ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

24 september 2019 (*)

[Tekst gerectificeerd bij beschikking van 30 januari 2020]

„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk Crédit Mutuel – Absolute weigeringsgronden – Beschrijvend karakter – Geen onderscheidend vermogen – Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik – Incidenteel beroep – Artikel 7, lid 1, onder b) en c), en lid 3, van verordening (EU) 2017/1001 – Artikel 59, lid 1, onder a), en lid 2, van verordening 2017/1001”

In zaak T‑13/18,

Crédit Mutuel Arkéa, gevestigd te Relecq Kerhuon (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Casalonga, F. Codevelle en C. Bercial Arias, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Hanf als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Confédération nationale du Crédit mutuel, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door B. Moreau-Margotin en M. Merli, advocaten,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 8 november 2017 (zaak R 1724/2016‑5) inzake een nietigheidsprocedure tussen Crédit Mutuel Arkéa en de Confédération nationale du Crédit mutuel,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Prek, president, E. Buttigieg (rapporteur) en B. Berke, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien het op 15 januari 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 29 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gezien de op 29 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,

gezien het op 29 maart 2018 ter griffie van het Gerecht ingediende incidenteel beroep,

gezien de op 2 augustus 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord op het incidenteel beroep van verzoekster,

gezien de op 29 mei 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord op het incidenteel beroep van EUIPO,

gezien de schriftelijke vragen van het Gerecht aan partijen en de op 1 en 4 februari 2019 ter griffie van het Gerecht ingediende antwoorden op deze vragen,

na de terechtzitting op 26 februari 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Crédit Mutuel Arkéa, is een coöperatieve bank.  

2        Zij maakt deel uit van de groep Crédit Mutuel, een coöperatieve bankgroep die is georganiseerd op drie territoriale niveaus (lokaal, regionaal en nationaal) (hierna: „groep Crédit Mutuel”). Elke lokale vestiging van de coöperatieve bank moet zich aansluiten bij een regionale federatie en elke federatie moet zich aansluiten bij interveniënte, Confédération nationale du Crédit mutuel (hierna: „CNCM”), het centrale lichaam binnen het netwerk in de zin van de artikelen L. 512‑55 en L. 512‑56 van de code monétaire et financier (Frans monetair en financieel wetboek; hierna: „CMF”). De banken die deel uitmaken van de groep Crédit Mutuel hebben zich voornamelijk georganiseerd rondom twee autonome en concurrerende groepen, Crédit Mutuel Arkéa en CM11-CIC.

3        Op 5 mei 2011 heeft interveniënte bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

4        Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, is het woordteken Crédit Mutuel.

5        De waren en diensten waarvoor de aanvraag werd ingediend behoren tot de klassen 9, 16, 35, 36, 38, 42 en 45 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.

6        Het teken Crédit Mutuel is op 20 oktober 2011 onder nummer 9943135 als Uniemerk ingeschreven voor met name de in punt 5 hierboven vermelde waren en diensten.

7        Op 26 februari 2015 heeft verzoekster een vordering tot nietigverklaring van het betwiste merk ingediend voor alle waren en diensten waarvoor het was ingeschreven, met name op grond van artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001], op grond dat dit merk was ingeschreven in strijd met artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening 2017/1001].

8        Bij beslissing van 11 augustus 2016 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring in haar geheel afgewezen op grond dat het betwiste merk beschrijvend was voor een deel van de bedoelde waren en diensten, maar ten aanzien van deze waren en diensten onderscheidend vermogen had verkregen door gebruik, en dat dit merk niet beschrijvend was voor andere waren en diensten die niet onder het bankwezen vielen.

9        Op 20 september 2016 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 (thans de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001) bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling voor zover daarin is geoordeeld dat het betwiste merk niet beschrijvend was voor bepaalde waren en diensten, en werd geconcludeerd dat het betwiste merk door gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen voor de waren en diensten waarvoor het wel als beschrijvend werd beschouwd.

10      In haar antwoord van 16 februari 2017 heeft interveniënte de kamer van beroep verzocht het beroep te verwerpen en de beslissing van de nietigheidsafdeling te vernietigen voor zover daarbij werd geoordeeld dat het betwiste merk voor bepaalde waren en diensten beschrijvend was.

11      Bij beslissing van 8 november 2017 (hierna: „bestreden beslissing”), heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO het beroep verworpen.

12      In de eerste plaats was zij, net als de nietigheidsafdeling, van oordeel dat het relevante publiek bestond uit, ten eerste, het algemeen normaal geïnformeerde en oplettende grote publiek en, ten tweede, de mensen uit de beroepsgroep, althans wat de technische of gespecialiseerde waren en diensten betreft. Wat betreft bepaalde diensten, zoals financiële diensten of diensten met betrekking tot onroerend goed, die volgens de kamer van beroep belangrijke financiële gevolgen voor de gebruikers ervan konden hebben, was zij bovendien van mening dat het aandachtsniveau van de consumenten van het grote publiek hoog was. Voorts heeft zij benadrukt dat moest worden uitgegaan van de Franse consument, aangezien het betwiste merk uit Franse bewoordingen was samengesteld.

13      In de tweede plaats heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de Franse uitdrukking „crédit mutuel” („onderlinge kredietverlening”) verwees naar een soort bankactiviteit van de coöperatieve banken, waarvan de activiteiten „identiek [waren aan] die van ‚klassieke banken’, hoewel zij niet hetzelfde doel nastreefden, namelijk het behalen van financiële winsten”. Bijgevolg was het betwiste merk, voor zover het aangaf dat de betrokken waren en diensten bestemd waren voor bankactiviteiten, volgens de kamer van beroep beschrijvend wat de aard, het voorwerp en de bestemming ervan betreft.

14      In de derde plaats heeft zij bijgevolg, met een algemene motivering per groepen waren en diensten, geoordeeld dat het betwiste merk beschrijvend was en geen onderscheidend vermogen had voor de volgende waren en diensten (hierna: „waren en diensten van de eerste categorie”), voor zover deze waren en diensten werden gekenmerkt door een voldoende rechtstreekse en nauwe band met de banksector:

–        klasse 9: „Automaten die in werking worden gesteld door [invoer] van een bankkaart, geldautomaten; bankkaarten; chipkaarten, met name geheugenkaarten, microprocessor-, magneet-; of chipkaarten met kredieteenheden”;

–        klasse 35: „adviezen, informatie of inlichtingen over zaken, hulp aan industriële of handelsondernemingen, vrije beroepen, ambachtslieden, lagere overheden, particulieren, bij hun bedrijfsvoering, advisering inzake de bedrijfsvoering; economische analyses, schattingen, informatie en prognoses; economische, statistische en zakelijke inlichtingen over financiële markten, geld- en beursmarkten, onder andere toegankelijk via telematica, computernetwerken, internet, intranet en extranet; abonnementen op een beveiligde internetsite voor toegang tot persoonlijke bankgegevens en financiële gegevens; beheer van gegevensbestanden, databases en databanken, van elektronische professionele jaarboeken op het gebied van het bankwezen, de financiële en monetaire sector en het beurswezen; administratief beheer van financiële producten, van portefeuilles met beurspapieren; administratief beheer van portefeuilles in opdracht van derden; verificatie van rekeningen en rekeningoverzichten”;

–        klasse 36: „financiële zaken; monetaire zaken; bankzaken, onlinebankieren; beheer van bankrekeningen; effectenbeheer; creditcard- en debetkaartdiensten; beursmakelaardij; financiële ramingen (banken), fiscale ramingen en expertise; incasso; factoring; uitgifte van reischeques en kredietbrieven; financiële diensten, bankzaken, monetaire diensten en beurszaken die toegankelijk zijn via telefoonnetwerken, via communicatienetwerken; ontvangst, uitvoering en overdracht van orders voor rekening van derden (emissiebanken en investeerders) op één of meerdere financiële instrumenten; financieel beheer van effectenportefeuilles; financiële analyse van rente-, wissel- en aandelenmarkten; informatie en adviezen op bancair en financieel gebied; informatie en adviezen op het gebied van financiële investeringen en beleggingen; financiële investeringen en beleggingen; wisselkantoren, bewaargeving van waardepapieren, bewaargeving in brandkasten; vermogensbeheer; diensten op het gebied van leningen; leasing; spaarinstellingen; verrichtingen en transacties op financiële markten; het overmaken van fondsen; beveiligde betaaldiensten; uitgifte en beheer van aandelen, obligaties en ICBE; bancaire, financiële en monetaire informatie, met name toegankelijk via telefoon, telematica, computernetwerken, internet, intranet en extranet”.

