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een beschikking als zodanig niet het voorwerp van een uitspraak vormt. Uit de beschikking moet de datum van vaststelling ervan blijken en zij heeft bindende kracht vanaf de dag van betekening ervan. Hieruit volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat een partij die om vertragingsrente vanaf de datum van uitspraak van de te geven beschikking vraagt, het Gerecht voor ambtenarenzaken vraagt om uitsluitend vanaf de betekening van de beschikking houdende vaststelling van de kosten, vertragingsrente over de invorderbare kosten te doen betalen. De partij heeft dus vanaf de datum van betekening van de beschikking houdende vaststelling van de kosten en tot en met de daadwerkelijke betaling van die kosten, recht op vertragingsrente over het bedrag van de door de rechter vastgestelde invorderbare kosten.

(cf. punten 31, 33 en 34)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: beschikking Marcuccio/Commissie, T‑450/10 P‑DEP, EU:T:2014:32, punt 47

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking Chatzidoukakis/Commissie, EU:F:2014:41, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak