ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Tweede kamer)

26 mei 2011

Zaak F‑40/10

Giorgio Lebedef

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Vakantieverlof – Afwezigheid na opgebruik van vakantieverlof en zonder voorafgaande toestemming – Verlies van bezoldiging – Artikel 60 van Statuut”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, op het EGA-Verdrag van toepassing krachtens artikel 106 bis daarvan, waarmee Lebedef de nietigverklaring vordert van het besluit van de directeur-generaal van Eurostat van 11 augustus 2009 om vijf en een halve dag op zijn bezoldiging in mindering te brengen vanwege afwezigheid (overeenkomend met die vijf en een halve dag) na opgebruik van zijn vakantieverlof en zonder voorafgaande toestemming van zijn directe chef.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Verzoeker draagt alle kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Verlof – Vakantieverlof – Verlof dat negatief saldo oplevert – Vereiste van voorafgaande toestemming – Ambtenaar die voor 50 % is gedetacheerd als vakbondsvertegenwoordiger – Geen invloed

(Ambtenarenstatuut, art. 60)

2.      Ambtenaren – Verlof – Vakantieverlof – Door de Commissie ingestelde regeling – Verlof dat negatief saldo oplevert – Verzoek om voorafgaande toestemming – Motiveringsplicht

(Ambtenarenstatuut, art. 60)

3.      Ambtenaren – Onregelmatige afwezigheid – Regularisatie achteraf – Voorwaarden

(Ambtenarenstatuut, art. 60)

4.      Ambtenaren – Bezwarend besluit – Motiveringsplicht – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 25)

5.      Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit – Besluit vallend binnen context van psychisch geweld – Vereiste van verband tussen geweld en bestreden besluit

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

6.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

1.      Uit de bewoordingen van artikel 60 van het Statuut volgt dat voor een vakantieverlof dat een negatief saldo oplevert vooraf toestemming van de directe chef van de betrokkene moet worden verkregen. Dienaangaande kan een ambtenaar die deze toestemming niet heeft verkregen, zich er niet op beroepen dat hij de facto niet werkzaam is voor zijn dienst vanwege het feit dat hij voor 50 % is gedetacheerd als vakbondsvertegenwoordiger.

Krachtens het beginsel dat de overtreding niet ten goede mag komen aan de overtreder, kan de onregelmatige afwezigheid van de ambtenaar tijdens de resterende 50 % hem niet ontslaan van de naleving van de regels inzake verlof. Derhalve bevindt een ambtenaar die afwezig is zonder vooraf te zijn nagegaan of zijn verlofaanvraag is geaccepteerd, zich, gelet op de voorwaarde van voorafgaande toestemming van zijn directe chef, in een situatie van onregelmatige afwezigheid verlof.

(cf. punten 26 en 30)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: 16 december 2010, Lebedef/Commissie, T‑364/09 P, en Lebedef/Commissie, T‑52/10 P

Gerecht voor ambtenarenzaken: 7 juli 2009, Lebedef/Commissie, F‑39/08; 30 november 2009, Lebedef/Commissie, F‑54/09

2.      In het kader van de door de Commissie vastgestelde toepassingsbepalingen op het gebied van het verlof, is voor een vakantieverlof dat een negatief saldo oplevert de voorafgaande toestemming vereist van de directe chef van de betrokkene. Deze toestemming kan slechts bij wijze van uitzondering en op gemotiveerd verzoek worden verleend. Aangezien de toestemming dient te worden verleend vóórdat de betrokkene met verlof gaat, moet dit noodzakelijkerwijs ook gelden voor de motivering op basis waarvan de directe chef besluit om de gevraagde toestemming al dan niet te verlenen. Derhalve kan een verzoek niet worden geacht te zijn gemotiveerd wanneer de toelichting pas achteraf wordt verstrekt en de directe chef hierover niet beschikt op het tijdstip waarop hij besluit de verlofaanvraag niet te honoreren. Bijgevolg kan de directe chef niet worden verweten een dergelijke aanvraag niet te hebben ingewilligd.

Bovendien impliceert het feit dat de voorafgaande toestemming slechts bij uitzondering en onder verantwoordelijkheid van de directe chef van de betrokkene wordt verleend, noodzakelijkerwijs dat de administratie dienaangaande beschikt over een ruime beoordelingsmarge, die zij uitoefent krachtens haar interne organisatiebevoegdheid.

(cf. punten 26, 31 en 32)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 7 juli 2009, Lebedef/Commissie, F‑39/08, punt 55; 30 november 2009, Lebedef/Commissie, F‑54/09, punt 48

3.      Laattijdige verklaringen ter bevestiging van het feit dat de ambtenaar deel uitmaakt van de statutaire of de vakbondsvertegenwoordiging kan de onregelmatige afwezigheid van die ambtenaar niet achteraf valideren, omdat een dergelijke validatie krachtens artikel 60 van het Statuut slechts kan plaatsvinden in geval van ziekte of een ongeval. In elk geval moet de bevoegde administratie zelfs bij achteraf gedane verklaringen een bepaald recht van controle kunnen behouden en de gegrondheid kunnen controleren van een latere regularisatie van een als onregelmatig aangemerkte afwezigheid.

(cf. punt 32)

4.      Een eventueel gebrek aan motivering van een jegens een ambtenaar genomen besluit van een instelling van de Unie, kan worden hersteld door een passende motivering die wordt verstrekt in het stadium van beantwoording van de klacht, aangezien die laatste motivering wordt geacht samen te vallen met de motivering van het besluit waartegen de klacht is gericht.

(cf. punt 38)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 18 september 2003, Lebedef e.a./Commissie, T‑221/02, punt 62

Gerecht voor ambtenarenzaken: 7 november 2007, Hinderyckx/Raad, F‑57/06, punt 25

5.      Dat is aangetoond dat er sprake is van door een ambtenaar ondervonden psychisch geweld betekent niet dat elk besluit dat die ambtenaar bezwaart en dat, in temporeel opzicht, is genomen binnen de context van psychisch geweld, in zoverre onwettig is; ook dan moet er sprake zijn van een verband tussen het betrokken geweld en de gronden van het bestreden besluit.

(cf. punt 42)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 24 februari 2010, Menghi/ENISA, F‑2/09, punt 69; 4 april 2011, AO/Commissie, F‑45/10, punt 39

6.      Een afwijzing van een verlofaanvraag teneinde het goede functioneren van de dienst te verzekeren, kan in beginsel niet als een uiting van psychisch geweld worden aangemerkt. Dit geldt te meer wanneer de ambtenaar niet voldoet aan de vereiste administratieve formaliteiten doordat hij niet alvorens afwezig te zijn de voorafgaande toestemming heeft verkregen van zijn directe chef. Om diezelfde redenen kan de ambtenaar niet op goede gronden stellen dat de afwijzing van zijn verlofaanvraag of het niet achteraf regulariseren van die aanvraag een onderdeel is van een handelwijze dat kan worden aangemerkt als psychisch geweld.

(cf. punten 45 en 46)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 4 mei 2005, Schmit/Commissie, T‑144/03, punt 78; 25 oktober 2007, Lo Giudice/Commissie, T‑154/05, punt 107