ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

21 mei 2014 (*)

„Gemeenschapsmerk – Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk NUEVA – Artikel 60 van verordening (EG) nr. 207/2009 – Niet-nakoming van verplichting om binnen gestelde termijn beroepstaks te betalen – Dubbelzinnigheid in taalversie – Eenvormige uitlegging – Toeval of overmacht – Verschoonbare dwaling – Verplichting tot oplettendheid en zorgvuldigheid”

In zaak T‑61/13,

Research and Production Company „Melt Water” UAB, gevestigd te Klaipėda (Litouwen), vertegenwoordigd door V. Viešūnaitė en J. Stucka, advocaten,

verzoekster,

tegen

Harmonisatiebureau voor de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (HBIM), vertegenwoordigd door V. Melgar en J. Ivanauskas als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 3 december 2012 (zaak R 1794/2012‑4) inzake een aanvraag tot inschrijving als gemeenschapsmerk van het beeldteken NUEVA,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: M. Jaeger, president, D. Gratsias en M. Kancheva (rapporteur), rechters,

griffier: J. Weychert, administrateur,

gezien het op 6 februari 2013 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 22 april 2013 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,

na de terechtzitting op 9 januari 2014,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 19 januari 2012 heeft verzoekster, Research and Production Company „Melt Water” UAB, krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1) een gemeenschapsmerkaanvraag ingediend bij het Harmonisatiebureau voor de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (HBIM).

2        Het merk waarvan de inschrijving is aangevraagd, is het volgende beeldteken:

Image not found

3        De waren waarvoor inschrijving is aangevraagd, behoren tot klasse 32 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: „Minerale en gazeuze wateren en andere alcoholvrije dranken; mineraalwater (niet-medicinaal); minerale wateren [dranken], mineraalwater; minerale en gazeuse wateren en andere alcoholvrije dranken; gebotteld water, water; bronwater; (gebotteld) (drink)water; (gebotteld) drinkwater; gazeuze wateren; minerale wateren [dranken], tonics [niet-medicinale dranken], sodawater, tafelwateren; mineraalwater (niet-medicinaal), koolzuurvrije wateren; minerale wateren”.

4        Bij beslissing van 18 juli 2012 heeft de onderzoeker de inschrijvingsaanvraag afgewezen voor alle in punt 3 supra bedoelde waren, op grond van artikel 7, lid 1, sub b en c, alsook artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009, omdat het betrokken teken beschrijvend was en onderscheidend vermogen miste.

5        In de laatste paragraaf van zijn beslissing houdende weigering van inschrijving heeft de onderzoeker in het Litouws het volgende aangegeven:

„U heeft het recht om beroep [in het Litouws: ,apeliacija’] tegen deze beslissing in te stellen overeenkomstig artikel 59 van verordening nr. 207/2009. Overeenkomstig artikel 60 van verordening nr. 207/2009 wordt het beroep [in het Litouws: ,pranešimas apie apeliaciją’] schriftelijk ingesteld bij het BHIM binnen twee maanden na de dag waarop de beslissing is meegedeeld en moet een schriftelijke uiteenzetting [in het Litouws: ,rašytinis prašymas’] van de gronden van het beroep worden ingediend binnen vier maanden na deze datum. De uiteenzetting [in het Litouws: ‚prašymas’] wordt als ingediend beschouwd nadat de beroepstaks van 800 EUR is betaald.”

6        Op 28 juli 2012 heeft verzoekster de mededeling van de beslissing van de onderzoeker ontvangen.

7        Op 25 september 2012 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker.

8        Op 4 oktober 2012 heeft het BHIM telefonisch contact opgenomen met verzoekster, en opgemerkt dat de beroepstaks niet was betaald. Bij brief van dezelfde dag heeft verzoekster in antwoord op deze opmerking aan het BHIM uiteengezet dat uit de beslissing van de onderzoeker en artikel 60 van verordening nr. 207/2009 bleek dat deze taks kon worden betaald tot op de datum van indiening van de uiteenzetting van de gronden van het beroep, dit wil zeggen binnen vier maanden na de mededeling van de beslissing.

9        Op 5 oktober 2012 heeft het BHIM verzoekster een kennisgeving gestuurd waarbij zij ervan op de hoogte werd gebracht dat de beroepstaks niet was betaald binnen de toegestane termijn, die volgens het BHIM op 28 september 2012 was verstreken. Verzoekster, die werd verzocht om haar opmerkingen in te dienen, heeft naar haar brief van 4 oktober 2012 verwezen.

