Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Obvodní soud pro Prahu 1 (Tsjechië) op 26 maart 2021 – Správa železnic, státní organizace/České dráhy e.a.

(Zaak C-221/21)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Obvodní soud pro Prahu 1

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Správa železnic, státní organizace

Verwerende partijen: České dráhy a.s., PKP CARGO INTERNATIONAL, a.s., PDV RAILWAY a.s., KŽC Doprava, s.r.o.

Prejudiciële vragen

Voldoet een nationale regeling als die van deel 5 van de zákon č. 99/1963 Sb., občanský soudní řád (wet nr. 99/1963 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), zoals gewijzigd (hierna: „o.s.ř.” of „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), aan de vereisten voor rechterlijke toetsing van de besluiten van de toezichthoudende instantie overeenkomstig artikel 56, lid 10, van richtlijn 2012/34/EU1 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (hierna: „richtlijn 2012/34”)?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan artikel 56, lid 10, van richtlijn 2012/34 aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke toetsing van een besluit van de toezichthoudende instantie overeenkomstig § 99 o.s.ř. door middel van een gerechtelijke schikking kan worden beëindigd?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: staan de vereisten inzake de instelling van een nationale toezichthoudende instantie voor de spoorwegsector in artikel 55, lid 1, van richtlijn 2012/34, de in artikel 56, leden 2, 6, 11 en 12, van richtlijn 2012/34 genoemde taken van de toezichthoudende instantie en de in artikel 57, lid 2, van richtlijn 2012/34 genoemde samenwerking tussen de toezichthoudende instanties toe dat de besluiten ten gronde van de toezichthoudende instantie worden vervangen door beslissingen van afzonderlijke gewone rechterlijke instanties, die niet gebonden zijn aan de door de toezichthoudende instantie vastgestelde feiten?

____________

1 PB 2012, L 343, blz. 32.