ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

2 juli 2019 (*)

„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran – Bevriezing van tegoeden – Vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van de plaatsing en de handhaving van haar naam op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn – Materiële schade – Immateriële schade”

In zaak T‑405/15,

Fulmen, gevestigd te Teheran (Iran), vertegenwoordigd door A. Bahrami en N. Korogiannakis, advocaten,

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Liudvinaviciute-Cordeiro en M. Bishop als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Aresu en D. Gauci, vervolgens door A. Aresu en R. Tricot als gemachtigden,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39), uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2010 van de Raad van 26 juli 2010 houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 423/2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2010, L 195, blz. 25), besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2010, L 281, blz. 81), en verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1), waarbij verzoeksters naam was geplaatst en gehandhaafd op de lijsten van personen en entiteiten waarop de beperkende maatregelen van toepassing waren,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: I. Pelikánová (rapporteur), president, V. Valančius en U. Öberg, rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 december 2018,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

1        De onderhavige zaak houdt verband met de beperkende maatregelen die zijn genomen om de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van vectoren voor kernwapens (hierna: „nucleaire proliferatie”) te staken.

2        Verzoekster, Fulmen, is een Iraanse vennootschap die onder meer actief is in de sector van elektrisch materieel.

3        Binnen de Europese Unie werden gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB van de Raad van 27 februari 2007 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 61, blz. 49) en verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1) vastgesteld.

4        Artikel 5, lid 1, onder b), van gemeenschappelijk standpunt 2007/140 bepaalde dat alle tegoeden en economische middelen van bepaalde categorieën van personen en entiteiten werden bevroren. De lijst van deze personen en entiteiten was opgenomen in bijlage II bij gemeenschappelijk standpunt 2007/140.

5        Voor zover het de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap betrof, bepaalde artikel 7, lid 2, van verordening nr. 423/2007 dat de tegoeden van de personen, entiteiten of lichamen waarvan door de Raad van de Europese Unie was vastgesteld dat zij zich bezighielden met nucleaire proliferatie volgens artikel 5, lid 1, onder b), van gemeenschappelijk standpunt 2007/140, werden bevroren. De lijst van deze personen, entiteiten en lichamen was opgenomen in bijlage V bij verordening nr. 423/2007.

6        Gemeenschappelijk standpunt 2007/140 werd ingetrokken bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 195, blz. 39).

7        Artikel 20, lid 1, van besluit 2010/413 voorziet in de bevriezing van tegoeden van verschillende categorieën van entiteiten. Deze bepaling heeft onder meer betrekking op „personen en entiteiten die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen [aan de nucleaire proliferatie], dan wel personen of entiteiten die namens hen of op hun aanwijzing handelen of entiteiten ten aanzien waarvan zij, ook op onrechtmatige wijze, de eigendom of de zeggenschap hebben, [...] als vermeld in bijlage II”.

8        De lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 is vervangen door een nieuwe lijst, die is vastgesteld bij besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB L 281, blz. 81).

9        De Raad heeft op 25 oktober 2010 verordening (EU) nr. 961/2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 423/2007 (PB L 281, blz. 1) vastgesteld.

10      Vanaf de vaststelling van besluit 2010/413 op 26 juli 2010 is verzoeksters naam door de Raad op de lijst van personen, entiteiten en lichamen in tabel I van bijlage II bij dat besluit geplaatst.

11      Dientengevolge is verzoeksters naam op de lijst van personen, entiteiten en lichamen in tabel I van bijlage V bij verordening nr. 423/2007 geplaatst bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2010 van de Raad van 26 juli 2010 houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 423/2007 (PB L 195, blz. 25, met rectificatie in PB L 233, blz. 29). De vaststelling van uitvoeringsverordening nr. 668/2010 heeft geleid tot de bevriezing van de tegoeden en de economische middelen van verzoekster.

12      In besluit 2010/413 is de Raad wat verzoekster betreft uitgegaan van de volgende redenen: „Fulmen was betrokken bij de installatie van elektrisch materieel op de site van Qom/Fordow [Iran] toen het bestaan van deze site nog niet bekend was.” In uitvoeringsverordening nr. 668/2010 is de volgende formulering gebruikt: „Fulmen was betrokken bij de installatie van elektrisch materieel op de site van Qom/Fordow toen het bestaan van deze site nog niet bekend was.”

13      De Raad heeft verzoekster bij brief van 28 juli 2010 meegedeeld dat haar naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 en op die van bijlage V bij verordening nr. 423/2007 was opgenomen.

14      Bij brief van 14 september 2010 heeft verzoekster de Raad verzocht om terug te komen van de opname van haar naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 en die in bijlage V bij verordening nr. 423/2007. Zij heeft de Raad tevens verzocht haar de gegevens mee te delen op grond waarvan hij de beperkende maatregelen jegens haar had vastgesteld.

15      De vaststelling van besluit 2010/644 heeft geen invloed gehad op de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413.

16      Aangezien verordening nr. 423/2007 werd ingetrokken bij verordening nr. 961/2010, werd verzoeksters naam door de Raad opgenomen in punt 13 van tabel B van bijlage VIII bij laatstgenoemde verordening. Bijgevolg zijn de tegoeden van verzoekster thans bevroren krachtens artikel 16, lid 2, van verordening nr. 961/2010.

17      Bij brief van 28 oktober 2010 heeft de Raad geantwoord op verzoeksters brief van 14 september 2010. In zijn brief gaf hij aan dat hij na nieuw onderzoek haar verzoek tot schrapping van haar naam van de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en die in bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010, die in de plaats kwam van bijlage V bij verordening nr. 423/2007, afwees. In dit verband heeft hij erop gewezen dat verzoekster onderworpen moest blijven aan de bij die handelingen vastgestelde beperkende maatregelen daar het dossier geen nieuwe gegevens bevatte die een wijziging van zijn standpunt rechtvaardigden. De Raad heeft voorts aangegeven dat zijn beslissing tot handhaving van verzoeksters naam op die lijsten niet was gebaseerd op andere gegevens dan die welke waren vermeld in de motivering van deze lijsten.

18      Bij arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), heeft het Gerecht besluit 2010/413, uitvoeringsverordening nr. 668/2010, besluit 2010/644 en verordening nr. 961/2010 nietig verklaard, voor zover zij betrekking hadden op Fereydoun Mahmoudian en op verzoekster.

19      Aangaande de werking in de tijd van de nietigverklaring van de bestreden handelingen in het kader van het beroep dat heeft geleid tot het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), heeft het Gerecht in punt 106 van dat arrest, met betrekking tot verordening nr. 961/2010 in herinnering gebracht dat overeenkomstig artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, in afwijking van artikel 280 VWEU, eerst in werking kunnen treden na afloop van de termijn voor hogere voorziening bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van dit Statuut of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is afgewezen. In die zaak heeft het Gerecht geoordeeld dat de kans dat ernstig en onomkeerbaar afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van de beperkende maatregelen die bij verordening nr. 961/2010 zijn opgelegd, niet dermate groot leek te zijn, gelet op de belangrijke weerslag van deze maatregelen op de rechten en vrijheden van de verzoekers, dat het gerechtvaardigd was om de gevolgen van die verordening ten aanzien van laatstgenoemden in stand te laten voor een langere periode dan die waarin was voorzien in artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

20      Voorts heeft het Gerecht in punt 107 van het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), de gevolgen van besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, in stand gelaten totdat de nietigverklaring van verordening nr. 961/2010 effect sorteert.

21      Op 4 juni 2012 heeft de Raad bij het Hof hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142). Die hogere voorziening is ingeschreven onder het nummer C‑280/12 P. Ter ondersteuning van die hogere voorziening heeft de Raad met name aangevoerd dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Raad moest bewijzen dat verzoekster actief was geweest op de site van Qom/Fordow (Iran), en dit niettegenstaande het feit dat de elementen die eventueel konden worden aangedragen, uit vertrouwelijke bronnen afkomstig waren. Volgens de Raad hadden de onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk had gegeven, betrekking op twee aspecten van de mededeling van die elementen. Het eerste aspect betreft de mededeling door de lidstaten van bewijselementen aan de Raad en het tweede de mededeling van de vertrouwelijke elementen aan de rechter.

22      Bij arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian (C‑280/12 P, EU:C:2013:775), heeft het Hof de hogere voorziening ongegrond verklaard en het oordeel van het Gerecht in punt 103 van het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), bevestigd, te weten dat de Raad niet het bewijs had geleverd dat verzoekster actief was geweest op de site van Qom/Fordow.

23      Bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1361/2013 van de Raad van 18 december 2013 houdende uitvoering van verordening nr. 267/2012 (PB 2013, L 343, blz. 7), heeft de Raad de gevolgen getrokken uit het arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian (C‑280/12 P, EU:C:2013:775), en verzoeksters naam geschrapt van de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, die zijn opgenomen in respectievelijk bijlage II bij besluit 2010/413 en bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, met ingang van 19 december 2013. Sindsdien is verzoeksters naam niet opnieuw op een lijst geplaatst.

II.    Procedure en conclusies van partijen

24      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 juli 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. De zaak is toegewezen aan de Eerste kamer van het Gerecht.

25      Op 9 november 2015 heeft de Raad zijn verweerschrift ingediend.

26      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 november 2015, heeft de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad.

27      Op 2 december 2015 heeft verzoekster haar opmerkingen ingediend over het interventieverzoek van de Commissie. De Raad heeft geen opmerkingen over dat verzoek ingediend binnen de gestelde termijn.

28      Bij een overeenkomstig artikel 144, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vastgestelde beslissing van de president van de Eerste kamer van het Gerecht van 10 december 2015 is de Commissie toegelaten tot interventie in het onderhavige geding.

29      Op 22 januari 2016 heeft de Commissie een memorie in interventie ingediend. Noch de Raad, noch verzoekster heeft opmerkingen over die memorie ingediend.

30      Op 25 januari 2016 heeft verzoekster haar repliek neergelegd.

31      Op 8 maart 2016 heeft de Raad zijn dupliek neergelegd.

32      Bij op 29 maart 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft verzoekster overeenkomstig artikel 106, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om een hoorzitting.

33      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer) een maatregel tot organisatie van de procesgang getroffen en besloten om de partijen te horen over een eventuele schorsing van de behandeling in afwachting van de beslissing van het Hof waarbij de procedure in zaak C‑45/15 P, Safa Nicu Sepahan/Raad, zou worden beëindigd. De Raad heeft zijn opmerkingen daarover binnen de gestelde termijn ingediend.

34      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering, is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Eerste kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

35      Bij beslissing van 31 augustus 2016 heeft de president van de Eerste kamer beslist om de procedure in de onderhavige zaak op te schorten.

36      Na de uitspraak van het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), heeft het Gerecht (Eerste kamer), op voorstel van de rechter-rapporteur, een tweede maatregel tot organisatie van de procesgang getroffen en besloten om de partijen te horen over de gevolgen die dat arrest volgens hen had voor de onderhavige zaak (hierna: „tweede maatregel tot organisatie van de procesgang”). De hoofdpartijen en de Commissie hebben hun opmerkingen in dat verband binnen de gestelde termijn ingediend.

37      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer), een derde maatregel tot organisatie van de procesgang getroffen en besloten om verzoekster een aantal vragen te stellen (hierna: „derde maatregel tot organisatie van de procesgang”). Verzoekster heeft op die vragen geantwoord binnen de gestelde termijn.

38      Bij brief van 28 november 2018 heeft de Commissie het Gerecht meegedeeld dat zij het standpunt van de Raad bleef ondersteunen, doch het niet nodig achtte deel te nemen aan de terechtzitting in de onderhavige zaak.

39      De hoofdpartijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 11 december 2018.

40      Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

–        de Raad te veroordelen haar een bedrag van 11 009 560 EUR te betalen als vergoeding van de materiële schade die zij heeft geleden en een bedrag van 100 000 EUR als vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden;

–        de Raad te verwijzen in de kosten.

41      De Raad en de Commissie concluderen dat het het Gerecht behage:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A.      Bevoegdheid van het Gerecht

42      In dupliek voert de Raad op basis van het arrest van 18 februari 2016, Jannatian/Raad (T‑328/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:86), als verweer aan dat voor zover verzoekster haar verzoek tot schadevergoeding heeft gebaseerd op de onrechtmatigheid van de plaatsing van haar naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, het Gerecht niet bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige beroep, aangezien artikel 275, tweede alinea, VWEU het Gerecht niet de bevoegdheid verleent om kennis te nemen van een schadevordering die is gebaseerd op de onrechtmatigheid van een handeling die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) valt.

