ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

23 oktober 2018 (*)

„Ambtenarenrecht – Ambtenaren – Sociale zekerheid – Beroepsziekte – Beroepsmatige oorzaak van de ziekte – Artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut – Invaliditeitscommissie – Motiveringsplicht – Kennelijk onjuiste beoordeling – Aansprakelijkheid – Immateriële schade”

In zaak T‑567/16,

Robert McCoy, voormalig ambtenaar bij het Comité van de Regio’s, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,

verzoeker,

tegen

Comité van de Regio’s, vertegenwoordigd door J. C. Cañoto Argüelles en S. Bachotet als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,

verweerder,

betreffende een verzoek op grond van artikel 270 VWEU strekkende, ten eerste, tot nietigverklaring van het besluit van het Comité van de Regio’s van 2 december 2014 houdende bevestiging van de conclusies van de invaliditeitscommissie van 7 mei 2014 waarbij deze commissie afwijzend besliste op verzoekers verzoek om te erkennen dat zijn ziekte door zijn beroep is veroorzaakt en, ten tweede, tot vergoeding, ter hoogte van 25 000 EUR, van de immateriële schade die verzoeker zou hebben geleden,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Prek, president, F. Schalin (rapporteur) en J. Costeira, rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 december 2017,

het navolgende

Arrest

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

 Onregelmatigheden bij het Comité van de Regio’s en de beroepsomstandigheden van verzoeker

1        Verzoeker, Robert McCoy, heeft binnen het Comité van de Regio’s eerst van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 de functie van financieel controleur uitgeoefend en daarna vanaf 1 januari 2003 de functie van intern controleur.

2        In het kader van zijn werkzaamheden heeft verzoeker onregelmatigheden in het begrotingsbeleid van het Comité van de Regio’s opgemerkt. Hij heeft in eerste instantie de administratie en de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s hiervan in kennis gesteld en vervolgens de commissie begrotingscontrole (hierna: „Cocobu”) van het Europees Parlement, waarbij hij op 19 maart 2003 zijn verhaal heeft gedaan.

3        Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), gewaarschuwd door een lid van het Parlement en een lid van de Cocobu, heeft naar de door verzoeker gemelde onregelmatigheden een onderzoek ingesteld en op 8 oktober 2003 een onderzoeksrapport uitgebracht (hierna: „OLAF-rapport”). In het kader van zijn onderzoek heeft het OLAF verzoeker gehoord.

4        In het OLAF-rapport is vastgesteld dat bij het begrotingsbeleid van het Comité van de Regio’s zich verschillende onregelmatigheden hadden voorgedaan, en met name is hierin aanbevolen te overwegen om tegen een aantal leden van de staf, in het bijzonder tegen F. en Y., een tuchtonderzoek in te leiden. Door het OLAF is ook naar voren gebracht dat verzoeker door F. was gewaarschuwd dat, als hij bleef handelen alsof hij nog steeds de financieel controleur van het Comité van de Regio’s was, hij om de inleiding van een administratief onderzoek tegen hem zou verzoeken, en dat verzoeker een steeds sterkere vijandigheid van de kant van zijn hiërarchische meerderen had ervaren.

5        In de conclusies van het OLAF-rapport wordt benadrukt dat het Comité van de Regio’s in zijn algemeenheid had getracht verzoeker bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als financieel controleur en daarna als intern controleur te „ontmoedigen en te destabiliseren”, en voorbij leek te gaan aan artikel 2, lid 3, van besluit nr. 294/99 van het bureau van het Comité van de Regio’s van 17 november 1999 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit die de belangen van de Gemeenschappen schaadt, volgens welke bepaling „[d]e ambtenaren en personeelsleden van het secretariaat-generaal […] in geen geval wegens een in de eerste en tweede alinea bedoelde mededeling op onbillijke of discriminerende wijze [mogen] worden behandeld”.

6        Op 22 december 2003 heeft de Cocobu haar verslag uitgebracht over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de EU-begroting voor het jaar 2001, waarvan afdeling VII specifiek betrekking had op het Comité van de Regio’s (hierna: „Cocobu-verslag”). Met name op basis van het OLAF-rapport heeft de Cocobu niet alleen „de ambtelijke tegenwerking aan de kaak gesteld [waarvan] de financieel controleur/intern controleur en zijn staf van de kant van de administratie van het Comité [van de Regio’s] het slachtoffer was geweest”, maar ook aangegeven dat zij „erop rekende dat de [door het Comité van de Regio’s in overweging genomen] hervormingsmaatregelen het mogelijk [zouden] maken fraude en onregelmatigheden aan te geven zonder kans op pesterijen door personen of instellingen, zoals in het verleden het geval was”.

7        Gelet op het OLAF-rapport en het Cocobu-verslag heeft het Parlement in het kader van de hem op grond van de artikelen 275 en 276 EG toegekende bevoegdheden tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de Uniebegroting, op 29 januari 2004 een resolutie aangenomen „die opmerkingen bevatte bij het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het jaar 2001 – Afdeling VII – Comité van de Regio’s”. In het bijzonder heeft het Parlement in de punten 14, 22 en 24 van deze resolutie „zonder op de uitkomst van de door de intern controleur krachtens artikel 24 van het Statuut aangespannen procedure vooruit te lopen, [melding gemaakt van] de officiële tegenwerking waarvan [hij] en zijn staf het slachtoffer [waren] geweest” en van de „pesterijen door personen of instellingen” die verzoeker had ondervonden, en „[verzocht] dat aan de intern controleur officieel excuses werden aangeboden door het Comité van de Regio’s”.

8        Verzoeker, die aan angstaanvallen en depressie leed en symptomen van het posttraumatisch stresssyndroom vertoonde, is vanaf 28 april 2004 met ziekteverlof gegaan. Dit ziekteverlof is tot en met 31 december 2006 verlengd, en daarna van 22 februari 2007 tot en met 30 juni 2007, de datum waarop verzoeker wegens invaliditeit ambtshalve gepensioneerd is.

9        Na te hebben geconstateerd dat het ziekteverlof van verzoeker over de laatste drie jaar meer dan twaalf maanden had geduurd, heeft de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s op 22 februari 2006 besloten krachtens artikel 59, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut)” een invaliditeitsprocedure met betrekking tot verzoeker in te leiden en heeft hij verzoeker verzocht een arts aan te wijzen voor de instelling van de eerste invaliditeitscommissie.

 Eerste invaliditeitscommissie en Bureau „Beheer en afwikkeling van individuele rechten” van de Commissie (PMO)

10      De eerste invaliditeitscommissie was samengesteld uit dokter T., aangewezen door het Comité van de Regio’s, dokter G., ambtshalve door de president van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „Hof”) benoemd als vertegenwoordiger van verzoeker, en dokter O., die in onderlinge overeenstemming door de artsen T. en G. was aangewezen.

11      Verzoeker is op 1 januari 2007 weer aan het werk gegaan. Hij heeft gewerkt tot 21 februari 2007, dat wil zeggen ongeveer zes weken, en is daarna opnieuw met ziekteverlof gegaan.

12      Op 27 februari 2007 heeft verzoeker de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s uit hoofde van artikel 73 van het Statuut en artikel 16 van de verzekeringsregeling verzocht, zijn ziekte als beroepsziekte te kwalificeren. Verzoeker wees de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s overigens erop dat, aangezien er reeds een invaliditeitscommissie was aangewezen om een uitspraak te doen over zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 78 van het Statuut, hij deze commissie had gevraagd om niet alleen hiernaar een onderzoek te doen, maar ook naar het eventuele verband tussen deze arbeidsongeschiktheid en zijn beroepswerkzaamheden.

13      Bij brief van 10 april 2007 heeft de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s verzoeker meegedeeld dat zijn verzoek uit hoofde van artikel 73 van het Statuut was doorgestuurd naar de Commissie van de Europese Gemeenschappen in haar hoedanigheid van het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) ad hoc voor de toepassing van dit artikel, en dat zijn verzoek ertoe strekkende dat de reeds ingestelde invaliditeitscommissie ook uitspraak zou doen over de vraag of zijn eventuele invaliditeit door zijn beroepswerkzaamheden was veroorzaakt, overeenkomstig de regels naar deze laatste commissie was doorgestuurd.

14      Na afloop van haar bijeenkomst op 23 mei 2007 heeft de eerste invaliditeitscommissie vastgesteld dat verzoeker blijvend invalide was en deze invaliditeit als volledig moest worden aangemerkt, waardoor het voor hem onmogelijk was zijn werkzaamheden uit te oefenen. Wat de oorzaak van de invaliditeit betreft, heeft de eerste invaliditeitscommissie echter verklaard dat zij niet over voldoende gegevens beschikte om te beslissen of de invaliditeit door zijn beroepswerkzaamheden was veroorzaakt en dat zij moest wachten tot de administratie haar „authentieke gegevens” zou verstrekken op basis waarvan zij op dit punt een beslissing zou kunnen nemen.

15      Bij besluit van 11 juni 2007 heeft het bureau van het Comité van de Regio’s overeenkomstig artikel 53 van het Statuut verzoeker met ingang van 30 juni 2007 ambtshalve gepensioneerd wegens invaliditeit.

16      In januari 2008 heeft het Bureau „Beheer en afwikkeling van individuele rechten” (hierna: „PMO”) in het kader van de krachtens artikel 73 van het Statuut ingestelde procedure het standpunt ingenomen dat er geen administratief onderzoek behoefde te worden ingesteld, „aangezien de stukken van het dossier voldoende administratieve gegevens bevatten om het voor de [PMO]-arts mogelijk te maken zijn standpunt te bepalen”.

17      Bij besluit van 9 januari 2009 heeft het PMO uit hoofde van artikel 73 van het Statuut verzoekers ziekte als beroepsziekte gekwalificeerd op basis van de medische rapporten die waren opgesteld dan wel opgevraagd door de PMO-arts, dokter J., te weten een rapport van 8 mei 2008 en de conclusies van 20 november 2008 van deze dokter J., alsmede een rapport van dokter R. van 18 september 2008. Bovendien verwees het rapport van de PMO-arts van 8 mei 2008 naar zes andere medische rapporten die door dokter V.A. en andere ziekenhuisartsen waren opgesteld en door verzoeker waren overgelegd, en naar verschillende niet-medische stukken, waaronder de in punt 7 hierboven genoemde resolutie van het Parlement. Het rapport van dokter R. van 18 september 2008 verwees bovendien naar een psychologische test van professor D.M. van 3 september 2008.

18      In zijn rapport van 8 mei 2008 heeft de PMO-arts, gelet op de gegevens van het dossier, in aanmerking genomen dat het OLAF enerzijds had vastgesteld dat er sprake was van malversaties binnen het Comité van de Regio’s en van pogingen om verzoeker aan de kant te schuiven, waardoor hij zijn werk als financieel controleur niet adequaat kon verrichten, en anderzijds dat er een groot intermenselijk conflict bestond tussen verzoeker en zijn hiërarchische meerderen. Kortom, volgens de PMO-arts was er, afgezien van het aan dokter Re. gevraagde psychiatrisch advies, aanleiding om met name uit te gaan van „de verergering van een syndroom […] in verband met de verwijtbare beroepsmatige handelwijze van bepaalde ambtenaren van het Comité van de Regio’s”.

19      In zijn conclusies van 20 november 2008 stelt de PMO-arts vast dat verzoeker „niet meer in staat is enigerlei beroepsmatige werkzaamheden binnen de Europese Gemeenschappen te verrichten, temeer omdat zijn klinische, psychische situatie te maken heeft met het psychische geweld dat hij bij zijn werk heeft ondervonden en de [‚]burn-out[’] die daaruit is voortgevloeid” en dat „[zijn] psycho-affectieve stoornissen direct en onmiskenbaar te maken hebben met [zijn] beroepswerkzaamheden”.

20      Op 2 maart 2010 heeft het PMO overeenkomstig artikel 73 van het Statuut besloten om aan verzoeker wegens een als beroepsmatig gekwalificeerde ziekte een invaliditeitspercentage van 10 % toe te kennen. Dit besluit is vastgesteld op grond van diverse aanvullende medische rapporten waarom het PMO had gevraagd: een door D. opgesteld psychologisch deskundigenrapport van 12 augustus 2009, een door dokter M. uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek van 17 oktober 2009, een door dokter Re. opgesteld „psychiatrisch onderzoeksrapport” van 3 november 2009 en de conclusies van de PMO-arts van 11 februari 2010. Ook in deze rapporten wordt vastgesteld dat er sprake is van een reactionele stoornis in een arbeidsconflict. Na een rapport dat op 3 november 2009 door dokter Re. is vastgesteld, heeft de PMO-arts verzoekers beroepsziekte beschreven als „een anxio-depressieve stoornis binnen het kader van een hoogoplopend administratief geschil dat gelijkstaat aan psychisch geweld” en het daaruit voortvloeiende invaliditeitspercentage gewaardeerd op 10 %. Al deze medische conclusies en rapporten zijn ter kennis gebracht van de eerste invaliditeitscommissie.