15      Net als de nietigheidsafdeling heeft zij evenwel geoordeeld dat interveniënte overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 het bewijs had geleverd dat het betwiste merk door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen voor de waren en diensten van de eerste categorie.

16      In de vierde plaats heeft zij geoordeeld dat het betwiste merk geen beschrijvend en onderscheidend vermogen had voor de volgende waren en diensten (hierna: „waren en diensten van de tweede categorie”), voor zover deze waren gekenmerkt door het ontbreken van een voldoende specifiek, rechtstreeks, nauw of duidelijk verband met het bankwezen:

–        klasse 9: „automaten die in werking worden gesteld door inworp van een muntstuk of een penning; magnetische, digitale en optische gegevensdragers, cd-roms, videoschijven; software, onder andere gegevensverwerkende software; onlinemededelingenbladen”;

–        klasse 16: „drukwerken; boeken; week- of maandbladen; tijdschriften; kranten; folders van papier, prospectussen van papier, aanplakbiljetten, kalenders, stickers, reclamedrukwerk, formulieren; bewijzen en drukwerken van abonnementen”;

–        klasse 36: „verzekeringen; makelaardij in onroerende goederen; spaarinstellingen; verzekeringsmakelaardij; financiële ramingen (verzekeringen, onroerende goederen); vermogensbeheer op het gebied van roerende of onroerende goederen; financiële sponsoring”;

–        klasse 38: „het overbrengen en verspreiden van gegevens; overdracht van gegevens toegankelijk via databases en computerdatabaseservers of telematicaservers; overbrenging van gegevens, door middel van een toegangscode, aan databases en computerdatabase- of telematicaservers”;

–        klasse 42: „beveiligd downloaden van gegevens”;

–        klasse 45: „juridische diensten; diensten met betrekking tot rechtszaken; veiligheidsdiensten voor de bescherming van goederen en personen”.

 Procedure en conclusies van partijen

17      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 januari 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

18      Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:

–        de bestreden beslissing gedeeltelijk te vernietigen;

–        het incidenteel beroep te verwerpen;

–        EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten.

19      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        het incidenteel beroep te verwerpen;

–        verzoekster en interveniënte te verwijzen in de kosten.

20      Interveniënte verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        het incidenteel beroep toe te wijzen en te verklaren dat het betwiste merk niet beschrijvend is en dus geldig is;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid

 Voorwerp van het hoofdberoep

21      In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht, en gelet op het argument van EUIPO dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het de waren „aanplakbiljetten, kalenders, stickers” uit klasse 16 betreft, voert verzoekster aan dat haar beroep niet ziet op deze waren. Hiervan dient akte te worden genomen.

22      Wat voorts de „bankzaken” van klasse 36 betreft, heeft verzoekster in het kader van het verzoekschrift aangevoerd dat het betwiste merk voor deze diensten nietig moest worden verklaard, aangezien de term „onderlinge kredietverlening” de generieke aanduiding, maar in Frankrijk ook de wettelijke aanduiding van een soort bankdienst was, en dat het betwiste merk dus elk onderscheidend vermogen miste en op zijn minst beschrijvend was voor die „bankzaken”.

23      Het EUIPO werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van een dergelijke grief op op grond dat, gelet op de conclusie van de kamer van beroep zoals die in punt 14 hierboven in herinnering is gebracht, verzoekster hiermee van het Gerecht een bevestigende beslissing beoogt te verkrijgen.

24      [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 30 januari 2020] In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verzoekster aangevoerd dat zij in het kader van dit beroep de conclusie van de kamer van beroep aangaande het beschrijvend karakter van het betwiste merk voor de waren en diensten van de eerste categorie niet betwist, waaronder de „bankzaken” uit klasse 36, maar dat zij enkel de conclusie betwist volgens welke het voor deze waren en diensten een onderscheidend vermogen door gebruik heeft verkregen. Hiervan dient akte te worden genomen.

 Voorwerp van het incidenteel beroep

25      Het EUIPO merkt op dat interveniënte met haar incidenteel beroep het Gerecht verzoekt erop te wijzen dat het betwiste merk niet beschrijvend is voor waren en diensten van de eerste categorie, en dus geldig is. Een dergelijke vordering waarmee interveniënte zou trachten van het Gerecht een declaratoir vonnis te verkrijgen, moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

26      Het incidenteel beroep zou enkel ontvankelijk zijn indien het Gerecht bereid was de vordering van interveniënte aldus uit te leggen dat deze in werkelijkheid strekt tot herziening van de bestreden beslissing opdat de vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001, ook wordt afgewezen voor de waren en diensten van de eerste categorie waarvoor de kamer van beroep heeft geoordeeld dat het betwiste merk beschrijvend is.

27      In haar brief van 4 september 2018 waarbij zij om een terechtzitting heeft verzocht, heeft interveniënte verklaard dat haar beroep strekte tot herziening van de bestreden beslissing, voor zover deze op een onjuiste redenering berustte wat het intrinsiek beschrijvend karakter van het betwiste merk betreft.

28      Ter terechtzitting hebben verzoekster en het EUIPO in antwoord op een vraag van het Gerecht aangegeven dat zij geen bezwaar hadden tegen de uitlegging van het incidenteel beroep als een verzoek tot herziening van de bestreden beslissing, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

29      Het dient te worden opgemerkt dat interveniënte met een dergelijke vordering noodzakelijkerwijs niet enkel de herziening van de bestreden beslissing vraagt, maar ook de vernietiging ervan [zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Advance Magazine Publishers/BHIM – Nanso Group (TEEN VOGUE), T‑509/12, EU:T:2014:89, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak], hetgeen overigens wordt afgeleid uit de uiteenzetting van de argumenten van het enige middel van het incidenteel beroep, dat in wezen is ontleend aan schending van artikel 59, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening.

 Ontvankelijkheid van bepaalde bijlagen van het verzoekschrift

30      Ter terechtzitting heeft het EUIPO zijn bezwaren betreffende de ontvankelijkheid van de bijlagen A.47 en A.49 bij het verzoekschrift ingetrokken, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

 Ten gronde

31      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan. Het eerste middel betreft in wezen schending van artikel 59, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening. Het tweede en het derde middel zijn in wezen ontleend aan schending van artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 3, van deze verordening.

32      In het kader van het overeenkomstig artikel 182 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ingestelde incidenteel beroep, voert interveniënte één enkel middel aan, dat in wezen is gebaseerd op een schending van artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening.

