ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Eerste kamer)

29 juni 2010

Zaak F‑34/09

Rudolf Sluiter

tegen

Europese Politiedienst (Europol)

„Openbare dienst — Personeel van Europol — Niet-verlenging van overeenkomst — Overeenkomst voor onbepaalde tijd — Artikel 6 van het Statuut voor personeelsleden van Europol — Beginsel van eerbiediging van rechten van verdediging”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 40, lid 3, van de overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst) en artikel 93, lid 1, van het Statuut voor de personeelsleden van Europol, waarmee Sluiter vraagt om nietigverklaring van het besluit van Europol van 12 juni 2008 houdende weigering om hem een overeenkomst voor onbepaalde tijd te geven en van het besluit van Europol van 7 januari 2009 tot afwijzing van zijn klacht tegen het besluit van 12 juni 2008.

Beslissing: Het besluit van 12 juni 2008 waarbij Europol heeft geweigerd om verzoeker een overeenkomst voor onbepaalde tijd te geven, wordt nietig verklaard. Europol wordt verwezen in de kosten.

Samenvatting

1.      Recht van de Unie — Beginselen — Grondrechten — Eerbiediging van rechten van verdediging

2.      Ambtenaren — Personeelsleden van Europol — Besluit dat administratieve positie van functionaris raakt — Inaanmerkingneming van elementen die niet in zijn persoonsdossier voorkomen — Onwettigheid

(Statuut voor de personeelsleden van Europol, art. 6 en 23)

3.      Ambtenaren — Personeelsleden van Europol — Besluit dat administratieve positie van functionaris raakt — Inaanmerkingneming van elementen die niet in zijn persoonsdossier voorkomen — Beslissende invloed — Nietigverklaring — Voorwaarden

(Statuut voor de personeelsleden van Europol, art. 23)

1.      De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een wezenlijk vormvoorschrift waarvan de schending ambtshalve kan worden onderzocht. Die eerbiediging is in iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, te beschouwen als een grondbeginsel van het recht van de Unie, dat zelfs bij gebreke van enig voorschrift omtrent de betrokken procedure in acht moet worden genomen. Volgens dit beginsel moet elke persoon jegens wie een bezwarend besluit kan worden genomen in staat worden gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarvan in het vast te stellen besluit jegens hem zou kunnen worden uitgegaan. Als corollarium van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging impliceert het recht van toegang dat de administratie de betrokken functionaris alle documenten verstrekt waarop zij haar besluit kan baseren.

(cf. punten 58 en 59)

Referentie:

Hof: 7 mei 1991, Interhotel/Commissie, C‑291/89, Jurispr. blz. I‑2257, punt 14; 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punten 68 en 71; 9 november 2006, Commissie/De Bry, C‑344/05 P, Jurispr. blz. I‑10915, punten 37 en 38; 6 december 2007, Marcuccio/Commissie, C‑59/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 46

Gerecht van eerste aanleg: 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/05–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 487

Gerecht voor ambtenarenzaken: 11 september 2008, Bui Van/Commissie, F‑51/07, JurAmbt. blz. I-A-1-289 en II-A-1-1533, punt 77, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑491/08 P

2.      Artikel 23 van het Statuut voor de personeelsleden van Europol beoogt de rechten van verdediging van de Europol-functionaris te garanderen, door te vermijden dat besluiten van de administratie die zijn positie en loopbaan raken zijn gebaseerd op feiten betreffende zijn bekwaamheid, zijn prestaties of zijn gedrag die niet in zijn persoonsdossier worden vermeld. Hieruit volgt dat een op dergelijke feitelijke elementen gebaseerd besluit in strijd is met de waarborgen van dat statuut en moet worden nietig verklaard omdat het tot stand is gekomen na een onregelmatige procedure.

Een besluit dat tot stand is gekomen na een bijzondere procedure van verlening van overeenkomsten voor onbepaalde tijd, welke in de bepalingen van artikel 6 van dat statuut en artikel 7 van het besluit van 8 december 2006, betreffende de uitvoering van artikel 6 van het Statuut voor de personeelsleden van Europol, is voorzien, kan de administratieve positie van een Europol-functionaris raken en vormt derhalve een bezwarend besluit. Dat betekent dat dit besluit alleen kan worden genomen overeenkomstig het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging.

(cf. punten 60 en 62)

Referentie:

Hof: 28 juni 1972, Brasseur/Parlement, 88/71, Jurispr. blz. 499, punt 11; 12 februari 1987, Bonino/Commissie, 233/85, Jurispr. blz. 739, punt 11

Gerecht van eerste aanleg: 6 februari 2003, Pyres/Commissie, T‑7/01, JurAmbt. blz. I‑A‑37 en II‑239, punten 70 en 72; 13 december 2005, Cwik/Commissie, T‑155/03, T‑157/03 en T‑331/03, JurAmbt. blz. I‑A‑411 en II‑1865, punt 50

Gerecht voor ambtenarenzaken: 28 juni 2007, Bianchi/ETF, F‑38/06, JurAmbt. blz. I-A-1-183 en II-A-1-1009, punt 48

3.      Schending van artikel 23 van het Statuut voor de personeelsleden van Europol en van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging leidt alleen tot nietigverklaring van een handeling, indien blijkt dat de stukken waarvan een functionaris geen kennis heeft genomen een beslissende invloed kunnen hebben gehad op het op hem betrekking hebbende besluit van de administratie.

Een beoordelingsformulier, dat niet alleen informatie bevat die is overgenomen uit het beoordelingsrapport, maar dat rubrieken betreffende de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag van de functionaris bevat, en een beoordeling van het gevolg van de niet-verlenging van zijn overeenkomst voor de goede bedrijfsvoering van Europol, kan een beslissende invloed op dat besluit hebben.

(cf. punten 66‑70)

Referentie:

Hof: 12 november 1996, Ojha/Commissie, C‑294/95 P, Jurispr. blz. I‑5863, punt 67

Gerecht van eerste aanleg: 6 februari 2007, Wunenburger/Commissie, T‑246/04 en T‑71/05, JurAmbt. blz. I-A-2-21 en II-A-2-131, punt 149