21      De drie leden van de eerste invaliditeitscommissie zijn, na de beslissing van het PMO en na inzage te hebben gehad in het medische en administratieve dossier, op 2 juli 2010 bijeengekomen. Aangezien alleen de dokters T. en O. de conclusies van deze invaliditeitscommissie hebben ondertekend, heeft slechts de meerderheid van deze commissie vastgesteld dat verzoekers invaliditeit niet het gevolg was van een beroepsziekte. Dokter G., de arts die ambtshalve namens verzoeker was aangewezen, heeft aparte conclusies ondertekend, die ook op 2 juli 2010 zijn gedateerd, waarin wordt vastgesteld dat verzoekers invaliditeit wel het gevolg was van een beroepsziekte.

22      Op een bijeenkomst van 10 september 2010 heeft het bureau van het Comité van de Regio’s, in zijn hoedanigheid van TABG, „[de in punt 21 hierboven genoemde conclusies van de dokters T. en O.] bevestigd, [inhoudende dat] de invaliditeit [van verzoeker] niet het gevolg [was] van een beroepsziekte in de zin van artikel 78, [vijfde alinea], van het Statuut”.

23      Bij brief van 21 januari 2011 heeft verzoeker een klacht ingediend tegen het besluit van 10 september 2010. Het TABG heeft deze klacht bij besluit van 20 mei 2011 afgewezen.

24      Op 8 september 2011 heeft verzoeker bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie beroep ingesteld tegen het besluit van 10 september 2010 en het besluit van 20 mei 2011 tot afwijzing van zijn klacht. Bij arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), is het besluit van 10 september 2010 nietig verklaard. In dit arrest werd het beroep van verzoeker gegrond verklaard omdat het rapport van de eerste invaliditeitscommissie onvoldoende was gemotiveerd en deze commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt. De motivering was ontoereikend aangezien er geen logisch verband bestond tussen de medische vaststellingen van de invaliditeitscommissie en de conclusies over de oorzaak van de invaliditeit (arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 98). De vaststelling inzake een kennelijk onjuiste beoordeling hield ermee verband dat de eerste invaliditeitscommissie had bevestigd dat de erkenning van de beroepsoorzaak van de ziekte uit hoofde van artikel 73 van het Statuut „uitsluitend op het betoog van de patiënt” was gebaseerd, terwijl uit het dossier bleek dat deze erkenning met name was gebaseerd op diverse medische rapporten, en dat de feiten van de onderhavige zaak niet in deze richting wezen (arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punten 106‑111).

25      Gelijktijdig met het voormelde beroep heeft verzoeker op 20 december 2012 bij het Gerecht voor ambtenarenzaken een schadevordering ingesteld (zaak F‑156/12, McCoy/Comité van de Regio’s). Zoals in punt 36 hieronder wordt uiteengezet, stelt verzoeker in het kader van dit beroep dat het Comité van de Regio’s zich jegens hem onrechtmatig heeft gedragen in de periode na de ontdekking van onregelmatigheden bij dit Comité.

 Tweede invaliditeitscommissie

26      In vervolg op het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), heeft het Comité van de Regio’s bij brief van 7 juli 2013 besloten een tweede invaliditeitscommissie in te stellen, die eveneens uit drie artsen bestond.

27      Verzoeker heeft als vertegenwoordiger de arts aangewezen die hem ook al in de eerste invaliditeitscommissie had vertegenwoordigd, namelijk dokter G., en het Comité van de Regio’s heeft als vertegenwoordiger dokter M. gekozen.

28      Bij brief van 30 oktober 2013 heeft het Comité van de Regio’s verzoeker ervan in kennis gesteld dat dokter M. en dokter G. het eens waren over de keuze van de derde arts die met hen de tweede invaliditeitscommissie zou vormen, namelijk dokter L. Het Comité van de Regio’s haalde deze informatie uit een e-mailwisseling tussen deze twee artsen, waarin dokter G. zijn voorkeur voor dokter L. kenbaar maakte.

29      Op 8 november 2013 heeft verzoeker het Comité van de Regio’s te kennen gegeven dat hij het niet eens was met deze conclusie. Hij verklaarde dat dokter G., ondanks diens e-mail, niet had ingestemd met de aanwijzing van de genoemde derde arts. Hij verzocht het Comité van de Regio’s voorts om, met betrekking tot de voor de tweede invaliditeitscommissie aan te wijzen derde arts, geen namen voor te stellen maar hiertoe een beroep te doen op de president van het Hof.

30      Op 26 november 2013 heeft het Comité van de Regio’s een brief aan verzoeker gericht waarin het hem meedeelde dat het Comité er geen bezwaar tegen had een beroep te doen op de president van het Hof. Wel benadrukte het Comité dat een dergelijke stap zou leiden tot extra procedures met als gevolg dat het uiteindelijke resultaat van de procedure op zich zou laten wachten.

31      Na deze gedachtewisseling heeft de president van het Hof op verzoek van het Comité van de Regio’s een derde arts aangewezen om deel uit te maken van de tweede invaliditeitscommissie. Het Comité van de Regio’s is daar eind februari 2014 over geïnformeerd.

32      De door de president van het Hof aangewezen arts was dokter H. De tweede invaliditeitscommissie bestond dus uit dokter G., de door verzoeker aangewezen arts, dokter M., de door het Comité van de Regio’s aangewezen arts, en dokter H., de door de president van het Hof aangewezen arts.

33      De tweede invaliditeitscommissie is op 15 april 2014 voor de eerste keer bijeengekomen. Aan het einde van deze eerste bijeenkomst zijn de artsen overeengekomen een tweede maal bijeen te komen om dan verzoeker te ontmoeten. Tijdens de tweede bijeenkomst, die op 7 mei 2014 heeft plaatsgevonden, is de meerderheid van deze commissie – meer bepaald dokter M. en dokter H. – op basis van de aan verzoeker gestelde vragen tot de conclusie gekomen dat diens invaliditeit niet door zijn beroepsactiviteiten was veroorzaakt (hierna: „conclusies van 7 mei 2014”), terwijl dokter G. heeft geconcludeerd dat dit wel het geval was.

34      Op 10 november 2014 heeft de medische dienst van het Comité van de Regio’s dokter G. een e-mail gestuurd met de notulen van de twee bijeenkomsten van de tweede invaliditeitscommissie alsmede de lijst met beschikbare documenten in het medisch dossier van verzoeker en verzoekers lijst met documenten. Die notulen waren enkel door dokter M. en dokter H. ondertekend.

35      Dezelfde dag hebben dokter M. en dokter H. een samenvattend medisch rapport ondertekend waarin nadere redenen voor de conclusies van 7 mei 2014 werden uiteengezet. Dit rapport werd op 23 maart 2015 aan dokter G. gezonden. Op dezelfde datum heeft dokter M. eveneens de volgende verklaring naar het TABG gestuurd:

„Hierbij kan ik u verzekeren dat ervoor is gezorgd dat de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie volgens de regels hebben plaatsgevonden en dat haar conclusies naar behoren zijn gemotiveerd.”

36      Op 18 november 2014 heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken arrest gewezen in de zaak tussen verzoeker en het Comité van de Regio’s (arrest van 18 november 2014, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑156/12, EU:F:2014:247), waarin het constateerde dat het Comité van de Regio’s zijn zorgplicht tegenover verzoeker niet was nagekomen. Volgens dit arrest heeft het Comité van de Regio’s namelijk niet aangetoond dat het in de voor deze zaak relevante periode overeenkomstig zijn zorgplicht rekening heeft gehouden met de moeilijke momenten die verzoeker op beroepsmatig en psychisch vlak net had doorgemaakt en met de eventuele invloed die dit kon hebben op zijn gezondheid en persoonlijke omstandigheden. Uit punt 128 van dit arrest volgt, „gelet op het besluit van het PMO van 2 maart 2010 en de conclusies van de arts van het PMO van 11 februari 2010, om te beginnen dat geen twijfel bestaat over het causaal verband tussen de gedragingen van het Comité van de Regio’s en de geleden schade, en voorts dat de krachtens artikel 73 van het Statuut toegekende vergoeding geen dekking biedt voor de immateriële schade die bestaat in de destabilisatie, de minachting, wachttijd en de frustratie die verzoeker heeft ondergaan omdat het Comité van de Regio’s tegenover hem niet de vereiste zorgzaamheid in acht heeft genomen”. Op grond hiervan is het Comité van de Regio’s ertoe veroordeeld verzoeker het bedrag van 20 000 EUR te betalen.

37      Op 19 november 2014 heeft dokter G. opmerkingen over de notulen van de bijeenkomsten van de tweede invaliditeitscommissie aan dokter M. en dokter H. gestuurd, en hen gewezen op het arrest van 18 november 2014, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑156/12, EU:F:2014:247). Hij heeft tevens verzocht de tweede invaliditeitscommissie opnieuw bijeen te roepen. Dokter M. en dokter H. zouden hebben verklaard dat een nieuwe bijeenkomst van de tweede invaliditeitscommissie niet noodzakelijk was.

38      Bij twee mededelingen van 23 en 30 november 2014 (de laatste mededeling is volgens verzoeker in werkelijkheid op 2 december 2014 verzonden) heeft dokter G. zijn opmerkingen over de notulen van 7 mei 2014 gestuurd, waarin de meerderheidsconclusies (namelijk die van dokter M. en dokter H.) waren opgenomen. Dokter G. heeft in deze mededelingen aangegeven niet met deze conclusies in te stemmen. Hij kwam tot de slotsom dat er een causaal verband bestond tussen de beroepsomstandigheden van verzoeker en zijn invaliditeit. Hij heeft tevens benadrukt dat de tweede invaliditeitscommissie haar opdracht niet had vervuld en heeft de commissie daarom verzocht haar werkzaamheden te hervatten.

39      Bij brief van 26 november 2014 heeft verzoeker de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s op de hoogte gesteld van de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie en hem verzocht deze commissie in overweging te geven „haar werkzaamheden te hervatten en deze volgens de regels te verrichten”.

40      Bij besluit van 2 december 2014 heeft het bureau van het Comité van de Regio’s de conclusies van 7 mei 2014 bekrachtigd (hierna: „bestreden besluit”). Dit besluit werd meegedeeld bij brief van 22 december 2014, die op 5 januari 2015 is gepost en op 7 januari 2015 is ontvangen.

41      Op 3 april 2015 heeft verzoeker overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend. Deze klacht werd afgewezen bij besluit van 24 juli 2015, waarvan verzoeker op 27 juli 2015 in kennis werd gesteld (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).

42      Het besluit tot afwijzing van de klacht was gebaseerd op een nota met het antwoord van dokter M. op vragen die de juridische dienst van het Comité van de Regio’s hem, met het oog op beantwoording van de klacht, had toegestuurd (hierna: „nota van 8 mei 2015”).

 Procedure en conclusies van partijen

43      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 3 november 2015, heeft verzoeker het beroep in zaak F-139/15 ingesteld.

44      Op 25 januari 2016 heeft het Comité van de Regio’s zijn verweerschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken.

45      Op 24 februari 2016 is beslist dat een tweede memoriewisseling niet noodzakelijk was en is de schriftelijke behandeling gesloten.

46      Krachtens artikel 3 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137) is de onderhavige zaak in de stand waarin zij zich op 31 augustus 2016 bevond, overgedragen aan het Gerecht. Zij is ingeschreven onder nummer T‑567/16 en toegewezen aan de Tweede kamer.

47      Aangezien het Gerecht voor ambtenarenzaken de schriftelijke behandeling vóór 1 september 2016 had gesloten, heeft het Gerecht partijen op 8 november 2016 gevraagd aan te geven of zij een terechtzitting wilden houden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn op de vraag geantwoord. Verzoeker heeft het Gerecht op 29 november 2016 meegedeeld dat hij een terechtzitting wenste, terwijl het Comité van de Regio’s op 7 december 2016 te kennen heeft gegeven dat een terechtzitting niet nodig was.

48      Op 23 februari 2017 is de onderhavige zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur, die deel uitmaakt van de Tweede kamer.

