ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

10 april 2019 (*)

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Specifieke beperkende maatregelen tegen personen, groepen en entiteiten ter bestrijding van het terrorisme – Bevriezing van tegoeden – Mogelijkheid voor een instantie van een derde land om te worden aangemerkt als bevoegde instantie in de zin van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB – Feitelijke basis van beslissingen tot bevriezing van tegoeden – Motiveringsplicht – Authenticatie van handelingen van de Raad”

In zaak T‑643/16,

AlGama’a alIslamiyya Egypt (Gamaa Islamya Egypte), vertegenwoordigd door L. Glock, advocaat,

verzoekende partij,

tegen

Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Étienne en H. Marcos Fraile, vervolgens door H. Marcos Fraile, B. Driessen en V. Piessevaux en ten slotte door H. Marcos Fraile, B. Driessen en A. Sikora-Kalėda, als gemachtigden,

verwerende partij,

ondersteund door

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Norris-Usher, L. Havas, R. Tricot en L. Baumgart, vervolgens door R. Tricot, C. Zadra en A. Tizzano, als gemachtigden,

interveniërende partij,

betreffende een vordering gebaseerd op artikel 263 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van, ten eerste, besluit (GBVB) 2016/1136 van de Raad van 12 juli 2016 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit (GBVB) 2015/2430 (PB 2016, L 188, blz. 21) en uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 van de Raad van 12 juli 2016 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425 (PB 2016, L 188, blz. 1), ten tweede, besluit (GBVB) 2017/154 van de Raad van 27 januari 2017 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2016/1136 (PB 2017, L 23, blz. 21) en uitvoeringsverordening (EU) 2017/150 van de Raad van 27 januari 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2016/1127 (PB 2017, L 23, blz. 3), ten derde, besluit (GBVB) 2017/1426 van de Raad van 4 augustus 2017 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2017/154 (PB 2017, L 204, blz. 95) en uitvoeringsverordening (EU) 2017/1420 van de Raad van 4 augustus 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2017/150 (PB 2017, L 204, blz. 3), ten vierde, besluit (GBVB) 2018/475 van de Raad van 21 maart 2018 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2017/1426 (PB 2018, L 79, blz. 26) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/468 van de Raad van 21 maart 2018 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2017/1420 (PB 2018, L 79, blz. 7), en ten vijfde, besluit (GBVB) 2018/1084 van de Raad van 30 juli 2018 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, en tot intrekking van besluit 2018/475 (PB 2018, L 194, blz. 144) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/1071 van de Raad van 30 juli 2018 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2018/468 (PB 2018, L 194, blz. 23), voor zover deze handelingen betrekking hebben op verzoekster,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, P. Nihoul (rapporteur) en J. Svenningsen, rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 november 2018,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding en feiten van na de instelling van het onderhavige beroep

 Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties

1        Op 28 september 2001 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties resolutie 1373 (2001) aangenomen, waarbij strategieën zijn vastgesteld om het terrorisme, en met name de financiering ervan, met alle mogelijke middelen te bestrijden. Punt 1, onder c), van die resolutie bepaalt met name dat alle staten onverwijld de tegoeden en andere financiële activa of economische middelen moeten bevriezen van de personen die terroristische daden plegen, proberen te plegen, vergemakkelijken of eraan deelnemen, van de entiteiten die aan die personen toebehoren of door hen worden gecontroleerd, en van de personen en entiteiten die namens of in opdracht van die personen en entiteiten handelen.

2        Deze resolutie bevat geen lijst van personen, entiteiten of groepen waarop die maatregelen moeten worden toegepast.

 Unierecht

3        Op 27 december 2001 heeft de Raad van de Europese Unie, die van mening was dat de uitvoering van resolutie 1373 (2001) een optreden van de Europese Unie vereiste, gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB 2001, L 344, blz. 93) vastgesteld. In het bijzonder bepaalt artikel 2 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 dat de tegoeden, financiële activa of andere economische middelen van de bij terroristische daden betrokken en op de lijst in de bijlage bij dit gemeenschappelijk standpunt vermelde personen, groepen en entiteiten moeten worden bevroren.

4        Op dezelfde dag heeft de Raad, ter uitvoering op Unieniveau van de in gemeenschappelijk standpunt 2001/931 beschreven maatregelen, verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB 2001, L 344, blz. 70) vastgesteld, evenals besluit 2001/927/EG tot vaststelling van de lijst als bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 (PB 2001, L 344, blz. 83).

5        Op 2 mei 2002 is de naam „,Gama’a al‑Islamiyya’ (ook bekend onder de naam ,Al Gama’a al‑Islamiyya’) (,islamitische groepering’ – ,GI’)” door de Raad opgenomen op de lijst in de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2002/340/GBVB inzake de actualisering van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 (PB 2002, L 116, blz. 75) en op de lijst in besluit 2002/334/EG tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van besluit 2001/927 (PB 2002, L 116, blz. 33).

6        Deze lijsten zijn geactualiseerd overeenkomstig artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001.

7        Op 21 december 2015 heeft de Raad verzoeksters naam op die lijsten gehandhaafd bij besluit (GBVB) 2015/2430 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en tot intrekking van besluit (GBVB) 2015/1334 (PB 2015, L 334, blz. 18) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2015/1325 (PB 2015, L 334, blz. 1).

8        Op 22 december 2015 heeft de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving gepubliceerd aan de personen, groepen en entiteiten die waren opgenomen op de lijst bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 (PB 2015, C 430, blz. 5). In deze kennisgeving werd aan die personen, groepen en entiteiten meegedeeld dat hun naam was gehandhaafd op de lijsten van bevriezing van tegoeden en dat zij de Raad om verstrekking van de motivering van deze handhaving konden verzoeken.

9        Op 20 mei 2016 heeft verzoeksters advocaat de Raad verzocht hem mee te delen waarom de naam van zijn cliënte aanvankelijk was opgenomen op de lijsten van bevriezing van tegoeden en vervolgens op die lijsten was gehandhaafd bij uitvoeringsverordening 2015/2425, waarbij hij in twijfel trok dat die lijsten zijn cliënte bedoelden.

10      Op 26 mei 2016 heeft de Raad hem elf motiveringen toegezonden met de vermelding:

„In de bijlage vindt u de motiveringen voor de plaatsing en de handhaving van uw cliënte op de lijst in [uitvoeringsverordening] 2015/2425 […] tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening […] nr. 2580/2001.”

 Bestreden handelingen

 Handelingen van juli 2016

11      Op 12 juli 2016 heeft de Raad besluit (GBVB) 2016/1136 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en tot intrekking van besluit 2015/2430 (PB 2016, L 188, blz. 21) vastgesteld, evenals uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2015/2425 (PB 2016, L 188, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van juli 2016”). Verzoeksters naam werd gehandhaafd op de lijsten in de bijlagen bij die handelingen (hierna: „litigieuze lijsten van juli 2016”).

12      Bij brief van 13 juli 2016 heeft de Raad verzoeksters advocaat de motivering voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten van juli 2016 toegezonden en daarbij aangegeven dat om heroverweging van deze lijsten kon worden verzocht in het kader van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931. In deze brief was voorts het volgende vermeld:

„De Raad is van oordeel dat zich in het dossier geen nieuwe elementen bevinden die een wijziging van zijn standpunt rechtvaardigen. Hij meent daarom dat de redenen die eerder bij brief van 26 mei 2016 aan u zijn meegedeeld nog steeds gelden.”

13      Uit de motivering van de handelingen van juli 2016 volgt dat de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten berustte op vier nationale beslissingen.

14      De eerste nationale beslissing was beschikking nr. 1261 van de Secretary of State for the Home Department (minister van Binnenlandse Zaken, Verenigd Koninkrijk; hierna: „Home Secretary”) van 29 maart 2001 tot wijziging van de UK Terrorism Act 2000 (terrorismewet van 2000, Verenigd Koninkrijk) en houdende het verbod van verzoekster, die werd beschouwd als een bij terroristische daden betrokken organisatie (hierna: „beslissing van de Home Secretary”).

15      De tweede nationale beslissing was een besluit van de United States Secretary of State (minister van Buitenlandse Zaken, Verenigde Staten) van 8 oktober 1997, waarbij verzoekster voor de toepassing van de Immigration and Nationality Act (immigratie- en nationaliteitswet, Verenigde Staten) werd aangemerkt als „buitenlandse terroristische organisatie” (hierna: „Amerikaanse beslissing van 1997”).

16      De derde nationale beslissing was afkomstig van de United States Secretary of State en was genomen op 31 oktober 2001 op grond van Executive Order nr. 13224 (presidentieel decreet nr. 13224) (hierna: „Amerikaanse beslissing van 2001”).

17      De vierde nationale beslissing dateerde van 23 januari 1995 en was genomen op grond van Executive Order nr. 12947 (presidentieel decreet nr. 12947) (hierna: „Amerikaanse beslissing van 1995”).

18      In het hoofdonderdeel van de motivering van de handelingen van juli 2016 stelde de Raad om te beginnen vast dat deze nationale beslissingen beslissingen van bevoegde instanties waren in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en dat zij nog altijd van kracht waren. Vervolgens gaf hij aan te hebben onderzocht of hij over gegevens beschikte die vóór de verwijdering van verzoeksters naam van de litigieuze lijsten van juli 2016 pleitten, en die niet te hebben gevonden. Tot slot gaf hij aan dat hij de redenen voor de plaatsing van verzoeksters naam op de lijsten van bevriezing van tegoeden nog altijd geldig achtte, en concludeerde dat die naam moest worden gehandhaafd op de litigieuze lijsten van juli 2016.

19      De motivering van de handelingen van juli 2016 bevatte voorts een bijlage A betreffende „de beslissing van de bevoegde instantie van het Verenigd Koninkrijk” en een bijlage B betreffende „de beslissingen van de bevoegde instanties van de Verenigde Staten”. Elk van deze bijlagen bevatte een beschrijving van de nationale regelingen op grond waarvan de beslissingen van de nationale instanties waren vastgesteld, een presentatie van de definities van de begrippen terrorisme in deze regelingen, een beschrijving van de heroverwegingsprocedures voor die beslissingen, een beschrijving van de feiten waarop de betrokken instanties zich hadden gebaseerd en de vaststelling dat deze feiten terroristische daden vormden in de zin van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

20      In punt 16 van bijlage A bij de motivering van de handelingen van juli 2016 gaf de Raad aan dat de Home Secretary in november 2013 op basis van het beschikbare bewijsmateriaal tot de slotsom was gekomen dat „de groep op een andere wijze was betrokken bij het terrorisme en dat het verbod bijgevolg moest worden gehandhaafd”.

21      In punt 10 van bijlage B bij de handelingen van juli 2016 gaf de Raad aan dat in de Verenigde Staten de meest recente heroverweging van de aanwijzing van verzoekster als buitenlandse terroristische organisatie was afgerond op 15 december 2010 en dat de Amerikaanse regering had besloten die aanwijzing te handhaven. Voorts verwees hij, in punt 18 van bijlage B, naar de „administratieve dossiers (,administrative records’) Gama’a al‑Islamiyya van 2010 en 2003 van het Home Department”.

 Handelingen van januari 2017

22      Op 27 januari 2017 heeft de Raad besluit (GBVB) 2017/154 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en tot intrekking van besluit 2016/1136 (PB 2017, L 23, blz. 21) vastgesteld, evenals uitvoeringsverordening (EU) 2017/150 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2016/1127 (PB 2017, L 23, blz. 3) (hierna samen: „handelingen van januari 2017”). Verzoeksters naam werd gehandhaafd op de lijsten in de bijlagen bij die handelingen (hierna: „litigieuze lijsten van januari 2017”).

23      Bij brief van 30 januari 2017 heeft de Raad verzoeksters advocaat de motivering voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten van januari 2017 toegezonden en daarbij aangegeven dat om heroverweging van deze lijsten kon worden verzocht in het kader van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

24      Deze motivering was gelijk aan die betreffende de handelingen van juli 2016.

25      Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief.

 Handelingen van augustus 2017

26      Op 4 augustus 2017 heeft de Raad besluit (GBVB) 2017/1426 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en tot intrekking van besluit 2017/154 (PB 2017, L 204, blz. 95) vastgesteld, evenals uitvoeringsverordening (EU) 2017/1420 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2017/150 (PB 2017, L 204, blz. 3) (hierna samen: „handelingen van augustus 2017”). Verzoeksters naam werd gehandhaafd op de lijsten in de bijlagen bij die handelingen (hierna: „litigieuze lijsten van augustus 2017”).

27      Bij brief van 7 augustus 2017 heeft de Raad verzoeksters advocaat de motivering voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten van augustus 2017 toegezonden en daarbij aangegeven dat om heroverweging van deze lijsten kon worden verzocht in het kader van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

28      Deze motivering was gelijk aan die betreffende de handelingen van juli 2016 en van januari 2017.

29      Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief.

 Handelingen van maart 2018

30      Op 21 maart 2018 heeft de Raad besluit (GBVB) 2018/475 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en tot intrekking van besluit 2017/1426 (PB 2018, L 79, blz. 26) vastgesteld, evenals uitvoeringsverordening (EU) 2018/468 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2017/1420 (PB 2018, L 79, blz. 7) (hierna samen: „handelingen van maart 2018”). Verzoeksters naam werd gehandhaafd op de lijsten in de bijlage bij die handelingen (hierna: „litigieuze lijsten van maart 2018”).

31      Bij brief van 22 maart 2018 heeft de Raad verzoeksters advocaat de motivering voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten van maart 2018 toegezonden en daarbij aangegeven dat om heroverweging van deze lijsten kon worden verzocht in het kader van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

32      Deze motivering was gelijk aan die betreffende de handelingen van juli 2016 en de handelingen van januari en augustus 2017.

33      Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief.

 Handelingen van juli 2018

34      Op 30 juli 2018 heeft de Raad besluit (GBVB) 2018/1084 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en tot intrekking van besluit 2018/475 (PB 2018, L 194, blz. 144) vastgesteld, evenals uitvoeringsverordening (EU) 2018/1071 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2018/468 (PB 2018, L 194, blz. 23) (hierna samen: „handelingen van juli 2018”). Verzoeksters naam werd gehandhaafd op de lijsten in de bijlagen bij die handelingen (hierna: „litigieuze lijsten van juli 2018”).

35      Bij brief van 31 juli 2018 heeft de Raad verzoeksters advocaat de motivering voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten van juli 2018 toegezonden en daarbij aangegeven dat om heroverweging van deze lijsten kon worden verzocht in het kader van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

36      Deze motivering was gelijk aan die betreffende de handelingen van juli 2016, de handelingen van januari en augustus 2017 en de handelingen van maart 2018, met uitzondering van enkele formele verschillen en een verwijzing, in punt 16 van bijlage B, naar het „recht op effectieve rechterlijke bescherming” in plaats van het „recht op rechterlijke bescherming”.

37      Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief.

 Procedure en conclusies van partijen

38      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 september 2016, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, waarbij zij nietigverklaring van de handelingen van juli 2016 vorderde, voor zover zij haar betroffen.

39      Op 18 oktober 2016 is de zaak toegewezen aan de Vijfde kamer van het Gerecht.

40      Op 2 december 2016 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht besloten de behandeling te schorsen overeenkomstig artikel 69, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, tot aan de einduitspraken van het Hof in de zaken C‑599/14 P, Raad/LTTE, en C‑79/15 P, Raad/Hamas.

41      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 december 2016, heeft de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad.

42      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 maart 2017, heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering, om rekening te houden met de handelingen van januari 2017, voor zover zij haar betroffen.

43      Bij brief van 16 augustus 2017 is partijen verzocht hun opmerkingen in te dienen over de consequenties die voor de onderhavige zaak moeten worden getrokken uit de arresten van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583), en 26 juli 2017, Raad/Hamas (C‑79/15 P, EU:C:2017:584).

44      Op 3 september 2017 heeft verzoekster op dit verzoek geantwoord.

45      Op 18 september 2017 heeft de Raad het verweerschrift ingediend, dat ook het antwoord bevatte op de memorie tot aanpassing van 27 maart 2017 en de opmerkingen bedoeld in punt 43 hierboven.

46      Bij beslissing van 26 september 2017 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht de Commissie toegelaten tot interventie.

47      Bij afzonderlijke akte neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 oktober 2017 heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering, om rekening te houden met de handelingen van augustus 2017.

48      Op 12 oktober 2017 heeft de Raad, op uitnodiging van het Gerecht, geantwoord op de memorie tot aanpassing van 3 oktober 2017.

49      Op 8 november 2017 heeft verzoekster een memorie van repliek ingediend.

50      Op 9 november 2017 heeft de Commissie een memorie in interventie ingediend.

51      Op 28 november 2017 heeft de Raad, op uitnodiging van het Gerecht, zijn opmerkingen over de memorie in interventie van de Commissie ingediend.

52      Op 15 januari 2018 heeft de Raad een memorie van dupliek ingediend.

53      Op 13 april 2018 heeft de president van het Gerecht de zaak, vanwege de verknochtheid ervan, op grond van artikel 27, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering toegewezen aan een andere, aan de Eerste kamer toegevoegde rechter-rapporteur.

54      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 mei 2018, heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering, om rekening te houden met de handelingen van maart 2018.

55      Bij akten van 4 en 19 juni 2018 hebben de Raad en de Commissie, op uitnodiging van het Gerecht, geantwoord op de memorie houdende aanpassing van 13 mei 2018.

56      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 september 2018, heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering, om rekening te houden met de handelingen van juli 2018.

57      Bij akten van 27 september en 17 oktober 2018 hebben de Raad en de Commissie, op uitnodiging van het Gerecht, geantwoord op de memorie tot aanpassing van 14 september 2018.

58      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft de Eerste kamer van het Gerecht besloten om tot de mondelinge behandeling over te gaan.

59      Partijen hebben ter terechtzitting van 6 november 2018 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

60      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de handelingen van juli 2016, van januari en augustus 2017 en van maart en juli 2018 (hierna samen: „bestreden handelingen”) nietig te verklaren, voor zover zij haar betreffen;

–        de Raad te verwijzen in alle kosten.

61      De Raad, ondersteund door de Commissie, verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

62      Verzoekster voert acht middelen aan:

–        schending van artikel 1, lid 5, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931;

–        schending van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931;

–        onjuiste opvattingen van de feiten;

–        onjuiste beoordeling wat haar kwalificatie als „terroristische groepering” betreft;

–        schending van artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931;

–        schending van de motiveringsplicht;

–        schending van de rechten van verdediging en van het recht op rechterlijke bescherming;

–        ontbreken van authenticatie van de motivering.

63      Het Gerecht acht een onderzoek wenselijk van het eerste, het tweede, het derde en het zesde middel, dit laatste voor zover verzoekster de Raad verwijt in de bestreden handelingen geen bewijzen of serieuze indicaties in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 te hebben vermeld, en van het achtste middel.

64      Het zesde middel zal na het tweede middel worden onderzocht.

 Eerste middel: schending van artikel 1, lid 5, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931

65      Verzoekster is van mening dat de Raad heeft gehandeld in strijd met artikel 1, lid 5, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, omdat hij in haar naam, zoals opgenomen op de litigieuze lijsten van juli 2016, van januari en augustus 2017 en van maart en juli 2018 (hierna: „litigieuze lijsten”), niet haar plaats van vestiging, te weten Egypte, heeft vermeld. Zij merkt dienaangaande op dat haar naam in de loop der tijd is gewijzigd in de handelingen van de Raad en dat er talrijke groeperingen bestaan met een soortgelijke naam. Die namen verschillen slechts enkele letters en betekenen in alle gevallen „Islamitische groepering”. Zij stelt dat zij door deze onnauwkeurigheid niet wist of zij werd bedoeld door de litigieuze lijsten.

66      De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist de gegrondheid van dit middel.

67      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het beroep zich beperkt tot de bestreden handelingen, zodat het middel alleen kan worden onderzocht voor zover het daarop betrekking heeft.

68      In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 1, lid 5, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 het volgende bepaalt:

„De Raad streeft ernaar te waarborgen dat bij de namen van de op de lijst in de bijlage vermelde natuurlijke of rechtspersonen groepen of entiteiten voldoende bijzonderheden worden vermeld om de daadwerkelijke identificatie van specifieke personen, rechtspersonen, groepen of entiteiten mogelijk te maken, zodat personen, rechtspersonen, groepen of entiteiten die dezelfde of soortgelijke namen dragen, gemakkelijker buiten verdenking worden gesteld.”

69      In casu heeft de Raad verzoekster in alle bestreden handelingen als volgt aangeduid: „,Gama’a al‑Islamiyya’ (ook bekend onder de naam ,Al‑Gama’a al‑Islamiyya’) (,Islamitische groepering’ – ,GI’)”.

70      Zoals verzoekster benadrukt, bevat deze naam geen aanduiding van de plaats van vestiging van haar organisatie.

71      De in punt 68 hierboven aangehaalde bepaling verlangt echter niet dat dit gegeven wordt vermeld, aangezien enkel wordt vereist dat de door de Raad gebruikte naam voldoende nauwkeurig is om verwarring met organisaties met dezelfde of soortgelijke namen te voorkomen.

72      In casu is de in de bestreden handelingen en in punt 69 hierboven vermelde naam voldoende specifiek, aangezien hij, in elk geval gedeeltelijk, verschilt van de namen van de groepen en entiteiten waarvan de naam, volgens verzoekster, met die van haar had kunnen worden verward, te weten „Al‑Jamâ’h al‑Islâmiyah”, „Jemaah Islamiyah”, „Al‑Jama’ah Al‑Islamiyah”, „Jamaat al‑Islamiya” en „Jamaa Islamiya”.

73      Zelfs al zou er een risico op verwarring bestaan, had verzoekster, zoals de Raad opmerkt, hiervan geen nadeel kunnen ondervinden, aangezien zij kennis heeft kunnen nemen van de bestreden handelingen, wetende dat deze haar betroffen, zoals blijkt uit de brieven van de Raad van 13 juli 2016, 30 januari en 7 augustus 2017 en 22 maart en 31 juli 2018 (zie punten 12, 23, 27, 31 en 35 hierboven) en de processtukken waarmee zij om nietigverklaring ervan heeft verzocht.

74      Bijgevolg moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

 Tweede middel: schending van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931

75      Verzoekster verwijt de Raad in strijd te hebben gehandeld met artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, door de beslissing van de Home Secretary en de Amerikaanse beslissingen van 1995, 1997 en 2001 (hierna samen: „Amerikaanse beslissingen”) aan te merken als beslissingen van bevoegde instanties in de zin van deze bepaling.

76      De handhaving van de naam van een persoon of een entiteit op de lijst van bevriezing van tegoeden is in essentie de verlenging van de aanvankelijke plaatsing op de lijst en veronderstelt bijgevolg dat het gevaar van betrokkenheid van de persoon of entiteit in kwestie bij terroristische activiteiten, zoals aanvankelijk door de Raad is vastgesteld op basis van de nationale beslissing die als grondslag voor de aanvankelijke plaatsing op de lijst heeft gediend, nog steeds bestaat (arresten van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 61, en 26 juli 2017, Raad/Hamas, C‑79/15 P, EU:C:2017:584, punt 39).

77      Het middel is dus ter zake dienend.

78      De bezwaren die alleen zijn gericht tegen de beslissingen van de Amerikaanse instanties, moeten worden onderzocht vóór de gemeenschappelijke bezwaren tegen de beslissingen van de Amerikaanse instanties en de beslissing van het Verenigd Koninkrijk.

 Bezwaren die alleen zijn gericht tegen de beslissingen van de Amerikaanse instanties

79      Verzoekster is primair van mening dat de Raad de bestreden handelingen niet kon baseren op de beslissingen van de Amerikaanse instanties, omdat de Verenigde Staten een derde staat zijn en de instanties van derde staten in beginsel geen „bevoegde instanties” zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

80      Op dit punt voert verzoekster aan dat het systeem van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 berust op het vertrouwen dat de nationale instanties genieten op basis van het beginsel van loyale samenwerking tussen de Raad en de Unielidstaten, dat steunt op de in de Verdragen verankerde gedeelde gemeenschappelijke waarden en de eerbiediging van gedeelde normen als het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Instanties van derde landen kunnen dit vertrouwen niet genieten.

81      In dit verband moet worden opgemerkt dat het in artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 gehanteerde begrip „bevoegde instantie” volgens het Hof niet beperkt is tot de instanties van de lidstaten, maar in beginsel ook instanties van derde staten kan omvatten (arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 22).

82      De uitlegging door het Hof wordt gerechtvaardigd door de bewoordingen van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, die het begrip „bevoegde instanties” niet beperken tot de instanties van de lidstaten, en door de doelstelling van dat gemeenschappelijk standpunt, dat is vastgesteld om uitvoering te geven aan resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die de strijd tegen het terrorisme op mondiaal niveau wil intensiveren door de stelselmatige en nauwe samenwerking tussen alle staten (arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 23).

83      Subsidiair, voor het geval dat wordt aanvaard dat de instantie van een derde staat een bevoegde instantie kan zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, voert verzoekster aan dat de geldigheid van de handelingen van de Raad ook afhangt van de verificaties die deze moet verrichten om zich met name te vergewissen van de verenigbaarheid van de Amerikaanse regeling met het beginsel van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming.

84      In casu heeft de Raad zich in de motivering van de bestreden handelingen echter in essentie beperkt tot een beschrijving van de heroverwegingsprocedures en de opmerking dat er beroepsmogelijkheden bestonden, zonder na te gaan of de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming gewaarborgd waren.

85      In dit verband staat vast dat wanneer de Raad zich baseert op een beslissing van een derde land, hij volgens het Hof eerst moet nagaan of dit besluit is vastgesteld met inachtneming van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 31).

86      De Raad moet in de motivering van zijn eigen handelingen aanwijzingen opnemen waaruit kan worden opgemaakt dat hij die verificatie heeft verricht (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 31).

87      Hiertoe moet de Raad in die motivering vermelden waarom hij heeft aangenomen dat de beslissing van de derde staat waarop hij zich baseert, is vastgesteld met inachtneming van het beginsel van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 33).

88      Volgens de rechtspraak mogen de in de motivering op te nemen opmerkingen over die beoordeling in voorkomend geval beknopt zijn (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 33).

89      Verzoeksters argumenten betreffende het recht op effectieve rechterlijke bescherming en het beginsel van de rechten van verdediging moeten worden onderzocht in het licht van de in de punten 85 tot en met 88 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

90      Het Gerecht acht het wenselijk om met die tweede kwestie te beginnen.

91      In dit verband voert verzoekster aan dat de Raad in de motivering van de bestreden handelingen niet heeft vermeld waarom hij, na verificatie, heeft aangenomen dat de eerbiediging van de rechten van verdediging in de Verenigde Staten was gewaarborgd in administratieve procedures die verband houden met de aanwijzing van organisaties als terroristische organisaties.

92      Overigens vereist de Amerikaanse regeling niet dat de beslissingen van de instanties op dit gebied worden meegedeeld of zelfs maar gemotiveerd. Volgens verzoekster bevat artikel 219 van de Immigration and Nationality Act, die de grondslag vormt van de Amerikaanse beslissing van 1997, weliswaar een verplichting om de aanwijzingsbeslissing bekend te maken in het Federal Register (publicatieblad van de federale regering, Verenigde Staten), maar geldt dit niet voor presidentieel decreet nr. 13224, dat de grondslag vormt voor de Amerikaanse beslissing van 2001 en niet in een dergelijke maatregel voorziet.

93      In dit verband zij eraan herinnerd dat, volgens de rechtspraak, het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging vereist dat personen die adressaat zijn van beslissingen die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat moeten worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over hetgeen als grond voor de betrokken beslissingen tegen hen wordt ingebracht (zie in die zin arrest van 26 september 2013, Texdata Software, C‑418/11, EU:C:2013:588, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94      In geval van maatregelen tot plaatsing van namen van personen of entiteiten op een lijst van bevriezing van tegoeden, houdt dit beginsel in dat de redenen voor deze maatregelen tegelijk met of onmiddellijk na de vaststelling ervan aan die personen of entiteiten worden meegedeeld (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 61).

95      In punt 16 van bijlage B bij de motivering van de bestreden handelingen, verklaart de Raad het volgende:

„Wat de heroverwegingsprocedures en de beschrijving van de beschikbare beroepsmogelijkheden betreft, is de Raad van mening dat de regeling van de Verenigde Staten de bescherming van de rechten van verdediging waarborgt […]”.

96      De informatie die de Raad in de motivering van de bestreden handelingen verstrekt, verschilt vervolgens naargelang van de onderzochte Amerikaanse beslissing.

97      Wat ten eerste de presidentiële decreten nr. 12947 en nr. 13224 betreft, die de grondslag vormen van de Amerikaanse beslissingen van 1995 en 2001, wordt in de algemene beschrijving van de Raad geen melding gemaakt van een verplichting voor de Amerikaanse instanties om een motivering aan betrokkenen te verstrekken of die beslissingen zelfs maar openbaar te maken.

98      Hieruit volgt dat de eerbiediging van de rechten van verdediging niet is gewaarborgd voor die twee beslissingen en dat deze bijgevolg, overeenkomstig de in de punten 85 tot en met 88 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, niet als grondslag voor de bestreden handelingen kunnen dienen.

99      Wat ten tweede de Amerikaanse beslissing van 1997 betreft, is het juist dat uit de punten 10 en 11 van bijlage B bij de bestreden handelingen volgt dat, ingevolge de Immigration and Nationality Act, de aanwijzingen van buitenlandse terroristische organisaties en de beslissingen volgend op een verzoek tot intrekking van die aanwijzingen worden bekendgemaakt in het Federal Register. De Raad verschaft echter geen enkele aanwijzing over de vraag of in casu de bekendmaking van de Amerikaanse beslissing van 1997 een motivering bevatte. Bovendien blijkt evenmin uit de motivering van de bestreden handelingen dat er, naast het dispositief van die beslissing, op enigerlei wijze een motivering aan verzoekster ter beschikking is gesteld.

100    Bijgevolg moet worden onderzocht of de vermelding dat een beslissing is bekendgemaakt in een publicatieblad van een derde staat volstaat om aan te nemen dat de Raad, overeenkomstig de in de punten 85 tot en met 88 hierboven aangehaalde rechtspraak, heeft voldaan aan zijn verplichting om na te gaan of, in de derde staten waar de beslissingen zijn genomen die als grondslag voor de bestreden handelingen dienen, de rechten van verdediging zijn geëerbiedigd.

101    Daartoe moet worden verwezen naar de zaak die heeft geleid tot de arresten van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583), en 16 oktober 2014, LTTE/Raad (T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885). In die zaak had de Raad in de motivering van een van de betrokken handelingen aangegeven dat de beslissingen van de instanties van de betrokken derde staat werden bekendgemaakt in het publicatieblad van die staat, zonder verdere informatie te verschaffen (arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 145).

102    In het arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punten 36 en 37), heeft het Hof geoordeeld dat de vermeldingen met betrekking tot de beslissingen van de instanties van de derde staat die waren opgenomen in de motivering van de verordening van de Raad, in hun geheel genomen onvoldoende waren om te kunnen vaststellen dat deze instelling de verlangde verificatie van de eerbiediging, in dat derde land, van het beginsel van de rechten van verdediging had verricht.

103    Dezelfde conclusie moet, om dezelfde redenen, in de onderhavige zaak worden getrokken met betrekking tot de enkele vermelding, in de motivering van de bestreden handelingen, dat de Amerikaanse beslissing van 1997 in de Verenigde Staten was bekendgemaakt in het Federal Register.

104    Om deze redenen en zelfs zonder dat de kwestie van de eerbiediging van het recht op effectieve rechterlijke bescherming hoeft te worden onderzocht, moet worden aangenomen dat in casu de motivering betreffende de Amerikaanse beslissingen ontoereikend is, zodat deze niet als grondslag voor de bestreden handelingen kunnen dienen.

105    Aangezien artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 niet verlangt dat de handelingen van de Raad berusten op meerdere beslissingen van bevoegde instanties, konden de bestreden handelingen echter, wat de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten betreft, ook alleen verwijzen naar de beslissing van de Home Secretary, zodat het onderzoek van het beroep moet worden voortgezet, maar alleen voor zover de bestreden handelingen berusten op laatstgenoemde beslissing.

 Gemeenschappelijke bezwaren tegen de beslissing van de instanties van het Verenigd Koninkrijk en de beslissingen van de Amerikaanse instanties

106    Verzoekster voert aan dat de beslissingen van de Amerikaanse instanties en de beslissing van de instanties van het Verenigd Koninkrijk, waarop de bestreden handelingen berusten, om drie redenen geen „beslissingen van bevoegde instanties” zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

107    Die redenen worden hierna onderzocht voor zover zij betrekking hebben op de beslissing van de Home Secretary, overeenkomstig punt 105 hierboven.

–       Voorkeur die moet worden gegeven aan rechterlijke instanties

108    Verzoekster stelt dat de Raad zich volgens artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 alleen mag baseren op administratieve beslissingen wanneer de rechterlijke instanties geen enkele bevoegdheid hebben op het gebied van de bestrijding van het terrorisme. In casu is dat echter anders, want in het Verenigd Koninkrijk zijn de rechterlijke instanties bevoegd op dit gebied. De beslissing van de Home Secretary had in de bestreden handelingen dus niet in aanmerking mogen worden genomen door de Raad.

109    De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist de gegrondheid van dit betoog.

110    In dit verband zij opgemerkt dat, volgens de rechtspraak, de omstandigheid dat een beslissing een bestuurlijke beslissing is, en niet een rechterlijke, niet doorslaggevend is voor de toepassing van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, aangezien uit de eigen bewoordingen van dat artikel uitdrukkelijk volgt dat een niet-rechterlijke instantie ook als bevoegde instantie in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt (arresten van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punten 144 en 145, en 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 105).

111    Artikel 1, lid 4, tweede alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 bevat weliswaar een voorkeur voor de beslissingen van rechterlijke instanties, maar sluit geenszins uit dat rekening wordt gehouden met beslissingen van bestuurlijke instanties, wanneer deze instanties naar nationaal recht de bevoegdheid hebben gekregen om beperkende beslissingen te nemen ten aanzien van groeperingen die bij het terrorisme betrokken zijn en deze instanties, hoewel slechts bestuurlijk van aard, niettemin kunnen worden beschouwd als „equivalenten” van rechterlijke instanties (arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 107).

112    Volgens de rechtspraak moeten bestuurlijke instanties als equivalenten van rechterlijke instanties worden beschouwd wanneer hun beslissingen vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing (arrest van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 145).

113    Bijgevolg belet het feit dat de rechterlijke instanties van de betrokken staat bevoegdheden op het gebied van de bestrijding van het terrorisme hebben niet dat de Raad rekening houdt met de beslissingen van de nationale bestuurlijke instantie die is belast met de vaststelling van beperkende maatregelen op het gebied van terrorisme (zie in die zin arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 108).

114    In casu volgt uit de door de Raad verstrekte informatie dat tegen de beslissingen van de Home Secretary beroep kan worden ingesteld bij de Proscribed Organisations Appeal Commission (commissie van beroep inzake verboden organisaties, Verenigd Koninkrijk), die uitspraak doet aan de hand van de beginselen die de rechterlijke toetsing beheersen, en dat elke partij tegen de beslissing van de Proscribed Organisations Appeal Commission hoger beroep met betrekking tot rechtsvragen kan instellen bij een hogerberoepsrechter, indien zij daartoe toestemming krijgt van deze commissie of, bij gebreke daarvan, van de hogerberoepsrechter (zie in die zin arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad, T‑228/02, EU:T:2006:384, punt 2).

115    Hieruit blijkt dat de beslissingen van de Home Secretary vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing, zodat deze bestuurlijke instantie, overeenkomstig de in de punten 111 en 112 hierboven uiteengezette rechtspraak, als equivalent van een rechterlijke instantie moet worden beschouwd en dus, zoals de Raad betoogt, als bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, overeenkomstig de reeds herhaaldelijke rechtspraak in die zin (arresten van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 144, en 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punten 120‑123).

116    Uit het voorgaande volgt dat de bestreden handelingen niet nietig kunnen worden verklaard om de reden dat de Raad in de motivering ervan verwijst naar een beslissing van de Home Secretary, een bestuurlijke instantie.

–       Feit dat de beslissing van de Home Secretary bestaat in het op een lijst plaatsen van terroristische organisaties

117    Verzoekster betoogt dat de activiteit van de bij de bestreden handelingen betrokken bevoegde instanties, waaronder de Home Secretary, in de praktijk bestaat in het opstellen van lijsten van terroristische organisaties om hun een beperkende regeling op te leggen. Deze activiteit van plaatsing op een lijst vormt geen wethandhavingsbevoegdheid als de „inleiding van een onderzoek of een vervolging” of een „veroordeling”, om de bevoegdheden te citeren die de „bevoegde instantie” volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 moet hebben.

118    De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist de gegrondheid van dit betoog.

119    In dit verband zij opgemerkt dat gemeenschappelijk standpunt 2001/931 volgens de rechtspraak niet verlangt dat de beslissing van de bevoegde instantie wordt genomen in het kader van een strafrechtelijke procedure stricto sensu, mits de nationale procedure in kwestie, gelet op de doelen die gemeenschappelijk standpunt 2001/931 nastreeft in het kader van de uitvoering van resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de bestrijding van het terrorisme in ruime zin tot doel heeft (arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 113).

120    In die zin heeft het Hof geoordeeld dat aan de bescherming van de betrokken personen niet werd afgedaan indien de beslissing van de nationale instantie niet was genomen in een procedure tot oplegging van strafsancties, maar in een procedure tot oplegging van preventieve maatregelen (arrest van 15 november 2012, Al‑Aqsa/Raad en Nederland/Al‑Aqsa, C‑539/10 P en C‑550/10 P, EU:C:2012:711, punt 70).

