Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2016 [verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Kammarrätt i Stockholm, de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) - Verenigd Koninkrijk, Zweden] – Tele2 Sverige AB / Post- och telestyrelse (C-203/15), Secretary of State for the Home Department / Tom Watson, Peter Brice, Geoffrey Lewis (C-698/15)

(Gevoegde zaken C-203/15 en C-698/15)1

(Prejudiciële verwijzing – Elektronische communicatie – Verwerking van persoonsgegevens – Vertrouwelijk karakter van de elektronische communicatie – Bescherming – Richtlijn 2002/58/EG – Artikelen 5, 6 en 9 en artikel 15, lid 1 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1 – Nationale wettelijke regeling – Aanbieders van elektronischecommunicatiediensten – Verplichting betreffende het algemeen en ongedifferentieerd bewaren van de verkeersgegevens en de locatiegegevens – Nationale autoriteiten – Toegang tot gegevens – Geen voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit – Verenigbaarheid met het Unierecht)

Procestalen: Zweeds en Engels

Verwijzende rechters

Kammarrätt i Stockholm, Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Tele2 Sverige AB (C-203/15), Secretary of State for the Home Department (C-698/15)

Verwerende partijen: Post- och telestyrelse (C-203/15), Tom Watson, Peter Brice, Geoffrey Lewis (C-698/15)

in tegenwoordigheid van: Open Rights Group, Privacy International, The Law Society of England and Wales

Dictum

Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, gelezen tegen de achtergrond van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, ter bestrijding van criminaliteit, voorziet in algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeersgegevens en locatiegegevens van alle abonnees en geregistreerde gebruikers betreffende alle elektronischecommunicatiemiddelen.

Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gelezen tegen de achtergrond van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de bescherming en de beveiliging van de verkeersgegevens en de locatiegegevens en in het bijzonder de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de bewaarde gegevens regelt zonder, in het kader van de bestrijding van criminaliteit, te bepalen dat die toegang alleen wordt verleend ter bestrijding van ernstige criminaliteit, dat die toegang aan een voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit is onderworpen, en dat de betrokken gegevens op het grondgebied van de Unie moeten worden bewaard.

De tweede vraag van de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (rechter in tweede aanleg in burgerlijke zaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk) is niet-ontvankelijk.

____________

1 PB C 221 van 6.7.2015.

PB C 98 van 14.3.2016.