49      Partijen hebben ter terechtzitting van 13 december 2017 pleidooi gehouden.

50      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover daarbij, onder bevestiging van de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie, wordt geweigerd te erkennen dat zijn invaliditeit door zijn beroep is veroorzaakt in de zin van artikel 78, lid 5, van het Statuut;

–        het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren;

–        het Comité van de Regio’s te veroordelen tot betaling van een bedrag van 25 000 EUR ter vergoeding van immateriële schade;

–        het Comité van de Regio’s te verwijzen in alle kosten.

51      Het Comité van de Regio’s verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

 In rechte

52      Ter ondersteuning van zijn beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit en het besluit tot afwijzing van de klacht voert verzoeker acht middelen aan, die betrekking hebben op: ten eerste, schending van artikel 78 van het Statuut vanwege een gebrek aan controle op de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie en schending van de procedurele waarborgen; ten tweede, niet-nakoming van de motiveringsplicht en onjuiste opvatting van het begrip beroepsziekte; ten derde, een kennelijke beoordelingsfout; ten vierde, niet-nakoming van de opdracht van de tweede invaliditeitscommissie; ten vijfde, niet-nakoming van de zorgplicht; ten zesde, schending van artikel 266 VWEU; ten zevende, overschrijding van de redelijke termijn en, ten achtste, schending van de collegialiteit. Verzoeker verzoekt het Gerecht eveneens het Comité van de Regio’s te veroordelen tot betaling van een bedrag van 25 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die hij als gevolg van de onrechtmatigheden van het Comité van de Regio’s heeft geleden.

53      Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, wanneer dat besluit geen zelfstandige inhoud heeft, tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend (arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 55; zie in die zin ook arrest van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8).

54      In de onderhavige zaak bevestigt het besluit tot afwijzing van de klacht het bestreden besluit doordat hierin de onderbouwing van het bestreden besluit nader worden weergegeven. In een dergelijk geval moet de rechtmatigheid van de oorspronkelijke bezwarende handeling worden onderzocht door de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht in aanmerking te nemen, aangezien deze motivering wordt geacht samen te vallen met die handeling (zie in die zin arrest van 18 april 2012, Buxton/Parlement, F‑50/11, EU:F:2012:51, punt 21, en 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 56).

55      Bijgevolg heeft de vordering tot nietigverklaring die gericht is tegen het besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige inhoud en moet het beroep geacht worden te zijn gericht tegen het bestreden besluit met de motivering die in het besluit tot afwijzing van de klacht is aangegeven (zie in die zin arresten van 10 juni 2004, Eveillard/Commissie, T‑258/01, punten 31 en 32, en 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 57).

56      Eveneens moet worden vastgesteld dat het eerste, het vijfde en het zesde middel voornamelijk gebaseerd zijn op een mogelijk gebrek aan controle op de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie in de klachtfase, dat wil zeggen nadat het bestreden besluit was vastgesteld. Bijgevolg vormen deze middelen, indien zij gegrond zouden blijken, geen rechtvaardiging voor de nietigverklaring van het bestreden besluit. Voor zover de door verzoeker aangevoerde gebreken zich na de vaststelling van het bestreden besluit hebben voorgedaan, kunnen zij immers niet van invloed zijn op de inhoud van het advies van de invaliditeitscommissie noch op de inhoud van dit besluit. Dergelijke gebreken kunnen in beginsel geen wijziging brengen in het oordeel van de invaliditeitscommissie dat de invaliditeit haar oorzaak vindt in de beroepswerkzaamheden in de zin van artikel 78 van het Statuut.

57      Aangezien verzoeker niet alleen vergoeding heeft gevorderd van de immateriële schade die hij heeft geleden door onrechtmatigheden in het bestreden besluit en de omstandigheden waarin dit besluit werd vastgesteld, maar ook van de immateriële schade als gevolg van onregelmatigheden die voortvloeien uit het gebrek aan controle door het TABG tijdens de klachtfase, moeten de bovengenoemde middelen evenwel worden onderzocht voor zover zij van invloed kunnen zijn op de schadevordering. Gezien het voorgaande is het naar het oordeel van het Gerecht passend om eerst het tweede, het derde, het vierde, het zevende en het achtste middel te onderzoeken, die tot nietigverklaring van het bestreden besluit kunnen leiden, en pas daarna de middelen waar alleen bij de schadevordering rekening mee kan worden gehouden.

 Middelen betreffende de wettigheid van het bestreden besluit

58      Benadrukt moet worden dat tussen de aangevoerde niet-nakoming van de motiveringsplicht en de onjuiste opvatting van het begrip beroepsziekte geen duidelijk verband bestaat. De vraag of de invaliditeitscommissie in strijd met het begrip beroepsziekte de medische voorgeschiedenis en de huidige gezondheidstoestand van verzoeker in overweging heeft genomen, heeft immers betrekking op een eventuele kennelijk onjuiste beoordeling en niet op de niet-nakoming van de motiveringsplicht. Volgens het Gerecht is het bijgevolg beter de onjuiste opvatting van het begrip beroepsziekte te behandelen in het kader van het derde middel, dat betrekking heeft op een kennelijk onjuiste beoordeling, dan in het kader van het tweede middel.

 Tweede middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

59      Verzoeker is van mening dat het Comité van de Regio’s zijn motiveringsplicht niet is nagekomen voor zover uit het bestreden besluit en het besluit tot afwijzing van de klacht waarin de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie worden bekrachtigd, om te beginnen niet valt op te maken waarom de meerderheid van deze commissie was afgeweken van de eerdere medische en administratieve rapporten en – bovenal – evenmin valt op te maken op welke gegevens zij zich heeft gebaseerd om, anders dan het geval was in de medische rapporten in haar bezit, te bevestigen dat verzoekers invaliditeit niet door zijn beroepswerkzaamheden was veroorzaakt.

60      In dit verband stelt verzoeker in de eerste plaats dat de tweede invaliditeitscommissie zich ten onrechte over zijn arbeidsvermogen heeft uitgesproken, aangezien dat niet relevant was om te toetsen of zijn invaliditeit door zijn beroepswerkzaamheden is veroorzaakt. In de tweede plaats heeft deze commissie zich ten onrechte gebaseerd op zijn gezondheidstoestand in 2014, daar die niet van belang was voor de vraag of hij in 2007 wegens een beroepsziekte is gepensioneerd. In de derde plaats is het feit dat hij in 2014 geen antidepressiva of anxyolitica gebruikte niet in tegenspraak met een afgeleefde en psychologisch beschadigde emotionele toestand die was veroorzaakt door de slechte manier waarop hij in zijn vroegere functie was behandeld. Alle medische documenten bevestigen dit.

61      Daarnaast stelt verzoeker in wezen dat de tweede invaliditeitscommissie geen rekening heeft gehouden met de administratieve en juridische documenten in het dossier, namelijk het Cocobu-verslag en het OLAF-rapport. Voorts zijn de antwoorden van dokter M. in de nota van 8 mei 2015 tegenstrijdig en moeilijk te begrijpen. De twee artsen die in de tweede invaliditeitscommissie de meerderheid vormden, hebben ook niet uiteengezet waarom zijn ziekte niet – tevens – kon zijn veroorzaakt door de uitoefening van zijn werkzaamheden.

62      Het Comité van de Regio’s bestrijdt verzoekers argumenten. Het weerspreekt dat er een tegenstelling bestaat tussen de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie en de voordien in het kader van artikel 73 van het Statuut vastgestelde medische conclusies.

63      Het Comité van de Regio’s stelt dat in de conclusies van 7 mei 2014, die het TABG in het bestreden besluit heeft bekrachtigd, verschillende gronden zijn uiteengezet die een afspiegeling vormen van de meerderheidsmening in de tweede invaliditeitscommissie, volgens welke er geen causaal verband was tussen de permanente arbeidsongeschiktheid en het werk van verzoeker.

64      Volgens het Comité van de Regio’s bevat het besluit tot afwijzing van de klacht de toelichtingen van dokter M. bij zowel de werkwijze van de tweede invaliditeitscommissie als de redenen waarom volgens die commissie tussen de invaliditeit van verzoeker en zijn beroepswerkzaamheden geen causaal verband bestond.

65      Het argument dat de tweede invaliditeitscommissie geen toereikende motivering heeft gegeven voor haar standpunt, voor zover zij tot andere conclusies is gekomen dan die in de eerdere medische en administratieve rapporten, is volgens het Comité van de Regio’s ongegrond, zodat het moet worden afgewezen. In het samenvattend medisch rapport werd namelijk verwezen naar de adviezen en conclusies in de voorgaande medische en administratieve rapporten. Het Comité van de Regio’s brengt in herinnering dat in dit samenvattend rapport wordt benadrukt dat verzoeker volgens sommige medische rapporten in staat was om zijn werkzaamheden te hervatten. In dit samenvattend rapport staat tevens vermeld dat verzoeker aan een „grondig medisch onderzoek” is onderworpen. In het kader daarvan heeft de tweede invaliditeitscommissie waarnemingen kunnen doen die aantonen dat verzoekers invaliditeit niet het gevolg was van een beroepsziekte in de zin van artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut.

66      Bovendien heeft de tweede invaliditeitscommissie in het samenvattend medisch rapport uitdrukkelijk verwezen naar bepaalde medische en administratieve rapporten. In dat rapport wordt duidelijk vermeld op welke gronden is vastgesteld dat tussen verzoekers arbeidsomstandigheden en zijn gezondheidstoestand geen causaal verband bestond en waarom de commissie niet instemde met het advies in de eerdere medische rapporten. Zo wijst het Comité van de Regio’s erop dat de tweede invaliditeitscommissie is ingegaan op de jarenlange psychische voorgeschiedenis van verzoeker, die hem heeft belet zijn werk weer op te pakken.

67      In herinnering moet worden gebracht dat de bepalingen van het Statuut betreffende de invaliditeitscommissie tot doel hebben medisch deskundigen definitief te laten beslissen over alle vragen van medische aard waarover geen enkel TABG wegens zijn interne administratieve samenstelling een besluit kan nemen. In dat verband kan de rechterlijke toetsing zich niet uitstrekken tot de eigenlijke medische beoordelingen, die als definitief moeten worden beschouwd wanneer zij regelmatig tot stand zijn gekomen. De regelmatigheid van de samenstelling en van de werking van de invaliditeitscommissie alsook van de door haar uitgebrachte adviezen kan echter wel aan rechterlijke toetsing worden onderworpen. In dit opzicht is het Gerecht bevoegd na te gaan of het advies een motivering bevat aan de hand waarvan de overwegingen kunnen worden beoordeeld waarop de erin vervatte conclusies zijn gebaseerd en of daarin een logisch verband wordt gelegd tussen de erin opgenomen medische vaststellingen en de conclusies die de betrokken invaliditeitscommissie daaraan verbindt (zie arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Op grond van deze rechtspraak moet voor het onderhavige geval om te beginnen worden vastgesteld dat de conclusies van 7 mei 2014, die het TABG in het bestreden besluit heeft bevestigd, met name de volgende stellingen bevatten:

–        „er is geen argument voor de vaststelling van een causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid en de beroepsmatige stressfactoren. De patiënt heeft herhaaldelijk bevestigd dat het zeer goed met hem ging;

–        […] daarentegen heeft de patiënt langdurig psychische problemen gehad, waarvoor hij, naar eigen zeggen met succes, verschillende behandelingen heeft ondergaan.”

69      Deze uiteenzettingen verklaren echter niet hoe de tweede invaliditeitscommissie tot deze conclusie is gekomen, terwijl de medische en administratieve rapporten in het dossier een tegengestelde conclusie ondersteunden.

70      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, wanneer de administratie in haar beantwoording van de klacht voor het individuele geval expliciete redenen heeft gegeven ter rechtvaardiging van haar besluit, dergelijke redenen worden geacht samen te vallen met het afwijzende besluit en als relevante informatie voor de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit moeten worden beschouwd (zie in die zin arrest van 9 december 2009, Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, EU:T:2009:485, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71      In de eerste plaats verklaart het TABG in het besluit tot afwijzing van de klacht dat het dokter M. heeft verzocht „te willen bevestigen […] dat de onmogelijkheid voor McCoy om zijn werkzaamheden te verrichten, die al op 23 mei 2007 was vastgesteld (artikel 78), daadwerkelijk geen verband hield – ook niet gedeeltelijk – met zijn op 9 januari 2009 erkende beroepsziekte (artikel 73) (‚een anxio-depressieve stoornis binnen het kader van een hoogoplopend administratief geschil dat gelijkstaat aan psychisch geweld’) (zie arrest van 18 november 2014, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑156/12, EU:F:2014:247, punt 64) en dat in het [samenvattend] medisch rapport, dat met name verklaarde waarom de [tweede] invaliditeitscommissie had besloten af te wijken van de eerdere, voor McCoy gunstige rapporten, een goede onderbouwing voor deze conclusie werd gegeven”.