33      Aangezien interveniënte met dit enige incidentele middel opkomt tegen de conclusie van de kamer van beroep dat het betwiste merk beschrijvend is, en dus geen onderscheidend vermogen heeft voor de waren en diensten van de eerste categorie, moet dit in de eerste plaats worden onderzocht. Vervolgens moet in de tweede plaats het eerste middel van het hoofdberoep dat betrekking heeft op schending van artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening, worden onderzocht, en in de derde plaats het tweede en het derde middel van het hoofdberoep samen, die in wezen zijn ontleend aan schending van artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 3, van deze verordening.

 Enig middel van het incidenteel beroep, in wezen ontleend aan de schending van artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening

34      Interveniënte voert in wezen aan dat het betwiste merk niet beschrijvend is en dus onderscheidend vermogen heeft ten aanzien van de waren en diensten van de eerste categorie.  

35      Ten eerste komt zij op tegen de door de kamer van beroep vastgestelde betekenis voor het relevante publiek van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening”.  

36      In dit verband voert zij om te beginnen aan dat in het woordenboek Larousse bij de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” geen definitie van die uitdrukking wordt gegeven, maar wel wordt verwezen naar de organisatie van het netwerk Crédit Mutuel, waarvan interveniënte het centrale orgaan is.

37      Bovendien vormen deze woorden geen soortnaam van een product of bankdienst, aangezien zij niet duiden op een specifiek type bankdienst, maar door het relevante publiek worden opgevat als een onderscheidend teken dat het mogelijk maakt de waren en diensten te identificeren die afkomstig zijn van de CNCM of van het Crédit Mutuel-netwerk.

38      Ten tweede is zij van mening dat de omstandigheid dat de bewoordingen ervan in de CMF worden vermeld, niet betekent dat zij zonder meer een generiek karakter hebben om op algemene wijze de coöperatieve banken of een van hun bankactiviteiten aan te duiden, aangezien de bepalingen van de CMF aantonen dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” niet nauwkeurig wordt gedefinieerd en uitsluitend wordt gebruikt als verwijzing naar de CNCM en het netwerk van vestigingen van de coöperatieve bank, en dat deze uitdrukking aan de CNCM en aan haar leden wordt voorbehouden.

39      Ten derde wijst interveniënte erop dat de historische theorieën van het coöperatieve bankwezen geen invloed hebben op de perceptie door het relevante publiek van het betwiste merk, en dat de voorstelling die men bij het betwiste merk van een type coöperatieve organisatie zou kunnen hebben voor de door het incidenteel beroep aangeduide waren en diensten, rechtstreeks noch onmiddellijk is.

40      Verzoekster en het EUIPO betwisten de argumenten van interveniënte en concluderen tot afwijzing van het enige middel van het incidenteel beroep.

41      Zoals uit de punten 27 en 29 hierboven blijkt, verzoekt interveniënte het Gerecht de bestreden beslissing te vernietigen en te herzien, voor zover deze berust op een onjuiste redenering wat het beschrijvende karakter van het betwiste merk betreft.

42      Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 59, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001 bepaalt dat het Uniemerk op vordering bij het EUIPO nietig wordt verklaard wanneer het is ingeschreven in strijd met artikel 7 van deze verordening.

43      Ingevolge artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 wordt de inschrijving geweigerd van „merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten”.

44      Volgens vaste rechtspraak streeft artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 een doel van algemeen belang na, dat inhoudt dat tekens of benamingen die de kenmerken van waren of diensten beschrijven waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt. Deze bepaling belet derhalve, dat die tekens of benamingen op grond van hun inschrijving als merk aan een enkele onderneming worden voorbehouden (zie arrest van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley, C‑191/01 P, EU:C:2003:579, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Daarenboven worden tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waar of dienst waarvoor om inschrijving is verzocht, krachtens artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 ongeschikt geacht voor het vervullen van de wezenlijke functie van het merk, te weten de commerciële herkomst van de waar of dienst aan te geven zodat de consument die de door dit merk aangeduide waar verkrijgt of aan wie de door dit merk aangeduide dienst wordt verleend, bij een latere aankoop, in geval van een positieve ervaring, dezelfde keuze kan maken of, in geval van een negatieve ervaring, een andere keuze kan maken [zie arrest van 12 juni 2007, MacLean-Fogg/BHIM (LOKTHREAD), T‑339/05, niet gepubliceerd, EU:T:2007:172, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46      Hieruit volgt dat een teken alleen onder het verbod van de hierboven in punt 43 genoemde bepaling valt wanneer het met de betrokken waren of diensten een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft, waardoor het betrokken publiek hierin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de betrokken waren of diensten, of van een van de kenmerken ervan, kan zien (zie arrest van 12 juni 2007, LOKTHREAD, T‑339/05, niet gepubliceerd, EU:T:2007:172, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      In dit verband moet worden gepreciseerd dat de wetgever van de Europese Unie door in artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001, de woorden „soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten” te gebruiken, heeft aangegeven dat al deze termen moeten worden beschouwd als kenmerken van waren of diensten, en bovendien heeft gepreciseerd dat deze lijst geen uitputtende lijst is en elk ander kenmerk van waren of diensten eveneens in aanmerking kan worden genomen (arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 49).

48      Het feit dat de wetgever voor het woord „kenmerk” heeft gekozen, benadrukt dat de in deze bepaling bedoelde tekens uitsluitend die tekens zijn die dienen tot aanduiding van een door het relevante publiek gemakkelijk herkenbare eigenschap van de waren of diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd. Zo kan inschrijving van een teken op grond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 slechts worden geweigerd wanneer redelijkerwijs te verwachten valt dat de betrokken kringen dit teken daadwerkelijk zullen opvatten als een beschrijving van een van die kenmerken (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat het beschrijvend karakter van een teken slechts kan worden beoordeeld uitgaande van de wijze waarop het door het betrokken publiek wordt opgevat, en met betrekking tot de betrokken waren of diensten (zie arrest van 12 juni 2007, LOKTHREAD, T‑339/05, niet gepubliceerd, EU:T:2007:172, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      Derhalve dient te worden beoordeeld of de kamer van beroep in de bestreden beslissing terecht heeft vastgesteld dat het woordteken Crédit Mutuel vanuit het oogpunt van het relevante publiek de waren en diensten van de eerste categorie beschrijft.

51      Wat om te beginnen de afbakening van het relevante publiek betreft, dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep in de punten 39 en 40 van de bestreden beslissing heeft geoordeeld dat de door het betwiste merk aangeduide waren en diensten niet alleen gericht waren tot het normaal aandachtig en oplettend grote publiek, maar ook tot mensen uit de beroepsgroep, althans wat de technische of gespecialiseerde waren en diensten betreft. Volgens de kamer van beroep hebben deze laatsten een hoger aandachtsniveau dan de consument uit het grote publiek wanneer zij deze diensten overeenkomen. Bovendien zou het aandachtsniveau van de consumenten die tot het grote publiek behoren bij het maken van hun keuze voor sommige diensten, zoals financiële of vastgoeddiensten, die aanzienlijke financiële gevolgen kunnen hebben voor hun gebruikers, vrij hoog zijn. Voorts heeft de kamer van beroep gepreciseerd dat, aangezien het betwiste merk uit Franse bewoordingen was samengesteld, de relevante consument die in aanmerking moet worden genomen, de Franstalige consument was. Deze definitie van het relevante publiek, die door interveniënte niet wordt betwist, is niet onjuist.