10      Op 9 oktober 2012 heeft verzoekster een uiteenzetting van de gronden van haar beroep ingediend. Op 10 oktober 2012 heeft het BHIM de betaling van de beroepstaks ontvangen, die verzoekster de dag ervoor had vereffend.

11      Bij beslissing van 3 december 2012 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de vierde kamer van beroep van het BHIM verzoeksters beroep als niet-ingesteld beschouwd. Zij heeft allereerst geoordeeld dat de bewoordingen van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 in de beslissing van de onderzoeker correct waren overgenomen. Vervolgens heeft zij aangegeven dat de zin „[h]et beroep wordt pas geacht te zijn ingesteld, nadat de beroepstaks betaald is” in dit artikel enkel kon worden verbonden aan de voorgaande zin inzake het instellen van het beroep, waarin een termijn van twee maanden werd bepaald, en niet aan de volgende zin inzake de indiening van de uiteenzetting, waarin een termijn van vier maanden werd bepaald. Zij heeft tevens opgemerkt dat regel 49, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB L 303, blz. 1) bepaalde dat indien de taks na het verstrijken van de termijn voor de instelling van beroep als bedoeld in artikel 60 van verordening nr. 207/2009 was betaald, het beroep als niet-ingesteld werd beschouwd en de beroepstaks aan de insteller van het beroep werd terugbetaald. In casu heeft zij vastgesteld dat verzoekster de beroepstaks op 10 oktober 2012 had betaald, nadat de termijn van twee maanden, bepaald om het beroep in te stellen en de taks te betalen, op 28 september 2012 was verstreken. Bijgevolg heeft zij in wezen het beroep als niet-ingesteld beschouwd, overeenkomstig artikel 60 van verordening nr. 207/2009, en de terugbetaling van deze taks gelast overeenkomstig regel 49, lid 3, van verordening nr. 2868/95.

 Conclusies van partijen

12      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        haar beroep bij de kamer van beroep als ingesteld te beschouwen;

–        het BHIM in de kosten te verwijzen.

13      Het BHIM verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster in de kosten te verwijzen.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van verzoeksters tweede vordering

14      Met haar tweede vordering vraagt verzoekster dat haar beroep voor de kamer van beroep als ingesteld wordt beschouwd, en dus in wezen dat het Gerecht gelast dat de kamer van beroep verklaart dat het beroep is ingesteld.

15      Dienaangaande hoeft er slechts aan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak, in het kader van een bij de rechter van de Europese Unie ingesteld beroep tegen de beslissing van een kamer van beroep van het BHIM, ingevolge artikel 65, lid 6, van verordening nr. 207/2009, het BHIM verplicht is de maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van de Unierechter. Het Gerecht kan derhalve geen bevelen richten tot het BHIM. Dit bureau dient immers de consequenties te trekken die uit het dictum en de motivering van de arresten van de Unierechter voortvloeien [zie arrest Gerecht van 11 juli 2007, El Corte Inglés/BHIM – Bolaños Sabri (PiraÑAM diseño original Juan Bolaños), T‑443/05, Jurispr. blz. II‑2579, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

16      Verzoeksters vordering die ertoe strekt dat het Gerecht het BHIM beveelt om te verklaren dat het bij hem aanhangig gemaakte beroep is ingesteld, is dus niet ontvankelijk.

 Ten gronde

17      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één enkel middel aan: schending van artikel 60 van verordening nr. 207/2009. Zij meent in wezen dat haar beroep bij de kamer van beroep is ingesteld, op grond dat zij de beroepstaks heeft vereffend binnen de in de Litouwse versie van dit artikel – die authentiek is – gestelde termijn. Zij stelt dat in de bewoordingen van de Litouwse versie van dit artikel duidelijk en ondubbelzinnig wordt aangegeven dat de betaling van de beroepstaks is gekoppeld aan de indiening van de uiteenzetting van de gronden van het beroep, en hiervoor een termijn van vier maanden wordt bepaald, en niet van twee maanden zoals voor de indiening van het beroepschrift.

