ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

10 september 2009

Zaak F‑16/08

Joachim Behmer

tegen

Europees Parlement

„Openbare dienst – Procedure voor toekenning van meritepunten bij Europees Parlement – Schending van motiveringsplicht – Motivering in loop van geding”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarmee Behmer de nietigverklaring vordert van het besluit van het Parlement van 4 juni 2007 om hem twee meritepunten toe te kennen in het kader van bevorderingsronde 2004, en van het besluit van 26 juni 2007 om hem twee meritepunten toe te kennen in het kader van bevorderingsronde 2006.

Beslissing: Over het beroep behoeft geen uitspraak te worden gedaan voor zover het gericht is tegen het besluit van het Europees Parlement van 4 juni 2007 om verzoeker twee meritepunten toe te kennen in het kader van bevorderingsronde 2004. Het besluit van het Europees Parlement van 26 juni 2007 om verzoeker twee meritepunten toe te kennen in het kader van bevorderingsronde 2006 wordt nietig verklaard. Het Europees Parlement wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede de helft van de kosten die verzoeker heeft gemaakt. Verzoeker wordt verwezen in de helft van zijn eigen kosten.

Samenvatting

Ambtenaren – Bevordering – Klacht van kandidaat tegen besluit tot toekenning van meritepunten

(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea, 43 en 90, lid 2)

Een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag tot het toekennen van meritepunten dat pas wordt gemotiveerd bij de uitdrukkelijke afwijzing van de klacht van de adressaat na afloop van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut voorziene termijn van vier maanden en nadat de betrokkene een klacht tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing heeft ingediend, schendt de op de administratie rustende motiveringsplicht.

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument dat het niet nodig was om het besluit tot het toekennen van punten te motiveren aangezien die toekenning heeft plaatsgevonden binnen een samenhang die de adressaat bekend was, zodat deze over een aanzet tot motivering beschikte. De jaarlijkse toekenning van meritepunten veronderstelt namelijk dat de administratie elk jaar een nieuw besluit neemt tot het toekennen van meritepunten, dat uitsluitend berust op de prestaties van de betrokken ambtenaar tijdens de referentieperiode. Dat de inhoud van de door de betrokkene ingediende klacht bewijst dat deze het beoordelingsstelsel begreep, betekent bovendien niet dat hij kennis heeft genomen van de redenen die hebben geleid tot de vaststelling van het besluit inzake de toekenning van de punten.

Aan het bestaan van een dergelijk motiveringsgebrek wordt evenmin afgedaan door de rechtspraak volgens welke bij vertraging van de mededeling van de motivering van een voor het overige gefundeerd besluit, er geen noodzaak bestaat om het besluit nietig te verklaren, aangezien, in geval van nietigverklaring de administratie niet meer kan doen dan een nieuw besluit vaststellen waarvan de motivering identiek zou zijn en waarbij de verzoeker dus geen enkel voordeel zou hebben. Voor zover een verzoeker namelijk de gegrondheid van een besluit van de administratie betwist, kan niet worden uitgesloten dat na het met terugwerkende kracht wegvallen van het betrokken besluit als gevolg van de nietigverklaring ervan en na de daaropvolgende herziening, een ander besluit wordt vastgesteld jegens hem.

(cf. punten 25 en 29‑34)

Referentie:

Hof: 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861, punt 22; 7 februari 1990, Culin/Commissie, C‑343/87, Jurispr. blz. I‑225, punt 15; 23 september 2004, Hectors/Parlement, C‑150/03 P, Jurispr. blz. I‑8691, punt 50

Gerecht van eerste aanleg: 12 februari 1992, Volger/Parlement, T‑52/90, Jurispr. blz. II‑121, punten 40 en 41; 26 januari 2000, Gouloussis/Commissie, T‑86/98, JurAmbt. blz. I‑A‑5 en II‑23; 20 februari 2002, Roman Parra/Commissie, T‑117/01, JurAmbt. blz. I‑A‑27 en II‑121, punt 32; 6 juli 2004, Huygens/Commissie, T‑281/01, JurAmbt. blz. I‑A‑203 en II‑903, punt 109; 15 september 2005, Casini/Commissie, T‑132/03, JurAmbt. blz. I‑A‑253 en II‑1169, punt 31, en de aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: 8 oktober 2008, Barbin/Parlement, F‑81/07, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A‑1‑0000, punt 28