52      Vervolgens heeft de kamer van beroep met betrekking tot de betekenis van de woorden van het betwiste merk voor het aldus omschreven relevante publiek, onder verwijzing naar de definitie van „kredietverlening” en „onderling” in de onlineversie van het woordenboek Larousse en, bij wijze van bevestiging, op basis van de door verzoekster verstrekte documenten, in de punten 46 en 47 van de bestreden beslissing geoordeeld dat „de toevoeging [van deze termen] verwees naar de idee van een financiële coöperatie, die hoofdzakelijk bestaat in de toekenning en de garantie van financiële kredieten tussen verschillende leden van een en dezelfde entiteit die als ‚coöperatief’ wordt bestempeld, waarvan elke gebruiker zowel begunstigde is als eigenaar”, en dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” derhalve verwees naar een soort bankactiviteit van die coöperatieve banken die dezelfde waren als die van de zogenoemde „klassieke” banken, hoewel zij niet hetzelfde doel nastreven, namelijk het behalen van financiële winsten.

53      Ten slotte is de kamer van beroep, gelet op deze betekenis van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening”, in punt 48 van de bestreden beslissing tot de slotsom gekomen dat het betwiste merk waren en diensten beschreef die onder de eerste categorie vallen wat hun aard, voorwerp en bestemming betreft, aangezien daarin duidelijk naar deze waren en diensten werd verwezen door aan te geven dat zij betrekking hadden op bankactiviteiten. Bovendien heeft de kamer van beroep in punt 73 van de bestreden beslissing opgemerkt dat het betwiste merk het relevante publiek niet in staat stelde de commerciële herkomst van deze waren en diensten te identificeren, en dat het dus moest worden geacht voor deze waren onderscheidend vermogen te missen.

54      Ter betwisting van deze conclusie van de kamer van beroep voert interveniënte aan dat de door de kamer van beroep in aanmerking genomen betekenis van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” voor het relevante publiek onjuist is.

55      In dit verband stelt zij ten eerste dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” niet wordt gedefinieerd in het woordenboek Larousse. Een dergelijke omstandigheid is echter irrelevant, aangezien, zoals de kamer van beroep in punt 41 van de bestreden beslissing heeft opgemerkt, ingeval van een uitdrukking, in de woordenboeken niet alle mogelijke combinaties van de betrokken termen worden vermeld. Derhalve heeft de kamer van beroep terecht geconcludeerd dat rekening moest worden gehouden met de normale en voor de hand liggende betekenis van een dergelijke uitdrukking.

56      Ten tweede dient te worden opgemerkt dat, anders dan interveniënte stelt, uit de bestreden beslissing noch blijkt dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat de combinatie van de woordelementen „kredietverlening” en „onderling” de generieke aanduiding van een product of een bankdienst vormde, noch dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” een „bijzonder soort bankdienst” aanduidt in de zin van een bijzonder soort lening in de bankpraktijk. Door aan te geven dat het betwiste merk verwees naar een „soort bankactiviteit van de coöperatieve banken”, heeft de kamer van beroep zich gebaseerd op een onderscheid tussen een „klassieke” bank en een „coöperatieve” bank, die niet hetzelfde doel hebben, namelijk het behalen van financiële voordelen, maar die identieke bankactiviteiten ontplooien (zoals leen-, krediet- of financieringsdiensten).

57      Hieruit volgt dat de conclusie van de kamer van beroep betreffende de betekenis voor het relevante publiek van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening”, niet onjuist is.

58      Deze conclusie vindt overigens steun in de overwegingen van de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) in het arrest van 27 februari 2018 (zaak nr. 16/14398), dat interveniënte als bijlage bij haar incidenteel beroep heeft overgelegd. Dat arrest is gewezen in het kader van een geding betreffende de door verzoekster ingediende vordering tot nietigverklaring van het Franse collectieve merk, waarvan interveniënte houdster is, en dat uit dezelfde termen „kredietverlening” en „onderling” bestaat als het betwiste merk. Volgens de overwegingen van de cour d’appel de Paris in dat arrest blijkt uit de CMF en met name uit de artikelen L. 515‑55 en R. 512‑20 dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” wordt gebruikt om een soort bankactiviteit aan te duiden die bestaat in het aanbieden van bankdiensten ter uitvoering van de beginselen van de onderlinge kredietverlening. De cour d’appel de Paris heeft daaraan toegevoegd dat het in dit verband van weinig belang was dat de CMF voorzag in een nauwkeurige omschrijving van de onderlinge kredietverlening, aangezien deze in de CMF gebruikte bewoordingen logisch waren met betrekking tot de omschrijving van het voorwerp van de vestigingen van de coöperatieve bank, en dat artikel R. 512‑20 CMF de algemene beginselen van de onderlinge kredietverlening definieerde, zoals de afwezigheid van een winstoogmerk, de beperking van de activiteiten van de vestigingen tot een bepaald territoriaal gebied of een homogene vennootschapsgroep, en de instelling van de aansprakelijkheid van de leden. Het type bankactiviteit van de onderlinge kredietverlening is aldus volgens de cour d’appel de Paris door deze algemene beginselen gedefinieerd.

59      De cour d’appel de Paris heeft de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” in het Franse merk waarvan interveniënte houder is dus in wezen dezelfde betekening gegeven als de kamer van beroep aan dezelfde bewoordingen van het betwiste merk heeft gegeven.

60      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, hoewel het stelsel van Uniemerken een autonoom systeem is dat een samenstel van eigen regels omvat en eigen doelstellingen nastreeft, en de toepassing ervan losstaat van welk nationaal systeem ook, uit de rechtspraak tevens blijkt dat noch de partijen noch het Gerecht zelf kunnen worden belet om zich bij de uitlegging van het Unierecht te laten inspireren door elementen die zijn ontleend aan de nationale rechtspraak. Bijgevolg kunnen de beslissingen van de nationale autoriteiten, ook al zijn zij voor de toepassing van het merkenrecht van de Europese Unie niet bindend, vooral, zoals in casu, in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de betekenis die het betwiste merk heeft voor het relevante publiek (zie arrest van 25 november 2014, UniCredit/BHIM, T‑303/06 RENV en T‑337/06 RENV, EU:T:2014:988, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61      Vervolgens betwist interveniënte de conclusie van de kamer van beroep dat het betwiste merk, gelet op de betekenis ervan voor het relevante publiek, de waren en diensten die verband houden met bankactiviteiten beschrijft. De door interveniënte in dit verband aangevoerde argumenten kunnen echter niet slagen.

62      Ten eerste moet aangaande het argument dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” door het relevante publiek wordt opgevat als een onderscheidend teken dat het mogelijk maakt de waren en diensten die ervan zijn voorzien te identificeren als afkomstig van de CNCM of van Crédit Mutuel, worden vastgesteld dat dit argument de toepassing van artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 betreft, en niet die van artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening, aangezien bij het onderzoek ervan de kwaliteiten moeten worden beoordeeld die het betwiste merk door gebruik ervan had kunnen verkrijgen bij het relevante publiek, zodat dit de betrokken waren en diensten zou identificeren als afkomstig van de CNCM of van Crédit Mutuel. Een dergelijk argument kan dus niet in aanmerking worden genomen in het kader van de beoordeling van het intrinsiek beschrijvend karakter.

63      Ten tweede is het door interveniënte aangevoerde feit dat het gebruik van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” is gereglementeerd of zelfs voorbehouden aan één enkele marktdeelnemer, niet relevant in het kader van de beoordeling van het intrinsiek beschrijvend karakter van het betwiste merk of van het onderscheidend vermogen ervan. Een dergelijke omstandigheid heeft immers geen invloed op de perceptie en het begrip bij het relevante publiek van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” als zodanig met betrekking tot de betrokken waren en diensten, maar kan hooguit een relevant gegeven vormen in het kader van het onderzoek of het betwiste merk, door het gebruik ervan, onderscheidend vermogen heeft verkregen waardoor de commerciële herkomst van de betrokken waren en diensten kan worden herleid tot een specifieke marktdeelnemer.