43      In antwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde vraag, waarin verzoekster werd verzocht haar opmerkingen te maken over het door de Raad aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid, heeft verzoekster te kennen gegeven dat zij met het onderhavige beroep enkel vergoeding wenste te vorderen van de schade die door de verordeningen van de Raad is veroorzaakt, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. In het licht van dit antwoord moet ervan worden uitgegaan dat verzoekster in wezen de tweede vordering van het verzoekschrift heeft gewijzigd, zodat zij uiteindelijk alleen verzoekt dat het Gerecht de Raad veroordeelt haar een bedrag van 11 009 560 EUR te betalen als vergoeding van de materiële schade die zij heeft geleden vanwege de onrechtmatige plaatsing van haar naam op de lijsten in de bijlage bij uitvoeringsverordening nr. 668/2010 en bij verordening nr. 961/2010 (hierna: „litigieuze lijsten”) en een bedrag van 100 000 EUR als vergoeding van de immateriële schade die zij ten gevolge van die plaatsing heeft geleden.

44      Hoe dan ook zij in herinnering gebracht dat ingevolge artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering het Gerecht in iedere stand van het geding ambtshalve, de partijen gehoord, kan ingaan op middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, waartoe volgens de rechtspraak de bevoegdheid van de Unierechter om kennis te nemen van het beroep behoort (zie in die zin arresten van 18 maart 1980, Ferriera Valsabbia e.a./Commissie, 154/78, 205/78, 206/78, 226/78–228/78, 263/78, 264/78, 31/79, 39/79, 83/79 en 85/79, EU:C:1980:81, punt 7, en 17 juni 1998, Svenska Journalistförbundet/Raad, T‑174/95, EU:T:1998:127, punt 80).

45      In dat verband volgt uit de rechtspraak dat hoewel het Gerecht niet bevoegd is om kennis te nemen van beroepen tot vergoeding van de schade die zou zijn geleden wegens de vaststelling van een handeling inzake het GBVB (arrest van 18 februari 2016, Jannatian/Raad, T‑328/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:86, punten 30 en 31), het Gerecht zich daarentegen wel steeds bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van verzoeken tot vergoeding van de schade die een persoon of een entiteit stelt te hebben geleden wegens de vaststelling tegen die persoon of entiteit van beperkende maatregelen op grond van artikel 215 VWEU (zie in die zin arresten van 11 juli 2007, Sison/Raad, T‑47/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:207, punten 232‑251, en 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punten 45‑149).

46      Dit kan niet anders zijn in het geval van een vordering tot vergoeding van de schade die een persoon of entiteit zou hebben geleden als gevolg van beperkende maatregelen die tegen hem of haar zijn genomen, overeenkomstig artikel 291, lid 2, VWEU.

47      Volgens de rechtspraak is namelijk nergens in het VWEU bepaald dat het zesde deel ervan, betreffende institutionele en financiële bepalingen, niet van toepassing is inzake beperkende maatregelen. Bijgevolg kan een beroep worden gedaan op artikel 291, lid 2, VWEU naar luid waarvan „indien het nodig is dat juridisch bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd, [...] bij die handelingen aan de Commissie, of, in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij de artikelen 24 en 26 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalde gevallen, aan de Raad uitvoeringsbevoegdheden [worden] toegekend”, mits aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan (arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 35).

48      In casu zijn de beperkende maatregelen die ten aanzien van verzoekster zijn vastgesteld bij besluit 2010/413, dat vervolgens is gewijzigd bij besluit 2010/644, ten uitvoer gelegd bij uitvoeringsverordening nr. 668/2010, die is vastgesteld overeenkomstig artikel 291, lid 2, VWEU, en bij verordening nr. 961/2010, die is vastgesteld overeenkomstig artikel 215 VWEU.

49      Het Gerecht is dus weliswaar niet bevoegd om kennis te nemen van verzoeksters schadevordering, voor zover deze strekt tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden wegens de vaststelling van besluit 2010/413, dat vervolgens is gewijzigd bij besluit 2010/644, doch het is daarentegen wel bevoegd om kennis te nemen van diezelfde vordering, voor zover deze strekt tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden wegens de tenuitvoerlegging van dat besluit bij uitvoeringsverordening nr. 668/2010 en verordening nr. 961/2010 (hierna: „litigieuze handelingen”).

50      Bijgevolg is het Gerecht bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige beroep, zoals gewijzigd ter terechtzitting, dat wil zeggen voor zover dit beroep strekt tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat de beperkende maatregelen die tegen haar zijn vastgesteld bij besluit 2010/413, zoals vervolgens gewijzigd bij besluit 2010/644, ten uitvoer zijn gelegd bij de litigieuze handelingen (hierna: „litigieuze maatregelen”).

B.      Ten gronde

51      Krachtens artikel 340, tweede alinea, VWEU „[moet de Unie] [i]nzake de niet-contractuele aansprakelijkheid [...] overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt”. Volgens vaste rechtspraak moet voor de in artikel 340, tweede alinea, VWEU bedoelde niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor onrechtmatig gedrag van een instelling aan een aantal voorwaarden worden voldaan, namelijk onrechtmatigheid van de aan de instelling verweten gedraging, daadwerkelijk bestaan van schade en een causaal verband tussen de vermeende gedraging en de gestelde schade (zie arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 47).

52      Ter ondersteuning van het onderhavige beroep voert verzoekster aan dat in casu is voldaan aan de drie bovengenoemde voorwaarden.

53      De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, verzoekt dat het Gerecht het onderhavige beroep ongegrond verklaart op grond dat verzoekster niet het van haar verlangde bewijs levert dat in casu is voldaan aan alle voorwaarden voor het bestaan van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.

54      Volgens vaste rechtspraak zijn de voorwaarden voor het intreden van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU, die reeds hierboven in punt 51 zijn opgesomd, cumulatief (arrest van 7 december 2010, Fahas/Raad, T‑49/07, EU:T:2010:499, punten 92 en 93, en beschikking van 17 februari 2012, Dagher/Raad, T‑218/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:82, punt 34). Wanneer niet is voldaan aan een van deze voorwaarden moet het beroep dus in zijn geheel worden verworpen, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de andere voorwaarden (arrest van 26 oktober 2011, Dufour/ECB, T‑436/09, EU:T:2011:634, punt 193).

55      In casu moet dus worden nagegaan of verzoekster, zoals van haar wordt verlangd, het bewijs levert dat de gedraging die zij aan de Raad verwijt, te weten de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten, onrechtmatig is, dat zij, zoals zij stelt, daadwerkelijk materiële en immateriële schade heeft geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen die vaststelling en de door haar aangevoerde schade.

1.      Gestelde onrechtmatigheid

56      Verzoekster voert aan dat aan de voorwaarde inzake de onrechtmatigheid van de gedraging van een instelling is voldaan, omdat de Raad met de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten, in wezen een voldoende gekwalificeerde schending heeft begaan van rechtsregels die ertoe strekken particulieren rechten toe te kennen, welke schending volgens de rechtspraak tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden.

57      In dat verband brengt verzoekster ten eerste in herinnering dat uit het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), en uit het arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian (C‑280/12 P, EU:C:2013:775), dat is gewezen na een door de Raad ingestelde hogere voorziening en waarbij die hogere voorziening is afgewezen (zie punt 22 hierboven), volgt dat de litigieuze handelingen onrechtmatig zijn.

58      Zij wijst er namelijk op dat het Gerecht in zijn arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), heeft geoordeeld dat de Raad niet over voor haar bezwarend bewijs beschikte ter staving van de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijsten. Dit is volgens verzoekster een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen, die tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden. In antwoord op de in het kader van de tweede maatregel tot organisatie van de procesgang gestelde vraag merkt verzoekster op dat, gezien de gelijkenis tussen de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige zaak en die welke aanleiding hebben gegeven tot het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), de vaststellingen in die zaak met betrekking tot de ernst van de onrechtmatigheid van de gedraging van de Raad mutatis mutandis kunnen worden toegepast op de onderhavige zaak. Zij voegt daaraan toe dat het Gerecht tot de slotsom moet komen dat de nietigverklaring van de litigieuze handelingen op zich geen toereikende vergoeding van haar immateriële schade vormt.

59      Voorts is verzoekster van mening dat de beslissing van de Raad om hogere voorziening in te stellen tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), in weerwil van de flagrante onrechtmatigheid die het Gerecht in dat arrest heeft vastgesteld, misbruik van bevoegdheid uitmaakt die tot een verergering van de door haar geleden schade heeft geleid.

60      Ten tweede voert verzoekster aan dat de litigieuze maatregelen hebben geresulteerd in een inbreuk op de uitoefening van haar vrijheid van ondernemerschap en haar recht op eigendom, die zij krachtens de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) geniet. Die schending van die grondrechten heeft tot gevolg dat de door de Raad begane onrechtmatigheid zwaarder weegt, zodat sprake is van een gekwalificeerde schending.

61      In zijn antwoord op de in het kader van de tweede maatregel tot organisatie van de procesgang gestelde vraag, betwist de Raad, daarin ondersteund door de Commissie, niet langer dat de vaststelling van de litigieuze maatregelen onrechtmatig is en erkent hij dat de vaststellingen van het Hof in het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), met betrekking tot het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen, relevant zijn in de onderhavige zaak, aangezien de omstandigheden waarin verzoekster op een lijst is geplaatst vergelijkbaar zijn met die van de zaak die tot dat arrest heeft geleid. De Raad betwist daarentegen dat hij, zoals verzoekster betoogt, zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid en aan schending van de artikelen 16 en 17 van het Handvest en is van mening dat het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), dienaangaande geen relevante aanwijzingen bevat.

62      In casu heeft het Gerecht in het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), vastgesteld dat de litigieuze handelingen onrechtmatig zijn.

63      In herinnering gebracht zij echter dat volgens vaste rechtspraak van het Gerecht de vaststelling van de onrechtmatigheid van een rechtshandeling, hoe betreurenswaardig ook, niet volstaat om de voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie die verband houdt met de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging als vervuld te beschouwen (arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 50; zie ook in die zin arresten van 6 maart 2003, Dole Fresh Fruit International/Raad en Commissie, T‑56/00, EU:T:2003:58, punten 71‑75, en 23 november 2011, Sison/Raad, T‑341/07, EU:T:2011:687, punt 31). De eventuele nietigverklaring van een of meerdere handelingen van de Raad die aan de basis liggen van de door verzoekster aangevoerde schade, zelfs wanneer tot een dergelijke nietigverklaring is beslist bij een arrest van het Gerecht dat is uitgesproken voorafgaand aan het instellen van het beroep tot schadevergoeding, vormt dus geen onweerlegbaar bewijs van een voldoende gekwalificeerde schending door die instelling waarmee de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie van rechtswege kan worden vastgesteld.

64      De voorwaarde betreffende het bestaan van een onrechtmatige gedraging van de instellingen van de Unie vereist dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (zie arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad, C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      Het vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen beoogt, ongeacht de aard van de betrokken onrechtmatige handeling, te voorkomen dat de betrokken instelling wegens de dreiging van schadevorderingen van de betrokken personen wordt belemmerd in de uitoefening van haar bevoegdheden in het algemeen belang, zowel in het kader van haar normatieve activiteiten of werkzaamheden die keuzes op het vlak van economisch beleid impliceren als op het gebied van haar bestuurlijke bevoegdheid, terwijl tegelijkertijd wordt vermeden dat de consequenties van flagrante en onvergeeflijke schendingen voor rekening van particulieren komen (zie arresten van 23 november 2011, Sison/Raad, T‑341/07, EU:T:2011:687, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 51).

66      In het licht van de in de punten 63 tot en met 65 in herinnering gebrachte rechtspraak moet worden onderzocht of de rechtsregels die volgens verzoekster in de onderhavige zaak zijn geschonden, beogen rechten toe te kennen aan particulieren en of de Raad een voldoende gekwalificeerde schending van die regels heeft begaan.

67      Tot staving van haar vordering tot schadevergoeding beroept verzoekster zich in wezen op twee onrechtmatigheidsgronden, te weten ten eerste de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten, terwijl de Raad niet over bewijzen beschikte ter ondersteuning daarvan. De gevolgen van die onrechtmatigheid zijn verergerd doordat de Raad zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid door hogere voorziening in te stellen tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142). Ten tweede voert verzoekster schending van de artikelen 16 en 17 van het Handvest aan.

68      Wat ten eerste de onrechtmatigheidsgrond betreft die is ontleend aan de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving door de Raad van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten, terwijl de Raad niet over bewijzen beschikte ter ondersteuning daarvan, zij in herinnering gebracht dat in de punten 68 en 69 van het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986), het Gerecht heeft geoordeeld dat een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid kon begrijpen dat zij ten tijde van de vaststelling van de in die zaak bestreden handeling inlichtingen of bewijzen diende te verzamelen ter rechtvaardiging van de jegens de verzoekster in die zaak vastgestelde beperkende maatregelen om, in geval van betwisting, te kunnen aantonen dat die maatregelen gegrond waren door die inlichtingen of die bewijzen aan de Unierechter over te leggen. Het Gerecht heeft daaruit geconcludeerd dat de Raad, door dat niet te hebben gedaan, een voldoende gekwalificeerde schending had begaan van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen in de zin van de in de punten 63 en 64 hierboven aangehaalde rechtspraak. In punt 40 van het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), gewezen na hogere voorzieningen tegen het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986), en waarbij die hogere voorzieningen zijn afgewezen, heeft het Hof geoordeeld dat het Gerecht, met name in de punten 68 en 69 van zijn arrest, terecht had geoordeeld dat de schending, gedurende bijna drie jaar, van de op de Raad rustende verplichting om in geval van betwisting inlichtingen of bewijzen voor te leggen ter staving van de redenen voor de vaststelling van beperkende maatregelen tegen een natuurlijke of rechtspersoon, een voldoende gekwalificeerde schending vormde van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen.

