ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)

16 mei 2012 (*)

„Openbare dienst – Bijstandsplicht – Artikelen 12 bis en 24 van het Statuut – Psychisch geweld door hiërarchieke meerdere”

In zaak F‑42/10,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,

Carina Skareby, ambtenaar van de Europese Commissie, wonende te Leuven (België), vertegenwoordigd door S. Rodrigues en C. Bernard-Glanz, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Currall en J. Baquero Cruz als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch (rapporteur), president, R. Barents en K. Bradley, rechters,

griffier: W. Hakenberg,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 november 2011,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 3 juni 2010, vraagt Skareby om nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 23 juli 2009 tot afwijzing van haar verzoek om bijstand met een klacht wegens psychisch geweld en, voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) van 19 februari 2010 tot afwijzing van haar klacht.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, betreffende het „recht op behoorlijk bestuur” bepaalt:

„Dit recht behelst met name:

– het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;

[...]”

3        Artikel 12 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) luidt:

„1. De ambtenaar onthoudt zich van iedere vorm van psychisch geweld of seksuele intimidatie.

2. De ambtenaar die het slachtoffer is geweest van psychisch geweld of seksuele intimidatie mag daarvan van de kant van de instelling geen nadelige effecten ondervinden. De ambtenaar die in een dergelijke aangelegenheid een getuigenis heeft afgelegd, mag daarvan van de kant van de instelling geen nadelige effecten ondervinden, mits de ambtenaar te goeder trouw heeft gehandeld.

3. Onder ‚psychisch geweld’ wordt iedere vorm van opzettelijk onbehoorlijk gedrag verstaan dat zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoet in de vorm van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene kunnen aantasten.

[...]”

4        Artikel 24 van het Statuut, in de ten tijde van de feiten geldende versie, bepaalt:

„De Gemeenschappen verlenen bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan.

Voor zover de schade die de ambtenaar door deze feiten heeft geleden, niet uit diens opzet of grove nalatigheid is voortgevloeid en hij geen vergoeding heeft kunnen verkrijgen van degenen die de schade hebben veroorzaakt, wordt zij door de Gemeenschappen gezamenlijk vergoed.”

 Feiten van het geding

5        Verzoekster is sinds 1 december 1996 ambtenaar van de Europese Unie. Op 18 april 2003 is zij tewerkgesteld bij de delegatie van de Commissie te Almaty (Kazachstan). Nadat Kirgizië een zogenoemde geregionaliseerde delegatie kreeg toegewezen, is verzoekster met ingang van 19 april 2004 tewerkgesteld te Bishkek (Kirgizië). In de mondelinge nota van 8 juni 2004 waarin zij werd voorgesteld aan de minister van Buitenlandse zaken van Kirgizië en aan de in dat land gevestigde diplomatieke gemeenschap werd gepreciseerd dat, ten eerste, zij de positie vervulde van „sectiehoofd met de rang van waarnemend zaakgelastigde bij afwezigheid van het hoofd van de delegatie”, die in Kirgizië geaccrediteerd bleef, en, ten tweede, „de geregionaliseerde delegatie te Bishkek ondergeschikt [was] aan de [regionale] delegatie van de Commissie [...] te Almaty”. In augustus 2007 keerde verzoekster terug naar het directoraat-generaal (DG) Buitenlandse betrekkingen van de Commissie te Brussel (België).

6        Bij brief van 10 november 2008 heeft verzoekster uit hoofde van artikel 24 van het Statuut een verzoek om bijstand ingediend (hierna: „verzoek om bijstand”), waarin zij stelde dat zij het slachtoffer van psychisch geweld was geweest door twee van haar opeenvolgende hiërarchieke meerderen, die elk achtereenvolgens hoofd van de delegatie van de Commissie te Kazachstan waren geweest (hierna: „eerste delegatiehoofd” en „tweede delegatiehoofd”). Zij vroeg in dat verband om de instelling van een administratief onderzoek teneinde de aangevoerde feiten van psychisch geweld vast te stellen. Uit die brief blijkt dat de aan het eerste delegatiehoofd verweten feiten teruggingen tot de periode van april 2003 tot september 2005, terwijl de aan het tweede delegatiehoofd verweten feiten plaatsvonden van oktober 2005 tot augustus 2007, de datum waarop verzoekster was teruggekeerd naar de zetel van de Commissie te Brussel.

7        Bij brief van 28 november 2008 heeft verzoekster aanvullende informatie over het verzoek om bijstand gegeven. Zij preciseerde daarin met name dat het eerste en tweede delegatiehoofd haar rol binnen de delegaties van Almaty en Bishkek systematisch hadden genegeerd en gebagatelliseerd, waardoor zij aan achting had verloren en was vernederd tegenover haar onderhandelingspartners bij de regeringen van Kazachstan en Kirgizië, de ambassades van de lidstaten van de Unie alsmede de in die landen aanwezige internationale en niet-gouvernementele organisaties.

8        Naar aanleiding van het verzoek om bijstand heeft de Commissie verzoekster bij schrijven van 4 maart 2009 meegedeeld dat het Bureau voor onderzoek en discipline (IDOC) mandaat had gekregen om een administratief onderzoek in te stellen naar het aangevoerde psychisch geweld betreffende het tweede delegatiehoofd. Bij datzelfde schrijven heeft de Commissie verzoekster meegedeeld dat zij geen onderzoek naar het eerste delegatiehoofd wilde instellen, omdat verzoekster het verzoek om bijstand niet binnen een redelijke termijn had ingediend.

9        Bij brief van 28 mei 2009 heeft verzoekster op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van de Commissie van 4 maart 2009, voor zover daarbij werd geweigerd om een onderzoek in te stellen naar het eerste delegatiehoofd. Deze klacht is door de Commissie afgewezen bij besluit van 31 juli 2009. Op 13 november 2009 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen bovenvermeld besluit van 4 maart 2009. Het Gerecht heeft dit beroep toegewezen en de betrokken weigering nietig verklaard (arrest van 8 februari 2011, Skareby/Commissie, F‑95/09; hierna: „arrest Skareby”).

10      Inmiddels had de Commissie verzoekster bij brief van 23 juli 2009 op de hoogte gesteld van de conclusies die het IDOC in zijn rapport over het administratief onderzoek naar het tweede delegatiehoofd had geformuleerd (hierna: „onderzoeksrapport”). Volgens die conclusies was het gestelde geweld niet aangetoond en moest het onderzoek worden afgesloten zonder disciplinaire gevolgen. In diezelfde brief deelde de Commissie verzoekster eveneens mee dat zij derhalve had besloten om geen gevolg te geven aan het verzoek om bijstand en het dossier daarvan te sluiten.

11      Bij brief van 26 oktober 2009 heeft verzoekster op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van de Commissie van 23 juli 2009 om geen gevolg te geven aan haar verzoek om bijstand, welke klacht het TABG op 19 februari 2010 heeft afgewezen.

