ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

2 juni 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikel 21 VWEU – Vrijheid om te reizen en te verblijven in de lidstaten – Wet van een lidstaat waarbij adellijke voorrechten worden afgeschaft en de toekenning van nieuwe adellijke titels wordt verboden – Achternaam van een meerderjarige onderdaan van die staat, verkregen tijdens gewoonlijk verblijf in een andere lidstaat, waarvan die persoon eveneens de nationaliteit bezit – Naam die adellijke bestanddelen bevat – Woonplaats in de eerste lidstaat – Weigering van de autoriteiten van de eerste lidstaat om de in de tweede lidstaat verkregen naam in het register van de burgerlijke stand in te schrijven – Rechtvaardiging – Openbare orde – Onverenigbaarheid met fundamentele beginselen van Duits recht”

In zaak C‑438/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Karlsruhe (Duitsland) bij beslissing van 17 september 2014, ingekomen bij het Hof op 23 september 2014, in de procedure

Nabiel Peter Bogendorff von Wolffersdorff

tegen

Standesamt der Stadt Karlsruhe,

Zentraler Juristischer Dienst der Stadt Karlsruhe,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. Toader, A. Rosas (rapporteur), A. Prechal, en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 november 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        Nabiel Peter Bogendorff von Wolffersdorff, optredend voor zichzelf en vertegenwoordigd door T. Donderer, Rechtsanwalt,

–        de Zentraler Juristischer Dienst der Stadt Karlsruhe, vertegenwoordigd door D. Schönhaar en P. Becker als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, J. Kemper en K. Petersen als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen, M. Wilderspin en C. Tufvesson als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 2016,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 18 en 21 VWEU.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Nabiel Peter Bogendorff von Wolffersdorff en het Standesamt der Stadt Karlsruhe (burgerlijke stand van de stad Karlsruhe) en de Zentraler Juristischer Dienst der Stadt Karlsruhe (centrale juridische dienst van de stad Karlsruhe), over de weigering van die instanties, de op de geboorteakte van verzoeker in het hoofdgeding ingeschreven voor- en achternamen te wijzigen en in het register van de burgerlijke stand adellijke bestanddelen op te nemen die deel uitmaken van de door verzoeker in het hoofdgeding in een andere lidstaat verworven achternaam.

 Duits recht

3        Artikel 123, lid 1, van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland ) van 23 mei 1949 (BGBl. blz. 1; hierna: „grondwet”) bepaalt dat het „[r]echt uit de periode vóór de bijeenkomst van de Bondsdag blijft gelden voor zover het niet in strijd is met de grondwet”.

4        Artikel 109 van de op 11 augustus 1919 te Weimar aangenomen en op 14 augustus 1919 in werking getreden Verfassung des Deutschen Reichs (grondwet voor het Duitse Rijk) (Reichsgesetzblatt 1919, blz. 1383, hierna: „Grondwet van Weimar”) bevat de volgende bepalingen:

„Alle Duitsers zijn gelijk voor de wet.

Mannen en vrouwen hebben in beginsel dezelfde staatsburgerlijke rechten en plichten.

Publiekrechtelijke voorrechten of nadelen als gevolg van geboorte of stand dienen te worden afgeschaft. Adellijke aanduidingen gelden enkel als deel van de naam en mogen niet meer worden verleend.

Titels mogen alleen worden verleend wanneer zij een functie of een beroep aanduiden; academische titels worden hierdoor niet geraakt.

Orden en eretekenen mogen door de Staat niet worden verleend.

Geen Duitser mag van een buitenlandse regering een titel of orde aannemen.”

5        Bij besluiten van 11 maart 1966 en 11 december 1996 heeft het Bundesverwaltungsgericht geoordeeld dat artikel 109 van de Grondwet van Weimar krachtens artikel 123, lid 1, van de grondwet nog steeds geldt en in de normenhiërarchie de rang heeft van gewoon bondsrecht.

6        Onder het opschrift „Personeel statuut” bepaalt artikel 5 van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek) van 21 september 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 2494, met rectificatie BGBl. 1997 I, blz. 1061), in de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding geldende versie (hierna: „EGBGB”), in lid 1:

„Wanneer wordt verwezen naar het recht van de staat waarvan een persoon onderdaan is en deze persoon de nationaliteit van meerdere staten bezit, moet het recht van die staat worden toegepast waarmee de persoon de nauwste band heeft, in het bijzonder door zijn of haar gewone verblijfplaats of door het verloop van zijn of haar leven. Is de persoon tevens Duitser, dan heeft deze rechtspositie voorrang.”

7        Artikel 6 EGBGB bepaalt onder het opschrift „Openbare orde” het volgende:

„Een wettelijke bepaling van een andere staat blijft buiten toepassing indien de toepassing ervan leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met essentiële beginselen van het Duitse recht. Zij mag met name niet worden toegepast indien de toepassing ervan in strijd is met de grondrechten.”

8        Artikel 10 EGBGB, „Naam”, bepaalt in lid 1:

„De naam van een persoon wordt geregeld door het recht van de staat waarvan die persoon onderdaan is.”

9        Artikel 48 EGBGB, met het opschrift „Keuze van een in een andere lidstaat van de Europese Unie verkregen naam”, bepaalt het volgende:

„Indien de naam van een persoon wordt geregeld door het Duitse recht, kan hij of zij door het afleggen van een verklaring bij de burgerlijke stand de tijdens een gewoon verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie verkregen en daar in een register van de burgerlijke stand ingeschreven naam kiezen, mits dit niet kennelijk onverenigbaar is met essentiële beginselen van het Duitse recht. De naamkeuze werkt terug tot het tijdstip van de inschrijving in het register van de burgerlijke stand van de andere lidstaat, tenzij de persoon uitdrukkelijk verklaart dat de naamkeuze slechts voor de toekomst dient te gelden. De verklaring moet officieel worden vastgelegd in een authentieke akte. [...]”