64      Wat ten derde het argument van interveniënte betreft waarmee zij de kamer van beroep verwijt zich op de theorieën van de onderlinge economie te hebben gebaseerd, terwijl deze niet relevant is voor het onderzoek van de perceptie bij het relevante publiek, dient te worden vastgesteld dat uit de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk blijkt dat de kamer van beroep zich heeft gebaseerd op de door verzoekster overgelegde documenten betreffende de theorieën van de onderlinge economie voor haar conclusie dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” verwees naar een soort bankactiviteit van de coöperatieve banken, en dat, zelfs indien dat wel het geval zou zijn, deze documenten niet doorslaggevend waren om tot die conclusie te komen.

65      Zelfs indien de kamer van beroep zich met name op die documenten heeft gebaseerd om tot haar conclusie over de betekenis van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” te komen, dient hoe dan ook te worden opgemerkt dat de theorieën van de onderlinge kredietverlening de algemene beginselen bevatten die door de coöperatieve banken worden gevolgd, en aldus de conclusie van de kamer van beroep bevestigen dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” doelt op een soort bankactiviteit van de coöperatieve banken, waarvan de activiteiten dezelfde zijn als die van „klassieke” banken, hoewel zij niet hetzelfde doel nastreven, namelijk het behalen van financiële winsten. Bijgevolg moet interveniëntes argument dat de theorieën van de onderlinge economie niet relevant zijn voor het onderzoek van de indruk bij het relevante publiek van de betekenis van de termen waaruit het betwiste merk bestaat, worden afgewezen.

66      Gelet op een en ander moet het enige middel van interveniënte, en dus het incidenteel beroep, worden afgewezen.

 Eerste middel van het hoofdberoep in wezen ontleend aan schending van artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening

67      Gelet op hetgeen hierboven in de punten 21 en 24 nogmaals is verduidelijkt, dient te worden opgemerkt dat verzoekster in het kader van het onderhavige middel de conclusie van de kamer van beroep betwist dat het betwiste merk niet beschrijvend is voor waren en diensten van de tweede categorie, met uitzondering van „aanplakbiljetten, kalenders, stickers” van klasse 16.

68      In dit verband voert verzoekster aan dat deze waren en diensten gewoonlijk worden aangeboden in het kader van een bankactiviteit of op zijn minst kunnen worden aangeboden, hetgeen blijkt uit het feit dat de CNCM de inschrijving van het betwiste merk voor deze waren en diensten heeft aangevraagd. Bijgevolg is het betwiste merk beschrijvend, in de zin van de rechtspraak van het Gerecht, voor een van de kenmerken van deze waren en diensten, te weten de bestemming ervan, doordat zij onderlinge kredietverlening tot doel kunnen hebben, en moet het dus nietig worden verklaard.

69      Verzoekster voert ook aan dat de CNCM bij gebreke van vaststelling van het beschrijvend karakter van het betwiste merk voor deze waren en diensten, elke marktdeelnemer zou kunnen verbieden de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” in het kader van zijn coöperatieve bankactiviteit te gebruiken. Dit zou echter in strijd zijn met de rechtspraak volgens welke elke ondernemer die in de toekomst de waren of diensten kan voorstellen waarvoor de inschrijving is aangevraagd, de tekens of benamingen die kunnen dienen tot beschrijving van de kenmerken van zijn waren of diensten, vrij moet kunnen gebruiken.

70      Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten en concluderen tot afwijzing van het onderhavige middel.

71      Derhalve moet worden beoordeeld of, gelet op de in de punten 44 tot en met 49 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, het woordteken Crédit Mutuel uit het oogpunt van het relevante publiek beschrijvend is voor de waren en diensten van de tweede categorie, met uitzondering van „aanplakbiljetten, kalenders, stickers” van klasse 16, waarvoor deze conclusie niet wordt betwist, zoals verzoekster stelt en anders dan de kamer van beroep in de bestreden beslissing heeft beslist.

72      In dit verband moet worden opgemerkt dat de definitie van het relevante publiek en de betekenis van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening”, die de kamer van beroep terecht in de bestreden beslissing heeft gebruikt en die hierboven in de punten 51 en 52 in herinnering zijn gebracht, door verzoekster niet worden betwist.

73      Met betrekking tot de vraag of uit de betekenis van het betwiste merk en de aard van de waren en diensten van de tweede categorie voortvloeit dat het teken Crédit Mutuel de bestemming van deze waren en diensten kan beschrijven, zoals verzoekster betoogt, moet het volgende worden opgemerkt.

74      De kamer van beroep heeft in de punten 60 tot en met 64 van de bestreden beslissing in wezen opgemerkt dat het betwiste merk niet beschrijvend was voor de waren en diensten van de tweede categorie, aangezien deze weliswaar konden worden gebruikt of aangeboden in het kader van bankactiviteiten, maar dat daaruit niet kon worden afgeleid dat zij verband hielden met het bankwezen. Volgens de kamer van beroep kan het betwiste merk niet worden geacht voor de hand liggende en rechtstreekse informatie over de aard, het voorwerp of de bestemming van die waren en diensten te bevatten.

75      Vastgesteld moet worden dat verzoekster wel betoogt dat de waren en diensten behorend tot de tweede categorie „gewoonlijk in het kader van een bankactiviteit worden aangeboden” of „kunnen worden aangeboden”, maar geen enkel concreet argument aanvoert om het oordeel van de kamer van beroep waaraan in punt 74 hierboven is herinnerd te betwisten, noch om concreet aan te tonen hoe deze waren en diensten van de tweede categorie zouden kunnen worden gebruikt om bankactiviteiten uit te voeren.

76      Ten eerste volstaat de enkele omstandigheid dat de merkhouder de inschrijving van het betwiste merk voor deze waren en diensten heeft aangevraagd, anders dan verzoekster stelt, niet om aan te tonen dat zij gewoonlijk in het kader van een bankactiviteit worden aangeboden.

77      Wat ten tweede de stelling betreft dat de waren en diensten behorend tot de tweede categorie „kunnen” worden aangeboden in het kader van bankactiviteiten, zij opgemerkt dat het inderdaad niet nodig is dat de in artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 bedoelde tekens en aanduidingen waaruit het merk is samengesteld, op het moment van de inschrijvingsaanvraag daadwerkelijk worden gebruikt voor de beschrijving van waren of diensten als die waarvoor de aanvraag is ingediend, of van kenmerken van deze waren of deze diensten. Zoals uit de formulering van deze bepaling blijkt, is het voldoende dat deze tekens en aanduidingen hiertoe kunnen dienen (zie arrest van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley, C‑191/01 P, EU:C:2003:579, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De inschrijving van een woord als merk moet dan ook op grond van deze bepaling worden geweigerd indien het in minstens één van de potentiële betekenissen een kenmerk van de betrokken waren of diensten aanduidt [arrest van 14 december 2017, GeoClimaDesign/EUIPO – GEO (GEO), T‑280/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:913, punt 29].

78      Zoals blijkt uit de in punt 46 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, moet een teken echter, om onder het verbod van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 te vallen, met de betrokken waren of diensten een voldoende rechtstreeks en concreet verband hebben dat het betrokken publiek in staat stelt hierin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de betrokken waren en diensten, of van een van de kenmerken ervan, te zien.