18      Het BHIM betwist verzoeksters argumenten.

19      Artikel 60 van verordening nr. 207/2009, met als opschrift „Termijn en vorm”, luidt als volgt:

„Het beroep [tegen de beslissingen van het BHIM bedoeld in artikel 58 van deze verordening, met name de beslissingen van de onderzoeker; in het Litouws: ,pranešimas apie apeliaciją’] wordt schriftelijk ingesteld bij het [BHIM] binnen twee maanden na de dag waarop de beslissing is meegedeeld. Het beroep [in het Litouws: ,prašymas’] wordt pas geacht te zijn ingesteld, nadat de beroepstaks betaald is. Een schriftelijke uiteenzetting [in het Litouws: ,rašytinis prašymas’] van de gronden van het beroep moet worden ingediend binnen vier maanden na de datum waarop de beslissing meegedeeld is.”

20      Volgens vaste rechtspraak, ingegeven door artikel 314 EG en artikel 55 EU, zijn alle taalversies van een Unierechtelijk voorschrift gelijkelijk authentiek en hebben zij in beginsel dezelfde waarde, ongeacht, met name, de omvang van de bevolking van de lidstaten die de betrokken taal spreekt (zie in die zin arresten Hof van 2 april 1998, EMU Tabac e.a., C‑296/95, Jurispr. blz. I‑1605, punt 36; en 20 november 2003, Kyocera, C‑152/01, Jurispr. blz. I‑13821, punt 32, en arrest Gerecht van 20 september 2012, Hongarije/Commissie, T‑407/10, punt 39).

21      In casu staat vast dat de Litouwse versie van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 authentiek is, op dezelfde wijze als de andere versies van deze bepaling in de officiële talen van de Unie.

22      Wat de bewoordingen van de Litouwse versie van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 betreft, zij daarin de aandacht gevestigd op, in de eerste zin, de term „pranešimas”, die letterlijk „verklaring” betekent, ter aanduiding van het bij het BHIM in te dienen beroepschrift, en in de derde zin, de term „prašymas”, die letterlijk „vordering” betekent, ter aanduiding van de uiteenzetting van de gronden van het beroep. De tweede zin van deze bewoordingen geeft ook aan dat de uiteenzetting (prašymas) pas wordt geacht te zijn ingediend nadat de beroepstaks betaald is.

23      Opgemerkt zij dat in de tweede zin van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 de term „prašymas” dubbelzinnig lijkt. Enerzijds lijkt hij, zoals verzoekster aanvoert, niet te verwijzen naar de in de eerste zin gebruikte andere term om het bij het BHIM in te dienen beroepschrift aan te duiden, maar naar de in de derde zin gebruikte identieke term om de uiteenzetting van de gronden van het beroep aan te duiden, waardoor wordt gesuggereerd dat de termijn voorgeschreven voor de betaling van de beroepstaks, net zoals voor de indiening van de uiteenzetting, vier maanden bedraagt. Anderzijds, zoals het BHIM stelt, suggereert de plaats ervan in de tweede zin dat deze term verband houdt met de vorige zin, inzake het bij het BHIM binnen een termijn van twee maanden in te dienen beroepschrift, en niet met de volgende zin, inzake de uiteenzetting van de gronden van het beroep.

24      Daaruit volgt dat in tegenstelling tot de tegengestelde beweringen inzake duidelijkheid die partijen in hun schrifturen formuleren, de Litouwse versie van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 niet ondubbelzinnig is en twijfels doet ontstaan over de uitlegging en de toepassing ervan.

25      Bijgevolg dienen de correcte en eenvormige uitlegging van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 te worden vastgesteld, en de rechtsgevolgen van de toepassing in casu van dit artikel door het BHIM te worden onderzocht.

26      Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen; evenmin kan er in zoverre voorrang aan worden toegekend boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht (arresten Hof van 12 november 1998, Institute of the Motor Industry, C‑149/97, Jurispr. blz. I‑7053, punt 16; 3 april 2008, Endendijk, C‑187/07, Jurispr. blz. I‑2115, punt 23, en 9 oktober 2008, Sabatauskas e.a., C‑239/07, Jurispr. blz. I‑7523, punt 38).