69      Zoals volgt uit het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), en is bevestigd bij arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian (C‑280/12 P, EU:C:2013:775), dient in casu te worden vastgesteld dat de door de Raad begane schending niet alleen inhoudelijk overeenkomt met die welke de Raad beging in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986), maar bovendien – ongeveer zes maanden – langer heeft geduurd.

70      De rechtsregel die volgens verzoekster in casu is geschonden, is derhalve een rechtsregel die rechten toekent aan particulieren, waartoe verzoekster als rechtspersoon op wie de litigieuze handelingen van toepassing zijn, behoort. Voorts vormt de schending van die regel een voldoende gekwalificeerde schending in de zin van de in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

71      Bovendien volgt uit de opmerkingen die partijen naar aanleiding van de tweede maatregel tot organisatie van de procesgang hebben geformuleerd aangaande de gevolgen die het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), volgens hen voor de onderhavige zaak had, dat zij het er thans over eens zijn dat de aangevoerde onrechtmatigheid een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die particulieren rechten toekent.

72      Het argument waarmee verzoekster aanvoert dat die schending in wezen nog meer gekwalificeerd is omdat zij is verergerd doordat de Raad zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid door hogere voorziening in te stellen tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), kan niet slagen.

73      Volgens vaste rechtspraak kan ter zake van een handeling namelijk slechts worden gesproken van misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, ter zake dienende onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij uitsluitend althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere doeleinden dan gesteld, dan wel ter omzeiling van een speciale procedure waarin het Verdrag heeft voorzien om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden (zie arrest van 29 november 2017, Montel/Parlement, T‑634/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:848, punt 161 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74      In dat verband zij in herinnering gebracht dat het recht om hogere voorziening in te stellen tegen arresten van het Gerecht is verankerd in artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en integrerend deel uitmaakt van de rechtsmiddelen van het rechterlijke stelsel van de Unie. Krachtens dat artikel is een hogere voorziening bij het Hof beperkt tot rechtsvragen. Bovendien staat volgens artikel 56, tweede alinea, eerste volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie hogere voorziening open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Uit de bepalingen van het primaire recht van de Unie volgt dat iedere partij, binnen de daarin gestelde grenzen, niet alleen hogere voorziening kan instellen tegen een arrest van het Gerecht, maar bovendien ook alle middelen mag aanvoeren die zij nuttig acht om haar zaak vooruit te helpen en te doen slagen. Daarom kan aan de Raad dus, anders dan verzoekster stelt, niet worden verweten dat hij hogere voorziening heeft ingesteld tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), teneinde, zoals hij in zijn verweerschrift heeft gesteld, te beschikken over „vaste rechtspraak inzake geografische beperkende maatregelen”, welk argument kennelijk een rechtsvraag betreft in de zin van artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU.

75      Voorts kan verzoeksters stelling dat de Raad – met als enige doel de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar nucleaire programma te staken – hogere voorziening heeft ingesteld tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), waardoor de gevolgen van de litigieuze handelingen ten aanzien van verzoekster in stand werden gehouden, niet slagen. Niet alleen wordt die stelling namelijk niet door bewijzen of inlichtingen ondersteund, maar hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat de handhaving van die gevolgen inherent is aan de beslissing om hogere voorziening in te stellen, ingevolge artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit artikel bepaalt namelijk dat „[i]n afwijking van artikel 280 [VWEU] [...] beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, eerst in werking [treden] na afloop van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van dit Statuut of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen”.

76      Bovendien zij in herinnering gebracht (zie punt 19 hierboven) dat het Gerecht, met betrekking tot de werking in de tijd van de nietigverklaring van verordening nr. 961/2010, in punt 106 van het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), heeft geoordeeld dat in de onderhavige zaak de kans dat ernstig en onomkeerbaar afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van de beperkende maatregelen die bij verordening nr. 961/2010 zijn opgelegd, niet dermate groot leek te zijn dat het gerechtvaardigd was om de gevolgen van deze verordening ten aanzien van de verzoekers in stand te laten voor een langere periode dan die waarin is voorzien in artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Evenzo heeft het Gerecht in punt 107 van dat arrest (zie punt 20 hierboven) besloten de gevolgen van besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, in stand te laten totdat de nietigverklaring van verordening nr. 961/2010 effect sorteert.

77      Uit voorgaande overwegingen volgt dat de handhaving van de gevolgen van de litigieuze handelingen ten aanzien van verzoekster, na de nietigverklaring van die handelingen bij het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), volgt uit de toepassing van de bepalingen van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en uit de soevereine beoordeling van het Gerecht en niet uit de gedraging die verzoekster aan de Raad verwijt, te weten dat hij hogere voorziening tegen dat arrest heeft ingesteld.

78      Aangezien verzoekster geen objectief gegeven aanbrengt waaruit blijkt dat de Raad hogere voorziening heeft ingesteld tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), met de bedoeling haar schade te berokkenen of de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar nucleaire programma te staken, moet verzoeksters argument dat de Raad zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid, welk misbruik de schending van de in casu aan de orde zijnde rechtsregel zou hebben verergerd, ongegrond worden verklaard.

79      Aangaande de tweede onrechtmatigheidsgrond, te weten schending van de artikelen 16 en 17 van het Handvest, dient te worden opgemerkt dat verzoekster zich ertoe beperkt de voorwaarden in herinnering te brengen die vervuld moeten zijn om te kunnen spreken van een schending van de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden, en aan te voeren dat de haar opgelegde litigieuze maatregelen tot doel en tot gevolg hadden dat haar recht op eigendom en haar vrijheid om een economische activiteit uit te oefenen, zoals erkend in de artikelen 16 en 17 van het Handvest, aanzienlijk werden beperkt.

80      Volgens vaste rechtspraak is het recht op eigendom weliswaar gewaarborgd in artikel 17 van het Handvest, doch geniet dit recht in het Unierecht geen absolute bescherming maar moet het worden beschouwd in relatie tot zijn functie in de maatschappij. Bijgevolg kan de uitoefening van dat recht aan beperkingen worden onderworpen, voor zover die beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Unie nastreeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor dat recht in zijn kern wordt aangetast (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die rechtspraak kan naar analogie worden toegepast op de vrijheid van ondernemerschap, die is gewaarborgd in artikel 16 van het Handvest.

81      In casu dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de vaststelling van de litigieuze handelingen ten aanzien van verzoekster, voor zover daarin werd voorzien in de bevriezing van haar tegoeden, financiële activa en andere economische middelen, tot doel had nucleaire proliferatie te voorkomen en aldus op de Islamitische Republiek Iran druk uit te oefenen om de betrokken activiteiten te staken. Dit doel paste in het algemenere kader van de inspanningen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid, en is dus legitiem en geschikt (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punten 100 en 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82      In de tweede plaats zijn de litigieuze maatregelen ook noodzakelijk aangezien het nagestreefde doel, namelijk nucleaire proliferatie te voorkomen en aldus op de Islamitische Republiek Iran druk uit te oefenen om de betrokken activiteiten te staken, niet even doeltreffend kon worden bereikt met alternatieve en minder dwingende maatregelen, zoals een stelsel van voorafgaande machtiging of een verplichting om a posteriori te verantwoorden waarvoor de uitgekeerde tegoeden zijn gebruikt, met name gelet op de mogelijkheid om de opgelegde beperkingen te omzeilen (zie naar analogie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83      Verzoekster heeft derhalve niet aangetoond dat de litigieuze handelingen de rechten hebben geschonden die zij ontleent aan de artikelen 16 en 17 van het Handvest.

84      Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat alleen de eerste onrechtmatigheidsgrond, die is ontleend aan de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten door de Raad, terwijl deze niet over bewijzen beschikte om deze te staven, een onrechtmatigheid vormt die tot de aansprakelijkheid van de Unie kan leiden in de zin van de in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

2.      Gestelde schade en causaal verband tussen de onrechtmatigheid van de verweten gedraging en die schade

85      Verzoekster is van mening dat zij de reële en zekere aard van de materiële en immateriële schade die zij heeft geleden als gevolg van de litigieuze handelingen en het causale verband tussen de onrechtmatigheid van de verweten gedraging en de gestelde schade heeft bewezen. Gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak is zij van mening dat het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), geen afbreuk doet aan de gegrondheid van haar vordering tot schadevergoeding.

86      In repliek stelt zij dat de Raad, in strijd met artikel 340 VWEU, voorwaarden tracht te stellen die het particulieren in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken om hun recht op schadevergoeding uit te oefenen.

87      In antwoord op het argument van de Raad dat er geen causaal verband bestaat, gelet op de beperkende maatregelen die in 2011 in de Verenigde Staten tegen verzoekster zijn genomen (hierna: „Amerikaanse maatregelen”), merkt verzoekster op dat de Amerikaanse maatregelen anderhalf jaar na de litigieuze handelingen zijn vastgesteld en dat zij deze laatste als „bewijs” aanduiden. Aangezien die Amerikaanse maatregelen voortvloeiden uit de litigieuze handelingen, konden zij haar dus geen autonome schade berokkenen, zodat de eventuele schade rechtstreeks het gevolg is van de onrechtmatige gedraging van de Raad en het aan de Raad staat om deze te vergoeden. Voorts herinnert verzoekster eraan dat de betrekkingen tussen de Islamitische Republiek Iran en de Verenigde Staten sinds 1980 zijn verbroken en dat de Verenigde Staten sinds 1995 alle activiteiten en transacties met Iraanse ondernemingen hebben verboden. Aangezien verzoekster geen betrekkingen had met in de Verenigde Staten gevestigde ondernemingen en er geen activa bezat, hebben de Amerikaanse maatregelen haar dus geen schade berokkend.

88      De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, betwist verzoeksters argumenten. Hij is van mening dat de conclusies van het Hof in zijn arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), betreffende de voorwaarden waaronder materiële en immateriële schade kan worden vergoed, relevant zijn en zijn argumenten in de onderhavige zaak ondersteunen. Bovendien merkt de Raad met betrekking tot de materiële en immateriële schade, zoals die welke verzoekster in Iran zou hebben geleden, op dat gedurende de periode waarin de litigieuze maatregelen van toepassing waren, ook de Amerikaanse maatregelen op verzoekster van toepassing waren, welke maatregelen een even schadelijk of zelfs nog schadelijker effect kunnen hebben gehad en nog steeds van kracht zijn. In dupliek stelt de Raad dat de Amerikaanse maatregelen een reële impact hebben gehad op de economische activiteit van verzoekster.

89      Nagegaan moet worden of verzoekster het bewijs heeft geleverd van de gestelde schade en van het causale verband tussen de onrechtmatigheid van de verweten gedraging en die schade.

90      Wat de voorwaarde inzake het daadwerkelijk bestaan van schade betreft, is volgens de rechtspraak de Unie slechts niet-contractueel aansprakelijk wanneer de verzoeker daadwerkelijk schade heeft geleden die reëel en zeker is (zie in die zin arresten van 27 januari 1982, De Franceschi/Raad en Commissie, 51/81, EU:C:1982:20, punt 9, en 16 januari 1996, Candiotte/Raad, T‑108/94, EU:T:1996:5, punt 54). Het staat aan de verzoeker te bewijzen dat aan die voorwaarde is voldaan (zie arrest van 9 november 2006, Agraz e.a./Commissie, C‑243/05 P, EU:C:2006:708, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en, meer in het bijzonder, om overtuigend bewijs over te leggen betreffende het bestaan en de omvang van de schade (zie arrest van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C‑362/95 P, EU:C:1997:401, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91      Meer in het bijzonder moeten verzoeken tot vergoeding van schade, ongeacht of het materiële of immateriële schade, een symbolische dan wel een aanzienlijke vergoeding betreft, de aard van de aangevoerde schade opgeven in het licht van de gestelde gedraging en, op zijn minst bij benadering, die schade begroten (zie arrest van 26 februari 2015, Sabbagh/Raad, T‑652/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:112, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92      Wat de voorwaarde betreffende het bestaan van een causaal verband tussen de aangevoerde gedraging en de gestelde schade betreft, moet die schade een voldoende rechtstreeks gevolg van de verweten gedraging zijn, dat wil zeggen dat die gedraging de belangrijkste oorzaak van de schade dient te zijn, nu er geen verplichting bestaat om alle nadelige gevolgen van een onrechtmatige situatie, hoe verwijderd ook, te vergoeden (zie arrest van 10 mei 2006, Galileo International Technology e.a./Commissie, T‑279/03, EU:T:2006:121, punt 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest van 4 oktober 1979, Dumortier e.a./Raad, 64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, EU:C:1979:223, punt 21). Het staat aan de verzoeker te bewijzen dat er een causaal verband bestaat tussen de aangevoerde gedraging en de gestelde schade (zie arrest van 30 september 1998, Coldiretti e.a./Raad en Commissie, T‑149/96, EU:T:1998:228, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93      In het licht van de hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak moet worden nagegaan of verzoekster in casu heeft bewezen dat de immateriële en materiële schade die zij vanwege de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten stelt te hebben geleden, reëel en zeker is en dat er tussen die vaststelling en die schade een causaal verband bestaat.

a)      Gestelde materiële schade en causaal verband

94      Verzoekster stelt op basis van een verslag van 21 juli 2015, dat is opgesteld door een bij de orde van registeraccountants van de regio Paris Île-de-France (Frankrijk) geregistreerd accountantskantoor en als bijlage A.2 bij het verzoekschrift is gevoegd (hierna: „accountantsverslag”), dat zij als gevolg van de vaststelling van de litigieuze handelingen twee soorten materiële schade in Iran en twee soorten materiële schade in Europa heeft geleden. Voor al deze schade verzoekt zij het Gerecht de Raad te veroordelen haar een schadevergoeding te betalen van in totaal 11 009 560 EUR.

