Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) op 7 december 2020 – Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen X; andere partij bij de procedure: Openbaar Ministerie

(Zaak C-665/20)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen: X

Andere partij bij de procedure: Openbaar Ministerie

Prejudiciële vragen

Moet artikel 4, punt 5, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ1 inderdaad zo worden uitgelegd, dat wanneer een lidstaat ervoor kiest om deze bepaling om te zetten in zijn nationale recht de uitvoerende rechterlijke autoriteit over een zekere marge moet beschikken om te beoordelen of de tenuitvoerlegging van het EAB moet worden geweigerd?

Moet het begrip “dezelfde feiten” in artikel 4, punt 5, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ op dezelfde wijze worden uitgelegd als datzelfde begrip in artikel 3, punt 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en, zo niet, hoe moet dat begrip in de eerstgenoemde bepaling dan worden uitgelegd?

Moet de voorwaarde van artikel 4, punt 5, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ dat de “sanctie is ondergaan (...) dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling” zo worden uitgelegd, dat daaronder een situatie valt waarin de opgeëiste persoon onherroepelijk voor dezelfde feiten is veroordeeld tot een vrijheidsstraf die hij voor een deel heeft uitgezeten in het land van veroordeling en die hem voor het overige is kwijtgescholden door een niet-gerechtelijke autoriteit van dat land, in het kader van een algemene clementiemaatregel die ook geldt voor veroordeelden die ernstige feiten hebben begaan, zoals de opgeëiste persoon, en die niet berust op rationele overwegingen van strafrechtsbeleid?

____________

1     Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1)