Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2020 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 9 september 2020 in de zaken T-401/16 en T-443/16, Spanje / Commissie

(Zaak C-635/20 P)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Gattinara, D. Milanowska, T. Lilamand, N. Ruiz García, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Italiaanse Republiek, Koninkrijk Spanje

Conclusies

De Commissie verzoekt het Hof:

het bestreden arrest te vernietigen;

indien het van oordeel is dat de zaak in staat van wijzen is, het beroep in eerste aanleg ongegrond te verklaren;

de Italiaanse Republiek en het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en in die van de procedure in eerste aanleg.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie drie middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 1 quinquies, lid 6, van het Statuut en de uitlegging van de motiveringsplicht alsook aan niet-nakoming van de plicht om arresten van het Gerecht te motiveren. Dit middel bestaat uit drie onderdelen.

Het eerste onderdeel heeft betrekking op een onjuiste rechtsopvatting en schending van de motiveringsplicht met betrekking tot het feit dat de kandidaten onmiddellijk operationeel moeten zijn. Dit eerste onderdeel heeft betrekking op de punten 157 en 181 tot en met 183 van het bestreden arrest.

Het tweede onderdeel heeft betrekking op de definitie van een onevenredige bewijslast voor de Commissie en een onjuiste rechtsopvatting bij de definitie van de verplichting tot motivering van de aankondigingen van het vergelijkend onderzoek. Dit tweede onderdeel heeft betrekking op de punten 113 (laatste zin), 158, 164, 167 (laatste zin), 180 tot en met 183, 201 en 205 van het bestreden arrest.

Het derde deel heeft betrekking op een onjuiste rechtsopvatting bij het zoeken naar een juridisch bindend besluit in de door de Commissie overgelegde interne regeling; het betreft de punten 152 tot en met 155 van het bestreden arrest.

Het tweede middel is ontleend aan meerdere onjuiste opvattingen waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven bij de beoordeling van de bewijselementen en aan een onjuiste rechtsopvatting.

De eerste onjuiste opvatting heeft betrekking op de beoordeling van de mededeling van de voorzitter van de Commissie en de goedkeuring ervan door het college; zij is vervat in de punten 132 tot en met 137 en 158 van het bestreden arrest.

De tweede onjuiste opvatting betreft de beoordeling van het reglement van orde van de Commissie en de uitvoeringsvoorschriften daarvan; deze is vervat in de punten 139 en 140 van het bestreden arrest.

De derde onjuiste opvatting heeft betrekking op de beoordeling van het in het Handboek operationele procedures vervatte gedeelte over de taalvereisten voor de vaststellingprocedures en verwijst naar de punten 165 tot en met 169 van het bestreden arrest.

De vierde onjuiste opvatting heeft betrekking op het ontbreken van een algemene beoordeling van de in de punten i) tot en met iii) hierboven genoemde documenten en verwijst naar de punten 152 tot en met 157 en 159 van het bestreden arrest.

De vijfde onjuiste opvatting heeft betrekking op de beoordeling van mededeling SEC(2006)1489 def. en betreft de punten 160 tot en met 163 van het bestreden arrest.

De zesde onjuiste opvatting heeft betrekking op de beoordeling van de elementen met betrekking tot de talen die worden gebruikt in de diensten die mogelijk geïnteresseerd zijn in de kandidaten alsook op een onjuiste rechtsopvatting; zij is vervat in de punten 180 tot en met 185 en 188 tot en met 196 van het bestreden arrest.

Het derde middel betreft ten slotte de onrechtmatigheid van de analyse door het Gerecht van de communicatietalen van de kandidaten; het heeft betrekking op de punten 231 tot en met 236 van het bestreden arrest.

____________