95      In antwoord op een in het kader van de derde maatregel tot organisatie van de procesgang gestelde vraag betreffende de discrepantie tussen het totale bedrag van de materiële schade dat is genoemd in het dictum van het verzoekschrift, te weten 11 009 560 EUR, en de som van de bedragen die betrekking hebben op de verschillende soorten materiële schade die worden aangevoerd in de motivering van het verzoekschrift, merkt verzoekster op dat deze discrepantie het gevolg is van een kennelijke materiële vergissing die zij heeft begaan en die door het Gerecht in aanmerking moet worden genomen. Hoewel zij het bedrag van elk van de in Iran ontstane financiële en operationele schadeposten onder de titels E.1.1.2, E.1.1.3 en E.1.1.4 van het verzoekschrift had vermeld, was zij vergeten dit te doen met betrekking tot de in Iran geleden financiële en operationele schade die is bedoeld onder titel E.1.1.1. Zij geeft evenwel aan dat het bedrag van deze laatste materiële schade, die het gevolg is van de „daling van het nettobedrijfsresultaat” – die volgens haar 2 932 367 EUR bedraagt –, is meegerekend in het totale bedrag van de materiële schade, waarvan zij bevestigt dat deze „11 009 560 EUR[,] bedraagt, welk bedrag zowel in petitum van het verzoekschrift als in de bijlage A.2, blz. 35, bij het verzoekschrift” is vermeld.

96      Om het bestaan van schade en het causale verband aan te tonen, baseert verzoekster zich in hoofdzaak op het accountantsverslag. Dit blijkt duidelijk uit de lezing van de punten 60 tot en met 101 van het verzoekschrift, die zijn opgenomen in titel E, met als opschrift „Materiële schade en causaal verband”, gelezen in samenhang met de bladzijden 8 tot en met 27 van dat verslag. Die punten van het verzoekschrift zijn een letterlijke weergave van hele passages uit de genoemde bladzijden van het accountantsverslag. Verzoekster heeft hoogstens af en toe bepaalde delen van dat verslag trachten samen te vatten door een aantal passages ervan weg te laten.

97      In een dergelijke situatie en voor zover een groot deel van verzoeksters vorderingen betreffende de materiële schade die zij stelt te hebben geleden, gebaseerd is op de ramingen in het accountantsverslag, moet, alvorens de materiële schade te onderzoeken die verzoekster in Iran en in Europa stelt te hebben geleden en na te gaan of er een causaal verband is, in eerste instantie de bewijskracht van het accountantsverslag worden onderzocht.

1)      Onderzoek van de bewijskracht van het accountantsverslag

98      Bij gebreke van een Unieregeling inzake het begrip „bewijs”, heeft de Unierechter het beginsel van vrije bewijslevering bevestigd, op grond waarvan – om een bepaald feit aan te tonen – bewijsmiddelen van welke aard ook kunnen worden aangevoerd, bijvoorbeeld getuigenverklaringen, schriftelijke bewijzen, bekentenissen, enz. (zie in die zin arresten van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol, C‑310/98 en C‑406/98, EU:C:2000:154, punt 29; 8 juli 2004, Dalmine/Commissie, T‑50/00, EU:T:2004:220, punt 72, en conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Archer Daniels Midland/Commissie, C‑511/06 P, EU:C:2008:604, punten 113 en 114). Tegelijkertijd heeft de Unierechter het beginsel van vrije beoordeling van het bewijsmateriaal bevestigd, volgens hetwelk de vaststelling van de geloofwaardigheid of, met andere woorden, de bewijskracht van een bewijselement aan de innige overtuiging van de rechter wordt overgelaten (arrest van 8 juli 2004, Dalmine/Commissie, T‑50/00, EU:T:2004:220, punt 72, en conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Archer Daniels Midland/Commissie, C‑511/06 P, EU:C:2008:604, punten 111 en 112).

99      Om de bewijskracht van een stuk te beoordelen moeten verschillende factoren in aanmerking worden genomen, zoals van wie het stuk afkomstig is, onder welke omstandigheden het tot stand is gekomen, tot wie het is gericht, de inhoud ervan en of de gegevens die het bevat, gelet op die factoren, redelijk en geloofwaardig overkomen (arresten van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95-T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, EU:T:2000:77, punt 1838, en 7 november 2002, Vela en Tecnagrind/Commissie, T‑141/99, T‑142/99, T‑150/99 en T‑151/99, EU:T:2002:270, punt 223).

100    In dat verband heeft de Unierechter reeds geoordeeld dat een door een verzoeker overgelegde analyse niet als een neutraal en onafhankelijk deskundigenverslag kon worden beschouwd, aangezien zij op verzoek van die verzoeker was verricht en door hem was gefinancierd en was gebaseerd op databanken die deze verzoeker ter beschikking had gesteld, zonder dat de juistheid of de relevantie van de betrokken gegevens aan een onafhankelijke controle waren onderworpen (zie in die zin arrest van 3 maart 2011, Siemens/Commissie, T‑110/07, EU:T:2011:68, punt 137).

101    De Unierechter heeft ook reeds geoordeeld dat een deskundigenrapport alleen bewijskrachtig kan worden geacht op grond van de objectieve inhoud ervan en dat een loutere, niet-onderbouwde verklaring in een dergelijk document niet doorslaggevend kon zijn (zie in die zin arrest van 16 september 2004, Valmont/Commissie, T‑274/01, EU:T:2004:266, punt 71).

102    In casu moet de bewijswaarde van het accountantsverslag worden beoordeeld in het licht van de in de punten 98 tot en met 101 hierboven in herinnering gebrachte beginselen.

103    In dit verband dient te worden opgemerkt dat het accountantsverslag is opgesteld door een accountantskantoor dat bij de orde van registeraccountants van de regio Paris Île-de-France (Frankrijk) is geregistreerd. Uit de brief die op de bladzijden 2 en 3 van dat verslag is weergegeven en die door die onderneming was verzonden aan verzoekster op 21 juli 2015, volgt dat, overeenkomstig de tijdens een bijeenkomst van 18 juni 2015 gestelde voorwaarden, verzoekster aan dat kantoor had opgedragen de schade te evalueren die de litigieuze maatregelen in Iran en in Europa hadden berokkend aan verzoekster en aan haar meerderheidsaandeelhouder, Mahmoudian. Met het oog op de vervulling van die taak staat in die brief met name dat „dit verslag is opgesteld op basis van de documenten die ons door de onderneming Fulmen zijn verstrekt en informatie die afkomstig is van Iraanse instellingen”. Uit deze brief blijkt duidelijk dat het accountantsverslag op verzoek van verzoekster is opgesteld om in het kader van het onderhavige geding het bestaan en de omvang van de gestelde materiële schade aan te tonen en dat het hoofdzakelijk is gebaseerd op door verzoekster verstrekte documenten. Het zij benadrukt dat deze documenten, waarnaar soms in voetnoten wordt verwezen, niet bij het accountantsverslag zijn gevoegd.

104    Gelet op de context waarin het accountantsverslag is opgesteld en op de in de punten 98 tot en met 101 hierboven in herinnering gebrachte beginselen, moet de bewijswaarde van dat verslag worden gerelativeerd. Dit verslag kan niet volstaan als bewijs van de inhoud ervan, met name wat het bestaan en de omvang van de aangevoerde schade betreft. Hoogstens kan het verslag een begin van bewijs vormen, dat door andere bewijzen moet worden bevestigd.

105    Met betrekking tot de in punt 96 genoemde omstandigheid, te weten dat verzoekster zich, om het bestaan van schade en van een causaal verband aan te tonen, hoofdzakelijk zo niet uitsluitend, op het accountantsverslag beroept, zij opgemerkt dat – gelet op het in punt 98 hierboven in herinnering gebrachte beginsel van vrije bewijslevering – een dergelijk gebruik van dit soort documenten op zich is toegestaan.

106    Zoals in punt 104 hierboven is vastgesteld, kan het accountantsverslag, gezien de context waarin het is opgesteld – ook al was het afkomstig van een registeraccountant – en overeenkomstig de in de punten 98 tot en met 101 genoemde rechtspraak, bij gebreke van ander bewijsmateriaal echter niet worden geacht te volstaan als bewijs van wat erin staat, met name wat het bestaan en de omvang van de gestelde schade betreft.

2)      Materiële schade die verzoekster in Iran stelt te hebben geleden en causaal verband

107    Verzoekster stelt dat zij ten gevolge van de haar opgelegde litigieuze maatregelen schade heeft geleden in Iran, die zij in twee categorieën indeelt, te weten, ten eerste, financiële en operationele schade, en, ten tweede, in wezen, commerciële of structurele schade.

108    Om te beginnen moet worden vastgesteld dat verzoekster in de punten 78, 80 en 81 van het verzoekschrift uitdrukkelijk verklaart dat zij, hoewel zij deze in de twee in punt 107 hierboven genoemde categorieën van materiële schade identificeert, een aantal schadeposten die verband houden met respectievelijk de contractuele boeten die zij aan haar klanten is verschuldigd vanwege de vertraging die bij de voltooiing van de werkzaamheden is opgelopen, het verlies van haar internationale dimensie en het vertrek van sleutelfiguren en managers, niet in het onderhavige verzoek tot schadevergoeding opneemt.

i)      Financiële en operationele schade

109    Verzoekster stelt dat de litigieuze maatregelen de uitvoering van de lopende projecten hebben beïnvloed doordat het voor haar onmogelijk was om bepaalde uit Europa afkomstige uitrusting aan te schaffen en in bepaalde gevallen deze uitrusting te vervangen en zij dus niet in staat was de betrokken projecten uit te voeren en, in de gevallen waarin zij er wel in is geslaagd die uitrusting te vervangen, de verwezenlijking van de projecten aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en die wijzigingen margeverlies hebben veroorzaakt. Dit zou resulteren in drie soorten schade, te weten een daling van het jaarlijkse nettoboekhoudkundige resultaat, de onmogelijkheid om tussen 2010 en 2014 vier lopende contracten in Iran te voltooien en de onmogelijkheid om in de litigieuze periode nieuwe contracten te verkrijgen in Iran.

110    De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, betwist verzoeksters argumenten die verband houden met haar verzoek tot vergoeding van de verschillende soorten financiële en operationele schade die zij stelt te hebben geleden in Iran.

111    Wat in de eerste plaats de schadepost betreft die betrekking heeft op de daling van het nettobedrijfsresultaat, voert verzoekster aan dat de omzet, de nettowinst en de winstmarge sinds 2011 aanzienlijk zijn gedaald. De daling van de verhouding tussen „nettowinst en omzet” (van 2,14 % over de periode 2007‑2011 tot -4,35 % over de periode 2011‑2014) houdt rechtstreeks verband met de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijsten. Die daling is het gevolg van de vijf volgende factoren: de stijging van de financiële en bankkosten, de contractuele boeten die aan klanten zijn verschuldigd wegens bij de voltooiing van de projecten opgelopen vertraging, de stijging van de aankoopprijs van grondstoffen die te wijten is aan het feit dat verzoekster voor haar aankopen in het buitenland een beroep dient te doen op tussenpersonen, de opzegging van distributieovereenkomsten met hoge marges, zoals de distributieovereenkomst met Omicron en de extra kosten die de litigieuze maatregelen met zich brengen, zoals de latere herziening van de voorgestelde studies en faciliteiten, het zoeken naar mogelijke nieuwe leveranciers en de overplaatsing van personeel om de litigieuze maatregelen te beheren. In repliek verstrekt verzoekster een schematische overzichtstabel met daarin de methode voor de berekening van de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van de daling van haar nettoboekhoudkundige resultaat.

112    Aangaande het bewijs van het daadwerkelijk bestaan van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van een daling van haar nettoboekhoudkundige resultaat moet om te beginnen worden vastgesteld dat, zoals de Raad opmerkt, verzoekster in het verzoekschrift geen enkele gekwantificeerde vordering tot vergoeding van deze schade in zijn geheel indient.