72      Dokter M. beschrijft in antwoord op deze vraag hoe de tweede invaliditeitscommissie tot haar conclusies is gekomen en benadrukt in wezen dat:

–        „[McCoy], zoals duidelijk uit zijn medisch dossier blijkt, al vóór hij bij het Comité van de Regio’s in dienst trad medische antecedenten had”;

–        „twee documenten in het dossier adviezen bevatten […] waarin werd verklaard dat McCoy in de loop van de betrokken periode in staat was weer aan het werk te gaan”;

–        [dokter H., die op de hoogte was van het dossier,] „McCoy aan een grondig psychiatrisch onderzoek heeft onderworpen, waarbij vragen werden gesteld om te bepalen in welke toestand McCoy zich bevond”;

–        unaniem is besloten geen extern deskundigenonderzoek te laten uitvoeren of bij de huisartsen die McCoy tussen 1996 en 2000 hebben behandeld, medische informatie op te vragen.

73      In de tweede plaats heeft het TABG dokter M. verzocht „te bevestigen dat de tweede invaliditeitscommissie bij haar conclusies volgens welke de invaliditeit van McCoy in de zin van artikel 78 van het Statuut niet het gevolg is van een beroepsziekte, rekening heeft gehouden met de in het arrest van 7 mei 2013 geciteerde administratieve documenten”. Dokter M. heeft daarop in wezen nader aangegeven dat „alle documenten de tweede invaliditeitscommissie ter beschikking stonden, ook al [werden] zij niet uitdrukkelijk geciteerd”, en dat alle drie de leden van de [tweede] invaliditeitscommissie deze documenten bij de hand hadden en hebben onderzocht.

74      Gelet op deze overwegingen verklaart het TABG in het besluit tot afwijzing van de klacht „zich ervan te hebben verzekerd dat de invaliditeitscommissie in haar rapport heeft uitgelegd waarom naar haar mening medisch gezien niet kon worden overwogen om uit hoofde van artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut te erkennen dat de invaliditeit van verzoeker, ook maar gedeeltelijk, door zijn beroepswerkzaamheden is veroorzaakt, en dat alle haar ter beschikking staande medische en niet-medische documenten bij elkaar hiertoe wel degelijk in overweging zijn genomen. Daarbij heeft het evenwel geen kennis kunnen nemen van de medische onderbouwing en kan het dus niet beoordelen of deze onderbouwing voldoet aan de door het Gerecht in het arrest van 7 mei 2013 vastgelegde vereisten.”

75      Niettegenstaande de antwoorden van dokter M. moet blijkens het dossier en blijkens hetgeen in het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), is vastgesteld, worden geconstateerd dat de medische en administratieve dossiers inhoudelijk steun bieden voor de tegenovergestelde conclusie, te weten dat de ziekte die tot verzoekers invaliditeit heeft geleid, op zijn beroepswerkzaamheden is terug te voeren.

76      In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat een invaliditeitscommissie die moet beslissen over ingewikkelde medische vragen die gaan over het causale verband tussen de aandoening waaraan de betrokkene lijdt en de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden bij een instelling, volgens de rechtspraak met name moet aangeven op welke gegevens van het dossier zij zich baseert en, indien sprake is van een duidelijk verschil, moet preciseren waarom zij van bepaalde eerdere en belangrijke rapporten die voor betrokkene gunstiger zijn, afwijkt (zie arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77      Overigens kan een invaliditeitscommissie die op grond van artikel 78 van het Statuut een beslissing moet nemen, weliswaar tot een andere conclusie komen dan de medische commissie die krachtens artikel 73 van het Statuut wordt ingeschakeld, maar dat neemt niet weg dat zij moet uiteenzetten op welke gronden zij afwijkt van de beoordelingen in de medische rapporten die de kwalificatie van de ziekte als beroepsziekte uit hoofde van artikel 73 van het Statuut mogelijk hebben gemaakt en dat zij die gronden op heldere en begrijpelijke wijze (zie arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak) moet aangeven in haar aan het TABG toegezonden conclusies dan wel in haar in voorkomend geval daarna vastgesteld samenvattend medisch rapport.

78      In herinnering moet worden gebracht dat in het kader van de krachtens artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure ten minste een tiental medische rapporten is behandeld, waarover de tweede invaliditeitscommissie beschikte toen zij haar conclusies van 7 mei 2014 over de oorzaak van de invaliditeit heeft vastgesteld (namelijk de ziekenhuisrapporten van 16 januari 2006, het rapport van professor D. M. van 16 oktober 2006, het rapport van dokter R. van 26 oktober 2006, het rapport van de PMO-arts van 8 mei 2008, het rapport van dokter R. van 18 september 2008, de conclusies van de PMO-arts van 20 november 2008, het rapport van D. van 12 augustus 2009, het rapport van professor M. van 17 oktober 2009, het rapport van dokter Re. van 3 november 2009 en de conclusies van de PMO-arts van 11 februari 2010). In deze rapporten is bijvoorbeeld gewezen op:

–        „een anxio-depressief syndroom dat zich heeft voorgedaan […] in verband met de afkeurenswaardige beroepsmatige handelwijze van bepaalde ambtenaren van het Comité van de Regio’s”;

–        „[een] anxio-depressieve toestand”. „Het anxio-depressieve aspect is belangrijker dan het reactieve depressieve aspect, dat van beperkte aard is” en „deze toestand is een reactie op de pesterijen die hij bij zijn werk heeft ondervonden en de ‚burn-out’ die daaruit is voortgevloeid”;

–        „een zenuwinzinkingssyndroom, ‚burn-out’ genoemd, dat verband houdt met het psychische geweld dat hij bij zijn beroepswerkzaamheden heeft ondervonden”;

–        „een anxio-depressieve stoornis binnen het kader van een hoogoplopend administratief geschil dat gelijkstaat aan psychisch geweld”;

–        „[het feit dat] belanghebbende te maken heeft gekregen met een hoogoplopend administratief geschil dat gelijkgesteld kan worden aan psychisch geweld gedurende enkele jaren, zodat kan worden erkend dat de reactieve anxio-depressieve stoornis gepaard ging met aandachts- en cognitieve problemen, wat zijn psychische integriteit heeft aangetast.”

79      Met betrekking tot de in punt 78 hierboven genoemde bevindingen uit de medische rapporten moet worden opgemerkt dat de tweede invaliditeitscommissie in haar samenvattend medisch rapport in de eerste plaats heeft verklaard dat de „‚blijvende en als volledig beschouwde invaliditeit, waardoor het [verzoeker] niet mogelijk was werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen’, zoals aangegeven in artikel 78, niet het gevolg [was] van ‚een beroepsziekte’”. De tweede invaliditeitscommissie wijst erop dat zij tot deze conclusie is gekomen op basis van de medische en administratieve dossiers en de volgende overwegingen:

–        verzoeker, die door de tweede invaliditeitscommissie aan een „grondig medisch onderzoek” is onderworpen, vertoont geen symptomen van het posttraumatisch stresssyndroom;

–        in enkele rapporten van het medisch dossier wordt erop aangedrongen dat verzoeker zijn werk geleidelijk aan hervat;

–        juist de langdurige psychische moeilijkheden van de patiënt van vóór het decennium 2000‑2009 en de gebeurtenissen die het voorwerp uitmaken van het OLAF-rapport hebben hem belet zijn werk te hervatten, terwijl dat anders mogelijk zou zijn geweest.

80      Ten eerste moet worden vastgesteld dat uit het aan het Gerecht overgelegde dossier niet blijkt wat het „grondig medisch onderzoek” precies inhield. Dokter M. heeft er in de nota van 8 mei 2015 in onduidelijke bewoordingen naar verwezen, toen hij aangaf dat dokter H. met het oog op de bijeenkomst van 7 mei 2014 op basis van het medisch dossier van verzoeker vragen had voorbereid. Uit het rapport van dokter G. blijkt evenwel dat de tweede invaliditeitscommissie verzoeker slechts vijftien minuten lang heeft gezien. Dit betekent dat uit het gebruik van de uitdrukking „grondig medisch onderzoek” niet zonder meer kan worden afgeleid dat de tweede invaliditeitscommissie op basis daarvan tot een conclusie kon komen die haaks stond op die van de eerdere medische rapporten, die overigens op omvangrijkere onderzoeken en psychologische tests waren gebaseerd. Bovendien geeft de tweede invaliditeitscommissie geen onderbouwing waaruit duidelijk wordt hoe aan de hand van het „grondig medisch onderzoek” van verzoeker in 2014 een beoordeling kon worden gegeven van zijn gezondheidstoestand op het moment waarop hij zeven jaar daarvóór invalide werd verklaard.

81      Ten tweede citeert de tweede invaliditeitscommissie met betrekking tot de vaststelling dat verzoeker in staat zou zijn geweest het werk te hervatten twee uittreksels uit twee verschillende rapporten. In het eerste uittreksel, afkomstig uit een rapport van dokter V. A. van 13 november 2006, wordt vermeld dat „McCoy Robert in staat is zijn werk te hervatten mits hem een passende baan wordt aangeboden”. Volgens het tweede uittreksel, uit een rapport van professor L. van 16 november 2006, is „een zo spoedig mogelijke terugkeer naar productief werk van wezenlijk belang”. Deze uittreksels blijken echter niet relevant te zijn. Om te beginnen wordt in de twee rapporten waaruit beide uittreksels afkomstig zijn, geconcludeerd dat verzoeker een beroepsziekte heeft. Verder worden de citaten los van hun context gebruikt. Immers was professor L. in november 2006 weliswaar van oordeel dat een terugkeer naar het werk „van wezenlijk belang” was, maar deze mening stond in een bepaalde context. Deze terugkeer was namelijk van belang „voor McCoys zelfvertrouwen en de bestendige verbetering van zijn toestand”. Professor L. stelde de beroepsoorzaak van verzoekers ziekte niet ter discussie. In hetzelfde rapport staat inderdaad dat „in de brief van dokter A. de oorzaak [wordt] beschreven van de ziekte, die zich openbaarde als gevolg van de gebeurtenissen die hij als financieel controleur bij het Comité van de Regio’s meemaakte”. Bovendien moet worden opgemerkt dat uit een door dezelfde arts op 16 januari 2006 opgestelde brief volgt dat „het waarschijnlijk is dat McCoy nog ernstiger symptomen van het posttraumatisch stresssyndroom, angstaanvallen en depressie zal gaan vertonen, indien hij in de nabije toekomst moet terugkeren naar de werkomgeving die zijn huidige medische toestand heeft veroorzaakt”. Evenzo stond het citaat van dokter V. A. in een behandelingscontext, aangezien deze arts niet voorstelde om verzoeker zijn oude functie te laten hervatten, maar om hem weer aan het werk te laten gaan op voorwaarde dat zijn taak passend was.

82      Ten slotte moet worden vastgesteld dat de twee betrokken uittreksels dateren van november 2006, en dat dokter V. A. verzoeker in februari 2007 met ziekteverlof stuurde nadat deze zijn werk nog maar zes weken had hervat. De feiten tonen dus aan dat zelfs indien deze twee artsen in november 2006 oordeelden dat verzoeker zijn werk kon hervatten, ten minste één van hen in februari 2007 van mening was veranderd. Bovendien moet worden opgemerkt dat de eerste invaliditeitscommissie in haar conclusies van 23 mei 2007 over het bestaan van de invaliditeit heeft vastgesteld dat deze blijvend was en als volledig moest worden aangemerkt, waardoor het voor verzoeker onmogelijk was zijn werkzaamheden uit te oefenen.

83      Ten derde moet worden vastgesteld dat er een beschouwing aan de langdurige psychische moeilijkheden van verzoeker werd gewijd zonder dat die gevolgd werd door enige analyse of conclusie en dat deze beschouwing in elk geval niet volstond om uit te leggen waarom de talloze medische onderzoeken en de gegevens in de medische en administratieve rapporten geen steun konden bieden voor de conclusie dat de invaliditeit van verzoeker volledig of gedeeltelijk door zijn beroepswerkzaamheden is veroorzaakt. In het samenvattend medisch rapport wordt gewezen op het langdurige en overmatige gebruik van psychotrope middelen en alcohol, alsook op vele niet-beroepsmatige factoren, met name ernstige spanningen in de gezinssituatie met een door depressie gekenmerkte voorgeschiedenis en persoonlijkheidsstoornissen. Deze feiten dateren evenwel van vóór de gebeurtenissen die voortkwamen uit de druk en het psychische geweld dat verzoeker bij zijn taken heeft ondergaan en hebben de artsen die de medische dossiers opstelden er niet van weerhouden te concluderen dat de anxio-depressieve staat en de „burn-out” van verzoeker door zijn beroepsomstandigheden zijn veroorzaakt.

