ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Derde kamer)

4 mei 2010

Zaak F‑100/08

Alessandro Petrilli

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst — Ambtenaren — Pensioenen — Begrip woonplaats — Voornaamste verblijfplaats — Bewijsstukken”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarmee Petrilli vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 16 september 2008 tot afwijzing van de klacht die hij op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie had ingediend tegen het besluit van het Bureau „Beheer en afwikkeling van individuele rechten” van 18 april 2008 waarbij is geweigerd om vast te stellen dat Italië zijn voornaamste verblijfplaats is en om de aanpassingscoëfficiënt voor Italië op zijn pensioen toe te passen.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoeker zal alle kosten dragen.

Samenvatting

Ambtenaren — Pensioenen — Aanpassingscoëfficiënt

(Ambtenarenstatuut, art. 82)

Het begrip woonplaats in de zin van artikel 82 van het Statuut in de tot en met 30 april 2004 geldende versie, dat voorziet in de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt die is vastgesteld voor het land waarin de pensioengerechtigde aantoont zijn woonplaats te hebben gevestigd, betreft de plaats waar de voormalige ambtenaar het daadwerkelijke centrum van zijn belangen heeft gevestigd, dat wil zeggen de plaats waar de betrokkene het permanente of gewone centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven en waar hij wordt geacht zijn kosten te maken. Voorts impliceert het begrip woonplaats, afgezien van een louter kwantitatief gegeven als de duur van het verblijf op het grondgebied van de een of andere staat, naast het fysieke feit van het wonen op een bepaalde plaats, de intentie om aan dat feit de bestendigheid te verlenen die voortvloeit uit levensgewoonten en normale sociale betrekkingen. Dit begrip woonplaats is kenmerkend voor de communautaire openbare dienst en is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan nationale opvattingen van dat begrip.

(cf. punt 32)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 4 juni 2003, Del Vaglio/Commissie, T‑124/01 en T‑320/01, JurAmbt. blz. I‑A‑157 en II‑767, punt 70 en aangehaalde rechtspraak, en punten 71 en 72; 12 september 2005, Dionyssopoulou/Raad, T‑320/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39; 27 september 2006, Kontouli/Raad, T‑416/04, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑181 en II‑A‑2‑897, punt 71

Gerecht voor ambtenarenzaken: 8 april 2008, Bordini/Commissie, F‑134/06, JurAmbt. blz. I-A-1-87 en II-A-1-435