10      Artikel 48 EGBGB vloeit voort uit de vaststelling van het op 29 januari 2013 in werking getreden Gesetz zur Anpassung der Vorschriften des Internationalen Privatrechts an die Verordnung (EU) Nr. 1259/2010 und zur Änderung anderer Vorschriften des Internationalen Privatrechts (wet houdende aanpassing van sommige bepalingen van internationaal privaatrecht aan verordening nr. 1259/2010 en houdende wijziging van andere bepalingen van internationaal privaatrecht) van 23 januari 2013 (BGBl. 2013 I, blz. 101 ). Deze bepaling is in Duits recht ingevoerd na de uitspraak van het arrest van het Hof van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul (C‑353/06, EU:C:2008:559).

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11      Verzoeker in het hoofdgeding is Duits onderdaan en is geboren op 9 januari 1963 te Karlsruhe (Duitsland). Bij zijn geboorte heeft hij de voornaam „Nabiel” en de achternaam „Bagdadi” gekregen. Deze namen werden in het register van de burgerlijke stand van de stad Karlsruhe ingeschreven.

12      Verzoeker in het hoofdgeding heeft nadien, na een bij de stad Neurenberg (Duitsland) ingeleide administratieve procedure tot naamswijziging, de achternaam „Bogendorff” en de toevoeging van de voornaam „Peter” aan de voornaam „Nabiel” verkregen. Ten gevolge van een adoptie werden de Duitse personalia van verzoeker in het hoofdgeding opnieuw gewijzigd, zodat hij sindsdien volgens die personalia de voornamen „Nabiel Peter” en de achternaam „Bogendorff von Wolffersdorff” heeft.

13      In 2001 is verzoeker in het hoofdgeding verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij vanaf 2002 te Londen als insolventieconsulent werkzaam was.

14      In het jaar 2004 heeft hij door naturalisatie de Britse nationaliteit verkregen. Daarbij heeft hij ook de Duitse nationaliteit behouden.

15      Bij verklaring („Deed Poll”) van 26 juli 2004, op 22 september 2004 ingeschreven bij de diensten van de Supreme Court of England and Wales (hoogste rechterlijke instantie van Engeland en Wales) en bekendgemaakt in de The London Gazette van 8 november 2004, heeft verzoeker in het hoofdgeding zijn naam aldus gewijzigd dat hij naar Brits recht „Peter Mark Emanuel Graf von Wolffersdorff Freiherr von Bogendorff” heet.

16      In 2005 hebben verzoeker in het hoofdgeding en zijn echtgenote Londen verlaten en zich te Chemnitz in Duitsland gevestigd, waar op 28 februari 2006 hun dochter is geboren. Tot op heden wonen zij daar.

17      De geboorte van hun dochter, die zowel de Duitse als de Britse nationaliteit heeft, is op 23 maart 2006 aangegeven bij het consulaat-generaal van het Verenigd Koninkrijk te Düsseldorf (Duitsland). De voornamen en achternaam van de dochter zoals vermeld op de Britse geboorteakte en in het Britse paspoort zijn „Larissa Xenia Gräfin von Wolffersdorff Freiin von Bogendorff”.

18      De burgerlijke stand van de stad Chemnitz heeft echter met een beroep op artikel 10 EGBGB geweigerd, de dochter in te schrijven onder haar Britse naam. Verzoeker in het hoofdgeding heeft daarop het Oberlandesgericht Dresden (Duitsland) verzocht, die dienst te gelasten de naam van zijn dochter in het register van de burgerlijke stand in te schrijven zoals hij op de door de Britse autoriteiten afgegeven geboorteakte staat.

19      Bij besluit van 6 juli 2011 heeft het Oberlandesgericht Dresden dat verzoek ingewilligd.

20      Overeenkomstig dat bevel heeft de stad Chemnitz bedoelde inschrijving gedaan. De dochter van verzoeker in het hoofdgeding heeft bijgevolg als Duits staatsburger dezelfde voornamen en achternaam als die welke zij als Brits staatsburger draagt, te weten „Larissa Xenia Gräfin von Wolffersdorff Freiin von Bogendorff”.

21      Op 22 mei 2013 heeft verzoeker in het hoofdgeding in een verklaring de burgerlijke stand van de stad Karlsruhe overeenkomstig artikel 48 EGBGB gelast, zijn naar Brits recht verkregen voor- en achternamen in het register van de burgerlijke stand op te nemen.

22      Daar die dienst weigerde tot die inschrijving over te gaan, heeft verzoeker in het hoofdgeding zich tot het Amtsgericht Karlsruhe gewend met het verzoek, bedoelde dienst krachtens artikel 49, lid 1, Personenstandsgesetz (wet op de burgerlijke stand) te gelasten, zijn geboorteakte met terugwerkende kracht tot 22 september 2004 in dier voege te wijzigen dat zijn voor- en achternamen daarin „Peter Mark Emanuel Graf von Wolffersdorff Freiherr von Bogendorff” zouden luiden.

23      De burgerlijke stand van de stad Karlsruhe heeft zich tegen dat verzoek verzet en daarbij onverenigbaarheid met fundamentele beginselen van Duits recht in de zin van artikel 48 EGBGB aangevoerd.

24      Het Amtsgericht Karlsruhe merkt in dit verband op dat in de Duitse vakliteratuur de kwestie van het toepassingsgebied van het na het arrest van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul (C‑353/06, EU:C:2008:559), vastgestelde artikel 48 EGBGB, op grond waarvan een persoon wiens naam aan Duits recht is onderworpen een tijdens een gewoon verblijf in een andere lidstaat verworven naam mag voeren, ter discussie staat, in het bijzonder in het geval waarin die naam is verworven los van enige na toepassing van bepalingen van familierecht ingetreden wijziging van het personeel statuut. De rechtspraak van het Hof geeft geen antwoord op deze rechtsvraag. Zo hebben de arresten van 2 oktober 2003, Garcia Avello (C‑148/02, EU:C:2003:539), en van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul (C‑353/06, EU:C:2008:559), betrekking op gevallen waarin de in de betrokken lidstaten voor erkenning vatbare namen van belanghebbenden vanaf de geboorte van deze laatsten verschilden. De zaak waarin het arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, EU:C:2010:806), is gewezen verschilt van de onderhavige zaak doordat in eerstgenoemde zaak de belanghebbende geen dubbele nationaliteit bezat, het naamverschil het gevolg was van het feit dat het personeel statuut was gewijzigd door de toepassing van bepalingen van familierecht, in het betrokken geval adoptie, en tot slot voor wat het voeren van een adellijke naam betreft de constitutionele identiteit van de Republiek Oostenrijk slechts beperkt vergelijkbaar is met die van de Bondsrepubliek Duitsland.