84      Bovendien zou de vaststelling van deze moeilijkheden, indien die aldus moet worden opgevat dat verzoeker reeds aan een ziekte leed voordat hij zijn functie van intern controleur aanvaardde, op zich niet volstaan om er bij het onderzoek naar de oorzaak van zijn invaliditeit geen rekening mee te houden dat de ziekte een beroepsziekte in de zin van artikel 78 van het Statuut is, aangezien een beroepsziekte kan bestaan in de verergering van een reeds bestaande ziekte die door iets anders is veroorzaakt.

85      De tweede invaliditeitscommissie citeert weliswaar uittreksels uit het dossier, maar verklaart niet op heldere en begrijpelijke wijze waarom zij afwijkt van de eerdere relevante medische rapporten, die gunstiger waren voor de belanghebbende (zie de in de punten 76 en 77 hierboven aangehaalde rechtspraak). De tweede invaliditeitscommissie beperkte zich ertoe in het samenvattend medisch rapport te vermelden dat volgens haar „‚de anxio-depressieve stoornis binnen het kader van een hoogoplopend administratief geschil dat gelijkstaat aan psychisch geweld’ zoals vermeld in […] het rapport van dokter J. van 11 [februari] 2010, waarvoor ‚een invaliditeitspercentage van 10 %’ werd toegekend aangezien ‚er krachtens de regelgeving sprake was van een reactieve anxio-depressieve stoornis die gepaard ging met emotionele en cognitieve problemen’, niet van dien aard kon zijn dat deze bijdroeg aan een blijvende invaliditeit die als volledig moest worden aangemerkt”. Een nadere toelichting hierop gaf de commissie niet.

86      Voorts geeft de tweede invaliditeitscommissie aan dat zij „zich ervan bewust is dat McCoy volgens het hiervoor vermelde rapport van dokter J. ‚niet meer in staat is om enige beroepswerkzaamheid te verrichten, [maar dat] moet worden erkend dat belanghebbende ondanks zijn leeftijd uitstekend in staat blijft om in het verband van zijn privéleven nog professionele activiteiten te ontplooien’”. De commissie heeft er evenwel alleen op gewezen dat zij „op basis van het door haar verrichte grondige medische onderzoek niet instem[de] met deze vaststelling”, zonder uiteen te zetten hoe zij aan de hand van dit grondige onderzoek tot de tegengestelde conclusie had kunnen komen.

87      Hoewel de invaliditeitscommissie, wanneer zij wil afwijken van eerdere medische rapporten, die beslissing omstandiger moet motiveren, is zij niet verplicht bij elk rapport een gedetailleerde en bijzondere motivering te geven. Zij moet echter wel op heldere en begrijpelijke wijze uiteenzetten waarom zij van deze adviezen afwijkt. In de onderhavige zaak heeft de tweede invaliditeitscommissie evenwel slechts in onduidelijke en onnauwkeurige bewoordingen getracht uit te leggen waarom zij is afgeweken van de eerdere medische rapporten. In dat verband moet worden benadrukt dat er niet mee kan worden volstaan om uitsluitend te vermelden dat „alle documenten de invaliditeitscommissie ter beschikking stonden, ook al [werden] zij niet uitdrukkelijk geciteerd”, zoals dokter M. in zijn nota van 8 mei 2015 deed. Met een dergelijke vermelding kan niet op heldere en begrijpelijke wijze worden verklaard waarom de tweede invaliditeitscommissie is afgeweken van de voor verzoeker gunstige medische en administratieve rapporten. Bovendien heeft de tweede invaliditeitscommissie zich ertoe beperkt commentaar te leveren op slechts twee passages uit het medische dossier, terwijl dit dossier ten minste een tiental medische rapporten bevat.

88      Uit het voorgaande volgt kortom dat de tweede invaliditeitscommissie rechtens niet naar behoren uitleg heeft gegeven over de redenen waarom zij is afgeweken van de eerdere medische rapporten die duidelijk de ziekte van verzoeker als beroepsziekte kwalificeren, en evenmin voldoende heeft toegelicht om welke redenen verzoekers invaliditeit niet door zijn beroepswerkzaamheden veroorzaakt kon zijn. Op dit punt heeft de tweede invaliditeitscommissie in het bijzonder niet voldoende duidelijk gemaakt waarom zij geen onderzoek heeft gedaan naar de eventuele invloed van de uit het administratief dossier voortvloeiende feiten op de gezondheidstoestand van verzoeker, terwijl in het dossier toch duidelijk melding wordt gemaakt van een ernstig arbeidsconflict en „pesterijen” jegens verzoeker. Deze ontoereikende motivering ondermijnt de geldigheid van de aan het TABG toegezonden conclusies en van het bestreden besluit, zodat het onderhavige middel gegrond is en moet worden aanvaard.

89      In herinnering moet worden gebracht dat het volgens het Gerecht, zoals in punt 58 hierboven is uiteengezet, passend is de onjuiste opvatting van het begrip beroepsziekte te behandelen in het kader van het derde middel, dat zelf betrekking heeft op een kennelijk onjuiste beoordeling.

 Derde middel: kennelijk onjuiste beoordeling en verkeerde opvatting van het begrip beroepsziekte

90      Verzoeker betoogt dat de tweede invaliditeitscommissie zich uitsluitend heeft beziggehouden met zijn huidige gezondheidstoestand, zonder onderzoek te doen naar de oorsprong van zijn ziekte. Dit blijkt met name uit de vragen die dokter M. en dokter H. tijdens de bijeenkomst van 7 mei 2014 hebben gesteld. Daaruit volgt dat de conclusie dat er geen argumenten zijn die het causaal verband aantonen tussen de arbeidsongeschiktheid en de beroepsmatige stressfactor, berust op een kennelijk onjuiste beoordeling. Ter ondersteuning van zijn argumenten citeert verzoeker uittreksels uit verschillende medische rapporten waarin is vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door de druk die hij op zijn werk heeft ondervonden.

91      Volgens verzoeker moet de tweede invaliditeitscommissie, indien zij van oordeel is dat zijn arbeidsongeschiktheid door overmatig alcoholgebruik is ontstaan, bovendien over medische gegevens beschikken die hier bewijs voor leveren. Verzoeker benadrukt dat op dit punt in het dossier niets te vinden is. In het bijzonder bevat het dossier helemaal geen gegevens die kunnen aantonen dat er sprake was van enig – laat staan van overmatig – alcoholgebruik. Volgens verzoeker had de tweede invaliditeitscommissie ermee kunnen volstaan om de resultaten van de vóór het jaar 2000 bij hem verrichte bloedtesten op te vragen, welke resultaten overigens aantoonden dat hij geen alcohol consumeerde.

92      Voor zover de tweede invaliditeitscommissie de oorzaak van de invaliditeit in meerderheid toeschrijft aan niet-beroepsmatige factoren, betreft de vraag of deze niet-beroepsmatige factoren als oorzaak – en bovendien enige oorzaak – van de invaliditeit kunnen worden beschouwd, dus geen medische beoordeling, anders dan het TABG in het besluit tot afwijzing van de klacht stelt.

93      Verzoeker stelt eveneens dat de tweede invaliditeitscommissie is voorbijgegaan aan het begrip beroepsziekte door zich bij haar onderzoek uitsluitend te richten op zijn huidige gezondheidstoestand en zijn gezondheidstoestand voorafgaand aan de gebeurtenissen die het voorwerp uitmaken van het OLAF-rapport, zonder zich uit te spreken over de verslechtering van zijn gezondheidstoestand als gevolg van zijn beroepsomstandigheden.

94      Het Comité van de Regio’s bestrijdt verzoekers argumenten. Volgens het Comité heeft het TABG daadwerkelijk controle uitgeoefend door te toetsen en te beoordelen of de tweede invaliditeitscommissie zich ervan had verzekerd dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig had om haar taak te vervullen en naar behoren was ingelicht over de vereisten die verbonden waren aan de uitvoering van het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56).

95      Verzoeker beweert voorts ten onrechte dat de tweede invaliditeitscommissie zich alleen gebaseerd heeft op zijn actuele gezondheidstoestand. Alvorens vast te stellen dat verzoekers invaliditeit niet door beroepswerkzaamheden werd veroorzaakt, heeft die commissie immers eerst zijn medisch en administratief dossier onderzocht, en bij die vaststelling heeft zij zowel naar verzoekers medische en psychische voorgeschiedenis als naar zijn actuele medische toestand verwezen en ook naar de door hem verstrekte toelichtingen.

96      Ten slotte benadrukt het Comité van de Regio’s dat de aandacht voor de actuele gezondheidstoestand van verzoeker bij het bepalen van de mogelijke beroepsoorzaak van de invaliditeit een medische beoordeling in eigenlijke zin vormt, waarover de toetsing door het Gerecht zich dus niet uitstrekt. Dit geldt ook met betrekking tot de niet-beroepsmatige invaliditeitsfactoren.

97      In herinnering moet worden gebracht dat, aangezien het Gerecht slechts een beperkte rechterlijke toetsing kan verrichten waar het gaat om medische beoordelingen in eigenlijke zin, de kritiek dat het advies van de invaliditeitscommissie een kennelijk onjuiste beoordeling bevat, niet kan slagen (zie in die zin arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98      Net zoals het geval is bij de toetsing die wordt uitgevoerd op terreinen die aanleiding geven tot complexe beoordelingen – in het bijzonder bij zaken waarin veel gegevens beschikbaar zijn, zoals deskundigenrapporten, adviezen of raadplegingen – moet de Unierechter op wie een beroep is gedaan om een besluit te toetsen van een invaliditeitscommissie of van een op een dergelijk besluit gebaseerd besluit van een TABG, evenwel niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen, en de betrouwbaarheid en samenhang ervan, onderzoeken, maar moet hij ook toetsen of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen onderbouwen (zie naar analogie arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 54).

99      Het staat met name aan de Unierechter om de hem toevertrouwde wettigheidstoetsing uit te oefenen door de gegevens te onderzoeken die de verzoeker ter onderbouwing van de aangevoerde middelen voorlegt, zonder dat zijn toezicht kan worden beperkt door de beoordelingsmarge waarover de invaliditeitscommissie en het TABG beschikken bij hun keuze van de gegevens die zij in aanmerking nemen om hun besluit te onderbouwen. In deze omstandigheden kan de beperkte rechterlijke toetsing inzake medische beoordelingen in eigenlijke zin de Unierechter er niet van weerhouden na te gaan of de invaliditeitscommissie alle gegevens in overweging heeft genomen die met het oog op de haar toevertrouwde taak kennelijk relevant blijken.

100    In de onderhavige zaak volgt uit het samenvattend medisch rapport, zoals het Comité van de Regio’s in herinnering brengt, dat de tweede invaliditeitscommissie het medische en administratieve dossier van verzoeker heeft onderzocht en heeft verwezen naar zowel diens niet-beroepsmatige en psychische voorgeschiedenis als diens actuele medische toestand en ook naar de door hem gegeven toelichtingen, om tot de vaststelling te komen dat verzoekers invaliditeit niet door zijn beroepswerkzaamheden is veroorzaakt. Dit bevestigt dat de tweede invaliditeitscommissie, zoals verzoeker stelt, zich uitsluitend op diens niet-beroepsmatige en psychische voorgeschiedenis en op diens gezondheidstoestand in 2014 heeft gebaseerd. In dat verband moet worden opgemerkt dat de tweede invaliditeitscommissie uitdrukkelijk verwijst naar de uit het medische dossier blijkende psychische voorgeschiedenis en andere niet-beroepsmatige factoren, zoals het overmatige gebruik van psychotrope middelen en alcohol, terwijl zij de moeizame beroepsomstandigheden van verzoeker, waarvan dat dossier eveneens gewag maakt, niet of slechts in onduidelijke bewoordingen vermeldt om die vervolgens zonder toelichting terzijde te schuiven (zie de punten 79 tot en met 81 hierboven). Indien de tweede invaliditeitscommissie had onderzocht of er een verband bestond tussen de beroepssituatie en de gezondheid van verzoeker, zou dat immers – in elk geval in het samenvattend medisch rapport – even uitgebreid aan bod moeten zijn gekomen als zijn psychologische voorgeschiedenis en gezondheidstoestand in 2014. In de onderhavige zaak wordt echter zonder nadere uitwerking eenvoudigweg gezegd dat de tweede invaliditeitscommissie rekening heeft gehouden met het medische en administratieve dossier.