113    Zoals in punt 95 hierboven is uiteengezet, geeft verzoekster in antwoord op een vraag die in het kader van de derde maatregel tot organisatie van de procesgang is gesteld, aan dat het ontbreken van een gekwantificeerde vordering tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een daling van haar nettoboekhoudkundig resultaat een kennelijke materiële vergissing harentwege is, die derhalve door het Gerecht in aanmerking moet worden genomen.

114    Ten eerste moet echter in overweging worden genomen dat, hoewel objectief vaststaat dat de in titel E.1.1.1 van het verzoekschrift bedoelde materiële schade niet is begroot, dit evenwel niet, zoals verzoekster betoogt, lijkt te wijzen op een kennelijke materiële vergissing.

115    Wat de vijf elementen betreft die de in titel E.1.1.1 bedoelde schade zouden hebben veroorzaakt, moet namelijk worden opgemerkt dat de verklaring met betrekking tot respectievelijk het tweede element betreffende „wegens vertraging aan klanten betaalde boeten” en het derde element betreffende een „stijging van de aankoopprijs van grondstoffen” geen begroting bevat. Derhalve mag worden aangenomen dat het ontbreken van een begroting van het totale bedrag van de onder titel E.1.1.1 bedoelde schade kan worden verklaard door het ontbreken van een begroting van elk van de genoemde factoren die er ten grondslag aan zouden liggen. Dat verzoekster een materiële vergissing beging, is dus niet dermate duidelijk dat het Gerecht er rekening mee dient te houden.

116    Ten tweede zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak het verzoekschrift weliswaar op specifieke punten kan worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar uittreksels uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, geen alternatief kan zijn voor het vermelden van de essentiële elementen van het betoog rechtens, die in het verzoekschrift zelf moeten staan. Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (zie arrest van 14 december 2005, Honeywell/Commissie, T‑209/01, EU:T:2005:455, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117    In het onderhavige geval maakt verzoekster in haar antwoord op de vraag die is gesteld in het kader van de derde maatregel tot organisatie van de procesgang, zoals in punt 95 hierboven is uiteengezet, inderdaad geen melding van het feit dat de kennelijke materiële vergissing waarop zij zich beroept, bij het lezen van het accountantsverslag kon worden vastgesteld.

118    Opgemerkt zij evenwel dat de punten 62 tot en met 74 van het verzoekschrift, die in titel E.1.1.1 zijn opgenomen, de passages van de bladzijden 9 tot en met 13 van het accountantsverslag, die onder het opschrift „Paragraaf 1: Daling van het nettoboekhoudkundig resultaat” van dit verslag staan, bijna woordelijk overnemen. Uit die punten van het verzoekschrift, gelezen in samenhang met die passages van het accountantsverslag, kan echter worden opgemaakt dat verzoekster niet alles heeft gekopieerd. Noch tabel 6, die is weergegeven op de bladzijden 12 en 13 van dit verslag, getiteld „Impact van de daling van de nettowinstvoet op de [tussen 2011 en 2014] gegenereerde [omzet]”, noch de conclusie op bladzijde 13 van dit verslag, waarin de betrokken materiële schade wordt begroot en wel op 2 932 367 EUR, is namelijk door verzoekster gekopieerd.

119    In het licht van de in punt 116 hierboven genoemde rechtspraak staat het echter niet aan het Gerecht om te beoordelen of de omstandigheid dat verzoekster noch de tabel noch de conclusie, die in punt 118 hierboven zijn genoemd, heeft gekopieerd, het gevolg is van een bewuste keuze die verzoekster heeft gemaakt op grond van de keuzevrijheid waarover zij beschikt bij het opstellen van haar betoog en haar schriftelijke stukken, dan wel van een loutere omissie, die een kennelijke materiële vergissing is die het Gerecht in aanmerking kan nemen.

120    Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat verzoekster niet het bewijs heeft geleverd van het daadwerkelijk bestaan van de gestelde schade, zodat de vordering tot schadevergoeding die is gebaseerd op een „daling van haar nettoboekhoudkundig resultaat” ongegrond moet worden verklaard, zonder dat het causale verband hoeft te worden onderzocht.

121    Wat in de tweede plaats de schadepost betreft die is gebaseerd op de opzegging van vier lopende contracten, te weten de projecten Kamyaran & Shaked, Mahyar, 6 Trans Khouzestan en GIS Tehran, die verzoekster begroot op 771 577 EUR, volstaat de vaststelling dat verzoekster kennelijk niet aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde gedraging en de schade.

122    Verzoekster beperkt zich er namelijk toe te stellen dat zij, daar haar handelspartners hadden geweigerd haar de uitrusting te leveren die zij diende te verschaffen, genoodzaakt was tussen 2010 en 2014 de uitvoering van vier projecten in Iran te staken, en voorts dat de vaststelling van de litigieuze handelingen de enige beslissende factor was die tot de opzegging van de contracten heeft geleid.

123    Tot staving van dit tweeledige betoog, verwijst verzoekster enkel naar bijlage A.6 bij het verzoekschrift, die de „kopie van de documenten van de projecten Kamyaran, Trans, Mahyar, GIS Tehran” bevat. In repliek voegt zij als bijlagen C.5, C.6 en C.7 drie documenten toe met de berekening van de marge voor drie van deze vier projecten en het bijbehorende begrotingsoverzicht.

124    Opgemerkt zij dat noch de argumenten die zijn uiteengezet in het verzoekschrift – en die tot enkele regels zijn beperkt –, en in de repliek, noch de documenten die bij deze stukken zijn gevoegd, kunnen worden beschouwd als een begin van bewijs van het causale verband tussen het gestelde gedrag en de schade.

125    Noch het verzoekschrift, noch de repliek bevat immers het minste bewijs dat de litigieuze maatregelen, zoals verzoekster stelt, een doorslaggevende reden waren voor de onderbreking van de vier in het verzoekschrift genoemde projecten. Evenmin levert verzoekster ook maar enig bewijs van de gestelde weigering van haar handelspartners om haar de uitrusting te leveren die zij nodig had om die projecten uit te voeren.

126    Hoogstens stelt zij in repliek dat de gestelde schade niet door de Amerikaanse maatregelen kan zijn veroorzaakt, aangezien zij geen betrekkingen onderhield met Amerikaanse ondernemingen of toeleveringscontracten met de Verenigde Staten had en voorts op het vlak van uitrusting de drie grootste toeleveringsbedrijven ter wereld drie Europese ondernemingen zijn, namelijk Schneider, ABB en Siemens.

127    Dergelijke verklaringen kunnen echter in geen geval worden beschouwd als bewijs dat het gestelde gedrag de doorslaggevende oorzaak is van de huidige schade, te weten de opzegging van vier lopende contracten in Iran.

128    Uit bovenstaande overwegingen volgt dat verzoekster niet heeft bewezen dat er een causaal verband bestaat. Bijgevolg moet het verzoek tot vergoeding van de schade dat is gebaseerd op de opzegging van vier contracten worden afgewezen.

129    Wat in de derde plaats de schadepost betreft die is ontleend aan het verlies van nieuwe contracten in Iran, voert verzoekster aan dat zij, na haar toeleveringsbronnen en haar personeelsleden te hebben verloren, niet in staat was om nieuwe opdrachten te verkrijgen in dat land tijdens de litigieuze periode. Met „litigieuze periode” verwijst verzoekster, zo moet worden aangenomen, naar de periode tussen de eerste plaatsing van haar naam op een lijst op 26 juli 2010 (zie punt 10 hierboven) en de schrapping van die naam van de litigieuze lijsten op 19 december 2013 (zie punt 23 hierboven) (hierna: „litigieuze periode”). Volgens haar bedraagt de aldus geleden schade 2 838 897 EUR. Opnieuw dient meteen te worden vastgesteld dat verzoekster niet bewijst dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde gedraging en de schade.

130    In dit verband merkt zij namelijk enkel op dat uit de statistieken over de investeringen in de elektriciteitssector in Iran en de ontwikkeling van haar marktaandeel in die sector, dat is gedaald van 10,69 % in de acht jaar voorafgaand aan de litigieuze maatregelen tot 2,70 % in de litigieuze periode, duidelijk blijkt dat „de sancties hebben geleid tot een aanzienlijke daling van verzoeksters marktaandeel”.

131    Om te beginnen volgt uit de gegevens in tabel 9 van het accountantsverslag dat de investeringen in de elektriciteitssector in Iran, na te zijn gestegen van 786 000 000 EUR in 2007‑2008, tot 1 070 785 714 EUR in 2008‑2009, vanaf het boekjaar 2009‑2010 zijn gedaald met ongeveer 16,6 % en vervolgens in het boekjaar 2010‑2011 met ongeveer 10 %, in het boekjaar 2011‑2012 met ongeveer 33,44 %, en ten slotte in het boekjaar 2012‑2013 met ongeveer 52,7 %. Op basis van die gegevens kan dus worden vastgesteld dat vanaf het boekjaar 2009‑2010, dus vóór de vaststelling van de litigieuze handelingen, de investeringen in de elektriciteitssector in Iran aanzienlijk waren beginnen te dalen.

132    Voorts blijkt uit tabel 10 van het accountantsverslag dat verzoekster in de boekjaren 2012‑2013 en 2013‑2014 inderdaad geen nieuwe contracten heeft gesloten. Uit dezelfde tabel blijkt echter dat verzoekster in het boekjaar 2011‑2012, dat wil zeggen meer dan een jaar na de vaststelling van de litigieuze handelingen, erin was geslaagd contracten te sluiten voor een bedrag dat meer dan twee keer zo hoog was als het bedrag van de contracten die zij in 2010‑2011 had gesloten.

133    De gegevens in de tabellen 9 en 10 van het accountantsverslag leveren derhalve geen bewijs van een causaal verband tussen het gestelde gedrag en de schade in kwestie.

134    Vervolgens moet er ook op worden gewezen dat de litigieuze maatregelen, aangezien zij alleen in de Unie van toepassing waren, verzoekster er als zodanig dus niet van weerhielden zich kandidaat te stellen teneinde nieuwe contracten in Iran te verkrijgen. Verzoekster levert echter geen enkel bewijs dat zij op zijn minst aan aanbestedingen voor dergelijke opdrachten heeft deelgenomen en haar offerte, zoals zij betoogt, is afgewezen, met name vanwege de ontoereikendheid van haar technische en deskundige capaciteiten. Uiteindelijk stelt zij niet eens dat zij zich kandidaat heeft gesteld voor opdrachten in Iran, maar verklaart zij slechts dat zij tussen 2012 en 2014 geen enkel contract heeft gesloten.

135    Ten slotte geeft verzoekster niet aan zonder welke toeleveringsbronnen voor elektrische installaties of zonder welke personeelsleden, die over de voor de uitvoering van dit soort overeenkomsten vereiste beroepservaring beschikken, zij het na de vaststelling van de litigieuze handelingen heeft moeten stellen.

136    In het licht van bovenstaande overwegingen levert verzoekster niet het bewijs dat de vaststelling van de litigieuze maatregelen een verklaring vormt voor de daling van haar marktaandeel in de elektriciteitssector in Iran. Zowel de moeilijkheden die deze sector ondervond en die zich vertaalden in de afname van de investeringen, als het feit dat verzoekster niet aantoont dat zij had deelgenomen aan aanbestedingen in die sector, kunnen namelijk een verklaring vormen voor een dergelijke daling van het marktaandeel.

137    Aangezien verzoekster het causale verband niet heeft bewezen, moet de vordering tot vergoeding van de schade die zou zijn geleden als gevolg van het verlies van nieuwe contracten in Iran derhalve worden afgewezen.

138    In het licht van alle bovenstaande overwegingen moet het verzoek tot vergoeding van de financiële en operationele schade worden afgewezen.

ii)    Commerciële of structurele schade

139    Wat in wezen de commerciële of structurele schade betreft waarvan verzoekster de vergoeding vraagt, voert zij ten eerste aan dat haar plaatsing op de litigieuze lijsten heeft geleid tot de onderbreking van haar betrekkingen met haar banken en haar bevoorrechte partners. Ten tweede heeft de plaatsing van verzoekster op de litigieuze lijsten, om „trapsgewijze sancties” te vermijden, de groep genoodzaakt een structurele inkrimping door te voeren, door de gedwongen verkoop van haar deelnemingen, waaronder drie meerderheidsdeelnemingen, in zes anders Iraanse ondernemingen.

140    De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, verzoekt om afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de commerciële en structurele schade die verzoekster stelt te hebben geleden in Iran.