27      Ten eerste brengt de noodzaak van een eenvormige uitlegging van het Unierecht mee dat een bepaalde tekst niet op zichzelf mag worden beschouwd, maar in geval van twijfel moet worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de tekst in de andere officiële talen [arrest Hof van 12 juli 1979, Koschniske, 9/79, Jurispr. blz. 2717, punt 6; zie ook arrest Hof van 17 oktober 1996, Lubella, C‑64/95, Jurispr. blz. I‑5105, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Gerecht van 15 september 2011, Prinz Sobieski zu Schwarzenberg/BHIM – British-American Tobacco Polska (Romuald Prinz Sobieski zu Schwarzenberg), T‑271/09, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28      Ten tweede vereist de behoefte aan een eenvormige uitlegging van het Unierecht, indien verschillen bestaan tussen de verscheidene taalversies van een bepaling, dat deze wordt uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie in die zin arrest Hof van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, Jurispr. blz. 1999, punt 14; arrest Kyocera, punt 20 supra, punt 33, en arrest Hof van 22 maart 2012, Génesis, C‑190/10, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Wat nu ten eerste de versies van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 betreft, gesteld in de andere officiële talen van de Unie, inzonderheid de vijf werktalen van het BHIM, zij opgemerkt dat in de Franse, de Engelse, de Duitse, de Italiaanse en de Spaanse versie de in de tweede zin van dit artikel gebruikte termen „recours”, „notice”, „Beschwerde”, „ricorso” en „recurso” duidelijk verwijzen naar de in de eerste zin gebruikte identieke term om het beroepschrift aan te duiden dat bij het BHIM moet worden ingediend binnen twee maanden na de mededeling van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld en niet naar de in de derde zin gebruikte andere term om de uiteenzetting van de gronden van het beroep binnen een termijn van vier maanden aan te duiden.

30      Wat ten tweede de algemene opzet en de doelstelling van de tweede zin van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 betreft, zij vastgesteld dat deze erin bestaan te verhinderen dat louter formele beroepen worden ingesteld waarop geen uiteenzetting van de gronden van het beroep zou volgen, en zelfs om de indiening van lichtzinnige beroepen te ontmoedigen.

31      Bijgevolg moet artikel 60 van verordening nr. 207/2009 aldus eenvormig worden uitgelegd dat de betaling van de beroepstaks is vereist opdat het beroep als ingesteld zou worden beschouwd, zodat deze betaling gekoppeld is aan het instellen van het beroep en, net zoals het instellen van het beroep, moet gebeuren binnen twee maanden na de dag waarop de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, is meegedeeld. De termijn van vier maanden na de dag waarop de beslissing is meegedeeld, geldt enkel voor de indiening van de uiteenzetting van de gronden van het beroep, en niet voor de betaling van de beroepstaks.

32      Bovendien zij in navolging van de kamer van beroep in punt 13 van de bestreden beslissing opgemerkt dat deze eenvormige uitlegging wordt bevestigd door regel 49, lid 3, van verordening nr. 2868/95. Deze regel, die zowel in het Litouws als in de andere in punt 29 hierboven vermelde talen in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen is gesteld, bepaalt dat indien de beroepstaks na het verstrijken van de termijn voor de instelling van beroep als bedoeld in artikel 60 van verordening 207/2009 is betaald, het beroep als niet-ingesteld wordt beschouwd en de beroepstaks aan de insteller van het beroep wordt terugbetaald. Vastgesteld zij dat de uitdrukking „termijn voor de instelling van beroep” hier verwijst naar de termijn van twee maanden om het beroep in te stellen, en niet naar de termijn van vier maanden om de uiteenzetting van de gronden van het beroep in te dienen.

33      Aangaande verzoeksters in haar schrifturen geformuleerde bewering dat artikel 60 van verordening nr. 207/2009, om de rechtszekerheid te verzekeren, moest worden uitgelegd op de wijze die het meest in overeenstemming was met haar belangen, zij om te beginnen opgemerkt dat verzoekster ter terechtzitting heeft gepreciseerd dat deze bewering geen autonome grief inzake de schending van het rechtszekerheidsbeginsel vormde, maar slechts was geformuleerd ter ondersteuning van haar enige middel inzake de schending van dit artikel, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

34      Opgemerkt hoeft slechts te worden dat het het rechtszekerheidsbeginsel zelf is, in samenhang met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, dat verlangde dat de kamer van beroep artikel 60 van verordening nr. 207/2009 eenvormig uitlegde, overeenkomstig de in punt 31 hierboven in herinnering gebrachte uitlegging, en haar verbood daarvan af te wijken ten gunste van verzoekster. Deze eenvormige uitlegging, aangezien zij is gebaseerd op de in de andere officiële talen van de Unie gestelde versies van dit artikel en op de algemene opzet en de doelstelling ervan, is de enige die strookt met het rechtszekerheidsbeginsel. De naleving van de procestermijnen, met name de beroepstermijnen, is immers van openbare orde en elke andere uitlegging dan deze eenvormige uitlegging zou afbreuk kunnen doen aan de rechtszekerheid [zie in die zin en naar analogie arrest Gerecht van 19 september 2012, Video Research USA/BHIM (VR), T‑267/11, punt 35, en beschikking Gerecht van 24 oktober 2013, Stromberg Menswear/BHIM – Leketoy Stormberg Inter (STORMBERG), T‑451/12, punt 38].