101    In dit verband moet worden vastgesteld dat uit het aan het Gerecht overgelegde dossier blijkt dat verzoeker in het verleden weliswaar gezondheidsproblemen heeft gehad, maar hier geen last meer van had toen hij bij het Comité van de Regio’s in dienst trad. Gedurende het tijdvak waarin hij voor het Comité van de Regio’s werkte, heeft hij bij de uitoefening van zijn functie psychisch geweld en druk ondervonden. Voorts heeft hij in deze periode en vlak erna gezondheidsproblemen gehad. De tweede invaliditeitscommissie lijkt echter te hebben nagelaten onderzoek te doen naar deze feiten, die voor de onderhavige zaak toch van groot belang zijn.

102    Aangezien de doelstelling van de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie was om aan te tonen of uit te sluiten dat er een verband bestond tussen verzoekers beroepsomstandigheden en zijn invaliditeit, moet bijgevolg worden geoordeeld dat de commissie niet kon laten blijken dat zij zich uitsluitend op verzoekers niet-beroepsmatige en psychische voorgeschiedenis en diens gezondheidstoestand in 2014 had gebaseerd, zonder het begrip beroepsziekte verkeerd op te vatten en dus zonder een kennelijk onjuiste beoordeling te maken in het samenvattend medisch rapport. Dit geldt bovenal aangezien in het administratieve dossier is vastgesteld dat verzoeker bij zijn taakvervulling het slachtoffer van psychisch geweld en druk is geweest. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de medische commissie in complexe situaties waarin de ziekte van een ambtenaar haar oorzaak in verschillende factoren vindt, van beroepsmatige en niet-beroepsmatige, fysieke of psychische aard, die elk hebben bijgedragen tot het ontstaan ervan, dient te bepalen of de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de instellingen van de Unie rechtstreeks verband houdt met de ziekte van de ambtenaar, bijvoorbeeld omdat hierdoor de ziekte is uitgelokt. In dergelijke gevallen is voor de erkenning van een ziekte als beroepsziekte niet vereist dat deze uitsluitend, voor het wezenlijke, overwegend of in doorslaggevende mate door de uitoefening van de werkzaamheden is ontstaan (arrest van 14 september 2010, AE/Commissie, F‑79/09, EU:F:2010:99, punt 83).

103    Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat het derde middel betreffende een kennelijk onjuiste beoordeling en een verkeerde opvatting van het begrip beroepsziekte gegrond is en moet worden aanvaard.

 Vierde middel: niet-vervulling van de opdracht van de tweede invaliditeitscommissie

104    Verzoeker stelt in wezen dat de tweede invaliditeitscommissie, door zijn gezondheidstoestand in 2014 te onderzoeken, niet heeft voldaan aan haar opdracht, die erin bestond te beoordelen of hij op het moment waarop in 2007 zijn invaliditeitspensioen inging, leed aan een door beroepswerkzaamheden veroorzaakte ziekte.

105    Het Comité van de Regio’s meent dat de tweede invaliditeitscommissie aan haar opdracht heeft voldaan. Volgens het Comité heeft deze commissie uit haar werkzaamheden medische conclusies getrokken en vormt het feit dat zij zich in het bijzonder heeft gebaseerd op een „grondig medisch onderzoek”, dat op 7 mei 2014 bij verzoeker werd afgenomen, alsmede op diens voorgeschiedenis, geen schending van haar opdracht. Verzoekers argument dat de tweede invaliditeitscommissie „zich met terugwerkende kracht over de situatie in 2007 moest uitspreken” kan op dit punt enkel worden afgewezen, want dat komt erop neer die commissie het recht te ontzeggen om in 2014 enig „grondig medisch onderzoek” te verrichten en een medische beoordeling over het volledige dossier te verschaffen.

106    In herinnering moet worden gebracht dat de tweede invaliditeitscommissie gehouden was om in het kader van haar opdracht een medisch oordeel te geven omtrent de vraag of verzoekers invaliditeit door zijn beroepswerkzaamheden was veroorzaakt. Het stond derhalve aan deze invaliditeitscommissie om na te gaan of verzoekers invaliditeit medisch gezien al dan niet het gevolg was van een beroepsziekte die was veroorzaakt door zijn arbeidsomstandigheden bij het Comité van de Regio’s (zie in die zin arrest van 21 januari 1987, Rienzi/Commissie, 76/84, EU:C:1987:17, punten 9 en 12).

107    Voor zover het vierde middel aldus kan worden opgevat dat de tweede invaliditeitscommissie de voorwaarden van haar opdracht aangaande het onderzoek naar de oorzaak van verzoekers invaliditeit niet zou hebben nageleefd, moet worden opgemerkt dat deze commissie in het kader van haar opdracht een medisch – en geen juridisch – oordeel moest geven over de vraag of de invaliditeit veroorzaakt was door de beroepswerkzaamheden van de betrokkene. Het stond derhalve aan haar om na te gaan of verzoekers invaliditeit op het medisch vlak al dan niet het gevolg was van een beroepsziekte die door zijn arbeidsomstandigheden was veroorzaakt (zie in die zin arrest van 21 januari 1987, Rienzi/Commissie, 76/84, EU:C:1987:17, punten 9 en 12).

108    Vanuit dit perspectief moet worden vastgesteld dat de invaliditeitscommissie de haar toevertrouwde taak strikt bezien heeft vervuld, aangezien zij in de conclusies van 7 mei 2014 heeft verklaard dat de invaliditeit van verzoeker op het medisch vlak „niet het gevolg [was] van een beroepsziekte”.

109    Gelet op een en ander is het vierde middel ongegrond en moet het worden afgewezen.

 Zevende middel: overschrijding van de redelijke termijn

110    Volgens verzoeker kan een overschrijding van de redelijke termijn worden vastgesteld, aangezien een lange tijdsduur van 19 maanden is verstreken tussen de uitspraak van het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), en het eind van de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie op 10 november 2014. Verzoeker verwijt het Comité van de Regio’s de tweede invaliditeitscommissie pas per 14 februari 2014 te hebben ingesteld. Vervolgens is deze commissie niet eerder dan op 15 april en 7 mei 2014 bijeengekomen. Bovendien heeft dokter H. tot 10 november 2014 gewacht alvorens zijn vertegenwoordiger, dokter G., de ondertekende notulen te sturen. Verzoeker stelt eveneens dat hij van het op 2 december 2014 vastgestelde bestreden besluit pas in kennis is gesteld per brief van 22 december 2014, die is gepost op 5 januari 2015.

111    Volgens verzoeker kan het TABG de vertraagde toezending van de notulen niet rechtvaardigen door in het besluit tot afwijzing van de klacht uit te leggen dat met één van de documenten geknoeid was.

112    Het Comité van de Regio’s bestrijdt verzoekers argumenten.

113    In herinnering moet worden gebracht dat de verplichting om bij het voeren van administratieve procedures een redelijke termijn in acht te nemen, een algemeen beginsel van het recht van de Unie is waarvan de rechter de eerbiediging verzekert en dat in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als een onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur is opgenomen (zie arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s, F‑86/11, EU:F:2013:56, punt 135 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

114    Schending van het beginsel om een redelijke termijn in acht te nemen, zo die al wordt vastgesteld, rechtvaardigt echter niet de nietigverklaring van het bestreden besluit wegens een onregelmatigheid in de procedure. Een eventueel buitensporig lange duur van de behandeling van het door verzoeker ingediende verzoek om de ziekte uit hoofde van artikel 78 van het Statuut als beroepsziekte te kwalificeren, kan immers in beginsel geen invloed hebben op de inhoud van het advies van de invaliditeitscommissie als zodanig noch op die van het bestreden besluit. Een dergelijk tijdsverloop kan namelijk, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, geen wijziging brengen in het oordeel van de invaliditeitscommissie uit hoofde van artikel 78 van het Statuut dat de invaliditeit haar oorzaak vindt in de beroepswerkzaamheden (arrest van 21 oktober 2009, V/Commissie, F‑33/08, EU:F:2009:141, punt 210; zie in die zin ook arrest van 11 april 2006, Angeletti/Commissie, T‑394/03, EU:T:2006:111, punt 163). Het is juist dat de duur van een medische procedure invloed kan hebben op het oordeel over de ernst en de gevolgen van een pathologie en het etiologisch onderzoek hieromtrent moeilijker kan maken (arrest van 14 september 2010, AE/Commissie, F‑79/09, EU:F:2010:99, punt 102), maar in casu is niet vastgesteld en ook niet aangevoerd dat de buitensporig lange duur van de procedure van invloed is geweest op de inhoudelijke gegevens waarop de invaliditeitscommissie haar conclusies heeft gebaseerd. Zo al wordt vastgesteld dat buitensporig veel tijd is verstreken, kan dit derhalve de rechtsgeldigheid van de conclusies van de commissie niet aantasten en bijgevolg evenmin de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit.

115    Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker het verloop van een tijdsduur van 19 maanden en de verantwoordelijkheid voor de daaruit voortvloeiende overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte aan het Comité van de Regio’s toeschrijft. Anders dan verzoeker stelt, heeft hij er immers zelf bij het Comité van de Regio’s op aangedrongen om de president van het Hof te verzoeken een derde arts aan te wijzen. Het Comité van de Regio’s is pas in februari 2014 over de benoeming van dokter H. geïnformeerd. Verder blijkt uit de e-mailwisseling tussen dokter M. en dokter G. dat deze laatste op 19 september 2013 zijn voorkeur heeft uitgesproken voor dokter L., die door dokter M. was voorgesteld. Pas op 8 november 2013 heeft verzoeker het Comité van de Regio’s erover geïnformeerd dat noch hij noch dokter G. instemden met de benoeming van dokter L. Daarom moet worden vastgesteld dat verzoeker zelf heeft bijgedragen aan de opgelopen vertraging doordat de president van het Hof een arts moest aanwijzen.

116    Bijgevolg is het zevende middel met betrekking tot de niet-inachtneming van de redelijke termijn ongegrond, en moet het worden afgewezen.

 Achtste middel: schending van het collegialiteitsbeginsel

117    Volgens verzoeker is het collegialiteitsbeginsel geschonden omdat het TABG alleen dokter M. heeft geraadpleegd, die uitsluitend met dokter H. heeft gesproken zonder dokter G. te informeren.

118    Het Comité van de Regio’s stelt onder verwijzing naar de bijeenkomsten van de tweede invaliditeitscommissie van 15 april en 7 mei 2014 alsook naar de vervolgens uitgewisselde schriftelijke stukken dat alle leden van die commissie hun standpunt op zinvolle wijze naar voren hebben kunnen brengen, zodat dit beginsel niet is geschonden. Bovendien vertonen de feiten van de onderhavige zaak veel gelijkenis met die in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), waarin is geoordeeld dat het collegialiteitsbeginsel niet was geschonden.

119    Uit vaste rechtspraak volgt dat de invaliditeitscommissie haar werkzaamheden op collegiale wijze moet verrichten, aangezien ieder lid ervan de gelegenheid moet hebben om zijn standpunt in alle vrijheid kenbaar te maken (zie in die zin arresten van 22 november 1990, V./Parlement, T‑54/89, EU:T:1990:71, punt 34, en 27 februari 2003, Camacho-Fernandes/Commissie, T‑20/00, EU:T:2003:47, punten 45 e.v.).

120    In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat het door verzoeker aangevoerde beginsel niet is geschonden. De tweede invaliditeitscommissie is immers twee keer bijeengekomen, op 15 april en 7 mei 2014. Elke arts heeft, na kennis te hebben genomen van verzoekers volledige medische en administratieve dossier, tijdens deze bijeenkomsten zowel mondeling als schriftelijk zijn mening kunnen geven. Dokter M. en dokter H. hebben ondertekende conclusies opgesteld en dokter G. heeft afwijkende conclusies kunnen vaststellen. Deze drie artsen waren bovendien allen in de gelegenheid hun rapport op te stellen dat vervolgens aan het medisch dossier is toegevoegd. Het middel met betrekking tot schending van het collegialiteitsbeginsel door de tweede invaliditeitscommissie moet dus worden afgewezen.

121    Het achtste middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.

122    Het vierde, het zevende en het achtste middel zijn dus ongegrond en moeten worden afgewezen. Daarentegen zijn het tweede middel, met betrekking tot een ontoereikende motivering, en het derde middel, met betrekking tot een kennelijk onjuiste beoordeling en een verkeerde opvatting van het begrip beroepsziekte, gegrond en worden zij dus aanvaard, zodat het bestreden besluit op basis daarvan nietig moet worden verklaard.

 Middelen gebaseerd op omstandigheden die zich na de vaststelling van het bestreden besluit hebben voorgedaan en schadevordering

123    Zoals in de punten 56 en 57 hierboven is opgemerkt, kunnen het eerste, het vijfde en het zesde middel de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten. Met de in deze middelen aangevoerde onrechtmatigheden moet echter rekening worden gehouden in het kader van de schadevordering.

