ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

20 november 2012

Zaak F‑1/11

Zdenek Soukup

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Algemeen vergelijkend onderzoek – Niet-plaatsing op reservelijst – Beoordeling van mondeling examen”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Soukup enerzijds vraagt om nietigverklaring van, ten eerste, het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/144/09 om hem niet op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek te plaatsen, ten tweede, het besluit van diezelfde jury om een andere kandidaat op die lijst te plaatsen, ten derde, „alle handelingen die de jury heeft verricht vanaf het stadium waarin de aan de kaak gestelde onregelmatigheden hebben plaatsgevonden”, en anderzijds om veroordeling van de Commissie tot betaling van een bedrag van 25 000 EUR ter vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoeker draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Commissie.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Handelingen van administratie – Vermoeden van geldigheid – Betwisting – Bewijslast – Verplichting om aanwijzingen te geven die wettigheid van handeling in geding kunnen brengen

2.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Beginsel van onpartijdigheid van jury – Jurylid en kandidaat die elkaar kennen

(Ambtenarenstatuut, art. 11 bis)

1.      Daar een administratieve handeling een vermoeden van wettigheid geniet en de bewijslast in beginsel rust op degene die zich ergens op beroept, staat het aan de betrokkene om althans voldoende nauwkeurige, objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te geven die de waarachtigheid of de waarschijnlijkheid van de aan zijn vordering ten grondslag liggende feiten kunnen ondersteunen.

Wanneer het om een vergelijkend onderzoek gaat, moet een betrokkene die noch het bewijs noch een reeks aanwijzingen heeft geleverd dus het vermoeden van wettigheid van de besluiten van de jury van het vergelijkend onderzoek aanvaarden en kan hij niet verlangen dat het Gerecht zelf de sollicitatieformulieren van de geslaagde kandidaten onderzoekt teneinde na te gaan of sommigen van hen niet ten onrechte tot deelneming zijn toegelaten.

(cf. punt 34)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 4 februari 2010, Wiame/Commissie, F‑15/08, punt 21

2.      Dat een jurylid en een kandidaat elkaar kennen volstaat op zich niet om aan te tonen dat het lid een persoonlijk belang in de zin van artikel 11 bis van het Statuut heeft, dat als zodanig zijn onpartijdigheid in geding kan brengen. Het feit dat een jurylid een van de kandidaten persoonlijk kent, betekent immers niet noodzakelijkerwijs dat dit lid een gunstig vooroordeel over de prestaties van die kandidaat heeft. Daar een mondeling examen per definitie niet anoniem kan zijn, vormt het feit dat een of meerdere kandidaten bij dezelfde instelling werken als een of twee juryleden op zich niet een omstandigheid waardoor die jury over informatie beschikt waarvan zij niet op de hoogte mag zijn.

(cf. punt 38)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 april 2008, Dragoman/Commissie, F‑16/07, punt 44