 Conclusies van partijen en procesverloop

12      Verzoekster vraagt het Gerecht:

–        het beroep ontvankelijk te verklaren;

–        de Commissie te vragen om overlegging van het onderzoeksrapport alsmede van het bijbehorende bewijsmateriaal;

–        het besluit van de Commissie van 23 juli 2009 tot afwijzing van haar klacht wegens psychisch geweld door het tweede delegatiehoofd nietig te verklaren en, voor zover nodig, het besluit van het TABG van 19 februari 2010 tot afwijzing van haar klacht nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

13      De Commissie vraagt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk of in elk geval ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

14      Verzoekster vraagt het Gerecht in haar inleidend verzoekschrift om de Commissie te vragen om overlegging van het onderzoeksrapport en het bijbehorende bewijsmateriaal teneinde te kunnen nagaan of er daadwerkelijk een administratief onderzoek heeft plaatsgevonden.

15      De Commissie heeft in haar verweerschrift aangegeven dat zij verzoekster de betrokken stukken niet kan overleggen, aangezien hierin persoonlijke gegevens zijn opgenomen die beschermd moeten worden en waarvan de openbaarmaking afbreuk zou doen aan de belangen van derden. De Commissie heeft zich echter bereid verklaard, het Gerecht een vertrouwelijke versie van die stukken over te leggen, indien het bij met redenen omklede beschikking daarom zou vragen. Niettemin heeft zij het Gerecht gewezen op het probleem om een niet-vertrouwelijke versie van die stukken over te leggen, aangezien het aangevoerde geweld zich binnen een kleine administratieve eenheid heeft afgespeeld, zodat de weglating van de naam van de getuigen niet zou verhinderen dat zij door andere specifieke elementen zouden worden geïdentificeerd.

16      Bij met redenen omklede beschikking van 6 april 2011, gegeven krachtens artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht verzoekster verzocht om haar opmerkingen te maken over de door de Commissie aangevoerde vertrouwelijkheid van het onderzoeksrapport en van de stukken waarop dat rapport is gebaseerd. Bij diezelfde beschikking heeft het Gerecht de Commissie gevraagd om overlegging van het onderzoeksrapport en de voormelde stukken, waarbij het preciseerde dat noch verzoekster noch haar advocaten deze mochten inzien, althans totdat een uitspraak was gedaan over de relevantie en de vertrouwelijkheid ervan.

17      Bij op 18 april 2011 ter griffie van het Gerecht binnengekomen schrijven heeft de Commissie het onderzoeksrapport en de gevraagde stukken overgelegd. Verzoekster heeft op 26 april daaraanvolgend haar opmerkingen over de eventuele vertrouwelijkheid ervan gemaakt.

18      Na kennis te hebben genomen van het onderzoeksrapport en van de andere door de Commissie toegezonden stukken heeft het Gerecht, gelet op de in het verzoekschrift uiteengezette middelen, geoordeeld dat alleen het onderzoeksrapport relevant was voor de beslechting van het geding. Voorts heeft het Gerecht vastgesteld dat dit rapport vertrouwelijke gegevens bevatte, aangezien het, daar het was opgesteld na een onderzoek wegens psychisch geweld, persoonlijke gegevens bevatte, namelijk namen, voornamen, functies en rangen van de gehoorde personen, op grond waarvan zij geïdentificeerd konden worden. Derhalve heeft het Gerecht beslist om de Commissie te vragen hem een niet-vertrouwelijke versie van het onderzoeksrapport te doen toekomen waarin bovengenoemde persoonlijke gegevens waren weggelaten, en deze niet-vertrouwelijke versie toe te zenden aan verzoekster. Ten slotte heeft het Gerecht beslist om de andere stukken die de Commissie hem ter uitvoering van de beschikking van 6 april 2011 had toegezonden, aan haar terug te sturen. Bij schrijven van 31 mei 2011 heeft de griffie van het Gerecht partijen op de hoogte gesteld van deze beslissingen.

19      Op 7 juni 2011 heeft de Commissie een niet-vertrouwelijke versie van het onderzoeksrapport overgelegd en bij op 15 juli 2011 ter griffie van het Gerecht binnengekomen schrijven heeft verzoekster haar opmerkingen, vergezeld van drie bijlagen, hierover gemaakt. Deze opmerkingen zijn toegezonden aan de Commissie, die op 29 juli daaraanvolgend haar opmerkingen over die opmerkingen heeft toegezonden, welke zij heeft aangevuld bij schrijven van 30 augustus 2011, dat vergezeld ging van meerdere stukken.

20      Bij schrijven van 3 oktober 2011 heeft verzoekster twee stukken neergelegd waarvan zij de overlegging had aangekondigd in haar opmerkingen van 15 juli 2011.

21      In het rapport ter voorbereiding van de terechtzitting is verzoekster verzocht om tijdens de terechtzitting te antwoorden op het middel van niet-ontvankelijkheid dat de Commissie in haar verweerschrift had aangevoerd en om haar opmerkingen te maken over de stukken die bij het schrijven van de Commissie van 30 augustus 2011 waren gevoegd. De Commissie is verzocht om tijdens de terechtzitting haar opmerkingen te maken over de stukken die verzoekster op 28 september daaraanvolgend aan het Gerecht had toegezonden.

 Voorwerp van geding

22      Afgezien van nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 23 juli 2009 om geen gevolg te geven aan het verzoek om bijstand, vraagt verzoekster om nietigverklaring van het besluit van 19 februari 2010 tot afwijzing van haar klacht tegen dat besluit.

23      Volgens vaste rechtspraak hebben vorderingen tot nietigverklaring die formeel zijn gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, wanneer dat besluit geen zelfstandige inhoud heeft, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie in die zin arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, punt 8). In casu heeft het besluit tot afwijzing van de klacht tegen het besluit van de Commissie van 23 juli 2009 geen zelfstandige inhoud, zodat ervan moet worden uitgegaan dat het beroep alleen tegen dat besluit is gericht (hierna: „bestreden besluit”).

 Ontvankelijkheid

 Argumenten van partijen

24      Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk, omdat verzoekster geen procesbelang heeft. Zelfs al zou het beroep gegrond zijn, dan nog geeft de nietigverklaring van het bestreden besluit haar geen genoegdoening. Sinds haar terugkeer, in 2007, naar de zetel van de Commissie te Brussel is het psychisch geweld in elk geval beëindigd en zij heeft geen vergoeding van de geleden schade gevraagd.

25      Het beroep strekt er in feite toe om de instelling van een nieuw administratief onderzoek uit te lokken teneinde een eventuele tuchtprocedure in te leiden tegen het tweede delegatiehoofd of, in het geval dat de feiten worden aangetoond, een simpele verklaring van recht te krijgen waarin het bestaan van geweld wordt vastgesteld. Wat het eerste geval betreft, beschikt de administratie over een ruime beoordelingsvrijheid bij de beslissing om al dan niet een tuchtprocedure tegen een ambtenaar in te leiden en kunnen de andere ambtenaren haar niet dwingen om dit te doen. Wat het tweede geval betreft, heeft verzoekster geen procesbelang, aangezien het niet aan het Gerecht is om het dictum van zijn arresten vergezeld te doen gaan van verklaringen van recht of van vaststellingen.

26      Verzoekster heeft ter terechtzitting het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid betwist. Zij heeft met name betoogd dat haar beroep strekt tot herstel van haar waardigheid, hetgeen zou geschieden door de erkenning van het feit dat zij het slachtoffer van psychisch geweld is geweest. Uit dien hoofde heeft zij een persoonlijk belang bij het verzoek om nietigverklaring van het bestreden besluit, aangezien de administratie in geval van nietigverklaring nu juist de vraag zal moeten onderzoeken of zij het slachtoffer van een dergelijk geweld is geweest.