 Eerste middel: schending van artikel 78 van het Statuut door gebrek aan controle op de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie

124    Verzoeker voert in wezen drie grieven aan om te bewijzen dat het TABG niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie te controleren. Ten eerste heeft het TABG een fout begaan toen het weigerde het medisch dossier van verzoeker te raadplegen terwijl het een verzoek in die zin had gekregen. Ten tweede heeft het een fout begaan door alleen dokter M. (zie punt 42 hierboven) te raadplegen om zich ervan te vergewissen dat de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie volgens de regels hadden plaatsgevonden. Volgens verzoeker komt een dergelijke handelwijze erop neer dat het TABG zich heeft onttrokken aan de op hem rustende controleverplichting en deze controle van elke nuttige werking heeft beroofd. Ten derde stelt verzoeker dat het TABG de procedurele waarborgen heeft geschonden omdat het alleen de door het Comité van de Regio’s aangewezen arts heeft verzocht de vragen over de controle op de regelmatigheid van de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie te beantwoorden, wat met name een schending van het onpartijdigheidsbeginsel vormt.

125    Het Comité van de Regio’s bestrijdt verzoekers argumenten.

126    Het stelt over de eerste grief dat het TABG slechts tot een beperkte controle is gehouden en deze volgens de toepasselijke regels heeft uitgevoerd.

127    Het Comité van de Regio’s verwijst naar het document getiteld „Procedurehandleiding invaliditeitscommissie” en brengt in herinnering dat volgens titel IV ervan, „Werking van de invaliditeitscommissie”, deze commissie onafhankelijk is en haar verslagen geheim zijn. Hieruit volgt dat het TABG geen toegang heeft tot de informatie in deze verslagen en moet beslissen op basis van enkel de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie, waarin geen medische gegevens zijn opgenomen.

128    Het Comité van de Regio’s wijst er eveneens op dat het TABG, anders dan verzoeker stelt, niet gehouden was om het medisch dossier te raadplegen. Eventueel dient verzoeker ter behandeling van zijn klacht de gegevens in het medisch dossier uitdrukkelijk aan het TABG te verstrekken onder vermelding van het verband dat daarin volgens hem te vinden is met de in zijn klacht aangevoerde grieven.

129    Overigens heeft verzoeker het TABG pas verzocht om het medisch dossier te raadplegen nadat hij zijn klacht had ingediend.

130    Bovendien heeft het Comité van de Regio’s in herinnering gebracht dat de medische beoordelingen in strikte zin in het kader van de beroepsprocedures niet konden worden aangevochten. Omdat de controle van het TABG op dit punt beperkt is, dient het TABG uitsluitend op juiste wijze de feiten te beoordelen en ervoor te zorgen dat de wettelijke voorschriften die op de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie van toepassing zijn, precies worden nageleefd.

131    Het Comité van de Regio’s meent bijgevolg dat het TABG niet kan worden verweten de feiten niet juist te hebben beoordeeld of de toepasselijke wettelijke voorschriften te hebben geschonden.

132    Inzake de tweede grief neemt het Comité van de Regio’s het standpunt in dat het zich met de vragen aan dokter M. aan de regels heeft gehouden. Door ervoor te kiezen de voor de behandeling van de klacht noodzakelijke gegevens te verzamelen middels een vragenlijst is het TABG immers op de minst belastende wijze te werk gegaan, teneinde geen inbreuk te maken op de vertrouwelijkheid van de verslagen van de tweede invaliditeitscommissie, het medisch geheim en de bescherming van gevoelige persoonsgegevens.

133    Over de derde grief, met betrekking tot de fout die het TABG zou hebben gemaakt door uitsluitend de door de instelling aangewezen arts te bevragen, voert het Comité van de Regio’s aan dat de vragen van het TABG voldoende neutraal en precies waren om objectieve antwoorden van deze arts te verkrijgen. Voorts hoeft slechts in herinnering te worden gebracht dat het, gezien de strenge beroepscode op het vakgebied van dokter M., weinig waarschijnlijk lijkt dat hij zijn onafhankelijkheidsplicht niet is nagekomen. Bijgevolg vormt het verzoek aan dokter M. om antwoord te geven op de vragen die hem in het kader van de controletaak werden gesteld, geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel. De bewering dat dit wel zo is, komt erop neer de onpartijdigheid van het TABG bij de beoordeling van hem voorgelegde klachten in twijfel te trekken.

134    Daarnaast meent het Comité van de Regio’s dat de drie artsen die de tweede invaliditeitscommissie vormden overeenkomstig de van kracht zijnde regels zijn aangewezen en tijdens de bijeenkomsten van 15 april en 7 mei 2014 hun mening hebben kunnen geven, wat zij daadwerkelijk hebben gedaan. Volgens het Comité van de Regio’s is dokter M. pas geraadpleegd nadat de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie waren afgesloten en nadat de klacht was ingediend waarbij verzoeker, in voorkomend geval met steun van zijn arts, zijn grieven heeft kunnen aanvoeren.

135    Wat ten eerste de grief betreft dat het TABG de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie niet voldoende heeft gecontroleerd door te weigeren het medisch dossier te raadplegen, moet om te beginnen in navolging van het Comité van de Regio’s worden vastgesteld dat zelfs indien verzoeker de geheimhouding van de verslagen van de invaliditeitscommissie had opgeheven, het aan hem stond om ter behandeling van zijn klacht de gegevens in het medische dossier uitdrukkelijk aan het TABG te verstrekken onder vermelding van het verband dat daarin volgens hem te vinden was met de aangevoerde grieven.

136    Eveneens moet worden vastgesteld dat het TABG dokter M. in de onderhavige zaak heeft gewezen op de belangrijkste punten die hebben geleid tot de nietigverklaring van het besluit van de eerste invaliditeitscommissie bij het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56). In een e-mail van 2 april 2014 heeft het TABG de tweede invaliditeitscommissie er in het licht van dit arrest immers met name aan herinnerd dat het belangrijk was op voorhand over alle gegevens te beschikken, de motiveringsplicht (in het algemeen en in het bijzonder) in acht te nemen, een medisch onderzoek te verrichten en indien noodzakelijk aanvullende onderzoeken uit te voeren, haar conclusies aan de administratie te sturen en het medisch dossier aan te vullen met op zijn minst een samenvattend medisch rapport.

137    Gezien deze overwegingen en het feit dat verzoeker in zijn klacht diverse argumenten heeft aangevoerd ten bewijze dat niet alleen de conclusies van de invaliditeitscommissie maar ook het samenvattend medisch rapport in het licht van het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), onrechtmatigheden bevatten, had het Comité van de Regio’s echter op zijn minst kennis moeten nemen van het rapport. Toen verzoeker het Comité van de Regio’s verzocht zijn medisch dossier te raadplegen, heeft dit Comité echter in een e-mail van 8 juni 2015 het volgende geantwoord: „Wij wensen u in het kader van de procedure ter beantwoording van de klacht geen toegang te vragen tot het samenvattend medisch rapport […].”

138    Geoordeeld moet worden dat door het verzuim om dit document te onderzoeken, terwijl verzoeker het TABG had verzocht het te raadplegen omdat het belangrijk was voor de behandeling van de klacht, de controle op de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie moet worden geacht achterwege te zijn gebleven. Het is zeker juist dat het medisch dossier vertrouwelijk is en dat het Comité van de Regio’s vóór de vaststelling van het bestreden besluit niet in de gelegenheid was om het te raadplegen, maar dit Comité had er op het moment van de klacht en nadat verzoeker daarom had verzocht ten minste mee kunnen instemmen het samenvattend medisch rapport te raadplegen. Zo had het concreet kunnen toetsen of de invaliditeitscommissie de op haar rustende wettelijke en procedurele verplichtingen in acht had genomen, zonder zich evenwel uit te spreken over de medische beoordelingen.

139    In verband met de tweede grief moet in herinnering worden gebracht dat het TABG, om de klacht te kunnen beantwoorden, in de onderhavige zaak een aantal vragen heeft gesteld aan de arts die door het Comité van de Regio’s was aangewezen.

140    Door deze vragen alleen te stellen aan de door de instelling aangewezen arts en door uitsluitend af te gaan op diens in de nota van 8 mei 2015 geformuleerde antwoorden, heeft het TABG zich er evenwel niet van verzekerd dat het op voldoende wijze had gecontroleerd of de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie volgens de regels hadden plaatsgevonden. Omdat het TABG heeft verzuimd de andere twee artsen te raadplegen en weigerde kennis te nemen van het samenvattend medisch rapport, had het namelijk slechts een beperkt zicht op de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie. In de onderhavige zaak was het evenwel bijzonder belangrijk dat het TABG ervoor zorgde een volledig beeld van die werkzaamheden te krijgen, zodat het de regelmatigheid ervan kon controleren, vooral omdat de verschillende procedures tussen verzoeker en het Comité van de Regio’s al vele jaren in beslag namen.

141    Met betrekking tot de derde grief volgt uit de rechtspraak dat „[v]olgens de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten […] eenieder er onder meer recht op [heeft] dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen van de Unie worden behandeld. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat geen enkel lid van de betrokken instelling die belast is met de zaak, blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en anderzijds de objectieve onpartijdigheid in de zin dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel dienaangaande uit te sluiten” (arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 155).

142    In het licht van deze rechtspraak moet worden vastgesteld dat het TABG, zonder de andere artsen van de tweede invaliditeitscommissie te raadplegen, niet kon waarborgen aldus te werk te zijn gegaan dat er geen twijfel kon bestaan over de onpartijdigheid van de regelmatigheidstoets inzake de werkzaamheden van deze commissie. Benadrukt moet worden dat het TABG in omstandigheden als die van de onderhavige zaak er niet alleen voor diende te zorgen dat het Comité van de Regio’s onpartijdig handelde, maar eveneens dat zijn handelingen door verzoeker en derden als zodanig werden opgevat. In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoeker de onpartijdigheid van dokter M. in zijn klacht al in twijfel had getrokken. Zijn twijfels waren gebaseerd op het feit dat deze arts zich tijdens de eerste bijeenkomst van de tweede invaliditeitscommissie al ongunstig over hem had uitgelaten terwijl nog geen enkel medisch onderzoek, laat staan het „grondige” medisch onderzoek waarvan in de notulen van de tweede bijeenkomst van 7 mei 2015 melding wordt gemaakt, had kunnen worden uitgevoerd.

143    Derhalve heeft het Comité van de Regio’s geen volledige controle van de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie uitgevoerd en het onpartijdigheidsbeginsel niet voldoende gewaarborgd.

144    Hieruit volgt dat de drie in het kader van het eerste middel opgeworpen grieven gegrond zijn en in overweging zullen worden genomen bij de beoordeling van de schadevordering.

 Vijfde middel: niet-nakoming van de zorgplicht

145    Verzoeker stelt dat het gebrek aan controle en de schendingen van de procedurele waarborgen zoals die zijn weergegeven in het eerste middel, ter kennis van het Comité van de Regio’s zijn gebracht, zodat dit Comité had moeten reageren, wat evenwel niet het geval is geweest. Dit vormt dus een niet-nakoming van de zorgplicht.

146    Het Comité van de Regio’s stelt dat het TABG zich niet mag mengen in de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie, die haar taken geheel onafhankelijk moet uitvoeren. Het meent tevens dat het TABG, door dokter M. vragen te stellen, zich er naar behoren van heeft vergewist dat de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie volgens de regels zijn verlopen. Voorts heeft er een uitgebreide briefwisseling plaatsgevonden en zijn bijeenkomsten tussen verzoeker en de hoogste instanties van het Comité van de Regio’s georganiseerd. Dit laatste heeft zijn zorgplicht dus niet geschonden.

147    In herinnering moet worden gebracht dat de zorgplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur die de administratie in acht moet nemen, volgens de rechtspraak met name met zich brengen dat het TABG bij de beslissing over de situatie van een ambtenaar alle elementen in aanmerking moet nemen die zijn besluit kunnen beïnvloeden, en dat het hierbij niet enkel rekening houdt met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokken ambtenaar (beschikking van 7 juni 1991, Weyrich/Commissie, T‑14/91, EU:T:1991:28, punt 50).