25      In deze omstandigheden heeft het Amtsgericht Karlsruhe besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:

„Moeten de artikelen 18 en 21 VWEU aldus worden uitgelegd dat de autoriteiten van een lidstaat verplicht zijn de naamswijziging van een onderdaan van deze staat te erkennen indien deze tegelijk onderdaan is van een andere lidstaat en in deze lidstaat tijdens een gewoon verblijf door een naamswijziging die niet met een wijziging van de familierechtelijke status gepaard gaat, een vrij gekozen naam heeft verkregen die meerdere adellijke titels bevat, indien een toekomstige wezenlijke band met deze staat mogelijkerwijze ontbreekt en in de eerste lidstaat de adel weliswaar bij de grondwet is afgeschaft, maar de adellijke titels die ten tijde van de afschaffing werden gevoerd als bestanddeel van de naam verder mogen worden gebruikt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

 Opmerkingen vooraf

26      Vooraf zij opgemerkt dat bij de verwijzende rechterlijke instantie door Bogendorff von Wolffersdorff een verzoek is ingediend niet alleen om wijziging van zijn achternaam, maar ook om wijziging van zijn voornamen „Nabiel Peter” in „Peter Mark Emanuel”. Bijgevolg moet de verwijzing in de vraag naar het begrip „naamswijziging” aldus worden begrepen dat gedoeld wordt op de weigering door de autoriteiten van een lidstaat, zowel de voornamen als de achternaam die een onderdaan van die staat heeft verkregen tijdens een gewoon verblijf in een tweede lidstaat, waarvan die onderdaan eveneens de nationaliteit bezit, te erkennen.

27      In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat de verwijzende rechterlijke instantie met haar vraag in hoofdzaak wenst te vernemen of de artikelen 18 en 21 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat de autoriteiten van een lidstaat de voor- en achternamen van een onderdaan van die lidstaat dienen te erkennen wanneer die onderdaan mede de nationaliteit bezit van een andere lidstaat, waarin hij een naam heeft verkregen die hij vrij heeft gekozen en die meerdere adellijke bestanddelen bevat. Zij vraagt meer in het bijzonder of een lidstaat om redenen verband houdend met de constitutionele keuze van de eerste lidstaat en de afschaffing van adellijke titels gerechtigd kan zijn, een onder dergelijke omstandigheden verkregen wijziging van voor- en achternamen niet te erkennen.

28      Artikel 20 VWEU verleent aan een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit het burgerschap van de Unie (zie arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verzoeker in het hoofdgeding, die de nationaliteit van twee lidstaten bezit, heeft deze hoedanigheid.

29      Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn (zie arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Deze hoedanigheid verleent degenen onder deze staatsburgers die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen, binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag aanspraak op gelijke behandeling rechtens (zie arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Tot de situaties die binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht vallen, behoren die welke de uitoefening betreffen van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, met name van de in artikel 21 VWEU neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (zie arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, EU:C:2001:458, punt 33; van 11 juli 2002, D’Hoop, C‑224/98, EU:C:2002:432, punt 29, en van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 62).

32      Weliswaar vallen bij de huidige stand van het Unierecht de regels betreffende de inschrijving van de naam en voornaam van een persoon in de akten van de burgerlijke stand onder de bevoegdheid van de lidstaten, maar de lidstaten dienen bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht in acht te nemen en in het bijzonder de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (zie arresten van 2 oktober 2003, Garcia Avello, C‑148/02, EU:C:2003:539, punt 25; van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul, C‑353/06, EU:C:2008:559, punt 16; van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punten 38 en 39, en van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 63).

33      In het onderhavige geval staat vast dat verzoeker in het hoofdgeding de nationaliteit van twee lidstaten bezit en in zijn hoedanigheid van burger van de Unie gebruik heeft gemaakt van zijn vrijheid overeenkomstig artikel 21 VWEU om in een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst vrij te reizen en te verblijven.

34      Mitsdien is dit de enige bepaling aan de hand waarvan moet worden onderzocht of de autoriteiten van een lidstaat in omstandigheden als in het hoofdgeding mogen weigeren, de door een onderdaan van een lidstaat in een andere lidstaat, waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, verkregen naam te erkennen (zie naar analogie arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 65).

 Het bestaan van een beperking

35      Vooraf moet worden opgemerkt dat de voornaam en achternaam van een persoon een bestanddeel zijn van zijn identiteit en zijn privéleven, waarvan de bescherming is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”). Hoewel artikel 7 van het Handvest dit niet uitdrukkelijk vermeldt, betreffen de voornaam en achternaam van een persoon niettemin zijn of haar privéleven en gezinsleven, aangezien de naam een middel is tot identificatie van een persoon en een band met een gezin uitdrukt (zie, voor wat artikel 8 EVRM betreft, arresten van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 66).

36      Een nationale wettelijke regeling die bepaalde nationale onderdanen benadeelt louter omdat zij hun recht om in een andere lidstaat vrij te reizen en te verblijven hebben uitgeoefend, vormt een beperking van de vrijheden die elke burger van de Unie op grond van artikel 21, lid 1, VWEU geniet (zie onder meer arresten van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul, C‑353/06, EU:C:2008:559, punt 21; van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 53, en van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 68).