 Beoordeling door het Gerecht

27      Opgemerkt zij dat de Commissie in casu het in haar verweerschrift aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid heeft gehandhaafd, en wel ondanks het feit dat het Gerecht een soortgelijk middel van niet-ontvankelijkheid heeft afgewezen in het arrest Skareby (punten 22 tot en met 31), dat is uitgesproken vóór de terechtzitting in de onderhavige zaak. Onder deze omstandigheden moet het volgende in herinnering worden gebracht.

28      Vaststaat dat de vordering tot nietigverklaring van een administratieve handeling niet-ontvankelijk is bij gebreke van een gewettigd bestaand en actueel procesbelang, wanneer de nietigverklaring van de bestreden handeling de betrokkene geen genoegdoening kan geven.

29      In casu vraagt verzoekster weliswaar niet om vergoeding van de schade die zij door het gestelde geweld zou hebben geleden. Ook is het juist dat de Commissie op grond van artikel 86, lid 2, van het Statuut bij de inleiding van een tuchtprocedure over een beoordelingsmarge beschikt. Ten slotte staat vast dat het gestelde geweld is beëindigd in augustus 2007, toen verzoekster is teruggekeerd naar de zetel van de Commissie te Brussel.

30      Bovengenoemde omstandigheden hebben echter niet tot gevolg gehad dat het onderhavige beroep zonder voorwerp is geraakt noch dat verzoekster geen belang meer heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit.

31      Wanneer het om een zo ernstige kwestie als psychisch geweld gaat, moet immers worden erkend dat het vermeende slachtoffer van dat geweld dat in rechte opkomt tegen de weigering van de instelling om zijn verzoek om bijstand in te willigen, ondanks de door de Commissie uiteengezette overwegingen het belang behoudt dat volgens de rechtspraak voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een verzoekschrift is.

32      Een dergelijke oplossing is vereist op grond van de ernst van de feiten van psychisch geweld, welke bijzonder vernietigende gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van het slachtoffer. Indien de waardigheid van een gepensioneerd ambtenaar zijn belang rechtvaardigt om op te komen tegen het besluit waarbij hij is geschorst, en dit ondanks het feit dat het schorsingsbesluit op de dag van zijn pensionering noodzakelijkerwijs is ingetrokken (arrest Gerecht van 30 november 2009, Wenig/Commissie, F‑80/08, punt 35), dan moet hetzelfde gelden voor het personeelslid dat zich slachtoffer van psychisch geweld acht, los van de vraag of dat geweld voortduurt dan wel of de betrokken ambtenaar of functionaris andere, met dat vermeende psychisch geweld verband houdende vorderingen, met name schadevorderingen, instelt, wil instellen of alleen maar het recht heeft om dat te doen. Hieraan moet worden toegevoegd dat de eventuele erkenning door de administratie van het bestaan van psychisch geweld op zich een gunstig gevolg kan hebben voor het herstel van het slachtoffer van geweld.

33      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aanvaard.

 Ten gronde

34      Ter onderbouwing van haar vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit voert verzoekster drie middelen aan, ontleend aan, ten eerste, schending van de rechten van de verdediging en van het recht op behoorlijk bestuur, ten tweede, schending van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut en, ten derde, het bestaan van kennelijke beoordelingsfouten, schending van de motiveringsplicht, van de zorgplicht en van de bijstandsplicht.

 Eerste middel: schending van de rechten van de verdediging en van het recht op behoorlijk bestuur

35      Uit verschillende processtukken van verzoekster blijkt dat het eerste middel uit twee onderdelen bestaat. In het eerste onderdeel betwist zij de effectiviteit van het door het IDOC ingestelde administratief onderzoek, terwijl zij in het tweede onderdeel op basis van de rechten van de verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur stelt dat zij te weinig betrokken is geweest bij de procedure.

 Eerste onderdeel van het eerste middel: ondoeltreffendheid van het administratief onderzoek

36      Ofschoon verzoekster op dat moment het onderzoeksrapport nog niet had ontvangen, spreekt zij in haar stuk dat het geding inleidt allereerst haar twijfels uit over het feit of er daadwerkelijk een onderzoek is ingesteld.

37      In haar opmerkingen over het onderzoeksrapport, waarvan de Commissie na de beschikking van het Gerecht van 6 april 2011 (punten 16 en volgende hierboven) een niet-vertrouwelijke versie heeft toegezonden, stelt zij dat uit dit rapport blijkt dat het onderzoek niet nauwkeurig, objectief en onafhankelijk was. Ter onderbouwing hiervan betoogt zij dat van de dertig getuigen die in het verzoek om bijstand waren voorgesteld, er slechts vier zijn gehoord. Bovendien bevat het onderzoeksrapport geen enkele verwijzing naar precieze voorbeelden van geweld die in het verzoek om bijstand worden beschreven en blijkt daaruit niet dat deze voorbeelden door het IDOC op enige wijze zijn onderzocht. Ook is het verslag van bepaalde feiten door het IDOC partijdig. Tevens bevat het onderzoeksrapport onsamenhangendheden en tegenstrijdigheden. Ten slotte maakt de omstandigheid dat de verklaringen van getuige C nu eens in het Frans en dan weer in het Engels zijn weergegeven deze getuigenis verdacht en bevat de weergave van de feiten door de getuigen A en B fouten waardoor twijfel ontstaat over hun geloofwaardigheid.

38      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het IDOC over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt bij de uitvoering van aan hem toevertrouwde administratieve onderzoeken (zie in die zin arrest Gerecht van 13 januari 2010, A en G/Commissie, F‑124/05 en F‑96/06, punt 173). Daar de middelen van die dienst beperkt zijn, moet het de aan hem overgelegde dossiers op evenredige wijze onderzoeken, dat wil met name zeggen op een manier waardoor het aan elke zaak de juiste hoeveelheid van zijn beschikbare tijd kan geven. Voorts beschikt het IDOC eveneens over een ruime marge bij de beoordeling van de kwaliteit en het nut van de door getuigen verleende samenwerking.

39      Bijgevolg kon het IDOC in casu beslissen om slechts enkele van de door verzoekster voorgestelde getuigen te horen. Bovendien rechtvaardigt geen enkel onderdeel van het aan het Gerecht overgelegde dossier de gedachte dat de keuze van het IDOC partijdig was of schadelijk is geweest voor de kwaliteit van het onderzoek. Wat verzoeksters kritiek op de verklaringen van getuige C betreft, ziet het Gerecht niet in waarom het feit dat de verklaringen van deze getuige nu eens in het Frans en dan weer in het Engels zijn weergegeven deze verklaringen verdacht zou maken. Wat verzoeksters afwezigheid betreft waarvan de getuigen melding maken, moet worden opgemerkt dat deze wordt gestaafd door de stukken die de Commissie heeft overgelegd, zodat de geloofwaardigheid van deze getuigen niet kan worden betwist op grond dat hun stellingen op dit punt onjuist zouden zijn.

40      Voorts blijkt uit de in het onderzoeksrapport behandelde thema’s dat het IDOC niet heeft verzuimd om een onderzoek in te stellen naar de voornaamste door verzoekster genoemde klachten van geweld, ook al behandelt dit rapport niet, zoals zij opmerkt, alle specifieke „voorbeelden” die zij in haar verzoek om bijstand had genoemd. Zo heeft het IDOC de kwestie van instructies die het tweede delegatiehoofd haar via ondergeschikten gaf, de vraag of hij haar al dan niet had belet om verslagen op te stellen over de politieke situatie in Kirgizië en het probleem van haar deelneming aan vergaderingen van donorlanden voor Kirgizië, daadwerkelijk onderzocht.