79      Verzoekster voert evenwel geen enkel concreet element aan ten bewijze van het bestaan van een dergelijk rechtstreeks en concreet verband tussen het bestreden merk en de waren en diensten van de tweede categorie, met uitzondering van „aanplakbiljetten, kalenders, stickers” van klasse 16. Het enkele door verzoekster aangevoerde feit dat deze waren en diensten kunnen dienen om bankactiviteiten uit te voeren, volstaat niet om aan te tonen dat er een voldoende rechtstreeks en concreet verband bestaat tussen het betwiste merk en de betrokken waren en diensten zodat het relevante publiek dit merk onmiddellijk en zonder verder nadenken waarneemt als een voorbeeld van, bijvoorbeeld, de bestemming van die waren en diensten.

80      Zoals de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt, zijn de waren en diensten behorend tot de tweede categorie immers al bankactiviteiten of kunnen zij dat zeker zijn. Zij zijn echter niet uitsluitend bestemd voor dergelijke activiteiten of activiteiten die specifiek aan die activiteiten zijn gebonden, maar kunnen in veel andere activiteiten worden gebruikt, zodat het relevante publiek het merk Crédit Mutuel, dat, zoals in punt 52 hierboven is opgemerkt, verwijst naar een soort bankactiviteit, niet onmiddellijk en zonder verder nadenken zal opvatten als aanduiding van deze waren en diensten of van hun kenmerken, bijvoorbeeld hun bestemming.

81      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten die de verzoekster aan de rechtspraak van het Gerecht ontleent.

82      In het door verzoekster aangevoerde arrest van 9 september 2010, Nadine Trautwein Rolf Trautwein/BHIM (Hunter) (T‑505/08, niet gepubliceerd, EU:T:2010:378), heeft het Gerecht in de punten 37 tot en met 40 inderdaad vastgesteld dat de waren van klasse 25 „met name voor de jacht kunnen worden gebruikt of met deze activiteit worden geassocieerd” en dat het betrokken teken beschrijvend was voor zover het „de bestemming en het kwaliteitsniveau van de betrokken producten [aanduidde], en dus bepaalde wezenlijke kenmerken ervan”.

83      De conclusie van het Gerecht dat het relevante publiek, dat met name uit jagers bestaat, het teken Hunter onmiddellijk en zonder verder nadenken kon opvatten als een aanduiding dat „vrijetijds-, binnen- en sportkleding”, „riemen” en „bandeau’s” van klasse 25, hoewel zij niet zijn ontworpen voor de jacht, daarvoor bijzonder geschikt waren en dat het woord „Hunter” bijgevolg beschrijvend was, in die zin dat het de bestemming en het kwaliteitsniveau van de betrokken producten aanduidde, was gebaseerd op de voorafgaande bevinding dat voor de jacht bestemde producten die voor de jacht worden gebruikt, moeten voldoen aan bijzondere functionele criteria en dat de jagerskleding vaak wordt gekenmerkt door de hoge kwaliteit ervan voor gebruik buitenshuis.

84      Uit dit arrest volgt dus dat het verband tussen het teken en de betrokken waren voldoende rechtstreeks en concreet werd geacht wegens de betekenis van het teken, dat verwees naar de jacht en de omstandigheid dat de voor de jacht gebruikte kleding specifieke kenmerken vertoonde, zodat het relevante publiek dit teken kon opvatten als een beschrijving van de kwaliteit en de bestemming van de betrokken waren.

85      Verzoekster voert echter geen enkel concreet element aan om aan te tonen hoe deze beoordeling van het Gerecht ook in casu kan worden toegepast. Meer in het bijzonder toont zij geenszins aan dat een specifiek kenmerk van de bankactiviteiten waarnaar het betwiste merk verwijst, het relevante publiek in staat stelt om onmiddellijk en zonder nadenken een verband te leggen tussen dit merk en een van de wezenlijke kenmerken van de waren en diensten die niet specifiek zijn bestemd voor bankactiviteiten.

86      Evenmin heeft verzoekster uiteengezet hoe de beoordeling van het Gerecht in zijn arrest van 19 november 2009 in de zaak Clearwire/BHIM (CLEARWIFI) (T‑399/08, niet gepubliceerd, EU:T:2009:458) zou kunnen aantonen dat er een onmiddellijk verband bestaat tussen het betwiste merk en waren en diensten die niet specifiek verband houden met het bankwezen. In dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het relevante publiek het teken CLEARWIFI kon opvatten als een aanduiding van een draadloze technologie die duidelijk en zonder verstoringen toegang tot bijvoorbeeld het internet biedt, en zonder moeilijkheid een verband legt tussen dit teken en een specifieke telecommunicatiedienst, namelijk de toegang tot het internet, en tussen dit teken en een van de kenmerken van die dienst, te weten het ontbreken van verstoringen. Bijgevolg heeft het Gerecht geoordeeld dat het relevante publiek het merk CLEARWIFI kon opvatten als een aanduiding van de kwaliteit en de bestemming van de betrokken diensten.

87      Verzoekster voert geen enkel argument aan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat deze beoordeling van het Gerecht, die is gebaseerd op een specifiek kenmerk van de diensten waarop het aangevraagde merk betrekking heeft en waarnaar het betrokken teken verwees, in casu kan worden getransponeerd.

88      Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat het betwiste merk niet beschrijvend was voor de door verzoekster bedoelde waren en diensten van de tweede categorie.

89      Wat meer in het bijzonder de diensten in verband met verzekeringen van klasse 36 betreft, te weten de diensten „verzekeringen”, „spaarinstellingen”, „verzekeringsmakelaardij” en „financiële ramingen (verzekeringen)”, is ook de beoordeling van de kamer van beroep in punt 63 van de bestreden beslissing niet onjuist. Het is inderdaad correct, zoals verzoekster stelt, dat de verzekeringssector tot de financiële sector behoort, en dat bankinstellingen verzekeringsdiensten aanbieden, onder meer de banken die deel uitmaken van de groep Crédit Mutuel. Daarnaast is het bovendien niet ongebruikelijk dat financiële instellingen en een verzekeringsmaatschappij deel uitmaken van dezelfde economische groep. Het klopt ook dat de instanties van het EUIPO in sommige van hun beslissingen over de relatieve weigeringsgronden voor inschrijving hebben geconcludeerd dat de bank- en verzekeringsdiensten vergelijkbaar zijn.

90      Er zij evenwel met de kamer van beroep op gewezen dat de verzekeringsactiviteiten en bankactiviteiten verschillende doeleinden nastreven, aangezien verzekeringsdiensten betrekking hebben op het behoud van activa van welke aard ook in geval van onvoorziene gebeurtenissen, terwijl bankdiensten gericht zijn op het beheer en de valorisatie van financiële activa. Het stond bijgevolg aan verzoekster om aan te tonen dat het betwiste merk, met name gelet op het feit dat verzekeringsdiensten dikwijls door bankinstellingen worden aangeboden, door het relevante publiek onmiddellijk en zonder verder nadenken zou worden opgevat als een beschrijving van verzekeringsdiensten die niet vallen onder de „traditionele” activiteit van een bank, of een van de kenmerken ervan, bijvoorbeeld die welke wordt aangeboden door een coöperatieve bank volgens de beginselen van de onderlinge kredietverlening die haar activiteit regelen. Aangezien, gelet op de bepalingen van de artikelen 59 en 62 van verordening 2017/1001, het Uniemerk een vermoeden van geldigheid geniet totdat het na een nietigheidsprocedure nietig wordt verklaard, staat het immers aan de partij die verzoekt om nietigverklaring van dit merk om de concrete elementen die afdoen aan de geldigheid ervan aan te voeren voor het EUIPO [zie in die zin arrest van 28 september 2016, European Food/EUIPO – Société des produits Nestlé (FITNESS), T‑476/15, EU:T:2016:568, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

91      De enkele door verzoekster aangevoerde abstracte verwijzing naar een activiteit die bekend staat onder de benaming „bankverzekering”, zoals vermeld in overweging 9 van richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PB 2003, L 9, blz. 3), of het feit dat de instanties van het EUIPO in een aantal van hun beslissingen inzake relatieve weigeringsgronden hebben vastgesteld dat bankdiensten en verzekeringsdiensten soortgelijk waren, volstaat niet om concreet aan te tonen dat het betwiste merk door het relevante publiek wordt opgevat als een beschrijving van deze laatste diensten.