141    Wat in de eerste plaats de beëindiging betreft van haar commerciële betrekkingen met bank Tejarat en zes bevoorrechte partners, te weten de onderneming Omicron, enerzijds, en vijf andere ondernemingen, anderzijds, die het gevolg zou zijn van de litigieuze handelingen, erkent verzoekster dat het wegvallen van deze verschillende partnerschappen een impact heeft gehad op haar activiteiten, die reeds meegenomen is in de berekening van de daling van haar nettoboekhoudkundige resultaat, waarnaar reeds is verwezen in de categorie van de financiële en operationele schade. Met betrekking tot de thans gestelde schade vordert zij echter ook vergoeding van schade die is ontstaan na de nietigverklaring van de sancties en in wezen betrekking heeft op het mogelijke toekomstige herstel van deze bevoorrechte partnerschappen. Het verlies van deze bevoorrechte partnerschappen heeft haar, los van de tijdens de litigieuze periode gederfde winst, schade berokkend die zij op 1 026 974 EUR begroot.

142    In antwoord op een vraag die het Gerecht aanvankelijk in het kader van de derde maatregel tot organisatie van de procesgang en vervolgens ter terechtzitting heeft gesteld, heeft verzoekster aangegeven dat zij afstand deed van haar verzoek tot vergoeding van de schade die verband hield met het verbreken van haar betrekkingen met bank Tejerat, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van terechtzitting. Het onderzoek van de schade die verband houdt met het wegvallen van handelsbetrekkingen, beperkt zich dus tot de zes bevoorrechte partnerschappen die verzoekster aanvoert.

143    Wat in dat verband ten eerste de beëindiging van de betrekkingen met de onderneming Omicron betreft, waarvan verzoekster naar eigen zeggen sinds 2003 de exclusieve distributeur was en die na de vaststelling van de litigieuze handelingen de exclusieve distributierechten aan een andere Iraanse onderneming zou hebben verleend, raamt verzoekster de geleden schade op 526 974 EUR, een bedrag dat overeenkomt met een jaarlijkse marge die zij over drie jaar zou hebben gerealiseerd, tegen een percentage van 22 % dat wordt toegepast op het jaargemiddelde van de reguliere verkopen, dat op 798 449 EUR wordt geraamd.

144    Wat het bewijs van de schade betreft, zij erop gewezen dat verzoekster in de onderhavige zaak vergoeding vordert van een toekomstige winstderving, die zij over een periode van drie jaar berekent.

145    Verzoekster levert echter geen enkel bewijs van de winst die niet gerealiseerd is ten gevolge van de beëindiging van de betrokken contractuele relatie. Zij voert namelijk alleen maar aan dat op een gemiddeld jaarlijks bedrag aan reguliere verkopen, dat zij op 798 449 EUR raamt, een nettowinstmarge van 22 % wordt toegepast.

146    Noch op basis van het verzoekschrift, noch op basis van het accountantsverslag of de door verzoekster verstrekte informatie kan echter worden opgemaakt op welke wijze het door verzoekster aangevoerde bedrag van „reguliere verkopen voor een gemiddeld jaarlijks bedrag van 798 449 EUR” is berekend. Nochtans vormt dit bedrag de grondslag voor haar berekening van de gestelde schade. Voorts heeft verzoekster evenmin bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk een nettowinstmarge van 22 % heeft behaald, zoals zij stelt. Zij stelt hoogstens dat een dergelijke marge, zoals blijkt uit de in punt 86 van het verzoekschrift ingevoegde voetnoot, „is berekend [....] op de belangrijkste verkoop en door 30 % kosten in aanmerking te nemen”, zonder dat kan worden vastgesteld op welke documenten verzoekster zich beroept om het bestaan van de betrokken schade aan te tonen.

147    In het licht van voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft bewezen dat zij vanwege de beëindiging van de handelsbetrekkingen met de onderneming Omicron reële en zekere schade heeft geleden.

148    Zonder dat hoeft te worden nagegaan of het bewijs van het causale verband is geleverd, moet het verzoek tot vergoeding van de schade die verband houdt met de beëindiging van haar handelsbetrekkingen met de onderneming Omicron dan ook worden afgewezen.

149    Wat ten tweede de bevoorrechte partnerschappen met vijf andere ondernemingen betreft, is verzoekster van mening dat het herstellen van dergelijke handelsbetrekkingen 100 000 EUR per dossier kost.

150    Wat het bewijs van de schade betreft, volstaat het in dat verband om allereerst op te merken dat verzoekster niet bewijst dat er vóór de vaststelling van de litigieuze handelingen reeds betrekkingen met de vijf betrokken ondernemingen bestonden en welke de aard daarvan was. Voorts zij erop gewezen dat verzoekster zich opnieuw beroept op een toekomstige en hypothetische uitgave, waarvan de begroting louter willekeurig en forfaitair is. De schade die zou voortvloeien uit de beëindiging van de commerciële betrekkingen met de vijf in punt 141 hierboven genoemde ondernemingen is derhalve noch reëel, noch zeker.

151    Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot vergoeding van de schade die het gevolg zou zijn van de onderbreking van de betrekkingen tussen verzoekster en de onderneming Omnicron en haar vijf andere bevoorrechte partners moet worden afgewezen.

152    In de tweede plaats voert verzoekster aan dat zij haar deelnemingen in meerdere Iraanse ondernemingen heeft moeten verkopen om „trapsgewijze sancties te vermijden”. Verzoekster geeft aan dat, aangezien zij niet in staat is het financiële verlies als gevolg van deze gedwongen verkopen en de inkrimping van haar capaciteit te ramen, zij zich ertoe beperkt de kosten te ramen die noodzakelijk zijn om die deelnemingen te herstellen. In dit verband raamt zij de kosten voor „due diligence” en de gerechtskosten op 30 000 EUR voor de meerderheidsdeelnemingen en 5 000 EUR voor de minderheidsdeelnemingen, dat wil zeggen een totaal bedrag van 105 000 EUR. In de bijlage bij de repliek voegt zij een bestek toe voor de auditdiensten betreffende deze ondernemingen die nodig zijn om een nieuwe groep van dezelfde omvang samen te stellen.

153    Wat het bewijs van de schade betreft, dient opnieuw te worden vastgesteld dat de thans aangevoerde schade zuiver hypothetisch en toekomstig is. Verzoekster levert immers geen enkel bewijs dat de twee soorten bedragen die worden gevorderd met betrekking tot de kosten van „due diligence” en de gerechtskosten, die zouden moeten worden gemaakt voor het herstellen van de meerderheids- en minderheidsdeelnemingen, kan rechtvaardigen. Bovendien dient te worden opgemerkt dat verzoekster in dat verband in punt 11 van het verzoekschrift zelf erkent dat zij niet in staat is om het bedrag van de financiële schade die voortvloeit uit de betrokken gedwongen verkopen en de vermindering van haar capaciteit te begroten. Het bepalen van de waarde van de deelnemingen van de ondernemingen die zij stelt te hebben moeten verkopen, is echter van wezenlijk belang om de schade die zij stelt te hebben geleden, te kunnen begroten. Immers, zelfs al heeft verzoekster besloten haar deelnemingen in verschillende Iraanse ondernemingen te verkopen om „trapsgewijze sancties” te voorkomen, dan nog kan dit op zich niet volstaan om het bestaan van schade te bewijzen. Bovendien legt verzoekster niet uit waarom zij niet in staat was de door haar gestelde schade te begroten.

154    Wat het causale verband betreft, moet erop worden gewezen dat verzoekster niet aantoont dat de verkoop van haar deelnemingen in verschillende Iraanse ondernemingen het resultaat is van enige maatregel die verband houdt met de vaststelling van de litigieuze handelingen. Bovendien geeft zij niet aan welke specifieke vaardigheden en technologieën van de bedrijven waarin zij deelnemingen bezat, een risico op „trapsgewijze sancties” inhielden. Uit de tekst onder tabel 16 op bladzijde 22 van het accountantsverslag, naar welke bladzijde verzoekster in punt 91 van het verzoekschrift verwijst, blijkt hoogstens dat de overgedragen deelnemingen aanvankelijk werden gebruikt om het aanbod van verzoekster met aanvullende producten en diensten uit te breiden of om invloed uit te oefenen in de ondernemingen die marktkansen zouden kunnen creëren. Hoewel deze beschrijving in algemene termen van haar investeringskeuzes een weerspiegeling is van vrij gebruikelijke keuzes van economische bedrijfsstrategie, is het evenwel niet duidelijk waarom verzoekster stelt dat zij haar deelnemingen in de betrokken Iraanse ondernemingen moest verkopen.

155    Gelet op een en ander moet, daar het bestaan van schade en het causale verband niet zijn bewezen, het verzoek tot vergoeding van de schade die is ontstaan als gevolg van de gedwongen verkoop van verzoeksters deelnemingen in verschillende Iraanse ondernemingen, teneinde „trapsgewijze sancties” te vermijden, worden afgewezen.

156    Uit bovenstaande overwegingen volgt dat het verzoek tot vergoeding van de materiële schade die verzoekster stelt te hebben geleden in Iran, moet worden afgewezen.

3)      Materiële schade die verzoekster stelt te hebben geleden in Europa en causaal verband

157    Met betrekking tot de materiële schade die verzoekster in Europa zou hebben geleden, verklaart zij dat zij na de vaststelling van de litigieuze maatregelen schade heeft geleden die om te beginnen verband houdt met haar rechtstreekse verwerving van een deelneming in het kapitaal van de onderneming naar Frans recht, Codefa Connectique S.A.S. (hierna: „Codefa”), vervolgens met het verlies van de activa die zij had toevertrouwd aan een Oostenrijkse onderneming, SED genoemd, en ten slotte met de bevriezing van verschillende onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die zij sinds 2007 in samenwerking met verschillende Europese ondernemingen had opgestart.

158    De Raad betwist verzoeksters betoog betreffende de materiële schade die zij stelt te hebben geleden in Europa.

159    Wat in de eerste plaats het verzoek tot vergoeding van de schade betreft die verzoekster stelt te hebben geleden in verband met de verkoop van haar deelneming in haar dochteronderneming in Frankrijk, Codefa, raamt zij deze op 244 109 EUR voor het bedrag van de verkooptransactie, waarbij zij 30 000 EUR transactiekosten optelt. In repliek merkt verzoekster op dat die verkoop de andere aandeelhouders de kans bood om hun schade in verband met Codefa te beperken. In dat verband voegt zij als bijlage bij de repliek een factuur van de kosten die de aan de verkoop voorafgaande due diligence volgens verzoekster met zich bracht.

160    Wat ten eerste het bewijs van de schade betreft, voert verzoekster aan dat de litigieuze handelingen bij Codefa hebben geleid tot financiële moeilijkheden, die haar keuze om haar deelnemingen in die onderneming te verkopen hebben gerechtvaardigd. In het kader van deze verkoop heeft verzoekster vermogensverlies geleden, waarvan zij vergoeding vordert. Evenwel zij vastgesteld dat verzoekster weliswaar stelt 232 490 EUR te hebben geïnvesteerd in de aankoop van de aandelen van die onderneming, doch uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat zij sinds 2010 het saldo van 155 000 EUR voor die aankoop niet aan de verkoper had betaald. Aangaande de factuur van kosten die verzoekster als bijlage bij de repliek heeft ingediend ter rechtvaardiging van het bedrag van 30 000 EUR aan transactiekosten waarvan zij de vergoeding vordert, moet voorts worden opgemerkt dat, zoals verzoekster zelf ter terechtzitting heeft erkend – en daarvan is akte genomen in het proces-verbaal –, dit niet-gedateerde document betrekking heeft op de accountantskosten die waren betaald om te onderzoeken of het „opportuun was te investeren in de onderneming Codefa Connectique”, een investering die de vorm aannam van de overname van Codefa Connectique door verzoekster in 2009, dat wil zeggen een jaar vóór de goedkeuring van de litigieuze maatregelen. De door verzoekster gevorderde transactiekosten hebben dus in geen geval betrekking op de verkoop van haar deelnemingen in Codefa in november 2010, waarvoor zij schadevergoeding vordert, maar op de verwerving ervan in 2009. Bijgevolg moet, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid van voornoemde bijlage, die eerst in het stadium van de repliek bij het dossier is gevoegd, deze bijlage worden afgewezen omdat zij irrelevant is voor de aan de orde zijnde schade. Uit voorgaande overwegingen volgt dat verzoekster de gestelde schade niet heeft bewezen.

161    Ten tweede toont verzoekster hoe dan ook evenmin aan dat er een causaal verband is. Hoogstens verwijst zij in de punten 94 en 97 van het verzoekschrift, waarin verschillende feiten worden vermeld aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de moeilijkheden die Codefa heeft ondervonden het gevolg waren van de vaststelling van de litigieuze handelingen, naar de bladzijden 24 en 25 van het accountantsverslag en naar bijlage A.19 bij het verzoekschrift. In de voetnoten op de bladzijden 24 en 25 van dat verslag wordt in dit verband verwezen naar verschillende bewijzen. Die bewijzen zijn echter niet bij dat verslag gevoegd. Bovendien geeft verzoekster niet aan of zij deze bewijzen in het kader van de onderhavige procedure heeft overgelegd. Verzoekster heeft dus niet bewezen dat er een causaal verband is tussen de gestelde schade en de verweten gedraging.