41      Voorts blijkt uit de weergave van de feiten in het onderzoeksrapport geen partijdigheid. Zo beperkt het onderzoeksrapport zich met betrekking tot het feit dat verzoekster, nadat zij in 2005 bij een vertrouwenspersoon erover had geklaagd dat het eerste delegatiehoofd haar treiterde, geen verdere actie had ondernomen nadat die persoon had gezegd dat het gedrag van haar hiërarchieke meerdere binnen het normale bereik bleef, in wezen tot verzoeksters eigen verklaringen in de aanvulling op het verzoek om bijstand van 28 november 2008.

42      Het onderzoeksrapport lijkt evenmin tegenstrijdig. Zo mocht het IDOC, ook al heeft getuige B verklaard dat de gebruikelijke werkmethode van het tweede delegatiehoofd erin bestond om opdrachten via ondergeschikten te geven, aannemen dat, ook al ging hij op die manier te werk met alle onder zijn toezicht staande personeelsleden, het niettemin slechts om een incidentele gedraging ging, aangezien uit verschillende verklaringen bleek dat het tweede delegatiehoofd alleen zo handelde in urgente gevallen, met betrekking tot onbelangrijke kwesties en wegens afwezigheid van de betrokkene. Bovendien is er geen sprake van tegenstrijdigheid tussen de in verzoeksters beoordelingsrapport over 2006 opgenomen verklaring dat zij dikwijls en regelmatig verslagen opstelde over de politieke situatie in Kirgizië en de omstandigheid dat in het onderzoeksrapport wordt opgemerkt dat die voor de diensten van de Commissie te Brussel bestemde verslagen in Almaty werden opgesteld op basis van verzoeksters bijdragen. Haar beperkte rol bij de opstelling van die verslagen wordt overigens bevestigd door getuige C en door verzoekster zelf.

43      Ten slotte kan het gebrek aan betrouwbaarheid van het door het IDOC uitgevoerde onderzoek niet worden afgeleid uit het feit dat uit door verzoekster overgelegde getuigenissen blijkt dat zij de Commissie adequaat heeft vertegenwoordigd bij vergaderingen van donorlanden voor Kirgizië. Die verschillende getuigenissen maken inderdaad melding van verzoeksters kundigheid als waarnemend zaakgelastigde alsmede van haar geloofwaardigheid als vertegenwoordiger van de Commissie en zijn in tegenspraak met de bewering van het tweede delegatiehoofd dat „alle andere donateurs voor Kirgizië het tegenovergestelde gevoel hadden”. Het IDOC heeft echter niet alleen akte genomen van de verklaringen van het tweede delegatiehoofd, maar heeft ook andere getuigenissen verzameld waarin het accent wordt gelegd op de „algehele context”, dat wil zeggen op de onmogelijkheid voor verzoekster om alle officiële evenementen bij te wonen en om alle aan haar toevertrouwde taken te vervullen, en wel met name wegens afwezigheid op het moment waarop de instelling haar strategie moest voorbereiden in het kader van bovengenoemde vergaderingen van donorlanden.

44      Gelet op het voorgaande en op de door partijen overgelegde stukken, is het Gerecht, dat zich voldoende geïnformeerd acht, van oordeel dat, ten eerste, de grief ontleend aan de ondoeltreffendheid van het onderzoek van het IDOC ongegrond is en, ten tweede, er geen grond bestaat voor inwilliging van verzoeksters, in haar opmerkingen over het onderzoeksrapport aan het Gerecht gedane verzoeken om, ten eerste, de getuigenis te verkrijgen van vertegenwoordigers van internationale organisaties, van niet-gouvernementele organisaties of van lidstaten of althans om de Commissie vragen te stellen over de redenen waarom het IDOC een selectie heeft gemaakt onder de door haar voorgestelde getuigen, ten tweede, de Commissie te gelasten om de vragen over te leggen die aan de getuigen zijn gesteld en, ten derde, om de getuigenis te verkrijgen van de personen wier verklaringen zij in die opmerkingen heeft opgenomen.

 Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de rechten van de verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur

45      Verzoekster beroept zich op schending van de rechten van de verdediging en de „eisen van behoorlijk bestuur” die zij uit artikel 41, lid 2, eerste streepje, van het Handvest van de grondrechten afleidt en stelt dat zij inzage had moeten krijgen in het onderzoeksrapport alsmede in het tot staving daarvan overgelegde bewijs. Voorts had zij moeten worden gehoord over de inhoud van die stukken voordat het TABG het bestreden besluit vaststelde.

46      Opgemerkt zij echter dat verzoekster zich niet kan beroepen op de op de Commissie rustende verplichting om de rechten van de verdediging te eerbiedigen, die volgens vaste rechtspraak als algemeen beginsel van het recht van de Unie geldt in iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden (arrest Hof van 9 november 2006, Commissie/De Bry, C‑344/05 P, punt 37; arrest Gerecht van eerste aanleg van 17 oktober 2006, Bonnet/Hof van Justitie, T‑406/04, punt 76; arrest Wenig/Commissie, reeds aangehaald, punt 48). Een onderzoeksprocedure van het IDOC die is opgestart na een door een ambtenaar ingediend verzoek om bijstand met een klacht wegens geweld kan immers niet worden gelijkgesteld met een onderzoeksprocedure die tegen die ambtenaar is ingeleid.

47      Zonder dat het nodig is om de kwestie van de toepasselijkheid van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten in de tijd te onderzoeken, zij er voorts aan herinnerd dat dit artikel een weerspiegeling vormt van de rechtspraak waarin het bestaan van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur is bevestigd (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 14 oktober 2004, K/Hof van Justitie, T‑257/02, punt 104), hetgeen overigens wordt beklemtoond door de toelichting bij artikel 41 van de Toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17).

48      In het licht hiervan moet worden erkend dat verzoekster zich kan beroepen op andere procedurele rechten dan de rechten van de verdediging, die niet even uitgebreid zijn als laatstgenoemde rechten (zie voor dit onderscheid arrest Hof van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07 P, punt 91, en arrest Gerecht van eerste aanleg van 27 november 1997, Kaysersberg/Commissie, T‑290/94, punt 108).

49      In casu staat vast dat verzoekster bij drie gelegenheden haar argumenten naar voren heeft kunnen brengen, namelijk in het kader van het verzoek om bijstand, in de aanvullende informatie die zij bij brief van 28 november 2008 heeft verstrekt en toen zij in het kader van het administratief onderzoek door het IDOC werd gehoord.

50      Aangezien de procedurele rechten waarop verzoekster zich in casu kan beroepen niet inhouden dat zij inzage had moeten krijgen in het onderzoeksrapport en in het door het IDOC verzamelde bewijsmateriaal noch dat zij vóór de vaststelling van het bestreden besluit had moeten worden gehoord over de inhoud van die stukken, moet het tweede onderdeel van het eerste middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur, dus worden afgewezen.