92      Gelet op het voorgaande moet het eerste middel van het hoofdberoep worden afgewezen.

 Tweede en derde middel van het hoofdberoep ontleend aan schending van artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 3, van deze verordening

93      In het kader van het tweede en het derde middel verwijt verzoekster de kamer van beroep in wezen dat zij artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, en artikel 7, lid 3, van die verordening heeft geschonden door ten onrechte te concluderen dat het betwiste merk onderscheidend vermogen had verkregen door gebruik voor de waren en diensten behorend tot de eerste categorie, ten aanzien waarvan zij had geconcludeerd dat dit merk beschrijvend was en onderscheidend vermogen miste.

94      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 bepaalt dat indien een merk niet ab initio onderscheidend vermogen heeft, dit merk dit na gebruik ervan kan verkrijgen voor de daarin bedoelde waren of diensten. Een dergelijk onderscheidend vermogen kan onder meer worden verkregen na een normaal proces van inburgering bij het relevante publiek. Hieruit volgt dat bij de beoordeling of een merk onderscheidend vermogen door gebruik heeft verkregen, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin het relevante publiek met dit merk wordt geconfronteerd [arresten van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C‑24/05 P, EU:C:2006:421, punten 70 en 71, en 21 mei 2014, Bateaux mouches/BHIM (BATEAUX-MOUCHES), T‑553/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:264, punt 58].

95      Ook artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001 bepaalt met name dat wanneer het Uniemerk is ingeschreven in strijd met artikel 7, lid 1, onder b), van deze verordening, het echter niet nietig kan worden verklaard wanneer het door het gebruik dat na de inschrijving ervan is gemaakt, onderscheidend vermogen heeft verkregen voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven.

96      Voor de verkrijging van onderscheidend vermogen door gebruik van het merk is vereist dat minstens een aanzienlijk deel van het relevante publiek de betrokken waren of diensten op basis van het merk als van een bepaalde onderneming afkomstig identificeert [arresten van 1 februari 2013, Ferrari/BHIM (PERLE’), T‑104/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:51, punten 37, en 22 maart 2013, Bottega Veneta International/BHIM (Vorm van een handtas), T‑409/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:148, punt 75].

97      Het verkrijgen van onderscheidend vermogen door gebruik dient op strenge en precieze wijze te worden beoordeeld. De aanvrager van een merk moet bewijzen dat dit merk op zich, onderscheiden van eventuele andere aanwezige merken, de commerciële herkomst van de waren aanduidt (arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé, C‑215/14, EU:C:2015:604, punt 66).

98      De verschillende grieven die verzoekster in het kader van het tweede en het derde middel heeft aangevoerd, kunnen onder meerdere grieven worden gehergroepeerd. Aldus is de eerste grief in wezen gebaseerd op de onmogelijkheid voor het betwiste merk om door gebruik onderscheidend vermogen te verkrijgen. De tweede grief betreft het ontbreken van het gebruik van het merk in de vorm waarin het is ingeschreven. De derde grief ziet op het ontbreken van het gebruik van het merk als oorsprongsbenaming en als merk. De vierde grief betreft de ontoereikendheid van het bewijs dat het merk door gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen voor elke waar en dienst waarvoor het betwiste merk ab initio onderscheidend vermogen miste, of van de algemene beoordeling van deze bewijzen door de kamer van beroep.

–       Onmogelijkheid voor het bestreden merk om onderscheidend vermogen te verkrijgen door gebruik

99      In het kader van het tweede middel voert verzoekster in wezen aan dat het betwiste merk geen onderscheidend vermogen door gebruik kan verkrijgen, aangezien uit de bepalingen van de CMF volgt dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” de wettelijke en algemene aanduiding is van, enerzijds, de bancaire activiteit van de onderlinge kredietverlening, en anderzijds, de in een netwerk georganiseerde coöperatieve banken die onderlinge kredietverlening als activiteit hebben. Bovendien staat geen enkele bepaling van de CMF de CNCM toe zich deze term toe te eigenen ten nadele van andere marktdeelnemers die een activiteit van onderlinge kredietverlening uitoefenen of kunnen uitoefenen. Voor zover de Franse wetgever niet wilde dat er rechten op die term zouden worden gevestigd, gelet op de strekking en het doel ervan, en voor zover andere marktdeelnemers wettelijk wordt toegestaan of kan worden toegestaan deze te gebruiken, is de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” niet vatbaar voor toe-eigening en kan zij door het gebruik geen onderscheidend vermogen verkrijgen.

100    Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.

101    In het kader van de onderhavige grief verwijt verzoekster de kamer van beroep in wezen niet alle consequenties te hebben getrokken uit de CMF waaruit blijkt dat de Franse wetgever de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” vrij wilde laten gebruiken door elke onderneming die een activiteit van onderlinge kredietverlening wenst uit te oefenen.

102    Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak dat in het in artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 bedoelde geval het feit dat het teken dat het betrokken merk vormt door het relevante publiek daadwerkelijk wordt waargenomen als een aanduiding van de commerciële herkomst van een waar of dienst, het resultaat is van een economische inspanning van de aanvrager van het merk. Deze omstandigheid rechtvaardigt dat de overwegingen van algemeen belang die ten grondslag liggen aan lid 1, onder b) tot en met d), van dat artikel, volgens welke de in deze bepalingen bedoelde merken ongestoord moeten kunnen worden gebruikt om te voorkomen dat een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel ten gunste van één ondernemer wordt geschapen, buiten beschouwing blijven [zie arrest van 15 december 2016, Mondelez UK Holdings Services/EUIPO – Société des produits Nestlé (Vorm van een chocoladereep), T‑112/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:735, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

103    Bijgevolg moet worden opgemerkt dat de overwegingen van algemeen belang die ten grondslag liggen aan artikel 7, lid 1, onder b) tot en met d), van verordening 2017/1001, die vereisen dat tekens die beschrijvend zijn, die geen intrinsiek onderscheidend vermogen hebben of die gebruikelijk zijn geworden, in het kader van de toepassing van artikel 7, lid 3, van die verordening juist buiten beschouwing blijven.

104    Bovendien dient met het EUIPO te worden opgemerkt dat noch verordening 2017/1001, noch de rechtspraak van de Unierechters erin voorziet dat het teken een zekere „geschiktheid” moet hebben om onderscheidend vermogen door gebruik te verkrijgen, en nog minder dat artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 niet van toepassing is wanneer het merk is samengesteld uit termen die een gereglementeerde activiteit aanduiden. Uit niets in de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001, noch in enige andere bepaling van verordening 2017/1001 kan immers worden afgeleid dat de wettelijke neerslag van bepaalde bewoordingen uitsluit dat zij door gebruik onderscheidend vermogen kunnen verkrijgen.

105    Hieruit volgt aldus dat het Unierecht voor elk teken dat ab initio onderscheidend vermogen miste in de zin van artikel 7, lid 1, onder b) tot en met d), van verordening 2017/1001, voorziet in de mogelijkheid om door gebruik onderscheidend vermogen te verkrijgen, ook al zouden de termen waaruit het betwiste teken bestaat, een door de wet geregelde activiteit aanduiden.