148    Gelet op dit beginsel en op het voorgaande moet met betrekking tot de controle die het TABG in de onderhavige zaak heeft uitgeoefend, worden vastgesteld dat het in het belang van de dienst en van verzoeker was dat het TABG alle elementen met mogelijke invloed op zijn besluit in aanmerking nam. In dat opzicht was het verplicht niet alleen kennis te nemen van de conclusies van 7 mei 2014 maar ook van het samenvattend medisch rapport en de adviezen van de drie artsen die deel uitmaakten van de tweede invaliditeitscommissie om een vollediger beeld van het dossier te krijgen. Aangezien het TABG dat niet heeft gedaan, is het tevens zijn zorgplicht niet nagekomen. Gelet op de lange duur van de verschillende procedures tussen verzoeker en het Comité van de Regio’s bij elkaar en het feit dat verzoeker kon twijfelen over de onpartijdigheid van de door de instelling aangewezen arts, moet immers worden herhaald dat het Comité van de Regio’s zich ervan moest vergewissen dat er geen grond was voor dergelijke twijfels. Door na te laten maatregelen in die richting te treffen, is het Comité van de Regio’s zijn zorgplicht niet nagekomen.

149    Het vijfde middel moet dus gegrond worden verklaard en er moet tijdens het onderzoek naar de schadevordering rekening mee worden gehouden.

 Zesde middel: schending van artikel 266 VWEU

150    Verzoeker stelt dat het Comité van de Regio’s het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), niet heeft uitgevoerd. Het TABG heeft de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie namelijk niet daadwerkelijk gecontroleerd, aangezien het zich ertoe beperkte vragen te stellen aan de door de instelling aangewezen arts, zoals hierboven is weergegeven.

151    Het Comité van de Regio’s bestrijdt verzoekers argumenten en stelt het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), daadwerkelijk te hebben uitgevoerd.

152    In herinnering moet worden gebracht dat wanneer een handeling van een instelling door de rechter nietig is verklaard, die instelling op grond van artikel 266 VWEU de maatregelen moet nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest. Volgens vaste rechtspraak moet de instelling die de nietig verklaarde handeling heeft vastgesteld, om zich te voegen naar een arrest houdende nietigverklaring en hieraan volledig uitvoering te geven, niet alleen het dictum van het arrest naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden in die zin dat zij onontbeerlijk zijn om de juiste betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers die rechtsoverwegingen die aangeven welke bepaling precies als onrechtmatig wordt beschouwd en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onrechtmatigheid, waarmee de betrokken instelling bij de vervanging van de nietig verklaarde handeling rekening moet houden (zie beschikking van 29 juni 2005, Pappas/Comité van de Regio’s, T‑254/04, EU:T:2005:260, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153    Eveneens moet in herinnering worden gebracht dat artikel 266 VWEU de betrokken instelling verplicht ervoor te zorgen dat de handeling die de nietig verklaarde handeling moet vervangen niet dezelfde onregelmatigheden vertoont als die welke in het arrest houdende nietigverklaring zijn vastgesteld (zie in die zin arrest van 10 november 2010, BHIM/Simões Dos Santos, T‑260/09 P, EU:T:2010:461, punten 70‑72).

154    De nietigverklaring van een handeling door de rechter werkt ex tunc en heeft dus tot gevolg dat de nietig verklaarde handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verdwijnt. De verwerende instelling is krachtens artikel 266 VWEU gehouden de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de gevolgen van de vastgestelde onrechtmatigheden op te heffen, hetgeen in het geval van een reeds uitgevoerde handeling betekent dat de verzoeker precies in de situatie wordt gebracht waarin hij zich vóór die handeling bevond (beschikking van 29 juni 2005, Pappas/Comité van de Regio’s, T‑254/04, EU:T:2005:260, punt 37, en arrest van 15 april 2010, Angelidis/Parlement, F‑104/08, EU:F:2010:23, punt 36).

155    In het licht van die beginselen moet worden onderzocht of het Comité van de Regio’s in de onderhavige zaak het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), juist heeft uitgevoerd.

156    In dat verband moet worden vastgesteld dat verzoeker, zoals in het kader van het onderzoek naar het eerste middel is vastgesteld, heeft kunnen aantonen dat het Comité van de Regio’s de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie niet voldoende heeft gecontroleerd. Een dergelijk gebrek aan controle is evenwel op zich niet voldoende om aan te tonen dat het Comité van de Regio’s artikel 266 VWEU heeft geschonden. Verzoeker dient in het licht van de in de punten 152 tot en met 154 hierboven aangehaalde rechtspraak namelijk tevens nader aan te geven op welke wijze dit gebrek aan controle heeft bijgedragen aan niet-nakoming van de verplichting om het arrest van 7 mei 2013, McCoy/Comité van de Regio’s (F‑86/11, EU:F:2013:56), uit te voeren, wat hij niet heeft gedaan.

157    In deze omstandigheden is het zesde middel ongegrond, zodat het moet worden afgewezen. Bijgevolg zal dit middel in het kader van de schadevordering niet in overweging worden genomen.

 Schadevordering

158    Verzoeker vordert een vergoeding ter hoogte van 5 000 EUR wegens de onrechtmatigheden die ertoe hebben geleid dat hij moet afwachten en in onzekerheid verkeert, en ter hoogte van 20 000 EUR omdat het Comité van de Regio’s artikel 266 VWEU heeft geschonden.

159    Hij betoogt dat hij door de vaststelling van het bestreden besluit opnieuw moet afwachten tot er een definitief besluit is genomen in de procedure die krachtens artikel 78 van het Statuut in gang is gezet nadat in juni 2007 zijn invaliditeitspensioen inging. Volgens hem ligt de verlenging van een dergelijke situatie waarin hij, als gevolg van de onrechtmatigheid van zowel het besluit van 10 september 2010 als van het bestreden besluit, moet afwachten en in onzekerheid verkeert, ten grondslag aan de door hem aangevoerde immateriële schade.

160    Verder beroept verzoeker zich op het belang van het bestreden besluit, de aard van de onrechtmatigheid en de omstandigheden waarin deze onrechtmatigheid is begaan. Hij onderstreept tevens dat de precontentieuze fase zelf eraan heeft bijgedragen dat andere onrechtmatigheden op de voorgrond traden, en heeft getoond dat het Comité van de Regio’s had geweigerd de hem toekomende bevoegdheid uit te oefenen en met name tot twee maal toe het eenzijdige advies van de door de instelling aangewezen arts had ingewonnen.

161    Volgens verzoeker kan de nietigverklaring van het bestreden besluit op zichzelf geen passend en toereikend herstel vormen van de veroorzaakte immateriële schade, die immers voortvloeit uit de door de onrechtmatigheid van dat besluit veroorzaakte ernstige onzekerheid en zorgen.

162    Het Comité van de Regio’s bestrijdt de schadevordering van verzoeker. Het stelt in wezen dat verzoeker de geleden schade niet heeft aangetoond, dat het bestreden besluit geenszins onrechtmatig is en dat artikel 266 VWEU niet is geschonden.

163    Met betrekking tot de gegrondheid van de schadevordering van verzoeker moet eraan worden herinnerd dat de Unie pas aansprakelijk kan worden gesteld indien is voldaan aan een samenstel van voorwaarden, namelijk dat het aan de instellingen verweten gedrag onrechtmatig is, dat er werkelijk schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag en de gestelde schade (arrest van 25 oktober 2017, Lucaccioni/Commissie, T‑551/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:751, punt 122).

164    Herinnerd moet worden aan het oordeel dat voor beroepen strekkende tot vergoeding van schade die een instelling een ambtenaar of functionaris heeft berokkend, welke worden ingesteld op basis van artikel 270 VWEU en de artikelen 90 en 91 van het Statuut, bijzondere regels gelden in vergelijking met de regels die voortvloeien uit de algemene beginselen voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in het kader van artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU. Uit het Statuut volgt immers dat de ambtenaar of functionaris van de Unie, in tegenstelling tot elke andere particulier, door een arbeidsverhouding gebonden is aan de instelling waarbij hij werkzaam is en dat in deze arbeidsverhouding specifieke wederkerige rechten en verplichtingen een evenwicht vormen dat tot uiting komt in de zorgplicht van de instelling jegens de betrokkene. Dit betekent dat de Unie bij haar optreden als werkgever een zwaardere aansprakelijkheid heeft die tot uitdrukking komt in de verplichting om de schade te vergoeden die haar personeel heeft geleden door elke onrechtmatigheid die zij in haar hoedanigheid van werkgever heeft begaan, zonder dat voor de vaststelling van de niet-contractuele aansprakelijkheid van een instelling in geschillen van de Europese openbare dienst moet worden aangetoond dat er sprake is van een „voldoende gekwalificeerde schending” of van een „kennelijke en ernstige miskenning” door de instelling van de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid (zie arrest van 19 juni 2013, Goetz/Comité van de Regio’s, F‑89/11, EU:F:2013:83, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

165    Volgens vaste rechtspraak kan de nietigverklaring van een onrechtmatige handeling op zichzelf een passend en in beginsel afdoend herstel vormen van de immateriële schade die deze handeling kan hebben veroorzaakt, tenzij de verzoekende partij aantoont dat zij immateriële schade heeft geleden die kan worden losgekoppeld van de aan de nietigverklaring ten grondslag liggende onrechtmatigheid en door die nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld (zie arrest van 14 juli 2011, Petrilli/Commissie, F‑98/07, EU:F:2011:119, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

166    De schadevordering van verzoeker moet in het licht van deze beginselen worden beoordeeld.

167    Met betrekking tot de aan het Comité van de Regio’s toe te rekenen onrechtmatigheid of fout moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat in de onderhavige zaak niet is aangetoond dat het Comité van de Regio’s artikel 266 VWEU heeft geschonden.

168    In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat in de onderhavige zaak is geoordeeld dat het bestreden besluit waarbij de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie zijn bekrachtigd, niet toereikend is gemotiveerd en een kennelijk onjuiste beoordeling bevat. Het is tevens relevant vast te stellen dat, zoals verzoeker betoogt, tijdens de precontentieuze procedure andere onrechtmatigheden zijn begaan. In dat verband is vastgesteld dat het Comité van de Regio’s een ontoereikende controle op de werkzaamheden van de tweede invaliditeitscommissie heeft uitgeoefend, het onpartijdigheidsbeginsel heeft geschonden en de zorgplicht niet is nagekomen. Zoals verzoeker in het kader van de middelen ter ondersteuning van zijn beroep in wezen heeft aangevoerd, hadden de onrechtmatigheden in het bestreden besluit vermeden kunnen worden. Indien het TABG niet uitsluitend had vertrouwd op de nota van 8 mei 2015, maar stappen had ondernomen om de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie voldoende te controleren, door met name in te gaan op verzoekers verzoek om het samenvattend medisch rapport te raadplegen en de andere artsen van de tweede invaliditeitscommissie vragen te stellen, had het de onrechtmatigheden in het bestreden besluit immers kunnen verhelpen. Door dat niet te doen, heeft het Comité van de Regio’s ertoe bijgedragen dat de onzekerheid en zorgen van verzoeker langer duurden.

169    In de derde plaats moet worden vastgesteld dat in casu de nietigverklaring van het bestreden besluit niet volstaat om de door verzoeker geleden schade te herstellen. Als gevolg van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit en de ten tijde van de klacht begane onrechtmatigheden moet verzoeker immers opnieuw afwachten en verkeert hij weer in onzekerheid, net zoals in de situatie die door de onrechtmatigheid van het besluit van 10 september 2010 werd veroorzaakt. Een dergelijke verlenging van de situatie waarin hij als gevolg van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit moet afwachten en in onzekerheid verkeert, vormt nu al vergoedbare immateriële schade die het Comité van de Regio’s met een ex aequo et bono vastgestelde schadeloosstelling moet compenseren (zie in die zin arrest van 25 oktober 2017, Lucaccioni/Commissie, T‑551/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:751, punt 144).

170    Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat verzoeker vaststaande immateriële schade heeft geleden die direct is toe te rekenen aan het handelen van het Comité van de Regio’s. Bijgevolg moet het schadeloosstellingsbedrag dat aan verzoeker dient te worden toegekend als vergoeding voor de immateriële schade die hij wegens de door het Comité van de Regio’s begane onrechtmatigheden heeft geleden, ex aequo et bono worden vastgesteld op het bedrag van 5 000 EUR.

 Kosten

171    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Comité van de Regio’s in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoeker te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Tweede kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van het bureau van het Comité van de Regio’s van 2 december 2014 houdende weigering te erkennen dat de ziekte die heeft geleid tot de invaliditeit van Robert McCoy in de zin van artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut, door zijn beroepswerkzaamheden is veroorzaakt, wordt nietig verklaard.

2)      Het Comité van de Regio’s wordt ertoe veroordeeld McCoy het bedrag van 5 000 EUR te betalen.

3)      Het Comité van de Regio’s wordt verwezen in de kosten.

Prek

Schalin

Costeira

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 oktober 2018.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.