51      Daar de twee onderdelen van het eerste middel zijn afgewezen, moet het middel in zijn geheel worden afgewezen.

 Tweede middel: schending van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut

52      Verzoekster betwist ten eerste dat het TABG zich heeft kunnen aansluiten bij de conclusies van het IDOC dat er geen sprake is geweest van geweld op grond dat het tweede delegatiehoofd, door onder haar directe toezicht geplaatste personeelsleden in Almaty bijeen te roepen teneinde in haar afwezigheid hun werk te bespreken en haar via hun woordvoerder instructies te geven, haar niet anders heeft behandeld dan het andere middenkaderpersoneel van de delegatie te Almaty. Artikel 12 bis, lid 3, stelt de kwalificatie van psychisch geweld immers niet afhankelijk van het bestaan van discriminatie.

53      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, ook al geeft een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht belangrijke preciseringen over de redenen die de administratie in het oorspronkelijke besluit heeft gegeven, de concrete vaststelling van de redenen van de administratie moet volgen uit een gezamenlijke lezing van die twee besluiten (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2004, Eveillard/Commissie, T‑258/01, punt 31).

54      Dit gepreciseerd zijnde, volgt uit het besluit tot afwijzing van de klacht dat de Commissie het bestaan van discriminatie niet als voorwaarde heeft genomen voor de erkenning van geweld. In antwoord op verzoeksters grief ontleend aan het feit dat het tweede delegatiehoofd rechtstreeks instructies aan haar ondergeschikten gaf, heeft het TABG immers slechts opgemerkt dat het IDOC ten eerste had vastgesteld dat het tweede delegatiehoofd niet alleen verzoekster op die manier behandelde, maar dat dit zijn algemene stijl was om leiding te geven aan het personeel en, ten tweede, dat het feit dat verzoekster het niet eens was met die stijl niet volstond om deze als geweld aan te merken.

55      Verzoekster stelt ten tweede dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut, aangezien dat artikel het daadwerkelijk bestaan van geweld niet laat afhangen van het bestaan van meerdere slachtoffers, terwijl het bestreden besluit, evenals het besluit tot afwijzing van de klacht, belang heeft gehecht aan het feit dat geen enkele andere persoon die in de regionale delegatie te Almaty of in een geregionaliseerde delegatie werkzaam was, een klacht wegens psychisch geweld door het tweede delegatiehoofd had ingediend.

56      Opgemerkt zij echter dat de Commissie met de opmerking dat geen andere klacht wegens geweld door het tweede delegatiehoofd was ingediend, slechts heeft geantwoord op verzoeksters bewering dat andere personeelsleden slachtoffer van psychisch geweld door dat delegatiehoofd waren geweest.

57      Ten derde komt verzoekster op tegen het feit dat het bestreden besluit, evenals het besluit tot afwijzing van haar klacht, is gebaseerd op de conclusies van het IDOC, dat van de bedoeling tot het plegen van geweld een noodzakelijk element voor de kwalificatie van psychisch geweld maakt, terwijl dit niet wordt vereist door artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut, zoals door het Gerecht uitgelegd in zijn arrest van 9 december 2008, Q/Commissie (F‑52/05, gedeeltelijk vernietigd bij arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 juli 2011, Commissie/Q, T‑80/09 P, maar uitsluitend voor zover de Commissie in punt 2 van het dictum van dat arrest is veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan Q; hierna: „arrest Q/Commissie”). Verzoekster merkt op dat het TABG in het besluit tot afwijzing van haar klacht weliswaar heeft uiteengezet dat het IDOC alleen had willen beklemtonen dat wegens geweld ingediende klachten moeten worden onderzocht zonder rekening te houden met de subjectieve indruk van de klager, doch zij meent dat het TABG hiermee is voorbijgegaan aan het feit dat het IDOC eveneens had geconcludeerd dat zij „niet het slachtoffer was geweest van een gedraging die objectief de bedoeling had haar in diskrediet te brengen of haar werkomstandigheden met opzet aan te tasten”.

58      De Commissie antwoordt hierop dat het arrest Q/Commissie een buitensporige subjectiviteit invoert aangezien het, anders dan de vroegere rechtspraak, het bestaan van geweld niet langer afhankelijk stelt van het bewijs dat de geweldpleger met zijn handelingen het slachtoffer bewust in diskrediet heeft willen brengen of zijn werkomstandigheden heeft willen aantasten. Met dit arrest van het Gerecht lopen de instellingen het gevaar om door buitengewoon gevoelige ambtenaren of functionarissen gebruikt te worden. Bij de definitie van geweld moet rekening worden gehouden met de gestelde of veronderstelde bedoeling van de vermeende geweldpleger, de perceptie van het veronderstelde slachtoffer en de objectiviteit van de feiten en de context waarin de feiten zich hebben afgespeeld. Het is juist dat het Gerecht in punt 135 van het arrest Q/Commissie heeft gepreciseerd dat de betrokken handelingen, om als geweld te kunnen worden gekwalificeerd, „objectief” tot gevolg moeten hebben gehad dat het slachtoffer in diskrediet is gebracht of zijn werkomstandigheden zijn aangetast. Deze precisering blijft echter onvoldoende, aangezien zij niet belet dat niet-onbehoorlijke gedragingen die bij personen met psychologische problemen „objectief” tot een aantasting van de werkomstandigheden of een gevoel van minachting kunnen leiden, binnen de werkingssfeer van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut kunnen vallen.

59      De Commissie is derhalve van mening dat wanneer het Gerecht niet terugkeert naar zijn rechtspraak vóór het arrest Q/Commissie, de kwalificatie geweld in elk geval afhankelijk moet worden gesteld van de voorwaarde dat de betrokken gedraging voldoende objectieve realiteit heeft in de zin dat een onpartijdig en redelijk toeschouwer met een normale gevoeligheid, deze als onbehoorlijk zou aanmerken.

60      In casu was de gedraging van het tweede delegatiehoofd objectief gezien niet zodanig dat verzoekster in diskrediet is gebracht of haar werkomstandigheden zijn aangetast, zodat deze niet als onbehoorlijk in de bovengenoemde zin kan worden aangemerkt, maar was deze juist heel normaal in het kader van een arbeidsverhouding. Het feit dat geen ander lid van het personeel van de delegatie te Almaty dat nochtans in soortgelijke omstandigheden verkeerde, zich slachtoffer van geweld door het tweede delegatiehoofd heeft gevoeld, bewijst dat verzoeksters gevoel van geweld uitsluitend voortvloeide uit haar persoonlijke perceptie van de feiten.

61      Voorts hebben het IDOC en het TABG vastgesteld dat de feiten op grond van hun aard geen geweld vormden, zodat het bestreden besluit slechts gedeeltelijk is gebaseerd op het ontbreken van het opzettelijke karakter van de gedraging van het tweede delegatiehoofd.

62      Ten slotte ging het bij de aan het tweede delegatiehoofd verweten gedraging niet om een herhaaldelijke en systematische gedraging, zoals de definitie van psychisch geweld vereist.

