Beroep ingesteld op 26 februari 2021 – Europese Commissie/Ierland

(Zaak C-125/21)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Tomkin en S. Grünheid, gemachtigden)

Verwerende partij: Ierland

Conclusies

vaststellen dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie1 , of in ieder geval door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 29, leden 1 en 2, van dat kaderbesluit op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

Ierland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Op grond van artikel 29, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/909/JBZ dienden de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om uiterlijk 5 december 2011 aan dat kaderbesluit te voldoen en die maatregelen mee te delen aan de Commissie.

De Commissie meent dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan kaderbesluit 2008/909/JBZ of, in ieder geval, door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 29, leden 1 en 2, van dat kaderbesluit op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

____________

1 PB 2008, L 327, blz. 27.