37      Volgens de rechtspraak van het Hof kan de weigering door de autoriteiten van een lidstaat om de naam van een onderdaan van die staat die zijn recht om op het grondgebied van een andere lidstaat vrij te reizen en te verblijven heeft uitgeoefend, te erkennen zoals hij is vastgelegd in die laatste lidstaat, een belemmering vormen voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU neergelegde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Als gevolg van een verschil tussen twee namen waarmee dezelfde persoon wordt aangeduid, kunnen immers verwarring en ongemakken ontstaan (zie in die zin arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punten 39, 41, 42, 66 en 71).

38      In het onderhavige geval kan de niet-erkenning door de Duitse autoriteiten van de wijziging van de voornamen en achternaam van een Duits onderdaan, die is verkregen onder de wetgeving van een andere lidstaat, waarvan die onderdaan eveneens de nationaliteit bezit, een dergelijke belemmering vormen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt echter dat de weigering om de voornamen en achternaam van een onderdaan van een lidstaat te wijzigen en de door die onderdaan in een andere lidstaat verkregen voornamen en achternaam te erkennen, slechts een beperking vormt van de door artikel 21 VWEU erkende vrijheden indien zij voor de betrokkene „ernstige ongemakken” van administratieve, professionele en persoonlijke aard veroorzaakt (zie in die zin arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Het Hof heeft reeds vastgesteld dat telkens wanneer de in een concrete situatie gebruikte naam niet overeenstemt met die in het document dat als bewijs van iemands identiteit wordt overgelegd of wanneer de naam in twee tegelijkertijd overgelegde documenten niet dezelfde is, een dergelijk verschil in achternaam twijfel kan doen ontstaan aan de identiteit van de betrokkene, evenals aan de echtheid van de overgelegde documenten of aan de waarheidsgetrouwheid van de daarin vermelde gegevens (arrest van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul, C‑353/06, EU:C:2008:559, punt 28).

40      Het Hof heeft ook verklaard dat in het geval van een persoon die onderdaan is van een lidstaat die weigert de door die persoon door zijn adoptie in een andere lidstaat verkregen naam te erkennen, het concrete risico om ten gevolge van de verscheidenheid van namen twijfel aan zijn identiteit te moeten wegnemen, een belemmering vormt voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU verankerde recht (zie in die zin arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 70).

41      In het onderhavige geval verklaart de Duitse regering te betwijfelen of de ongemakken als gevolg van de verschillen tussen de voornamen en achternaam die verzoeker in het hoofdgeding draagt, voor hem nadelig zijn in zijn privéleven en beroepsleven. Niets zou erop wijzen dat de in het Verenigd Koninkrijk verkregen naam van aanzienlijk belang is voor de identificatie van verzoeker in het hoofdgeding en zijn band met een gezin.

42      Daarentegen heeft verzoeker in het hoofdgeding ter terechtzitting voor het Hof verklaard dat hij ernstige ongemakken in de zin van de in punt 38 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak heeft ondervonden, inzonderheid bij de inschrijving in Duitsland van een filiaal van de door hem in het Verenigd Koninkrijk opgerichte vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvoor hij als Duits staatsburger zijn identiteit heeft moeten aantonen met behulp van Duitse documenten waarop een andere naam vermeld stond dan op die op de door het Verenigd Koninkrijk afgegeven documenten, en bij de opening van een bankrekening voor die vennootschap, alsook bij eenvoudige wegcontroles waarbij hij zijn Brits rijbewijs heeft moeten tonen en, overeenkomstig de Duitse wetgeving inzake de identiteitsdocumenten, een Duits identiteitsbewijs.

43      In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat voor tal van handelingen in het dagelijkse leven, zowel in het beroeps‑ als in het privéleven, het bewijs moet worden geleverd van de eigen identiteit en voorts, met betrekking tot een gezin, van de aard van de familiebanden tussen de verschillende gezinsleden (arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn, C‑391/09, EU:C:2011:291, punt 73).

44      Aangezien verzoeker in het hoofdgeding twee nationaliteiten bezit, kunnen zowel de Duitse als de Britse autoriteiten hem officiële documenten, zoals een paspoort, afgeven. Verzoeker nu staat onder verschillende voor- en achternamen in het Duitse register voor de burgerlijke stand en bij de Britse autoriteiten ingeschreven. De voor- en achternamen „Peter Mark Emanuel Graf von Wolffersdorff Freiherr von Bogendorff” die op zijn Britse paspoort en rijbewijs staan zijn immers niet dezelfde als de voor- en achternamen „Nabiel Peter Bogendorff von Wolffersdorff” zoals die in het Duitse register van de burgerlijke stand en op zijn Duitse identiteitsbewijzen vermeld staan.

45      Evenals in de zaak waarin het arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, EU:C:2010:806), is gewezen, vormt het concrete risico, in omstandigheden zoals in het hoofdgeding, wegens naamsverschillen twijfel over de identiteit van zijn persoon te moeten wegnemen, een omstandigheid die de uitoefening van het uit artikel 21 VWEU voortvloeiende recht belemmert.

46      Voor het overige zij opgemerkt dat aangezien de minderjarige dochter van verzoeker in het hoofdgeding beschikt over twee paspoorten op de naam van „Larissa Xenia Gräfin von Wolffersdorff Freiin von Bogendorff”, die respectievelijk zijn afgegeven door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en, ten vervolge op de beslissing van het Oberlandesgericht Dresden, door de Duitse autoriteiten, verzoeker wegens zijn naam, die verschilt van die van zijn dochter, daarnaast het risico loopt moeilijkheden te ondervinden om zijn gezinsband met zijn dochter aan te tonen.

47      Hieruit volgt dat de niet-erkenning door de autoriteiten van een lidstaat van de voor- en achternamen van een onderdaan van die lidstaat zoals die zijn vastgelegd en ingeschreven in een tweede lidstaat, waarvan de betrokkenen eveneens de nationaliteit bezit, een beperking van de door artikel 21 VWEU aan iedere burger van de Unie ingeruimde vrijheden vormt.