35      De kamer van beroep heeft dus in punt 12 van de bestreden beslissing artikel 60 van verordening nr. 207/2009 terecht aldus uitgelegd dat het vereiste dat de beroepstaks werd betaald binnen de voor het instellen van het beroep gestelde termijn van twee maanden, opdat dit beroep als ingesteld wordt beschouwd.

36      Aangaande verzoeksters bewering dat de onderzoeker van het BHIM in zijn beslissing de Litouwse versie van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 uitdrukkelijk heeft herhaald, zonder aanvullende uitleg te verstrekken, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat de onderzoeker van het BHIM in de mededeling van zijn beslissing tot weigering van inschrijving (zie punt 5 supra) de dubbelzinnigheid in de Litouwse versie van dit artikel inzake de betalingstermijn voor de beroepstaks heeft overgenomen – zoals hierboven vastgesteld (zie punten 22‑24) – zonder verzoeksters aandacht te vestigen op deze dubbelzinnigheid en evenmin op het verschil tussen deze versie en de andere authentieke taalversies. Overigens heeft het BHIM ter terechtzitting deze dubbelzinnigheid en dit verschil erkend, en verklaard dat het zich daarvan tot de onderhavige zaak niet bewust was, maar dat dit hoe dan ook niet afdeed aan de noodzaak van een eenvormige uitlegging van deze bepaling.

37      Onderzocht dient dus te worden of verzoekster zich in casu kan beroepen op het feit dat de onderzoeker van het BHIM de dubbelzinnigheid die de rechtmatigheid van de Litouwse versie van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 aantast, heeft overgenomen, om af te wijken van de eenvormige uitlegging van dit artikel en te rechtvaardigen dat de beroepstaks niet binnen de voorgeschreven termijn is betaald.

38      Volgens vaste rechtspraak kan slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen worden afgeweken van de toepassing van de Unieregelingen inzake procestermijnen, aangezien een strikte toepassing van deze regels is vereist ter wille van de rechtszekerheid en van de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (arrest Hof van 26 november 1985, Cockerill-Sambre/Commissie, 42/85, Jurispr. blz. 3749, punt 10). Of dergelijke gevallen nu worden aangemerkt als toeval of overmacht, dan wel als verschoonbare dwaling, zij houden in ieder geval een subjectief element in dat betrekking heeft op de verplichting voor de justitiabele te goeder trouw om alle oplettendheid en zorgvuldigheid aan de dag te leggen die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, om te waken over het verloop van de procedure en de gestelde termijnen na te leven (zie in die zin arresten Hof van 15 december 1994, Bayer/Commissie, C‑195/91 P, Jurispr. blz. I‑5619, punten 31 en 32; 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM, C‑426/10 P, Jurispr. blz. I‑8849, punten 47 en 48, en beschikking Gerecht van 1 april 2011, Doherty/Commissie, T‑468/10, Jurispr. blz. II‑1497, punten 18, 19, 27 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      In casu dient echter te worden vastgesteld dat verzoekster geen blijk heeft gegeven van de vereiste oplettendheid en zorgvuldigheid om te waken over de voor de betaling van de beroepstaks voorgeschreven termijn en deze na te leven.

40      Immers moet allereerst worden vastgesteld dat een normaal oplettende en zorgvuldige gemeenschapsmerkaanvraagster artikel 60 van verordening nr. 207/2009 had moeten vergelijken met regel 49, lid 3, van verordening nr. 2868/95 (zie punt 32 supra), die zowel in het Litouws als in de andere in punt 29 hierboven vermelde talen in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen is gesteld, en die het instellen van het beroep afhankelijk stelt van de betaling van de bijbehorende taks binnen de voor het instellen van het beroep zelf gestelde termijn, onafhankelijk van de in dit artikel toegekende termijn voor de latere indiening van de uiteenzetting van de gronden van het beroep. Overigens heeft verzoekster ter terechtzitting bevestigd dat zij deze regel kende op het tijdstip waarop zij haar beroep instelde.