162    Ten overvloede zij opgemerkt dat, zoals blijkt uit de titel van de bij het verzoekschrift gevoegde lijst van bijlagen, bijlage A.19 weliswaar bestaat uit „kopieën van documenten betreffende de onderneming CODEFA”, doch dat verzoekster naar geen van die documenten verwijst, hoewel deze in totaal 114 bladzijden in het dossier van de bijlagen bij het verzoekschrift beslaan.

163    Ten eerste is het, zoals in punt 116 hierboven is opgemerkt, niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen. Dit is des te meer het geval wanneer een bijlage bestaat uit een dossier dat meerdere documenten over een onderwerp of persoon bevat, welke documenten op een groot aantal bladzijden zijn weergegeven. In een dergelijk geval, wanneer de partij die de bijlagen overlegt niet nauwkeurig aangeeft welke elementen en passages daarvan zij in de verf wenst te zetten om haar betoog kracht bij te zetten, neemt de bewijskracht en de instrumentele waarde van deze bijlagen, in het licht van de in punt 116 genoemde rechtspraak, aanzienlijk af.

164    Dit is in het onderhavige geval duidelijk het geval wat bijlage A.19 bij het verzoekschrift betreft, die, zoals verzoekster aangeeft, bestaat uit „kopieën van documenten betreffende de onderneming CODEFA”, die op de bladzijden 390 tot en met 503 van het dossier van de bijlagen bij het verzoekschrift zijn weergegeven, oftewel in totaal 114 bladzijden. Bij gebreke van een nauwkeurige verwijzing in het verzoekschrift naar de elementen in die 114 bladzijden van bijlage A.19 moet worden aangenomen dat verzoekster niet heeft aangetoond dat haar betoog ter zake gegrond is.

165    Ten tweede, gesteld al dat het Gerecht, zonder naar dergelijke elementen te zoeken of deze te ontdekken in bijlage A.19 bij het verzoekschrift, zich ertoe beperkt het eerste document in die bijlage te onderzoeken, dat is weergegeven op bladzijde 390 van de bijlagen bij het verzoekschrift en dat bestaat uit een aangetekende brief met ontvangstbevestiging, die op 2 september 2010 door de bank Société générale aan Codefa was gericht, lijken het voorwerp „Voorafgaande kennisgeving van afsluiting van de rekening van 60 dagen Opzegging van de opening van de kredietlijn C.T. C. rekeningnummer: [...]” en de bewoordingen ervan te verwijzen naar de beëindiging van de betrekking tussen die bank en die onderneming, welke beëindiging door verzoekster wordt aangevoerd in punt 95 van het verzoekschrift. Uit deze brief blijkt echter niet dat de sluiting van de bij de Société Générale bank geopende rekening van Codefa en de intrekking van de door deze bank aan Codefa verleende kredietlijn van 80 000 EUR het gevolg zijn van de vaststelling van de litigieuze handelingen.

166    Uit voorgaande overwegingen volgt dat verzoekster geen bewijs van schade en causaal verband heeft geleverd, zodat het verzoek tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de vermeende gedwongen verkoop van haar deelneming in haar dochteronderneming Codefa moet worden afgewezen.

167    Wat in de tweede plaats het verzoek tot vergoeding van de schade betreft die verzoekster stelt te hebben geleden vanwege de onmogelijkheid om het voorschot van 2 828 370,44 EUR terug te vorderen dat zij aan de Oostenrijkse onderneming SED had toegekend om uitrusting en producten uit verschillende Europese landen te kopen, die noodzakelijk waren voor de voortzetting van verzoeksters activiteiten, zij opgemerkt dat die schade volgens verzoekster overeenkomt met het bedrag van het toegekende voorschot, vermeerderd met 262 266 EUR door toepassing van een discontovoet van 3 % over drie jaar, oftewel een totaal van 3 090 636 EUR.

168    Wat ten eerste het bewijs van de schade betreft, volgt uit de eerste alinea van titel E.2.2.1 van het verzoekschrift „Verliezen van activa in Oostenrijk” en uit punt 98 van het verzoekschrift dat verzoekster, die ermee heeft volstaan de relevante passages van de bladzijden 25 en 26 van het accountantsverslag nagenoeg integraal te kopiëren, verklaart dat op de datum waarop haar naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, de door haar aan de onderneming SED toegekende voorschotten 2 828 370,44 EUR bedroegen.

169    Op bladzijde 25 van het accountantsverslag wordt in verband met het in punt 168 hierboven vermelde bedrag in een voetnoot verwezen naar een „erkenning van SED-schuldvorderingen en door Fulmen opgestelde verklaringen van schuldvorderingen”. Die documenten zijn evenwel niet bij dat verslag gevoegd en verzoekster geeft niet aan of zij deze documenten in het kader van de onderhavige procedure heeft overgelegd.

170    Het kan inderdaad niet worden uitgesloten dat deze elementen zijn opgenomen in bijlage A.4 bij het verzoekschrift, waarnaar verzoekster, in een voetnoot die is ingevoegd in titel E.2.2.1 bij het verzoekschrift, in het algemeen verwijst.

171    Zoals in punt 116 hierboven in herinnering is gebracht, is het evenwel niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen. Bijlage A.4 bij het verzoekschrift, getiteld „Documenten met betrekking tot de onderneming SED” in de lijst van de bijlagen bij het verzoekschrift, bestaat echter opnieuw uit verschillende documenten die zijn weergegeven op de bladzijden 36 tot en met 71 van het dossier van de bijlagen bij het verzoekschrift. Aangezien verzoekster in het verzoekschrift niet nauwkeurig aangeeft welke elementen en passages van die bijlage zij in de verf wenst te zetten om haar betoog kracht bij te zetten, moet worden vastgesteld dat verzoekster, met name in het licht van de in punt 116 genoemde rechtspraak, niet heeft aangetoond dat haar betoog ter zake gegrond is.

172    Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij daadwerkelijk een schuldvordering jegens de onderneming SED heeft en dus niet het bewijs heeft geleverd van de schade.

173    Ten tweede moet met betrekking tot het bewijs van het causale verband in elk geval worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster stelt, uit het dossier van de zaak niet blijkt dat de gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot de gestelde schade, namelijk de onmogelijkheid om het aan de onderneming SED toegekende voorschot terug te vorderen, de opneming van haar naam op de litigieuze lijsten is. Immers, zoals verzoekster in de eerste alinea van titel E.2.2.1 van het verzoekschrift zelf stelt, „heeft de onderneming SED vóór de opheffing van de sancties tegen verzoekster, verklaard dat zij de betalingen had gestaakt en kon het door verzoekster voorgeschoten bedrag na de liquidatie van SED niet meer worden teruggevorderd”. Verzoekster heeft bijgevolg niet bewezen dat er een causaal verband is tussen de verweten gedraging en de gestelde schade.

174    In het licht van voorgaande overwegingen heeft verzoekster dus niet het bewijs geleverd van de schade en het causale verband, zodat het verzoek tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden omdat zij het door haar aan de Oostenrijkse onderneming SED toegekende voorschot niet kon terugvorderen, moet worden afgewezen.

175    Wat in de derde plaats de schade betreft die verzoekster stelt te hebben geleden vanwege de bevriezing van de verschillende onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die zij sinds 2007 in samenwerking met verschillende Europese ondernemingen had opgestart en die zij in het verzoekschrift op 2 179 125 EUR begrootte, moet het volgende worden opgemerkt. In het kader van de derde maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht verzoekster verzocht toe te lichten in hoeverre zij in punt 117 van de repliek heeft aangegeven dat zij de door haar in de punten 60 tot en met 101 van het verzoekschrift uiteengezette argumenten handhaafde, gelet op het feit dat de punten 99 en 101 van het verzoekschrift betrekking hebben op de schade die zij heeft geleden als gevolg van de bevriezing van haar onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, terwijl zij in punt 116 van de repliek uitdrukkelijk heeft verklaard „ervoor te hebben gekozen om die schade niet op te nemen bij de schadeposten waarvan zij de vergoeding vraagt”. Aangezien verzoeksters antwoord op die vraag niet duidelijk was, heeft het Gerecht haar ter terechtzitting dezelfde vraag gesteld. Verzoekster heeft daarop erkend dat in punt 117 van de repliek een onjuiste verwijzing naar de punten van het verzoekschrift is gebeurd. Zij heeft dan ook aangegeven dat bedoeld punt aldus diende te worden gelezen dat zij „dus de argumenten handhaafde die zij had uiteengezet in de punten 60 [tot en met] 98 van het verzoekschrift” en niet „in de punten 60 [tot en met] 101 van het verzoekschrift”, waarvan in het proces-verbaal van de terechtzitting akte is genomen. Bijgevolg moet worden aangenomen dat verzoekster heeft besloten af te zien van haar verzoek tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de bevriezing van haar onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten.

176    Uit een en ander volgt dat het verzoek tot vergoeding van de materiële schade die in Europa zou zijn geleden, moet worden afgewezen.

177    In het licht van de voorstellingen in de punten 156 en 176 hierboven, moet het verzoek tot vergoeding van de materiële schade die verzoekster stelt te hebben geleden, worden afgewezen.

b)      Gestelde immateriële schade en causaal verband

178    Verzoekster betoogt dat de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten, voor zover deze haar persoonlijkheidsrechten en met name haar reputatie hebben aangetast, haar aanzienlijke immateriële schade hebben toegebracht, waarvan zij het bedrag ex aequo et bono op 100 000 EUR raamt.

179    In haar antwoord op de vraag die in het kader van de tweede maatregel tot organisatie van de procesgang is gesteld aangaande de gevolgen van het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), voor de onderhavige zaak, stelt verzoekster dat in casu, gelet op de verzwarende omstandigheden, met name het misbruik van bevoegdheid door de Raad, haar immateriële schade slechts volledig kan worden vergoed indien het bedrag van de schadevergoeding hoger is dan dat hetwelk in voormeld arrest is vastgesteld.

180    De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, verzoekt om afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de gestelde immateriële schade.

181    In dit verband is de Raad van mening dat verzoekster om te beginnen geen andere nadelige gevolgen voor haar economische activiteit aanvoert dan die welke zij reeds heeft aangevoerd in het kader van haar vorderingen tot vergoeding van de materiële schade. De negatieve gevolgen van de litigieuze maatregelen voor verzoeksters reputatie, te weten dat zij gestigmatiseerd is als iemand die deelneemt aan het programma van nucleaire proliferatie, zijn voldoende gecompenseerd door de nietigverklaring van de litigieuze maatregelen en door de bekendheid die aan die nietigverklaring is gegeven, zowel door de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie als, in het bijzonder, door de uitzending van een reportage van het programma „sept à huit” door de Franse televisiezender TF1. Verzoekster erkent dat haar economische activiteit was hervat zodra de litigieuze maatregelen werden opgeheven. Dit toont aan dat haar reputatie dus geen schade heeft geleden die na de nietigverklaring van de litigieuze handelingen is blijven voortduren, zodat deze nietigverklaring een toereikende compensatie vormt.

182    Wat vervolgens de immateriële schade betreft die verder gaat dan verzoeksters huidige commerciële belangen, verstrekt verzoekster geen argumenten of bewijzen die zowel de reële en zekere aard van deze schade als het rechtstreekse verband tussen deze schade en de litigieuze handelingen kunnen aantonen.

183    Wat ten slotte de omvang van de gestelde schade betreft, geeft verzoekster niet aan op basis van welke criteria of elementen zij zich voor de berekening van het bedrag van de door haar gevorderde schadevergoeding beroept, noch welke schade met dit bedrag zou moeten worden vergoed. Er dient rekening mee te worden gehouden dat, in tegenstelling tot de verzoekster in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402), in deze zaak verzoekster onderworpen blijft aan de Amerikaanse maatregelen.

184    In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de litigieuze maatregelen aanzienlijke negatieve consequenties en een grote invloed op de rechten en vrijheden van de betrokkenen hebben (zie in die zin arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 70). In dat verband wordt een entiteit waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn omdat zij steun zou hebben verleend aan de nucleaire proliferatie, publiekelijk in verband gebracht met een handelwijze die als een ernstige bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid wordt beschouwd. Dit tast haar reputatie aan en berokkent haar bijgevolg immateriële schade (arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 80).

185    De aantasting van de reputatie van de betrokken entiteit die gepaard gaat met beperkende maatregelen als de litigieuze maatregelen houden geen verband met haar economische en commerciële capaciteiten, doch met haar bereidheid om betrokken te zijn bij activiteiten die door de internationale gemeenschap als laakbaar worden beschouwd. De nadelige gevolgen die de betrokken entiteit ondervindt, houden dus geen verband met haar gewone handelsbelangen (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 82).

186    Voorts is die aantasting des te ernstiger omdat zij niet het gevolg is van de uiting van een persoonlijk standpunt, maar van een officiële standpuntbepaling van een instelling van de Unie, die in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd en waaraan bindende rechtsgevolgen zijn verbonden (arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 83).

187    Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat in casu de vaststelling van de litigieuze handelingen en de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten haar immateriële schade hebben berokkend, die losstaat van de materiële schade die het gevolg is van de aantasting van haar handelsbetrekkingen. Verzoekster heeft bijgevolg recht op vergoeding van die schade (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 85).