121    In casu kondigt de beslissing van de Home Secretary verbodsmaatregelen af tegen terroristisch geachte organisaties en wordt zij dus, zoals de rechtspraak verlangt, genomen in een nationale procedure die er primair toe strekt om verzoekster preventieve of repressieve maatregelen op te leggen uit hoofde van de bestrijding van het terrorisme (arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 115).

122    Wat de omstandigheid betreft dat de activiteit van de betrokken instantie leidt tot het opstellen van een lijst van bij het terrorisme betrokken personen of entiteiten, moet worden benadrukt dat dit als zodanig niet inhoudt dat deze instantie geen individuele beoordeling heeft verricht van elk van die personen of entiteiten voorafgaand aan hun plaatsing op die lijsten, of dat die beoordeling noodzakelijkerwijze willekeurig of ongegrond is (zie in die zin arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 118).

123    Derhalve is niet zozeer de omstandigheid aan de orde dat de activiteit van de betrokken instantie leidt tot het opstellen van een lijst van bij het terrorisme betrokken personen of entiteiten, maar de vraag of die activiteit met voldoende waarborgen is omkleed opdat de Raad zich daarop kan baseren voor zijn eigen beslissing tot plaatsing op de lijst (zie in die zin arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 118).

124    Bijgevolg stelt verzoekster ten onrechte dat het erkennen dat de bevoegdheid tot plaatsing op een lijst een bevoegde instantie kan kenmerken, in beginsel in tegenspraak is met gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

125    Aan dit standpunt wordt niet afgedaan door de andere argumenten van verzoekster.

126    Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat, volgens artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, alleen de lijsten die zijn opgesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in aanmerking mogen worden genomen door de Raad.

127    Dit argument kan niet worden aanvaard, omdat de laatste volzin van artikel 1, lid 4, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 enkel is bedoeld om de Raad de mogelijkheid te bieden aanvullende aanwijzingen te verrichten, naast de aanwijzingen die hij kan verrichten op basis van de beslissingen van de bevoegde nationale instanties.

128    In de tweede plaats benadrukt verzoekster dat, wanneer de Unie de door de bevoegde instanties voorgestelde lijsten overneemt, de lijst van de Unie neerkomt op een lijst van lijsten, waardoor de werkingssfeer van de in voorkomend geval door instanties van derde staten vastgestelde nationale bestuurlijke maatregelen wordt uitgebreid tot de Unie, zonder dat de betrokken personen daarvan in kennis worden gesteld en zonder dat zij zich doeltreffend kunnen verdedigen.

129    In dit verband staat vast dat, zoals verzoekster aangeeft, de Raad zich bij het identificeren van aan maatregelen van bevriezing van tegoeden te onderwerpen personen of entiteiten, baseert op de bevindingen van bevoegde instanties.

130    Bij gemeenschappelijk standpunt 2001/931 is een speciale vorm van samenwerking ingevoerd tussen de instanties van de lidstaten en de Europese instellingen, die voor de Raad de verplichting meebrengt om zich zo veel mogelijk te verlaten op de beoordeling van de bevoegde nationale instanties (zie in die zin arresten van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 133, en 4 december 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑284/08, EU:T:2008:550, punt 53).

131    De Raad dient zich in beginsel niet uit te spreken over de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkene door de instanties van de lidstaten, aangezien deze bevoegdheid toekomt aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties (zie in die zin arrest van 11 juli 2007, Sison/Raad, T‑47/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:207, punt 168).

132    Alleen indien verzoekster op basis van concrete gegevens betwist dat instanties van de lidstaten de grondrechten hebben geëerbiedigd, moet het Gerecht bij wijze van uitzondering nagaan of deze daadwerkelijk zijn geëerbiedigd [zie naar analogie arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 36].

133    Wanneer daarentegen instanties van derde staten betrokken zijn, moet de Raad, zoals in de punten 85 en 86 hierboven is opgemerkt, zich ambtshalve ervan vergewissen dat deze waarborgen daadwerkelijk worden geboden en zijn beslissing op dit punt motiveren.

–       Ontbreken van bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen waarop de beslissing van de Home Secretary berust

134    Verzoekster is van mening dat de Raad, omdat hij zich baseerde op een bestuurlijke beslissing en niet op een rechterlijke beslissing, moest aantonen dat deze beslissing was genomen „op grond van bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen”, zoals artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 verlangt.

135    Aangezien dit argument niet de kwalificatie van „door een bevoegde instantie genomen beslissing” betreft in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, die het voorwerp is van het onderhavige middel, zal het worden onderzocht in het kader van het tweede en het zesde middel, voor zover zij betrekking hebben op de bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen in de zin van deze bepaling.

136    Gelet op het voorgaande en onder voorbehoud van het onderzoek van het in punt 134 hierboven vermelde argument, moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

 Tweede en zesde middel, voor zover zij betrekking hebben op bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931

137    In het kader van het tweede en het zesde middel voert verzoekster aan dat de Raad in de motiveringen van de bestreden handelingen „de bewijzen en serieuze en geloofwaardige aanwijzingen” had moeten vermelden waarop de beslissingen van de bevoegde instanties berustten. Daarin waren weliswaar feiten vermeld, maar in vage en abstracte bewoordingen.

138    Zoals volgt uit punt 134 hierboven, meent verzoekster in het kader van het tweede middel voorts dat de Raad geen bewijs levert van de in de bestreden handelingen vermelde feiten.

139    Zoals in punt 105 hierboven is vastgesteld, dient dit middel enkel te worden onderzocht voor zover het betrekking heeft op de beslissing van de Home Secretary.

140    In dit verband moet worden opgemerkt dat de lijsten houdende bevriezing van tegoeden volgens artikel 1, lid 4, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 worden opgesteld aan de hand van welbepaalde inlichtingen of dossierelementen die aantonen dat door een bevoegde instantie een beslissing is genomen ten aanzien van bedoelde personen of entiteiten, ongeacht of het gaat om de inleiding van een onderzoek of een vervolging wegens een terroristische daad, de poging tot het plegen van een dergelijke daad, de deelname aan of het vergemakkelijken van een dergelijke daad, „op grond van bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen”, dan wel om een veroordeling wegens dergelijke feiten.

141    Uit de algemene opzet van deze bepaling volgt dat het vereiste dat de Raad, alvorens de namen van personen of entiteiten op de lijsten houdende bevriezing van tegoeden te plaatsen op basis van beslissingen van de bevoegde instanties, nagaat of die beslissingen zijn genomen „op grond van bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen”, alleen betrekking heeft op beslissingen inzake de inleiding van een onderzoek of een vervolging maar niet op beslissingen inzake veroordelingen.

142    Het onderscheid dat aldus tussen beide soorten beslissingen wordt gemaakt, vloeit voort uit de toepassing van het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen en de lidstaten, dat geldt voor de vaststelling van beperkende maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en op grond waarvan de Raad de plaatsing van terroristische personen of entiteiten op de lijsten van bevriezing van tegoeden moet baseren op door de nationale instanties genomen beslissingen, zonder dat hij deze ter discussie moet of zelfs kan stellen.

143    Aldus omschreven geldt het beginsel van loyale samenwerking voor nationale veroordelingbeslissingen, met als gevolg dat de Raad, alvorens de namen van personen of entiteiten op de lijsten van bevriezing van tegoeden te plaatsen, niet hoeft na te gaan of die beslissingen zijn gebaseerd op bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen en dat hij zich op dit punt moet verlaten op de beoordeling van de nationale instantie.

144    Nationale beslissingen tot inleiding van een onderzoek of een vervolging worden naar hun aard genomen aan het begin of in de loop van een procedure die nog niet is afgerond. Om de doeltreffendheid van de bestrijding te verzekeren, is het nuttig geacht dat de Raad zich bij de vaststelling van beperkende maatregelen op dergelijke besluiten kan baseren, ook al zijn zij slechts van voorbereidende aard, met dien verstande dat de Raad, teneinde de bescherming van de bij deze procedures betrokken personen te waarborgen, dit slechts kan doen wanneer hij eerst is nagegaan of die beslissingen berusten op bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen.

145    In casu is de beslissing van de Home Secretary definitief in die zin dat er geen onderzoek meer op moet volgen. Bovendien heeft zij tot doel verzoekster in het Verenigd Koninkrijk te verbieden, met strafrechtelijke gevolgen voor de personen die een al dan niet nauwe band met haar onderhouden.

146    Bijgevolg is de beslissing van de Home Secretary geen beslissing tot inleiding van een onderzoek of een vervolging, maar een veroordelingsbeslissing, zodat de Raad, ingevolge artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, in de motivering van de bestreden handelingen geen bewijzen en serieuze aanwijzingen hoefde op te nemen waarop de beslissing van die instantie berustte.

147    In dit verband is het feit dat de Home Secretary een bestuurlijke instantie is, irrelevant, aangezien, zoals uit de punten 114 en 115 hierboven blijkt, diens beslissingen vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing en hij derhalve als equivalent van een rechterlijke instantie moet worden beschouwd.

148    Bijgevolg kan de Raad niet worden verweten dat hij in de motivering van de bestreden handelingen geen „bewijzen en serieuze en geloofwaardige aanwijzingen” heeft vermeld waarop de beslissing van de Home Secretary berustte.

149    Doordat zij niet hoeven te worden vermeld, hoeven deze feiten, a fortiori, niet te worden bewezen.

150    Het tweede en het zesde middel moeten dus worden afgewezen voor zover zij betrekking hebben op bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

 Derde middel: onjuiste opvattingen van de feiten

151    Verzoekster betwist de feiten die de Raad heeft vermeld in de motiveringen van de bestreden handelingen, omdat zij niet nauwkeurig genoeg zijn weergegeven, niet zijn bewezen en te oud zijn om de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten te rechtvaardigen.