 Het bestaan van een rechtvaardiging

48      Volgens vaste rechtspraak kan een belemmering van het vrije verkeer van personen enkel worden gerechtvaardigd indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen en evenredig is aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel (zie arresten van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul, C‑353/06, EU:C:2008:559, punt 29, en van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 81).

49      De verwijzende rechterlijke instantie vermeldt vier gronden die de weigering om de door verzoeker in het hoofdgeding in het Verenigd Koninkrijk verkregen voor- en achternamen te erkennen en in te schrijven zouden kunnen rechtvaardigen. Die gronden zijn ontleend aan de beginselen van onveranderlijkheid en continuïteit van de naam, de omstandigheid dat de naamswijziging in het Verenigd Koninkrijk een bewuste keuze is geweest, zonder enig verband met een na toepassing van bepalingen van familierecht ingetreden wijziging van het personeel statuut, de lengte en de ingewikkeldheid van de gekozen naam, alsook redenen verband houdend met de constitutioneelrechtelijke keuze in Duitsland en de afschaffing van adellijke titels.

 De beginselen van onveranderlijkheid en continuïteit van de naam

50      Volgens de verwijzende rechterlijke instantie houdt de reden waarom naar Duits recht naamswijziging die berust op vrije keuze, los van enige wijziging van het personeel statuut ten vervolge op de toepassing van bepalingen van familierecht, voornamelijk verband met de beginselen van onveranderlijkheid en continuïteit van de naam, die een betrouwbaar en duurzaam kenmerk ter identificatie van een persoon moet vormen.

51      In de punten 30 en 31 van het arrest van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul (C‑353/06, EU:C:2008:559), waarin door de Duitse autoriteiten voor de aanknoping van de naamgeving van een persoon bij de nationaliteit van die persoon de beginselen van zekerheid en continuïteit waren ingeroepen, heeft het Hof echter reeds verklaard dat aan die beginselen, hoe legitiem zij ook mogen zijn, niet een zodanig belang kan worden toegekend dat zij een rechtvaardiging kunnen vormen voor de weigering van de bevoegde autoriteiten van een lidstaat om de naam van de betrokken persoon zoals die in een andere lidstaat rechtmatig is vastgelegd en ingeschreven, te erkennen.

 Vrijwilligheid van de naamswijziging

52      Volgens de verwijzende rechter is het verschil tussen de namen op de Britse en Duitse paspoorten van verzoeker in het hoofdgeding niet te wijten aan de omstandigheden van zijn geboorte, noch aan adoptie en evenmin aan een andere wijziging van zijn personeel statuut, maar is het het gevolg van de beslissing van verzoeker in het hoofdgeding, in het Verenigd Koninkrijk van naam te veranderen. Die beslissing heeft hij genomen om zuiver persoonlijke redenen. De verwijzende rechterlijke instantie vraagt zich af of een dergelijke keuze bescherming dient te genieten.

53      Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Duitse regering te kennen gegeven dat, anders dan de burgerlijke stand van de stad Karlsruhe betoogt, artikel 48 EGBGB niet enkel van toepassing is op onder het familierecht vallende situaties. Volgens die regering creëert die bepaling, die is vastgesteld na de uitspraak van het arrest van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul (C‑353/06, EU:C:2008:559), een rechtsgrondslag op grond waarvan een aan Duits recht onderworpen persoon een in een andere lidstaat verkregen en ingeschreven naam mag kiezen mits er geen sprake is van onverenigbaarheid met de fundamentele beginselen van Duits recht. Voormelde regering heeft gepreciseerd dat die naam kan worden ingeschreven door een verklaring van de betrokken persoon op het bureau van de burgerlijke stand dat hij de in een andere lidstaat verkregen naam wenst te dragen in plaats van de naam die uit de toepassing van het Duitse recht inzake de burgerlijke stand volgt, waarbij als voorwaarde geldt dat de naam in een andere lidstaat is verkregen terwijl zij daar gewoonlijk verblijf hielden, te weten een verblijf hadden van bepaalde duur dat tot een zekere sociale integratie heeft geleid. Door dat vereiste moet worden verhinderd dat Duitse onderdanen, met als enig doel hun nationale voorschriften op het gebied van de burgerlijke stand te omzeilen, voor korte tijd verblijf houden in een andere lidstaat, met gunstiger wettelijke bepalingen, ter verkrijging van de naam die zij wensen.

54      Zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is de naam van een persoon een bestanddeel van zijn identiteit en van zijn privéleven, waarvan de bescherming wordt gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM.

55      In het arrest van het EHRM van 25 november 1994, Stjerna/Finland ECLI:CE:ECHR:1994:1125JUD001813191, § 38 en 39), heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkend dat de naam bepalend is voor de identificatie van personen, met de overweging dat de weigering van de Finse autoriteiten, een verzoeker toe staan een nieuwe achternaam aan te nemen, niet noodzakelijkerwijs een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven vormt, zoals bijvoorbeeld het geval zou zijn geweest bij een verplichte wijziging van de achternaam. Het heeft wel erkend dat een persoon daadwerkelijk redenen kan hebben van naam te willen veranderen, maar daaraan toegevoegd dat in het openbaar belang wettelijke beperkingen van die mogelijkheid gerechtvaardigd kunnen zijn, bijvoorbeeld om een nauwkeurige registratie van de bevolking te waarborgen of voor het behoud van de middelen ter persoonlijke identificatie en om de dragers van een bepaalde naam aan een familie te koppelen.

56      In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat de vrijwilligheid van de naamswijziging op zich niet indruist tegen het algemeen belang en bijgevolg als zodanig geen rechtvaardiging kan vormen voor een beperking op artikel 21 VWEU. De Duitse autoriteiten kunnen erkenning van een door een Duits onderdaan in een andere lidstaat rechtmatig verkregen naam dan ook niet weigeren op de enkele grond dat aan die naamswijziging persoonlijke redenen ten grondslag liggen, zonder rekening te houden met de motieven voor die wijziging.