188    Wat de voorwaarde betreft dat de gestelde immateriële schade reëel is, dient in herinnering te worden gebracht dat, in het bijzonder met betrekking tot een dergelijke schade, het indienen van bewijzen of het doen van een bewijsaanbod weliswaar niet noodzakelijk wordt beschouwd als een voorwaarde voor de erkenning van een dergelijke schade, maar de verzoekende partij althans dient aan te tonen dat het aan de betrokken instelling verweten gedrag zo ernstig was dat dit voor haar een dergelijke schade veroorzaakte (zie arrest van 16 oktober 2014, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑297/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:888, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest van 28 januari 1999, BAI/Commissie, T‑230/95, EU:T:1999:11, punt 39).

189    Bovendien heeft het Hof in het arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331), weliswaar geoordeeld dat de nietigverklaring van onrechtmatige beperkende maatregelen een vorm van vergoeding kon zijn voor de geleden immateriële schade, doch dit betekent niet dat die vorm van vergoeding noodzakelijkerwijze in alle gevallen een volledig herstel van die schade verzekert, aangezien beslissingen in dat verband moeten worden genomen op basis van een beoordeling van de omstandigheden van het geval (arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad, C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 49).

190    In casu is het juist dat de nietigverklaring van de litigieuze handelingen bij het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), waarbij is vastgesteld dat verzoeksters associatie met de nucleaire proliferatie ongerechtvaardigd en dus onrechtmatig is, een vorm van vergoeding kan vormen van de immateriële schade die zij in casu heeft geleden en waarvan zij in de onderhavige zaak de vergoeding vordert. In de omstandigheden van de onderhavige zaak kan deze nietigverklaring echter geen volledige vergoeding voor die schade vormen.

191    Zoals uit de in punt 184 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak volgt, heeft de vaststelling van de litigieuze handelingen en in dat verband de stelling dat verzoekster betrokken was bij de nucleaire proliferatie haar reputatie aangetast en bijgevolg gevolgen gehad voor de manier waarop derde entiteiten zich jegens haar gedroegen (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 88).

192    Deze gevolgen, die bijna drie en een half jaar hebben geduurd en die aan de oorsprong liggen van de immateriële schade die verzoekster heeft geleden, kunnen echter niet volledig worden gecompenseerd door de vaststelling – die in casu achteraf gebeurde – dat de litigieuze handelingen onrechtmatig zijn, en wel om de volgende redenen.

193    Ten eerste krijgt de vaststelling van beperkende maatregelen jegens een entiteit gewoonlijk meer aandacht en brengt zij meer reacties teweeg – met name buiten de Unie – dan de daaropvolgende nietigverklaring ervan (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 88).

194    Ten tweede is de door de Raad tegen verzoekster geuite beschuldiging bijzonder ernstig, aangezien deze haar in verband brengt met de nucleaire proliferatie, dat wil zeggen een activiteit die volgens de Raad een gevaar voor de internationale vrede en veiligheid vormt (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 89).

195    Ten derde blijkt uit punt 22 hierboven dat die aantijging niet door relevante inlichtingen of bewijzen is gestaafd (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 90).

196    Ten vierde heeft de Raad hoe dan ook, ondanks het verzet van verzoekster, met name aangaande het ontbreken van bewijzen van de tegen haar geuite beschuldiging, de in het Publicatieblad gepubliceerde plaatsing van haar naam op een lijst gedurende bijna drie en een half jaar gehandhaafd, terwijl hij die op ieder moment had kunnen intrekken of, op zijn minst kunnen wijzigen of aanvullen, om eventuele onregelmatigheden die eraan zouden kleven, te verhelpen. In dat verband bevat het dossier geen gegevens waaruit blijkt dat de Raad, op eigen initiatief of als antwoord op verzoeksters verzet, is nagegaan of die stelling gegrond was, teneinde de nadelige gevolgen ervan voor verzoekster tot een minimum te beperken (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad, T‑384/11, EU:T:2014:986, punt 91).

197    Een dergelijke verificatie zou in de onderhavige zaak, na de uitspraak van het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), in ieder geval bijzonder gerechtvaardigd zijn geweest, gezien de ernst van de onrechtmatigheid die het Gerecht op basis van rechtspraak heeft vastgesteld. Hoewel dit arrest, althans gedeeltelijk, een vergoeding had kunnen vormen voor de immateriële schade die verzoekster heeft geleden, kan het namelijk in elk geval geen gevolgen in die zin hebben gehad voor de periode na de uitspraak ervan, een periode van ongeveer een jaar en negen maanden gedurende welke de plaatsing van verzoeksters naam op een lijst ongewijzigd is gehandhaafd.

198    Zonder afbreuk te doen aan het recht van de betrokken instelling om overeenkomstig artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie hogere voorziening in te stellen tegen de beslissing van het Gerecht tot beëindiging van de procedure of tot uitstel van de gevolgen van een dergelijke beslissing, moet ervan worden uitgegaan dat het in een Unie die wordt beheerst door het recht, gelet op de ernst van het door het Gerecht vastgestelde onrechtmatige gedrag, aan de betrokken instelling staat om, zelfs gelijktijdig met de instelling van een hogere voorziening, de door het Gerecht gelaakte beoordelingen te onderzoeken. Een dergelijk vereiste is niet bedoeld om de betrokken instelling te verplichten het arrest van het Gerecht onmiddellijk ten uitvoer te leggen, maar, zoals blijkt uit punt 91 van het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986), om na te gaan of, in het licht van de conclusies van het Gerecht, de bestreden handelingen niet konden, of dienden te worden ingetrokken, vervangen of gewijzigd om de schadelijke gevolgen ervan te beperken.

199    De immateriële schade die aldus is veroorzaakt door de handhaving van de plaatsing van verzoeksters naam op een lijst na de uitspraak van het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), zoals uitdrukkelijk door verzoekster in het verzoekschrift is aangevoerd, verschilt immers van die welke vóór de uitspraak van dat arrest was ontstaan. In genoemd arrest heeft het Gerecht, zoals verzoekster stelde, formeel vastgesteld dat de plaatsing van haar naam op een lijst in het licht van vaste rechtspraak onrechtmatig is omdat er geen bewijzen waren die de tegen haar geuite beschuldiging ondersteunden.

200    In de onderhavige zaak is het dus met name in het licht van de beoordelingen en conclusies van het Gerecht in zijn arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012):142), dat de Raad had kunnen nagaan of het ongewijzigd handhaven van verzoeksters naam op een lijst – dat wil zeggen zonder enig bewijs ter staving van de tegen haar geuite beschuldiging – op de datum van de uitspraak van dat arrest gerechtvaardigd was, zonder het risico te lopen dat de schade die zij reeds had geleden, nog verder zou toenemen.

201    Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian (C‑280/12 P, EU:C:2013:775). Aangezien het Hof in dat arrest uitsluitend de door de Raad tegen het arrest houdende vernietiging van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), ingestelde hogere voorziening heeft onderzocht en heeft afgewezen, heeft het geen uitspraak kunnen doen over de vergoeding van de immateriële schade die is veroorzaakt door de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten na de uitspraak van dat arrest.

202    In het licht van voorgaande overwegingen en in elk geval van die in de punten 196 tot en met 200 hierboven, dient de slotsom te luiden dat de nietigverklaring bij het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142), van de plaatsing van verzoeksters naam op een lijst geen volledige vergoeding van verzoeksters immateriële schade vormt.

203    In de tweede plaats moet worden nagegaan of, zoals verzoekster stelt, bepaalde andere factoren hebben kunnen bijgedragen tot de verergering van de immateriële schade die verzoekster heeft geleden en dus moeten worden meegenomen bij de beoordeling van de vergoeding van de geleden schade.

204    Om te beginnen kan niet slagen het argument volgens hetwelk de immateriële schade die verzoeker heeft geleden, langer heeft geduurd en is verergerd doordat de Raad de hem krachtens het VWEU ter beschikking staande rechtsmiddelen heeft uitgeput, met name door hogere voorziening in te stellen tegen het arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad (T‑439/10 tot T‑440/10, EU:T:2012:142), en voorts voor het eerst voor het Hof bepaalde middelen of argumenten ter ondersteuning van die hogere voorziening heeft aangevoerd, onder meer door te verwijzen naar vertrouwelijke elementen die de litigieuze handelingen zouden staven, zonder deze evenwel te hebben meegedeeld. Op dezelfde wijze en om dezelfde redenen als in de punten 72 tot en met 78 hierboven is geoordeeld dat dergelijke omstandigheden geen verzwarende omstandigheid van de door de Raad begane onrechtmatigheid kunnen vormen, kunnen zij in beginsel evenmin ten grondslag liggen aan enige immateriële schade die kan leiden tot buitencontractuele aansprakelijkheid van de Unie.

205    Vervolgens klopt het helemaal niet dat de uitzending van de reportage van het programma „sept à huit” door de Franse televisiezender TF1, dat online beschikbaar is, vanwege de inhoud ervan de door verzoekster geleden immateriële schade verergert, zoals zij betoogt, doch draagt dit programma juist bij tot het herstel van verzoeksters reputatie. Het zorgt er namelijk voor dat de nietigverklaring van de litigieuze handelingen door de rechter van de Unie bij het publiek bekend raakt. Gezien de bijzonder ernstige beschuldiging van de Raad aan het adres van verzoekster, kan de uitzending van dat programma echter niet, zoals de Raad stelt, worden geacht de negatieve gevolgen van de litigieuze maatregelen voor haar reputatie te kunnen compenseren.

206    Wat ten slotte de gestelde immateriële schade betreft die volgens verzoekster voortvloeit uit de Amerikaanse maatregelen en waarvoor de Unie verantwoordelijk is omdat die maatregelen op basis van de litigieuze handelingen zijn vastgesteld, zij opgemerkt dat een dergelijk betoog niet kan slagen. Vastgesteld dient namelijk te worden dat de Amerikaanse maatregelen, zoals zij als bijlage bij de repliek zijn overgelegd, geen melding maken van de litigieuze handelingen en ook niet van enig optreden van de Unie jegens verzoekster. Elk van de beperkende maatregelen die respectievelijk door de Unie en de Verenigde Staten zijn vastgesteld, heeft derhalve autonome gevolgen. Zelfs indien de Amerikaanse maatregelen verzoekster schade kunnen hebben berokkend, kan de Unie, daar deze maatregelen losstaan van de litigieuze handelingen, niet aansprakelijk worden gesteld voor de immateriële schade die zij verzoekster eventueel hebben berokkend. Niettemin is de Raad, gelet op dezelfde autonomie van de Amerikaanse maatregelen, ten onrechte van mening dat bij de begroting van het bedrag van de door verzoekster geleden immateriële schade rekening moet worden gehouden met het feit dat de Amerikaanse maatregelen ook na de nietigverklaring van de litigieuze handelingen op verzoekster van toepassing bleven.

207    In die omstandigheden is het Gerecht, dat de door verzoekster geleden immateriële schade ex aequo et bono begroot, van oordeel dat de toekenning van een bedrag van 50 000 EUR een passende vergoeding is.

208    Het onderhavige beroep tot schadevergoeding moet dus worden toegewezen en aan verzoekster moet op grond daarvan een vergoeding van 50 000 EUR worden toegekend voor de immateriële schade die zij heeft geleden. Het verzoek tot vergoeding van de materiële schade moet echter worden afgewezen.

IV.    Kosten

209    Volgens artikel 134, lid 2, van het Reglement voor procesvoering bepaalt het Gerecht, indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten.

210    In casu is de Raad in het ongelijk gesteld wat betreft het verzoek tot vergoeding van de door verzoekster geleden immateriële schade, terwijl verzoekster in het ongelijk is gesteld wat betreft haar verzoek tot vergoeding van de materiële schade. In deze omstandigheden behoort elke partij haar eigen kosten te dragen.

211    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. De Commissie zal dus haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De Raad van de Europese Unie wordt veroordeeld tot betaling aan Fulmen van een vergoeding van 50 000 EUR voor de geleden immateriële schade.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      Fulmen, de Raad en de Europese Commissie zullen elk hun eigen kosten dragen.

Pelikánová

Valančius

Öberg

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 juli 2019.

ondertekeningen


Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding

II. Procedure en conclusies van partijen

III. In rechte

A. Bevoegdheid van het Gerecht

B. Ten gronde

1. Gestelde onrechtmatigheid

2. Gestelde schade en causaal verband tussen de onrechtmatigheid van de verweten gedraging en die schade

a) Gestelde materiële schade en causaal verband

1) Onderzoek van de bewijskracht van het accountantsverslag

2) Materiële schade die verzoekster in Iran stelt te hebben geleden en causaal verband

i) Financiële en operationele schade

ii) Commerciële of structurele schade

3) Materiële schade die verzoekster stelt te hebben geleden in Europa en causaal verband

b) Gestelde immateriële schade en causaal verband

IV. Kosten


*      Procestaal: Frans.