63      In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht in de punten 133 en volgende van het arrest Q/Commissie heeft geoordeeld dat in artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut, het kwade opzet van de vermeende geweldpleger niet wordt aangemerkt als een noodzakelijk element voor de kwalificatie als psychisch geweld. In dat arrest (zie eveneens arrest Gerecht van 9 maart 2010, N/Parlement, F‑26/09, punt 72) heeft het Gerecht immers opgemerkt:

„134      Artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut definieert psychisch geweld immers als ‚onbehoorlijk gedrag’ dat kan worden aangetoond wanneer is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden. De eerste voorwaarde houdt verband met het bestaan van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die zich ‚gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch’ voordoen en ‚opzettelijk’ zijn. De tweede voorwaarde, die van de eerste wordt onderscheiden door het voorzetsel ‚en’, vereist dat deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften ‚de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene kunnen aantasten’.

135      Aangezien het adjectief ‚opzettelijk’ betrekking heeft op de eerste voorwaarde, en niet op de tweede, kan er een dubbele conclusie worden getrokken. Enerzijds moeten de in artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut vermelde gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften bewust geschieden, hetgeen toevallige handelingen uitsluit van de werkingssfeer van deze bepaling. Anderzijds is het daarentegen niet vereist dat deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften de bedoeling hebben om de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van een persoon aan te tasten. Met andere woorden: er kan sprake zijn van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut zonder dat de geweldpleger met zijn handelingen de bedoeling had om het slachtoffer in diskrediet te brengen of om de werkomstandigheden van het slachtoffer met opzet aan te tasten. Het volstaat reeds dat zijn handelingen, wanneer zij bewust werden verricht, objectief dergelijke gevolgen hadden.”

64      De Commissie is feitelijk van mening dat deze rechtspraak te veel nadruk legt op het gevoel van het vermeende slachtoffer en een bron van onzekerheid is.

65      Het Gerecht heeft in punt 135 van zijn arrest Q/Commissie echter gepreciseerd dat de betrokken handelingen, om als geweld te worden gekwalificeerd, „objectief [...] gevolgen” moeten hebben gehad waardoor het slachtoffer in diskrediet is gebracht en zijn werkomstandigheden zijn aangetast. Aangezien de handelingen op grond van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut onbehoorlijk moeten zijn, volgt hieruit dat de kwalificatie van geweld afhangt van de voorwaarde dat het geweld objectief voldoende reëel is in die zin dat een onpartijdig en redelijk toeschouwer, die met een normale gevoeligheid is begiftigd en in dezelfde omstandigheden is geplaatst, het zou aanmerken als buitensporig en laakbaar.

66      In casu heeft het IDOC in zijn rapport vastgesteld dat „het met het onderzoek belaste team [had] geconcludeerd dat [de betrokkene] niet het slachtoffer [was] geweest van een gedraging die haar objectief in diskrediet wilde brengen of haar werkomstandigheden met opzet wilde aantasten [en dat] de indruk be[stond] dat, los van haar subjectieve gevoelens, geen van de genoemde episodes en gedragingen, afzonderlijk of in hun geheel beschouwd, als psychisch geweld kon worden aangemerkt”.

67      Het Gerecht moet echter de vraag beantwoorden of de Commissie in het bestreden besluit en in de afwijzing van de klacht verzoeksters situatie heeft beoordeeld aan de hand van een onjuiste uitlegging van artikel 12 bis van het Statuut, volgens welke geweld afhangt van de bedoeling van de dader van de gelaakte feiten om haar in diskrediet te brengen of haar werkomstandigheden met opzet aan te tasten.

68      Zoals verzoekster zelf opmerkt, heeft het TABG in het besluit tot afwijzing van de klacht echter vastgesteld dat de beweringen van geweld „los van de subjectieve indruk van het slachtoffer” moesten worden onderzocht. Bovendien zijn het bestreden besluit en het besluit tot afwijzing van de klacht gebaseerd op gronden die beogen aan te tonen dat verzoeksters beweringen van geweld niet objectief waren. Zo wordt in het bestreden besluit opgemerkt dat de omstandigheid dat het tweede delegatiehoofd rechtstreeks instructies aan verzoeksters ondergeschikten gaf, zijn normale stijl van leidinggeven was, zonder dat is gebleken van bijzondere omstandigheden die erop wijzen dat die gedraging een negatieve benadering van verzoekster inhield. Vervolgens heeft de Commissie in antwoord op het verzoek om verificatie dat verzoekster in de aanvulling van het verzoek om bijstand van 28 november 2008 had gedaan, in het bestreden besluit opgemerkt dat geen enkele andere ambtenaar of functionaris had geklaagd over de gedraging van het tweede delegatiehoofd. Ten slotte berust het besluit tot afwijzing van de klacht op een objectieve analyse van verzoeksters werkzaamheden, waaruit de Commissie afleidt dat zij tot het middenkaderpersoneel behoorde en dat deze positie het tweede delegatiehoofd niet belette om haar te laten vervangen door een andere ambtenaar om de vergaderingen van de donorlanden voor Kirgizië bij te wonen.

69      Aangezien de erkenning van het bestaan van geweld in de zin van de statutaire bepalingen zoals uitgelegd door het Gerecht veronderstelt:

–        dat de betrokken gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften bewust geschieden,

–        zonder dat echter is vereist dat die gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften de bedoeling hebben om de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van een persoon aan te tasten,

–        op voorwaarde echter dat zij objectief gevolgen hebben gehad waardoor het slachtoffer in diskrediet is gebracht of zijn werkomstandigheden zijn aangetast,

volstaat de grond die de Commissie ontleent aan het feit dat de gelaakte handelingen objectief niet zodanig waren dat verzoekster in diskrediet is gebracht, op zich om het bestreden besluit te rechtvaardigen in het licht van artikel 12 bis van het Statuut, en dit ongeacht de door het IDOC aanvaarde uitlegging.

70      Bovendien moet worden gewezen op de inderdaad zeer subjectieve beoordeling door verzoekster van de handelingen die zij het tweede delegatiehoofd verwijt. Ofschoon zij erover klaagt dat zijn houding haar in diskrediet zou hebben gebracht bij ambassades en vertegenwoordigingen van internationale organisaties die in het hoofdkwartier van de geregionaliseerde delegatie van Bishkek aanwezig zijn, blijkt uit de stukken die zij als bijlage bij haar opmerkingen over het onderzoeksrapport heeft overgelegd, juist dat zij in die kringen aanzien geniet.

71      Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel ongegrond is.

 Derde middel: kennelijke beoordelingsfouten, schending van de motiveringsplicht, van de zorgplicht en van de bijstandsplicht

72      Gezien de argumenten die verzoekster ter onderbouwing van het derde middel heeft aangevoerd, moet onderscheid worden gemaakt tussen een eerste onderdeel, dat uitsluitend is ontleend aan schending van de motiveringsplicht, en een tweede onderdeel, in het kader waarvan voornamelijk een aantal beoordelingsfouten aan de kaak worden gesteld, waaruit verzoekster eveneens een schending van de motiveringsplicht en van de zorg‑ en de bijstandsplicht afleidt.

 Eerste onderdeel van het derde middel: schending van de motiveringsplicht

73      Verzoekster stelt dat het bestreden besluit en het besluit tot afwijzing van de klacht slecht zijn gemotiveerd, aangezien de Commissie niet heeft geantwoord op haar stelling dat het tweede delegatiehoofd de praktijk van zijn voorganger heeft voortgezet, die erin bestond dat het bij de regionale delegatie van Kazachstan tewerkgestelde personeel naar Kirgizië werd gestuurd zonder haar te raadplegen of althans zonder haar te informeren, zodat zij in verlegenheid was gebracht ten opzichte van de autoriteiten van het gastland en de diplomatieke gemeenschap.

