Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2020 door de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer – uitgebreid) van 23 september 2020 in zaak T-414/17, Hypo Vorarlberg Bank AG / Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

(Zaak C-663/20 P)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) (vertegenwoordigers: H. Ehlers, P. A. Messina, J. Kerlin, gemachtigden, alsmede H.-G. Kamann, F. Louis, P. Gey, Rechtsanwälte)

Andere partij in de procedure: Hypo Vorarlberg Bank AG

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht van 23 september 2020, Hypo Vorarlberg Bank/Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (T-414/17, EU:T:2020:437);

verwerping van het beroep tot nietigverklaring;

verwijzing van Hypo Vorarlberg Bank AG in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: schending van artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, onjuiste opvatting van bewijsmiddelen en schending van het recht van de GAR op een eerlijk proces

In de eerste plaats betoogt de GAR dat het Gerecht artikel 85, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering onjuist heeft uitgelegd en toegepast door te oordelen dat de GAR zijn besluit van 11 april 2017 betreffende de berekening van de vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds voor 2017 (SRB/ES/SRF/2017/05) (hierna: „bestreden besluit”) op onregelmatige wijze had geauthentiseerd, aangezien de door de GAR ter terechtzitting overgelegde bewijzen voor de regelmatige authenticatie niet-ontvankelijk waren. Dienaangaande betoogt de GAR ten eerste dat het gerechtvaardigd was geweest om ter terechtzitting bewijzen voor de regelmatige authenticatie van dat besluit van de GAR aan te voeren, gelet op het feit dat de kwestie van de gebrekkige authenticatie tevoren noch aan bod was gekomen in de schriftelijke procedure, noch was behandeld in een maatregel tot organisatie van de procesgang of in een beslissing van het Gerecht in verband met de bewijsgaring. De GAR voert ten tweede aan dat het Gerecht de aan hem voorgelegde bewijzen onjuist heeft opgevat door er geen rekening mee te houden en door vast te stellen dat zij – zelfs al zouden zij ontvankelijk zijn – niet onderbouwd waren. Voorts is het Gerecht, door vast te stellen dat uit de overgelegde bewijzen geenszins bleek dat er sprake was van een onlosmakelijk verband tussen het door de voorzitter van de GAR ondertekende formulier en de bijlage bij het bestreden besluit, voorbijgegaan aan het referentienummer op het formulier, waardoor dat formulier onlosmakelijk is verbonden met het elektronische document dat het bestreden besluit en de bijlage ervan bevat. De GAR stelt ten derde dat het Gerecht zijn recht op een eerlijk proces heeft geschonden door het probleem van de gebrekkige authenticatie niet vóór de terechtzitting aan de orde te stellen, door het voorstel van de GAR om aanvullende bewijzen over te leggen af te wijzen en door de GAR nooit erop te wijzen dat het de bewijzen ontoereikend achtte.

Tweede middel: schending van artikel 296 VWEU

In de tweede plaats voert de GAR aan dat het Gerecht de vereisten van artikel 296 VWEU en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten te ver heeft opgerekt door vast te stellen dat het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd was, daar Hypo Vorarlberg Bank niet volledig kon controleren of de daarin vervatte berekening juist was. Het Gerecht is er niet in geslaagd om deze vereisten af te stemmen op de geheimhoudingsplicht zoals die voortvloeit uit artikel 339 VWEU, dat door het Gerecht in het bestreden arrest niet is genoemd, en uit andere Unierechtelijke beginselen. Verordening (EU) 2015/631 , waarop de berekening van de bijdragen is gebaseerd en waarvan de geldigheid niet is betwist door Hypo Vorarlberg Bank, heeft gezorgd voor een uitgebalanceerd compromis tussen het transparantiebeginsel, de verplichting tot inachtneming van het beroepsgeheim en de andere doelstellingen van deze verordening, in het bijzonder de doelstelling een bepaald streefbedrag voor de bijdragen ter financiering van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te bereiken en het doel van een billijke en evenredige heffing van de bijdragen bij alle relevante instellingen. De GAR heeft dit rechtskader naar behoren in acht genomen bij de motivering van het bestreden besluit en is zijn verplichting tot toereikende motivering van het bestreden besluit dus nagekomen.

____________

1 Gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).