57      Aangaande inzonderheid het ten aanzien van vrijwillige naamswijzigingen tot uitdrukking gebrachte streven, te voorkomen dat de nationale bepalingen op het gebied van de burgerlijke stand worden omzeild doordat enkel met dat doel de vrijheid van verkeer en de daaruit voortvloeiende rechten worden uitgeoefend, zij in herinnering gebracht dat het Hof in punt 24 van het arrest van 9 maart 1999, Centros (C‑212/97, EU:C:1999:126), reeds heeft verklaard dat een lidstaat maatregelen mag treffen die tot doel hebben te verhinderen, dat sommige van zijn onderdanen van de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden profiteren om zich op onaanvaardbare wijze aan hun nationale wetgeving te onttrekken en dat de justitiabelen niet met het oog op misbruik of bedrog het gemeenschapsrecht kunnen inroepen.

58      Uit een en ander volgt dat de weigering om de Britse naam van verzoeker in het hoofdgeding te erkennen niet kan worden gerechtvaardigd door het enkele feit dat de naamswijziging op initiatief van verzoeker in het hoofdgeding heeft plaatsgevonden, zonder dat rekening wordt gehouden met de beweegredenen voor die wijziging.

 Lengte van de naam

59      Volgens de verwijzende rechterlijke instantie is een ander streefdoel van de Duitse rechtsorde, overdreven lange of te ingewikkelde namen te vermijden. In dit verband stelt zij vast dat de door verzoeker in het hoofdgeding gekozen naam „Peter Mark Emanuel Graf von Wolffersdorff Freiherr von Bogendorff” naar Duitse maatstaven ongebruikelijk lang is.

60      Dienaangaande heeft het Hof in punt 36 van het arrest van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul (C‑353/06, EU:C:2008:559), in antwoord op het argument van de Duitse regering dat naar Duits recht de verlening van samengestelde namen om praktische redenen niet is toegestaan en dat naar beperking van de lengte van namen wordt gestreefd, verklaard dat overwegingen van administratieve efficiëntie niet volstaan ter rechtvaardiging van een belemmering van het vrije verkeer.

 Afschaffing van voorrechten en verbod om adellijke titels te dragen of de schijn van adellijke herkomst weer op te wekken

61      Volgens de centrale juridische dienst van de stad Karlsruhe en de Duitse regering kan in het hoofdgeding een objectieve reden waarmee een beperking van het vrije verkeer kan worden gerechtvaardigd worden ontleend aan het beginsel van gelijkheid van alle Duitse burgers voor de wet en aan de in artikel 109, lid 3, van de Grondwet van Weimar, juncto artikel 123 van de grondwet vastgelegde constitutionele keuze, voorrechten en nadelen verband houdend met geboorte en stand af te schaffen en het dragen van adellijke titels als zodanig te verbieden. De erkenning van een uit meerdere adellijke titels samengestelde vrij gekozen naam die in een andere lidstaat is verkregen en waarvan de verkrijging niet het gevolg is van een wijziging van het personeel statuut ten vervolge op de toepassing van bepalingen van familierecht, zou meebrengen dat een nieuwe adellijke titel wordt gecreëerd, hetgeen in strijd zou zijn met de Duitse openbare orde.

62      De Duitse regering geeft te kennen dat overeenkomstig artikel 123 van de grondwet juncto artikel 109, derde alinea, van de Grondwet van Weimar in Duitsland alle voorrechten en ongelijkheden op grond van geboorte of stand zijn afgeschaft. Adellijke titels die bij de inwerkingtreding van de Grondwet van Weimar daadwerkelijk werden gevoerd kunnen weliswaar als bestanddeel van de naam voortbestaan en worden overgedragen op grond van een familierechtelijk feit, maar er mogen geen nieuwe adellijke titels worden verleend. Volgens vaste rechtspraak in Duitsland strekt het in artikel 109, derde alinea, van de Grondwet van Weimar opgenomen verbod zich mede uit tot de toekenning van een naam met een adellijke titel als bestanddeel van de naam door middel van naamsverandering, en het is voorts verboden, de schijn van adellijke herkomst opnieuw op te wekken, bijvoorbeeld door naamsverandering. Deze regelingen maken deel uit van de Duitse openbare orde en hebben tot doel, de gelijkstelling van alle Duitse staatsburgers te waarborgen.

63      De centrale juridische dienst van de stad Karlsruhe en de Duitse regering verwijzen in dit verband naar punt 94 van het arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, EU:C:2010:806), waarin het Hof heeft verklaard dat geen sprake is van een maatregel die een ongerechtvaardigde inbreuk oplevert op de vrijheid van de burgers van de Unie om te reizen en te verblijven, wanneer de autoriteiten van een lidstaat weigeren om de achternaam van een onderdaan van die staat zoals hij in een tweede lidstaat – waarin deze onderdaan woonachtig is – bij zijn adoptie op volwassen leeftijd door een onderdaan van die tweede lidstaat is vastgesteld, in al zijn onderdelen te erkennen, ingeval die achternaam een adellijke titel bevat die de eerste lidstaat op grond van zijn constitutionele recht niet toestaat.

64      Ook al verschilt het Duitse recht, zoals de verwijzende rechterlijke instantie opmerkt, van de Oostenrijkse rechtsvoorschriften die aan de orde waren in de zaak waarin het arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, EU:C:2010:806), is gewezen doordat het geen strikt verbod op het gebruik en de overdracht van adellijke titels bevat aangezien deze als bestanddeel van de naam mogen worden gevoerd, moet in de onderhavige zaak eveneens worden toegegeven dat artikel 109, derde alinea, van de Grondwet van Weimar als deel van de nationale identiteit van een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 2, VEU, in de context van de constitutionele keuze in Duitsland in aanmerking kan worden genomen als een rechtvaardigingsgrond voor een beperking van het door het Unierecht erkende recht van vrij verkeer van personen.