41      Bovendien had een normaal oplettende en zorgvuldige gemeenschapsmerkaanvraagster die, net als verzoekster, in haar gemeenschapsmerkaanvraag het Engels als tweede taal had gekozen, op zijn minst de bewoordingen van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 in de Engelse versie ervan kunnen nagaan, volgens welke „[h]et beroep [...] pas [wordt] geacht te zijn ingesteld, nadat de beroepstaks betaald is” ([t]he notice shall be deemed to have been filed only when the fee for appeal has been paid). Deze bewoordingen in het Engels verbinden de betaling van de beroepstaks (fee for appeal) dus duidelijk aan het instellen van het beroep (notice of appeal), waarvoor een termijn van twee maanden geldt, en niet aan de indiening van de uiteenzetting van de gronden van het beroep (statement setting out the grounds of appeal), waarvoor een termijn van vier maanden geldt.

42      Uit verzoeksters gebrek aan oplettendheid en zorgvuldigheid vloeit voort dat zij zich niet nuttig kan beroepen op toeval of overmacht, en evenmin op een verschoonbare dwaling, om te rechtvaardigen dat zij in gebreke is gebleven om de beroepstaks binnen de gestelde termijn te betalen [zie naar analogie beschikking Gerecht van 15 april 2011, Longevity Health Products/BHIM – Biofarma (VITACHRON female), T‑96/11, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19]. Overigens heeft verzoekster geen enkel middel inzake het toevallige of verschoonbare karakter van dit in gebreke blijven aangevoerd.

43      Bovendien en in ieder geval zij opgemerkt dat verzoekster, nadat het BHIM haar ervan op de hoogte had gebracht dat de beroepstaks niet binnen de voorgeschreven termijn was betaald en dat het risico bestond dat bijgevolg werd verklaard dat haar beroep niet was ingesteld, ook beschikte over een rechtsmiddel voor het BHIM zelf. Gesteld al dat verzoekster wou aanvoeren dat zij, hoewel zij alle in de omstandigheden vereiste oplettendheid aan de dag had gelegd, de betalingstermijn voor de beroepstaks niet in acht had kunnen nemen, beschikte zij immers over de procedure van herstel in de vorige toestand bij het BHIM en had zij een verzoek krachtens artikel 81 van verordening nr. 207/2009 kunnen indienen [zie naar analogie arrest Gerecht van 11 mei 2011, Flaco-Geräte/BHIM – Delgado Sánchez (FLACO), T‑74/10, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 26].

44      In deze omstandigheden kan de kamer van beroep niet worden verweten dat zij artikel 60 van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden wanneer zij overeenkomstig dit artikel juncto regel 49, lid 3, van verordening nr. 2868/95 heeft vastgesteld dat verzoekster de beroepstaks had betaald nadat de voor de betaling ervan gestelde termijn van twee maanden was verstreken, en zij tot de conclusie is gekomen dat verzoeksters beroep, aangezien deze termijn niet was nageleefd, als niet-ingesteld moest worden beschouwd en dat de beroepstaks aan verzoekster moest worden terugbetaald.

45      Gelet op al het voorgaande dient het enige middel te worden afgewezen en het beroep derhalve in zijn geheel te worden verworpen.

 Kosten

46      Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Ingevolge artikel 87, lid 3, eerste alinea, in fine, van dit Reglement kan het Gerecht evenwel de proceskosten over de partijen verdelen wegens bijzondere redenen.

47      In casu dienen de noodzaak van een eenvormige uitlegging van artikel 60 van verordening nr. 207/2009 en de op verzoekster rustende plicht tot oplettendheid en zorgvuldigheid te worden afgewogen tegen de dubbelzinnigheid in de Litouwse versie van dit artikel, zoals overgenomen door de onderzoeker van het BHIM in de mededeling van zijn beslissing houdende weigering van inschrijving.

48      Gelet op deze uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 87, lid 3, eerste alinea, in fine, van het Reglement voor de procesvoering, vereist de billijkheid dat het BHIM in zijn eigen kosten en in die van verzoekster wordt verwezen (zie in die zin en naar analogie arrest Gerecht van 23 november 2011, Jones e.a./Commissie, T‑320/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 158, en beschikking Gerecht van 13 november 2012, ClientEarth e.a./Commissie, T‑278/11, punt 51).

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Het Harmonisatiebureau voor de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (HBIM) draagt zijn eigen kosten en die van Research and Production Company „Melt Water” UAB.

Jaeger

Gratsias

Kancheva

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 mei 2014.

ondertekeningen


* Procestaal: Litouws.