74      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak niet noodzakelijk is dat alle relevante feitelijke en juridische elementen in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering voldoet aan de vereisten van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 11 december 2007, Sack/Commissie, T‑66/05, punt 65, en arrest Gerecht van 13 september 2011, Nastvogel/Raad, F‑4/10, punt 66).

75      Bovendien kan een aanvankelijk ontoereikende motivering worden verholpen door nadere preciseringen die zelfs in de loop van het geding worden gegeven, wanneer de betrokkene vóór de instelling van zijn beroep reeds over gegevens beschikte die een begin van een motivering vormden (arrest Gerecht van eerste aanleg van 15 september 2005, Casini/Commissie, T‑132/03, punt 36; en arrest Gerecht van 1 december 2010, Gagalis/Raad, F‑89/09, punt 67).

76      In casu is het juist dat het bestreden besluit en het besluit tot afwijzing van de klacht niet specifiek melding maken van de grief dat het tweede delegatiehoofd verzoekster in verlegenheid zou hebben gebracht door het bij de regionale delegatie te Kazachstan tewerkgestelde personeel naar Kirgizië te sturen zonder haar te raadplegen of althans te informeren. Vastgesteld zij echter dat die besluiten gemotiveerd zijn en dat in de motivering ervan op zijn minst wordt vermeld dat het tot de normale prerogatieven van het tweede delegatiehoofd behoort om te beslissen wie hem in vergaderingen zou vervangen en andere ambtenaren dan verzoekster daarnaar af te vaardigen.

77      In haar schriftelijke processtukken heeft de Commissie haar motivering bovendien aangevuld. Zij heeft daarin uiteengezet dat de betrokken praktijk moet worden geplaatst in het bijzondere kader van betrekkingen tussen een geregionaliseerde delegatie en een regionale delegatie die een bepaald aantal verantwoordelijkheden heeft en dat die praktijk in het kader daarvan kan worden geaccepteerd. Zij heeft hieraan toegevoegd dat het eerste delegatiehoofd instructies had gegeven, die waren blijven gelden, om verzoekster altijd op de hoogte te houden van de missies in Kirgizië, om haar uit te nodigen om de aldaar gehouden vergaderingen bij te wonen en om haar kopieën te verstrekken van de missieverslagen. Bovendien heeft de Commissie geconcludeerd dat de omstandigheid dat verzoekster niet altijd naar behoren was geïnformeerd in een context die gekenmerkt werd door talrijke projecten en vergaderingen eerder toegeschreven kon worden aan toevallige nalatigheden dan aan een poging om haar in diskrediet te brengen.

78      Gelet op het voorgaande, moet het eerste onderdeel van het derde middel worden afgewezen.

 Tweede onderdeel van het derde middel: in het bijzonder kennelijke beoordelingsfouten

79      Verzoekster stelt om te beginnen dat het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat, aangezien de Commissie daarin ten onrechte heeft vastgesteld dat de omstandigheid dat het tweede delegatiehoofd onder haar gezag staande personeelsleden had opgeroepen om in haar afwezigheid hun taken te bespreken en om haar via hen instructies te geven, de uitdrukking was van het recht van het tweede delegatiehoofd om instructies aan zijn ondergeschikten te geven.

80      Een bewering doen zonder deze met enig argument te onderbouwen, zoals verzoekster doet, is echter onvoldoende om het bestaan van een kennelijke beoordelingsfout aan te tonen. Dit geldt des te meer daar de Commissie in casu op plausibele wijze de bijzondere verhouding tussen een regionale en een geregionaliseerde delegatie uiteenzet, het regionale delegatiehoofd zich rechtstreeks tot de personeelsleden van de geregionaliseerde delegatie kan wenden en de aan het hoofd van de geregionaliseerde delegatie geplaatste zaakgelastigde via hen instructies kan geven, aangezien dit personeel onder zijn gezag blijft staan. Een dergelijke wijze van uitoefening van het hiërarchieke gezag heeft als zodanig niet tot gevolg dat de aan het hoofd van de geregionaliseerde delegatie geplaatste zaakgelastigde in diskrediet wordt gebracht of zijn werkomstandigheden worden aangetast, wanneer alle andere omstandigheden daartoe ontbreken. De mondelinge nota van 8 juni 2004 waarin verzoekster wordt voorgesteld als waarnemend zaakgelastigde te Bishkek bevestigt het voorgaande, aangezien daarin wordt gepreciseerd dat „de geregionaliseerde delegatie te Bishkek ondergeschikt is aan de delegatie van de Commissie [...] te Almaty”.

81      Verzoekster stelt in de tweede plaats dat het bestreden besluit, evenals het besluit tot afwijzing van de klacht, een kennelijke beoordelingsfout bevat, aangezien zij daarin wordt genoemd als deel uitmakend van het „middenkaderpersoneel”, terwijl zij „verantwoordelijk residerend ambtenaar- [waarnemend] zaakgelastigde” was, die als zodanig meer verantwoordelijkheden droeg dan het middenkaderpersoneel, hetgeen blijkt uit het op 18 april 1961 te Wenen ondertekend Verdrag inzake diplomatiek verkeer (hierna: „Verdrag van Wenen”).

82      Evenwel zij eraan herinnerd dat bovengenoemde mondelinge nota van 8 juni 2004 beklemtoonde dat de geregionaliseerde delegatie te Bishkek ondergeschikt was aan de regionale delegatie te Almaty. Voorts zij opgemerkt dat die nota melding maakte van verzoeksters aanstelling als „sectiehoofd Kirgizië”. Bovendien is het veelzeggend dat verzoekster ten tijde van de feiten de rang A*9, thans AD 9, had en dat zij verderop in de bovengenoemde mondelinge nota werkzaam was als waarnemend zaakgelastigde te Bishkek, onder gezag en verantwoordelijkheid van het hoofd van de regionale delegatie te Almaty, hetgeen overigens blijkt uit uittreksels van beoordelingsrapporten die zij in het dossier van de onderhavige zaak heeft overgelegd. Bovendien heeft verzoekster zich in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting alleen beroepen op 8 jaar ervaring als analist van het veiligheidsbeleid binnen de Zweedse veiligheidsdienst, waarbij zij heeft gepreciseerd dat zij vóór haar tewerkstelling in Bishkek geen ervaring had binnen het DG Buitenlandse betrekkingen van de Commissie, althans niet als zaakgelastigde.

83      In deze omstandigheden is het niet nodig om de positie van waarnemend zaakgelastigden te onderzoeken in het licht van het Verdrag van Wenen, dat alleen de verhoudingen van diplomatieke missies met de geaccrediteerde landen regelt, en moet worden vastgesteld dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich voor de beoordeling van de arbeidsverhouding tussen het tweede delegatiehoofd en verzoekster op het standpunt te stellen dat zij binnen de Commissie deel uitmaakte van het middenkaderpersoneel.

84      Zelfs al zou de Commissie het belang van waarnemend zaakgelastigden in het licht van het Verdrag van Wenen verkeerd hebben geïnterpreteerd, dan nog zet verzoekster niet uiteen waarom deze fout tot gevolg zou hebben gehad dat het TABG een beoordelingsfout heeft gemaakt door niet het bestaan van geweld te erkennen. Zij stelt weliswaar dat het TABG hierdoor „inbreuk is blijven maken op haar positie”, doch ervan uitgaande dat dit betekent dat het TABG zelf heeft bijgedragen tot het geweld, moet worden vastgesteld dat een rechtsfout als zodanig niet een even ernstige handeling als geweld kan vormen. Verzoekster geeft in dit verband geen enkele uitleg.