152    Dit derde middel moet alleen worden onderzocht voor zover het betrekking heeft op de feiten waarop de Raad zich heeft gebaseerd om verzoeksters naam op de litigieuze lijsten te handhaven. Zoals volgt uit het onderzoek van het voorgaande middel, hoeven de feiten waarop de beslissing van de Home Secretary berust immers niet te worden vermeld in de bestreden handelingen.

153    Wat de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten betreft, heeft de Raad in punt 7 van de motivering van de bestreden handelingen opgemerkt dat in casu de beslissingen van de bevoegde instanties waarop hij zich voor de aanvankelijke plaatsing had gebaseerd, nog altijd van kracht waren.

154    Uit de rechtspraak volgt dat, wanneer er zeer veel tijd is verstreken tussen de nationale beslissing die als grondslag voor de aanvankelijke plaatsing heeft gediend en de vaststelling van de handelingen tot handhaving van die plaatsing, de Raad zich, om te concluderen dat het gevaar van betrokkenheid van de persoon of entiteit in kwestie bij terroristische activiteiten nog altijd bestaat, niet kan beperken tot de vaststelling dat die beslissing nog altijd van kracht is, maar een geactualiseerde beoordeling van de situatie moet verrichten, rekening houdend met recentere feitelijke elementen die aantonen dat bedoeld gevaar nog steeds bestaat (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punten 54 en 55, en 26 juli 2017, Raad/Hamas, C‑79/15 P, EU:C:2017:584, punten 32 en 33).

155    Uit de in punt 154 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt ook dat de recentere feitelijke elementen waarop de handhaving van de naam van een persoon of entiteit op de lijst van bevriezing van tegoeden berust, afkomstig kunnen zijn uit andere bron dan nationale beslissingen van bevoegde instanties (zie in die zin arresten van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 72, en 26 juli 2017, Raad/Hamas, C‑79/15 P, EU:C:2017:584, punt 50).

156    In casu dateert de aanvankelijke beslissing van de Home Secretary van 2001, terwijl de bestreden handelingen zijn vastgesteld tussen juli 2016 en juli 2018.

157    Gezien de aanzienlijke periode die ligt tussen de aanvankelijke beslissing van de Home Secretary en de bestreden handelingen, variërend van vijftien tot zeventien jaar, mocht de Raad, overeenkomstig de in punt 154 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, zich niet beperken tot de vaststelling dat de beslissing van de Home Secretary van kracht was gebleven, zonder melding te maken van recentere elementen waaruit bleek dat het gevaar van verzoeksters betrokkenheid bij terroristische activiteiten was blijven bestaan.

158    Wat die elementen betreft, heeft de Raad in de eerste plaats, in punt 16 van bijlage A bij de motivering van de bestreden handelingen, in verband met de heroverwegingsprocedure die in 2013 in het Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden, aangegeven:

„In november 2013 is de Home Secretary op basis van het beschikbare bewijsmateriaal tot de slotsom gekomen dat de groepering op een andere wijze was betrokken bij het terrorisme, aangezien zij wapens bezat en vastbesloten bleef om geweld te gebruiken voor het bereiken van haar doel van een islamitische staat […]”

159    Volgens verzoekster is dit feit niet nauwkeurig genoeg om de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten te rechtvaardigen.

160    Dienaangaande zij opgemerkt dat het Hof voor opvolgende beslissingen tot bevriezing van tegoeden heeft geoordeeld dat de Unierechter verplicht was na te gaan of de motiveringsplicht als voorzien in artikel 296 VWEU was nagekomen en of de aangevoerde redenen waren gestaafd (arresten van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 70, en 26 juli 2017, Raad/Hamas, C‑79/15 P, EU:C:2017:584, punt 48).

161    Wat de motiveringsplicht betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbende de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

162    De motivering hoeft niet alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden te specificeren, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arresten van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 53, en 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 82).

163    In het bijzonder is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd, wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arresten van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 54, en 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 82).

164    In casu staat vast dat de Raad, door in punt 16 van bijlage A bij de motivering van de bestreden handelingen aan te geven dat „[verzoekster] wapens bezat en vastbesloten bleef om geweld te gebruiken voor het bereiken van haar doel van een islamitische staat”, niet voldoet aan de motiveringsplicht zoals hierboven gedefinieerd.

165    Enerzijds vermeldt de Raad in die verklaring immers alleen, in algemene termen, dat er sprake is van wapenbezit, zonder dit in de tijd te plaatsen of te lokaliseren. Anderzijds dicht hij verzoekster een intentie toe die door geen enkel vaststaand of zelfs maar vast te stellen feit wordt gestaafd.

166    Bijgevolg kan verzoekster met betrekking tot dit feit, zelfs met behulp van de context, onmogelijk vaststellen wat haar wordt verweten, terwijl het Gerecht in een situatie wordt geplaatst waarin het, om dezelfde reden, voor hem onmogelijk is het toezicht uit te oefenen dat het Hof vereist.

167    De motivering van dit feit voldoet derhalve niet aan de voorwaarden die de in de punten 160 tot en met 163 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak oplegt.

168    In de tweede plaats heeft de Raad in punt 18 van bijlage B bij de motivering van de bestreden handelingen feiten opgesomd die afkomstig zijn uit „de administratieve dossiers (,administrative records’) van het Home Department over Gama’a al‑Islamiyya van 2010 en 2003” en is in punt 10 van die bijlage aangegeven dat het meest recente onderzoek van de aanwijzing van verzoekster als buitenlandse terroristische organisatie was afgerond op 15 december 2010.

169    Deze feiten zijn de volgende:

–        „[verzoekster] heeft de verantwoordelijkheid opgeëist voor de mislukte moordaanslag van juni 1995 op de Egyptische president Hosni Mubarak”;

–        „in 1997 heeft [verzoekster] een aanslag gepleegd op toeristen in Luxor (Egypte), waarbij zij 58 slachtoffers heeft gemaakt”;

–        „in een bulletin van 2006 heeft de [Federal Bureau of Investigation (FBI, federaal onderzoeksbureau, Verenigde Staten van Amerika)] de autoriteiten gewaarschuwd dat Rahman, een verantwoordelijke [van verzoekster], had opgeroepen tot vergeldingsaanslagen indien hij in gevangenschap zou overlijden. Het bulletin citeerde de laatste wilsbeschikking en het testament van Rahman, die waren verspreid tijdens een bijeenkomst van Al Qaida in 1998”.

170    Zoals blijkt uit de rechtspraak waaraan is herinnerd in de punten 154 en 155 hierboven, kunnen dergelijke feiten de handhaving van verzoeksters naam op de lijst van bevriezing van tegoeden rechtvaardigen, ongeacht de bron ervan, maar is het essentieel dat de Raad over voldoende recente elementen beschikt om haar standpunt op te baseren.

171    Van deze feiten dateren de eerste twee van vóór de beslissing van de Home Secretary waarop de aanvankelijke plaatsing van verzoekster op de lijst berust. Zij kunnen dus niet in aanmerking worden genomen om de handhaving van deze plaatsing te rechtvaardigen.

172    Wat het derde feit betreft, voert verzoekster aan dat dit te onnauwkeurig is weergegeven en, met name, dat de persoon die Rahman wordt genoemd niet duidelijk is geïdentificeerd. Zij voegt hieraan toe dat de uitlatingen van deze persoon niet aan haar organisatie kunnen worden toegerekend en dat dit feit, net als de andere in de bestreden handelingen genoemde, niet recent genoeg is.

173    In dit verband zij eraan herinnerd dat de mate van motivering die van de Raad wordt verlangd, moet worden beoordeeld in de context waarin de bestreden handeling is vastgesteld en de kennis die verzoekster van deze context kan hebben. In casu is algemeen bekend dat Omar Abdel Rahman een verantwoordelijke van verzoekster was, dat hij in 1993 in de Verenigde Staten is gevangengezet na aanslagen op Amerikaans grondgebied en dat hij opgesloten is gebleven tot aan zijn dood in 2017.

174    Gezien deze bekende context moet worden aangenomen dat dit feit voldoende nauwkeurig is beschreven om aan de motiveringsplicht te voldoen.

175    Met name kon deze Rahman gemakkelijk worden geïdentificeerd en was het, gezien zijn positie, niet onredelijk om zijn uitlatingen aan verzoekster toe te rekenen.

176    Dit feit volstaat op zichzelf evenwel niet om de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten te rechtvaardigen.

177    De persconferentie waarbij de laatste wilsbeschikking van Rahman werd bekendgemaakt, heeft immers plaatsgevonden in 1998, dus vóór de beslissing van de Home Secretary, die in 2001 is vastgesteld. Het bulletin van de FBI werd verspreid in 2006, dus tien jaar vóór de vaststelling van de bestreden handelingen.

178    Voorgaande analyse wordt tegengesproken door de Raad, die van mening is dat het Gerecht het in punt 160 hierboven beschreven toezicht niet kan uitoefenen met betrekking tot de feiten die in de motivering van de bestreden handelingen zijn vermeld, omdat zij afkomstig zijn van beslissingen die de bevoegde nationale instanties hebben genomen in het kader van de herziening van hun oorspronkelijke beslissingen tot plaatsing van verzoekster op de lijsten.

179    Volgens de Raad moeten deze herzieningsbeslissingen worden gelijkgesteld met de beslissingen bedoeld in artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, zodat het Gerecht de motivering en juistheid van de feiten waarop deze beslissingen berusten niet mag toetsen, ook al worden zij betwist.