65      De rechtvaardiging die wordt ontleend aan het beginsel van gelijkheid van alle Duitse staatsburgers voor de wet en aan de constitutionele keuze, voorrechten en ongelijkheden af te schaffen en het dragen van adellijke titels als zodanig te verbieden, moet worden gezien als een reden van openbare orde.

66      Volgens vaste rechtspraak kunnen objectieve overwegingen verband houdend met de openbare orde een rechtvaardiging vormen voor de weigering van een lidstaat om de naam van een van zijn onderdanen zoals die in een andere lidstaat is toegekend, te erkennen (zie in die zin arresten van 14 oktober 2008, Grunkin en Paul, C‑353/06, EU:C:2008:559, punt 38, en van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 85).

67      Het Hof heeft herhaalde malen in herinnering gebracht dat het begrip openbare orde, wanneer het moet dienen als rechtvaardiging voor een afwijking van een fundamentele vrijheid, strikt dient te worden opgevat, zodat de draagwijdte ervan niet zonder controle van de instellingen van de Europese Unie door elk van de lidstaten eenzijdig kan worden bepaald. De openbare orde kan bijgevolg slechts worden aangevoerd in geval van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang (zie arresten van 14 oktober 2004, Omega, C‑36/02, EU:C:2004:614, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 86).

68      Dit neemt niet weg dat de specifieke omstandigheden die het inroepen van het begrip openbare orde kunnen rechtvaardigen, naar lidstaat en tijdstip kunnen verschillen. De bevoegde nationale autoriteiten moeten dienaangaande dan ook over een beoordelingsmarge beschikken binnen de door het Verdrag opgelegde grenzen (zie arresten van 14 oktober 2004, Omega, C‑36/02, EU:C:2004:614, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 87).

69      In de onderhavige zaak heeft de Duitse regering erop gewezen dat artikel 109, derde alinea, van de Grondwet van Weimar, waarbij voorrechten en adellijke titels als zodanig worden afgeschaft en het creëren van titels die de schijn van adellijke herkomst wekken wordt verboden, ook in de vorm van een bestanddeel van de naam, uitvoering geeft aan het meer algemene beginsel van gelijkheid van alle Duitse staatsburgers voor de wet.

70      Zoals het Hof heeft opgemerkt in punt 89 van het arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, EU:C:2010:806), beoogt de rechtsorde van de Unie ontegenzeglijk de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel te verzekeren. Dit beginsel is eveneens verankerd in artikel 20 van het Handvest.

71      Het lijdt dan ook geen twijfel dat het doel, het gelijkheidsbeginsel te eerbiedigen, een rechtmatig doel is gelet op het recht van de Unie.

72      Maatregelen die een fundamentele vrijheid beperken, kunnen slechts hun rechtvaardiging vinden in redenen verband houdend met de openbare orde indien zij de verwezenlijking van de ermee nagestreefde doelstellingen waarborgen en noodzakelijk zijn ter bescherming van de belangen die zij moeten waarborgen, en slechts voor zover die doelstellingen niet met minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt (zie arresten van 14 oktober 2004, Omega, C‑36/02, EU:C:2004:614, punt 36; 10 juli 2008, Jipa, C‑33/07, EU:C:2008:396, punt 29, en van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 90).

73      Het Hof heeft dienaangaande reeds gepreciseerd dat niet vereist is dat alle lidstaten over de door de autoriteiten van een lidstaat vastgestelde beperkende maatregel eenzelfde overtuiging delen met betrekking tot de wijze van bescherming van het betrokken grondrecht of rechtmatig belang en dat veeleer de enkele omstandigheid dat een lidstaat een ander stelsel van bescherming heeft gekozen dan een andere lidstaat, niet uitsluit dat de betrokken maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn (arresten van 14 oktober 2004, Omega, C‑36/02, EU:C:2004:614, punten 37 en 38, en van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 91). Ook zij eraan herinnerd dat de Unie overeenkomstig artikel 4, lid 2, VEU de nationale identiteit van haar lidstaten, waartoe ook de republikeinse staatsvorm behoort, eerbiedigt (arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein, C‑208/09, EU:C:2010:806, punt 92).

74      In punt 93 van het arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, EU:C:2010:806), heeft het Hof overwogen dat het niet onevenredig lijkt dat een lidstaat de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel beoogt te verzekeren door de verkrijging, het bezit of het gebruik door zijn onderdanen van adellijke titels of adellijke bestanddelen, op grond waarvan anderen zouden kunnen geloven dat de naamdrager in kwestie een dergelijke rang bekleedt, te verbieden. Het heeft dan ook geoordeeld dat de voor burgerlijke staat bevoegde Oostenrijkse autoriteiten, door te weigeren de adellijke bestanddelen van een naam zoals die in de zaak waarin dat arrest is gewezen te erkennen, kennelijk niet verder waren gegaan dan noodzakelijk was ter bereiking van de fundamentele grondwettelijke doelstelling die zij nastreefden.

75      Zoals de verwijzende rechterlijke instantie opmerkt, liggen aan een administratieve praktijk zoals in het hoofdgeding, waarbij verklaringen omtrent de keuze van een naam worden geweigerd, weliswaar redenen van openbare orde ten grondslag die gelijken op de gronden waarop de in het voorgaande punt genoemde Oostenrijkse regeling berust, maar bevat de Duitse rechtsorde anders dan de Oostenrijkse geen strikt verbod op het behoud van adellijke titels. Ofschoon sinds de inwerkingtreding van de Grondwet van Weimar geen nieuwe adellijke titels meer worden verleend, zijn de titels die op die datum bestonden gehandhaafd als bestanddelen van de naam. Bijgevolg is het ondanks de afschaffing van de adel toegestaan dat de namen van Duitse staatsburgers op grond van afstamming bestanddelen bevatten die aan oude adellijke titels beantwoorden. Bovendien kunnen volgens de thans geldende Duitse voorschriften betreffende de burgerlijke stand dergelijke bestanddelen ook door adoptie worden verkregen.