85      Verzoekster stelt in de derde plaats dat het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat, aangezien de Commissie daarin vaststelt dat zij erover klaagde dat de keuze om de taak van opstelling van verslagen over de politieke situatie in Kirgizië aan een ander personeelslid toe te vertrouwen, haar zou hebben verhinderd om die taak op zich te nemen, terwijl zij in werkelijkheid kritiek had op het feit dat zij daarover verkeerde instructies had gekregen en dus was gemanipuleerd.

86      Dienaangaande zij opgemerkt dat verzoekster in het verzoek om bijstand heeft gesteld dat de omstandigheid dat het tweede delegatiehoofd haar had gevraagd om „bijdragen” over de situatie in Kirgizië op te stellen in de vorm van „dagelijkse rapporten van vijf regels” en dat hij een andere ambtenaar van de delegatie te Almaty had opgedragen om de problemen in Bishkek in november 2006 te volgen omdat zij geen echte politieke analyse gaf, bij haar hiërarchieke meerderen binnen de Commissie de indruk wekte dat zij niet capabel was om adequate politieke verslagen op te stellen.

87      In het bestreden besluit heeft de Commissie, gelet op het onderzoeksrapport, geantwoord dat de voornaamste verantwoordelijkheid voor de opstelling van verslagen over de politieke situatie in Kirgizië bij de delegatie te Almaty was gebleven, maar dat verzoekster was toegestaan, en dat zij zelfs daartoe werd aangemoedigd, om deel te nemen aan die taak, zodat elke manipulatie impliciet maar zeker was uitgesloten.

88      Voorts ziet het Gerecht niet in hoe de Commissie, door te stellen dat verzoekster erover had geklaagd dat haar was verhinderd om verslagen over de politieke situatie in Kirgizië op te stellen, haar grief verkeerd zou hebben opgevat, die de nadruk legde op het feit dat het tweede delegatiehoofd, door haar rol bij de opstelling van die verslagen te beperken, zou hebben geprobeerd om haar onbekwaamheid ter zake aan te tonen.

89      In elk geval is de aangevoerde onjuiste opvatting van de bewoordingen van verzoeksters klacht over geweld niet substantieel genoeg om vast te stellen dat het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat.

90      Verzoekster stelt in de vierde plaats dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de beoordeling van haar prerogatieven, door zich op het standpunt te stellen dat, toen het tweede delegatiehoofd niet zelf naar Kirgizië kwam, het onder zijn bevoegdheid viel om te beslissen wie hem zou vervangen bij de vergaderingen met de donorlanden voor Kirgizië of met andere gesprekspartners. Als „verantwoordelijk residerend ambtenaar – [waarnemend] zaakgelastigde” was zij op grond van het Verdrag van Wenen immers als enige bevoegd om bij afwezigheid van het delegatiehoofd de Commissie te vertegenwoordigen.

91      Het Gerecht acht het in casu echter niet nodig om in te gaan op de vraag of de aanwijzing van een waarnemend zaakgelastigde aan het hoofd van een geregionaliseerde delegatie, het hoofd van de regionale delegatie waartoe die geregionaliseerde delegatie behoort belet om een andere ambtenaar aan te wijzen om de Commissie te vertegenwoordigen tijdens vergaderingen die worden georganiseerd in het land waarin die zaakgelastigde is geaccrediteerd.

92      Zelfs al wordt aangenomen dat de Commissie de prerogatieven van waarnemend zaakgelastigden in het licht van het Verdrag van Wenen verkeerd heeft geïnterpreteerd, dan nog kan op grond van die eventuele rechtsfout immers niet worden geconcludeerd dat het TABG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te weigeren het bestaan van geweld te erkennen. Het is juist dat verzoekster beklemtoont dat het tweede delegatiehoofd een andere ambtenaar heeft gevraagd om een vergadering van donorlanden voor Kirgizië voor te zitten met de precisering: „niet [verzoekster]”. Ofschoon deze gang van zaken haar wellicht niet beviel, blijkt hieruit geen kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot het bestaan van psychisch geweld, dat een gedraging vereist die zich lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoet en ten aanzien waarvan geen voorrang kan worden gegeven aan de subjectieve interpretatie van het vermeende slachtoffer. Met de Commissie moet worden vastgesteld dat verzoekster in haar beoordelingsrapport over 2007 heeft gesteld dat zij regelmatig deelnam aan coördinerende vergaderingen met de donorlanden voor Kirgizië. Bovendien heeft zij in haar beoordelingsrapport over 2006 aangegeven dat zij in dat jaar een actieve rol op diplomatiek gebied had gespeeld. Voorts kan de gedraging die zij het tweede delegatiehoofd verwijt in casu in geen geval als duurzaam, herhaaldelijk of systematisch in de zin van artikel 12 bis van het Statuut worden aangemerkt.

93      Ten slotte kan, ofschoon, zoals het IDOC heeft opgemerkt, verschillende getuigenissen melding maken van het gebrek aan duidelijkheid bij de respectieve taakomschrijving van de regionale en de geregionaliseerde delegaties en ofschoon dit gebrek aan duidelijkheid de oorzaak kan zijn geweest van de problemen die verzoekster heeft ervaren, een organisatorische onnauwkeurigheid met betrekking tot de taakverdeling binnen een directoraat-generaal van de Commissie als zodanig geen geweld veroorzaken.

94      Voor zover verzoekster uit het bestaan van de vermeende beoordelingsfouten die hierboven zijn genoemd bovendien een schending van de motiveringsplicht afleidt, moet worden vastgesteld dat zij, daar het bestaan van die fouten niet is aangetoond, evenmin heeft aangetoond dat het TABG zijn motiveringsplicht heeft miskend. Bovendien moet een motiveringsgebrek, een vormfout, niet worden verward met een inhoudelijke fout (zie in die zin arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, punt 72).

95      Ten slotte leidt verzoekster uit de niet-aangetoonde kennelijke beoordelingsfouten eveneens het bestaan van een schending van de zorgplicht en van de bijstandsplicht in de zin van artikel 24 van het Statuut af. Aangezien de grieven ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten zijn afgewezen, moeten de laatste grieven dus eveneens worden afgewezen.

96      Daar het derde middel dus eveneens moet worden afgewezen, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

97      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

98      Uit de hierboven uiteengezette rechtsoverwegingen volgt dat verzoekster in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft de Commissie in haar conclusies uitdrukkelijk gevorderd om verzoekster te verwijzen in de kosten. Gelet op het feit dat het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid is afgewezen, moet echter toepassing worden gegeven aan de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering en moet worden beslist dat verzoekster, naast haar eigen kosten, slechts drie vierde van de kosten van de Commissie zal dragen.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      C. Skareby zal naast haar eigen kosten drie vierde van de kosten van de Europese Commissie dragen.

3)      De Europese Commissie draagt één vierde van haar eigen kosten.

Van Raepenbusch

Barents

Bradley

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 mei 2012.

De griffier

 

       De president

W. Hakenberg

 

       S. Van Raepenbusch


* Procestaal: Engels.