180    Dit argument is feitelijk en rechtens onjuist.

181    Wat, in de eerste plaats, de feiten betreft die zijn beschreven in punt 16 van bijlage A bij de motivering van de bestreden handelingen, staat allereerst vast dat de Raad, in het kader van vragen van het Gerecht, in november 2013 heeft aangegeven dat de beslissing van de Home Secretary was heroverwogen door de Proscription Review Group (interministeriële groep belast met de heroverweging van verboden, Verenigd Koninkrijk). Ter terechtzitting heeft de Raad evenwel formeel erkend dat deze heroverweging niet had geleid tot de vaststelling van een specifieke handeling door de instanties van het Verenigd Koninkrijk, die aan het Gerecht kon worden overgelegd. Er is dus geen beslissing die kan worden gelijkgesteld met een beslissing van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

182    Met betrekking tot de feiten genoemd in punt 18 van bijlage B bij de motivering van de bestreden handelingen zij bovendien opgemerkt dat er geen duidelijk specifiek verband is vastgesteld met een heroverwegingsbeslissing in de Verenigde Staten. In dit punt 18 wordt immers alleen melding gemaakt van feiten die zijn vastgelegd in „administrative records”, zonder dat de status daarvan nader is bepaald in het licht van de in punt 10 van die bijlage genoemde heroverweging, en de datering van een van deze „records” komt niet overeen met die van die heroverweging.

183    Bovendien zij eraan herinnerd dat de door de Raad in de bestreden handelingen aangehaalde Amerikaanse beslissingen niet als grondslag voor die handelingen kunnen dienen, aangezien deze instelling in de motivering ervan niet is nagegaan of was voldaan aan de vereisten in verband met de eerbiediging van de rechten van verdediging, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof.

184    Uit het voorgaande blijkt dat de Raad zich niet kan beroepen op nationale heroverwegingsbeslissingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

185    Ook al zouden er, in de tweede plaats, over de heroverweging van de beslissingen van de bevoegde instanties die als grondslag voor de aanvankelijke plaatsing hebben gediend, beslissingen zijn vastgesteld die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, staat hoe dan ook vast dat deze beslissingen niet de grondslag vormden voor een eerste plaatsing in de zin van deze bepaling, maar voor een beslissing tot handhaving van een plaatsing als bedoeld in artikel 1, lid 6, van hetzelfde gemeenschappelijk standpunt.

186    Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de betrokken persoon of entiteit in het kader van een beroep tegen zijn handhaving op de litigieuze lijst alle elementen kan bestrijden waarop de Raad heeft gesteund om aan te tonen dat het gevaar van betrokkenheid bij terroristische activiteiten nog steeds bestaat, los van de vraag of die elementen uit een nationale beslissing van een bevoegde instantie of uit andere bron komen (arresten van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 71, en 26 juli 2017, Raad/Hamas, C‑79/15 P, EU:C:2017:584, punt 49).

187    Indien de feiten genoemd in punt 16 van bijlage A en punt 18 van bijlage B bij de motiveringen van de bestreden handelingen ten grondslag zouden liggen aan recentere beslissingen van de nationale instanties, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, zou dit dus niet afdoen aan verzoeksters recht om bezwaar te maken tegen de motivering en de juistheid ervan, noch aan de verplichting voor het Gerecht om deze te toetsen, overeenkomstig de in punt 160 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

188    Derhalve moet in de punten 161 tot en met 177 hierboven wel degelijk worden onderzocht of de feiten die de Raad heeft aangevoerd om de plaatsing van verzoeksters naam op de lijsten van bevriezing van tegoeden te handhaven, gemotiveerd en juist zijn, zelfs als zij afkomstig zijn van een nationale heroverwegingsbeslissing.

189    Na dit onderzoek moet in casu worden aangenomen dat de feiten die de Raad in de motiveringen van de bestreden handelingen heeft genoemd, de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten niet kunnen rechtvaardigen.

190    Het derde middel moet dus gegrond worden geacht.

191    Het Gerecht acht het evenwel wenselijk om verder te gaan met het onderzoek van het achtste middel.

 Achtste middel: ontbreken van authenticatie van de motiveringen van de bestreden handelingen

192    In het verzoekschrift merkt verzoekster op dat de motiveringen van de bestreden handelingen, die aan haar advocaat zijn toegezonden bij de brieven van de Raad van 26 mei en 13 juli 2016, 30 januari en 7 augustus 2017, en 22 maart en 31 juli 2018, niet waren ondertekend door de voorzitter van deze instelling en dus niet waren geauthentiseerd, zoals artikel 15 van het reglement van orde van deze instelling, zoals vastgesteld bij besluit 2009/937/EU van 1 december 2009 (PB 2009, L 325, blz. 35), vereist.

193    Verzoekster betoogt dat zij er bij gebreke van een dergelijke authenticatie niet zeker van kan zijn dat de haar toegezonden motiveringen volledig gelijk zijn aan de door de Raad vastgestelde en dat zij integraal zijn weergegeven zonder te zijn gewijzigd na de vaststelling ervan.

194    In dit verband merkt verzoekster op dat de motiveringen die haar zijn toegezonden bij brief van 26 mei 2016 alle waren gedateerd op 24 mei 2016, hetgeen betekent dat er wijzigingen in zijn aangebracht, in ieder geval wat de datum ervan betreft, aangezien zij op verschillende tijdstippen zijn vastgesteld, zonder dat kan worden vastgesteld of deze wijziging de enige is die erin is aangebracht.

195    Om te beginnen staat vast dat het middel slechts ten volle ter zake dienend is voor zover het betrekking heeft op de motiveringen van de bestreden handelingen. Bijgevolg kunnen de bij de brief van 26 mei 2016 toegezonden motiveringen, die verband houden met eerdere handelingen, niet in aanmerking worden genomen.

196    Ten gronde zij eraan herinnerd, dat artikel 297, lid 2, eerste alinea, VWEU als volgt luidt:

„Niet-wetgevingshandelingen, vastgesteld in de vorm van verordeningen, richtlijnen en besluiten, worden, wanneer deze geen adressaat vermelden, ondertekend door de voorzitter van de instelling waardoor zij zijn vastgesteld.”

197    Bovendien bepaalt artikel 15 van het reglement van orde van de Raad:

„De tekst […] van de door de Raad aangenomen handelingen, wordt voorzien van de handtekening van de voorzitter die op het ogenblik van de aanneming ervan in functie is, en van die van de secretaris-generaal. De secretaris-generaal kan zijn tekenbevoegdheid delegeren aan directeuren-generaal van het secretariaat-generaal.”

198    In het door verzoekster aangehaalde arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 75), heeft het Hof met betrekking tot een besluit van de Commissie geoordeeld dat de door het reglement van orde voorgeschreven authenticatie niet kon worden opgevat als een louter als geheugensteun bedoelde formaliteit, maar tot doel had de rechtszekerheid te waarborgen door de door het college vastgestelde tekst vast te leggen in de talen waarin deze authentiek is.

199    Volgens het Hof kan dankzij die door het reglement van orde van de Commissie voorgeschreven authenticatie in geval van betwisting worden nagegaan of de betekende of bekendgemaakte teksten exact overeenstemmen met de tekst zoals die door de instelling is vastgesteld, en dus weergeven wat de auteur ervan heeft gewild (arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 75).

200    Hieruit volgt, volgens het Hof, dat de door het reglement van orde van de Commissie voorgeschreven authenticatie is te beschouwen als een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 263 VWEU, waarvan de schending aanleiding kan geven tot een beroep tot nietigverklaring (arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 76).

201    Deze in het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punten 75 en 76), met betrekking tot de handelingen van de Commissie geformuleerde regels, moeten worden toegepast op de handelingen van de Raad.

202    Net als voor de handelingen van de Commissie, vereist het beginsel van rechtszekerheid immers dat derden kunnen nagaan of de bekendgemaakte of betekende handelingen van de Raad gelijk zijn aan de vastgestelde.

203    Dit geldt ongeacht het feit dat de Raad, anders dan de Commissie, geen college is. In het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, EU:C:1994:247), heeft het Hof zich immers, ter rechtvaardiging van de verplichting tot authenticatie van akten, met name gebaseerd op de noodzaak de rechtszekerheid te waarborgen, door het mogelijk te maken om, in geval van betwisting, na te gaan of de betekende of bekendgemaakte teksten exact gelijk zijn aan de door de instelling vastgestelde tekst. Rechtszekerheid is echter een algemeen rechtsbeginsel dat voor alle instellingen geldt, ongeacht hun aard, vooral wanneer zij, zoals in casu, handelingen vaststellen die zijn bedoeld om gevolgen teweeg te brengen voor de rechtspositie van rechtspersonen of particulieren.

204    Net als de handelingen van de Commissie moeten de handelingen van de Raad bovendien, met name ingevolge artikel 215 VWEU, voldoen aan de regels inzake meerderheid van stemmen, waarvan moet kunnen worden nagegaan of zij in acht genomen zijn.

205    In casu staat vast dat de aan verzoekster overgelegde motiveringen van de bestreden handelingen niet zijn ondertekend, maar als zodanig de vorm hebben van getypte documenten zonder opschrift, die geen enkele vermelding, zelfs geen datum, bevatten aan de hand waarvan zij kunnen worden herkend als handelingen van de Raad en de datum van vaststelling ervan kan worden bepaald.