76      Daarentegen zou het indruisen tegen de bedoeling van de Duitse wetgever, indien Duitse staatsburgers de afgeschafte adellijke titels weer konden aannemen door gebruik te maken van het recht van een andere lidstaat. Stelselmatige erkenning van naamsveranderingen zoals die in het hoofdgeding zou echter tot dat resultaat kunnen leiden.

77      Daar het in Duitsland is toegestaan dat bepaalde personen in hun naam bestanddelen dragen die overeenstemmen met vroegere adellijke titels, rijst de vraag of het verbod om vrij een nieuwe naam te kiezen die vroegere adellijke titels bevat, en de praktijk van de Duitse autoriteiten, een dergelijke naam niet te erkennen, passend en noodzakelijk zijn om te waarborgen dat het doel van bescherming van de openbare orde van deze lidstaat, waarvoor de gelijkheid van alle Duitse staatsburgers voor de wet kenmerkend is, wordt verwezenlijkt.

78      Anders dan de zaak waarin het arrest van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, EU:C:2010:806), is gewezen, vereist de beoordeling of een praktijk zoals aan de orde in het hoofdgeding evenredig is een analyse en afweging van diverse aspecten rechtens en feitelijk met betrekking tot de betrokken lidstaat, waartoe de verwijzende rechterlijke instantie beter in staat is dan het Hof.

79      Meer in het bijzonder is het aan de verwijzende rechterlijke instantie om te beoordelen, of de voor de burgerlijke stand bevoegde Duitse autoriteiten niet verder zijn gegaan dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van het door hen nagestreefde fundamentele constitutionele doel, door te weigeren de door verzoeker in het hoofdgeding in het Verenigd Koninkrijk verkregen naam te erkennen op grond dat de verwezenlijking van het doel, het beginsel van gelijkheid van alle Duitse staatsburgers voor de wet de waarborgen, vereist dat het Duitse staatsburgers verboden is, adellijke titels of adellijke bestanddelen die de indruk kunnen wekken dat de houder van de naam een dergelijke rang heeft, onder bepaalde voorwaarden te verkrijgen en te gebruiken.

80      In dat verband moeten bij de afweging van het de burger van de Unie door artikel 21 VWEU toegekende recht op vrij verkeer en de rechtmatige belangen die worden nagestreefd door de beperkingen die de Duitse wetgever heeft gesteld op het gebruik van adellijke titels en door het door hem ingevoerde verbod om opnieuw de schijn van adellijke herkomst te wekken, diverse aspecten in de beschouwing worden betrokken. Die aspecten kunnen weliswaar als zodanig niet als rechtvaardiging dienen, maar moeten bij de toetsing van de evenredigheid in de beschouwing worden betrokken.

81      Zo moet in de eerste plaats in aanmerking worden genomen dat verzoeker in het hoofdgeding bedoeld recht heeft uitgeoefend en zowel de Duitse als de Britse nationaliteit bezit, dat de bestanddelen van de in het Verenigd Koninkrijk verkregen naam die naar het oordeel van de Duitse autoriteiten in strijd zijn met de openbare orde formeel noch in Duitsland noch in het Verenigd Koninkrijk adellijke titels zijn, en dat de Duitse rechterlijke instantie die de bevoegde autoriteiten heeft gelast, de naam van de dochter van verzoeker in het hoofdgeding, die adellijke bestanddelen bevat, in te schrijven zoals hij door de Britse autoriteiten was geregistreerd, niet van oordeel was dat die inschrijving in strijd was met de openbare orde.

82      In de tweede plaats moet ook in de beschouwing worden betrokken dat de naamsverandering op een beslissing op zuiver persoonlijke gronden van verzoeker in het hoofdgeding berust, dat de daaruit voortvloeiende naamsafwijking noch is terug te voeren op de omstandigheden van de geboorte van die verzoeker noch op adoptie en evenmin op de verkrijging van de Britse nationaliteit, en dat de in het Verenigd Koninkrijk gekozen naam bestanddelen bevat die, zonder in Duitsland of in het Verenigd Koninkrijk formeel adellijke titels te vormen, de schijn van adellijke herkomst wekken.

83      Hoe dan ook moet worden beklemtoond dat ofschoon de aan de openbare orde en aan het beginsel van gelijkheid van alle Duitse onderdanen voor de wet ontleende objectieve reden in voorkomend geval de niet-erkenning van de verandering van de achternaam van verzoeker in het hoofdgeding kan rechtvaardigen, zij de weigering om de verandering van de voornamen van deze laatste te erkennen niet kan rechtvaardigen.

84      Blijkens het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 21 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de autoriteiten van een lidstaat de naam van een onderdaan van die lidstaat niet hoeven te erkennen wanneer die onderdaan mede de nationaliteit bezit van een andere lidstaat, waarin hij die door hem vrij gekozen naam, die meerdere adellijke bestanddelen bevat die volgens het recht van eerstgenoemde lidstaat niet zijn toegestaan, heeft verkregen, wanneer komt vast te staan – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie dit te verifiëren – dat een dergelijke niet-erkenning in die context haar rechtvaardiging vindt in redenen van openbare orde omdat zij passend en noodzakelijk is om de eerbiediging van het beginsel van gelijkheid van alle burgers van die lidstaat voor de wet te waarborgen.

 Kosten

85      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 21 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de autoriteiten van een lidstaat de naam van een onderdaan van die lidstaat niet hoeven te erkennen wanneer die onderdaan mede de nationaliteit bezit van een andere lidstaat, waarin hij die door hem vrij gekozen naam, die meerdere adellijke bestanddelen bevat die volgens het recht van eerstgenoemde lidstaat niet zijn toegestaan, heeft verkregen, wanneer komt vast te staan – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie dit te verifiëren – dat een dergelijke niet-erkenning in die context haar rechtvaardiging vindt in redenen van openbare orde omdat zij passend en noodzakelijk is om de eerbiediging van het beginsel van gelijkheid van alle burgers van die lidstaat voor de wet te waarborgen.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.