206    In verweer heeft de Raad uitgelegd dat de aan verzoekster toegezonden motiveringen waren ontleend aan nota’s die, overeenkomstig de toepasselijke procedure, vóór de goedkeuring van de bestreden handelingen door de Raad waren toegezonden aan het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper). De Raad heeft voorts bijlage B 25 overgelegd die de volgende documenten bevatte:

–        de op 17 juni 2016 aan het Coreper overhandigde nota 10272/16, met in de bijlage de motivering van de handelingen van juli 2016;

–        de voorlopige agenda van de 2591e vergadering van het Coreper van 21 en 22 juni 2016, met in punt 25 van de voorlopige agenda van het Coreper van 21 juni 2016, tussen de punten I, de ontwerpen van de handelingen van juli 2016, met een verwijzing naar nota 10272/16 en andere documenten;

–        de agenda van de 3480e zitting van de Raad van 12 juli 2016, betreffende de punten A, met in punt 21 van die agenda een vermelding van de ontwerpen van de handelingen van juli 2016, met een verwijzing naar nota 10272/16, de documenten genoemd in de agenda van het Coreper en andere documenten.

207    Bij maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht de Raad op 29 juni 2018 verzocht hem de bestreden handelingen te verstrekken, ondertekend overeenkomstig artikel 297, lid 2, eerste alinea, VWEU en artikel 15 van zijn reglement van orde.

208    Op 20 juli 2018 heeft de Raad de bestreden handelingen, gedateerd en voorzien van de handtekening van zijn voorzitter en zijn secretaris-generaal, overgelegd aan het Gerecht, evenwel zonder de motivering voor de vaststelling ervan.

209    Uiteindelijk heeft de Raad ter terechtzitting erkend dat de motiveringen van de bestreden handelingen niet waren ondertekend door zijn voorzitter en zijn secretaris-generaal.

210    Er is bij de vaststelling van de bestreden handelingen dus een wezenlijk vormvoorschrift geschonden en deze handelingen moeten bijgevolg nietig worden verklaard.

211    Deze analyse wordt betwist door de Raad.

212    In de eerste plaats geeft de Raad aan dat de handelingen zijn ondertekend zoals bepaald in het reglement van orde en dat de ondertekening alleen ontbreekt op de motiveringen. Aangezien de formaliteit voor de handelingen in acht is genomen, mogen deze niet nietig worden verklaard.

213    In dit verband zij opgemerkt dat het argument van de Raad een scheiding aanbrengt tussen de handelingen en de motiveringen ervan, die niet kan worden aanvaard.

214    Ingevolge artikel 296 VWEU moeten de handelingen van de Raad worden gemotiveerd, want deze bepaling schrijft, overeenkomstig vaste rechtspraak, voor dat de betrokken instelling de redenen vermeldt die haar ertoe hebben gebracht die handelingen vast te stellen, opdat de belanghebbende de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie in die zin arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

215    Slechts in het licht van de motivering van een handeling kan het dispositief ervan worden begrepen en kan de strekking ervan worden bepaald. Aangezien het dispositief en de motivering een ondeelbaar geheel vormen (arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 67, en 18 januari 2005, Confédération Nationale du Crédit Mutuel/Commissie, T‑93/02, EU:T:2005:11, punt 124), dient de instelling beide vast te stellen.

216    Gelet op het voorgaande kunnen de motivering en het dispositief van een handeling niet van elkaar worden gescheiden voor de toepassing van de bepalingen die de authenticatie van die handeling vereisen. Wanneer, zoals in casu, de handeling en de motivering zijn opgenomen in afzonderlijke documenten, dienen beide te worden geauthentiseerd, zoals deze bepalingen vereisen, zonder dat de ondertekening van één ervan kan leiden tot een weerlegbaar of onweerlegbaar vermoeden dat de tweede eveneens is geauthentiseerd.

217    In de tweede plaats voert de Raad aan dat de feitelijke context van de onderhavige zaak afwijkt van die van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, EU:C:1994:247), doordat in de onderhavige zaak de betrokken instelling de bestreden handelingen en de motiveringen ervan integraal heeft vastgesteld.

218    In dit verband moet worden opgemerkt dat, volgens de rechtspraak, het loutere ontbreken van authenticatie van een handeling een schending van een wezenlijk vormvoorschrift vormt, zonder dat daarnaast hoeft te worden aangetoond dat de handeling door een ander gebrek is aangetast of dat het ontbreken van authenticatie schade heeft veroorzaakt aan degene die zich daarop beroept (arresten van 6 april 2000, Commissie/ICI, C‑286/95 P, EU:C:2000:188, punt 42, en 6 april 2000, Commissie/Solvay, C‑287/95 P en C‑288/95 P, EU:C:2000:189, punt 46).

219    Doordat in casu de motivering niet is geauthentiseerd, is een wezenlijk vormvoorschrift geschonden, hetgeen moet leiden tot nietigverklaring van de bestreden handelingen, zonder dat hoeft te worden nagegaan of de aan verzoekster toegezonden documenten exact gelijk zijn aan de door de Raad vastgestelde.

220    In de derde plaats betoogt de Raad dat de rechtspraak hem verplicht om, in het kader van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, de motiveringen te scheiden van de handelingen zelf. Wat de door de Raad vastgestelde beperkende maatregelen betreft, volgt de huidige situatie, waarin de handelingen zijn ondertekend maar de motivering niet, dus uit de rechtspraak zelf, zodat de Raad op dit punt geen verwijt kan worden gemaakt en de handelingen bijgevolg niet nietig kunnen worden verklaard.

221    In dit verband moet worden opgemerkt dat, ingevolge artikel 296, tweede alinea, VWEU, alle handelingen moeten worden gemotiveerd en dat, zoals is opgemerkt in punt 215 hierboven, het dispositief en de motivering van een beslissing een ondeelbaar geheel vormen.

222    Het klopt dat, omdat een gedetailleerde bekendmaking van de tegen de betrokken personen en entiteiten in aanmerking genomen grieven in conflict kan komen met dwingende overwegingen van algemeen belang en afbreuk kan doen aan hun gerechtvaardigde belangen, is aanvaard dat kon worden volstaan met de bekendmaking in het Publicatieblad van het dispositief en van een algemene motivering van maatregelen tot bevriezing van tegoeden, met dien verstande dat de specifieke en concrete motivering van die beslissing moest worden geformaliseerd en met andere passende middelen ter kennis van de betrokkenen moest worden gebracht (zie in die zin arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad, T‑228/02, EU:T:2006:384, punt 147).

223    Deze tolerantie geldt echter alleen voor de bekendmaking van handelingen en niet voor de handelingen zelf, en bijgevolg evenmin voor de verplichting van artikel 15 van het reglement van orde van de Raad om deze te ondertekenen.

224    In de vierde plaats voert de Raad aan dat de voor zijn functioneren gevolgde procedure het in casu mogelijk maakte om anders dan door een ondertekening na te gaan of de aan verzoeksters advocaat toegezonden motiveringen gelijk waren aan de door hem vastgestelde.

225    De Raad meent dit te hebben aangetoond toen hij op 5 oktober 2018, in antwoord op vragen van het Gerecht, de binnen de instelling voor de vaststelling van de handelingen van juli 2016 gevolgde procedure is nagegaan en een reeks documenten betreffende deze handelingen heeft overgelegd, waaruit hij heeft afgeleid dat de aan verzoekster overgelegde motiveringen gelijk waren aan die welke hij had goedgekeurd.

226    Uit dit betoog volgt dat de instellingen volgens de Raad een alternatief voor de ondertekening kunnen invoeren wanneer zij dit nuttig of noodzakelijk achten.

227    Dit argument kan niet worden aanvaard.

228    Wanneer het Verdrag en het reglement van orde van een instelling vereisen dat die instelling bepaalde formaliteiten vervult in een specifieke context, kan deze instelling dit vereiste niet vervangen door praktijken waarin de voor haar geldende voorschriften niet voorzien. Doordat alle instellingen in dienst staan van een Unie die wordt beheerst door het recht, kunnen zij zich niet onttrekken aan de voor hen geldende regels.

229    Hoe dan ook, de Raad heeft niet aangetoond dat het voor een derde mogelijk is zich ervan te vergewissen dat de hem toegestuurde motiveringen gelijk zijn aan de door de Raad vastgestelde.

230    Gelet op het voorgaande dienen het derde en het achtste middel te worden aanvaard en dienen de bestreden handelingen nietig te worden verklaard, voor zover zij verzoekster betreffen, zonder dat hoeft te worden ingegaan op het vierde, het vijfde en het zevende middel en de onderdelen van het zesde middel die geen betrekking hebben op bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

 Kosten

231    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

232    Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster, overeenkomstig de vordering van laatstgenoemde.

233    Voorts dragen volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten.

234    De Commissie zal dus haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Besluit (GBVB) 2016/1136 van de Raad van 12 juli 2016 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit (GBVB) 2015/2430, uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 van de Raad van 12 juli 2016 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425, besluit (GBVB) 2017/154 van de Raad van 27 januari 2017 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2016/1136, uitvoeringsverordening (EU) 2017/150 van de Raad van 27 januari 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2016/1127, besluit (GBVB) 2017/1426 van de Raad van 4 augustus 2017 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2017/154, uitvoeringsverordening (EU) 2017/1420 van de Raad van 4 augustus 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2017/150, besluit (GBVB) 2018/475 van de Raad van 21 maart 2018 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2017/1426, uitvoeringsverordening (EU) 2018/468 van de Raad van 21 maart 2018 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2017/1420, besluit (GBVB) 2018/1084 van de Raad van 30 juli 2018 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2018/475, en uitvoeringsverordening (EU) 2018/1071 van de Raad van 30 juli 2018 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2018/468, worden nietig verklaard voor zover deze handelingen betrekking hebben op „,Gama’a alIslamiyya’ (ook bekend onder de naam ,Al Gama’a alIslamiyya’) (,islamitische groepering’ – ,GI’)”.

2)      De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen en die van AlGama’a al-Islamiyya Egypt (Gamaa Islamya Egypte).

3)      De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.

Pelikánová

Nihoul

Svenningsen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 april 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.