106    Dit argument van verzoekster moet dan ook worden afgewezen, aangezien het ertoe zou leiden dat de werkingssfeer van artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 wordt beperkt.

107    Derhalve moet deze grief worden afgewezen.

–       Geen gebruik van het merk in de vorm waarin het is ingeschreven

108    Verzoekster merkt op dat de enkele combinatie van de termen „kredietverlening” en „onderling” niet geschikt is om de wezenlijke functie van het merk te vervullen, namelijk het vermelden van de commerciële herkomst van de waren en diensten, hetgeen met name blijkt uit het feit dat het betwiste merk nog steeds wordt gebruikt met aanvullende grafische elementen, zoals logo’s, of slogans. Alleen aan de hand van deze laatste zou dus de commerciële herkomst van producten en diensten kunnen worden vastgesteld. Verzoekster leidt hieruit in wezen af dat dit gebruik van het betwiste merk als onderdeel van samengestelde merken haar niet in staat stelt om door het gebruik ervan onderscheidend vermogen te verkrijgen.

109    EUIPO betoogt dat, indien het Gerecht bevestigt dat het betwiste merk „als individueel merk” is gebruikt, dat wil zeggen op een wijze die de consument garandeert dat de betrokken waren of diensten afkomstig zijn van de merkhouder als enige onderneming verantwoordelijk voor de kwaliteit ervan, de door verzoekster aangevoerde argumenten betreffende de vorm van het gebruik van het merk moeten worden afgewezen. In dat geval is het feit dat het betwiste merk in een licht gestileerde vorm werd gebruikt, en in combinatie met de betrokken aanvullende beeldelementen en woordelementen, niet doorslaggevend, aangezien de merkhouder door middel van een peiling heeft aangetoond dat de termen „kredietverlening” en „onderling” voor een aanzienlijk deel van het relevante publiek naar een bank verwijzen.

110    Wat het gebruik van het woordmerk Crédit Mutuel binnen samengestelde merken betreft, herinnert interveniënte eraan dat volgens vaste rechtspraak het onderscheidend vermogen van een merk kan worden verkregen als gevolg van het gebruik van dit merk als deel van een ingeschreven merk of in combinatie met dit merk, en dat de woordelementen van een merk in beginsel een groter onderscheidend vermogen hebben dan de beeldelementen. Bijgevolg zou het woordelement „onderlinge kredietverlening” gemakkelijker kunnen worden onthouden en niet de logo’s of slogans, die slechts een ondergeschikte rol hebben gespeeld.

111    Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat de verkrijging van onderscheidend vermogen zowel kan voortkomen uit het gebruik, als deel van een ingeschreven merk, van een element van dat laatste, als uit het gebruik van een afzonderlijk merk in samenhang met een ingeschreven merk. In de twee gevallen is het voldoende dat de betrokken kringen de waar of de dienst die wordt aangeduid met het enkele merk waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, ten gevolge van dit gebruik daadwerkelijk percipiëren als afkomstig van een bepaalde onderneming (arresten van 7 juli 2005, Nestlé, C‑353/03, EU:C:2005:432, punt 30, en 17 juli 2008, L&D/BHIM, C‑488/06 P, EU:C:2008:420, punt 49).

112    Los van de vraag of het gebruik betrekking heeft op een teken als deel van een ingeschreven merk dan wel op een teken in samenhang met een ingeschreven merk, is de essentiële voorwaarde dus dat het teken waarvoor inschrijving als merk wordt aangevraagd, als gevolg van dat gebruik voor de betrokken kringen kan dienen om de waren waarop het betrekking heeft te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming (arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé, C‑215/14, EU:C:2015:604, punt 65).

113    In de punten 111 en 112 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat zelfs indien het betwiste merk wordt gebruikt in een vorm die afwijkt van de vorm waarin het is ingeschreven, deze omstandigheid in casu niet afdoet aan de conclusie dat een dergelijk gebruik het betwiste merk in staat stelde onderscheidend vermogen door gebruik te verkrijgen. Volgens de kamer van beroep hebben de elementen waarmee het bestreden merk is gebruikt, namelijk een grafische vorm of de toevoeging van andere woordmerken in de vorm van slogans, het onderscheidend vermogen ervan immers niet gewijzigd.

114    Hoewel verzoekster het beginsel dat het onderscheidend vermogen van een merk kan worden verkregen als gevolg van het gebruik van dit merk als deel van een ingeschreven merk of in samenhang daarmee, niet betwist, merkt zij op, onder verwijzing naar de rechtspraak, dat het nog noodzakelijk is dat het relevante publiek het deel van het merk of het merk waarmee het gecombineerd werd, afzonderlijk beschouwd, opvat als de aanduiding van de herkomst van de erdoor aangeduide waar of dienst.  

115    In dit verband dient er met verzoekster op te worden gewezen dat de houder van een merk waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, moet bewijzen dat dit merk op zich, onderscheiden van eventuele andere aanwezige merken, de oorsprong van de waren aanduidt (arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé, C‑215/14, EU:C:2015:604, punt 66).

116    Bijgevolg hangt in casu de gegrondheid van de in punt 113 hierboven in herinnering gebrachte conclusie van de kamer van beroep, zoals het EUIPO in wezen aanvoert, af van de vraag of het betwiste merk zodanig is gebruikt dat alleen door dat gebruik de commerciële herkomst van de betrokken waren en diensten kan worden aangeduid, zodat de consument wordt gegarandeerd dat zij afkomstig zijn van een specifieke onderneming.

117    Deze vraag zal hierna worden onderzocht in het kader van het onderzoek van de derde grief van het tweede en het derde middel.

–       Geen gebruik van het betwiste merk als herkomstaanduiding en als merk

118    In het kader van het tweede middel voert verzoekster in wezen aan dat „het geheel Crédit Mutuel”, anders dan de kamer van beroep heeft aangenomen, niet de CNCM, een centrale instantie die geen bankactiviteit heeft en niet bekend is voor de consument, aanduidt, maar, zoals de CMF aangeeft, de coöperatieve banken in het algemeen die zich voornamelijk rond twee autonome en concurrerende groepen, Crédit Mutuel Arkéa en CM11-CIC hebben georganiseerd. Deze omstandigheid kan verhinderen dat het betwiste individuele merk zijn herkomstaanduidingsfunctie vervult, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat Crédit Mutuel Arkéa en CM11-CIC voor hun waren en diensten bij hun klanten verschillende merken gebruiken om elke verwarring te voorkomen. Bovendien zou Crédit Mutuel Arkéa, om zich van haar concurrent te onderscheiden, de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” gebruiken, geassocieerd met een ander logo dan dat van CM11-CIC. De term „onderlinge kredietverlening” op zich stelt het publiek dus niet in staat om de commerciële herkomst van de producten en diensten in kwestie te bepalen.

119    In het kader van het derde middel stelt verzoekster dat in het overgrote deel van de door de CNCM overgelegde stukken als bewijs dat het betwiste merk onderscheidend vermogen door gebruik heeft verkregen, de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” niet als merk wordt gebruikt om waren en diensten aan te duiden, maar om te verwijzen naar de groep Crédit Mutuel. Een dergelijke verwijzing kan echter niet het gebruik als merk vormen dat het verkrijgen van onderscheidend vermogen voor de verschillende betrokken waren en diensten bewijst, aangezien het betwiste merk zijn functie van herkomstaanduidende functie niet zou kunnen vervullen, des te meer omdat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” de juridische en generieke aanduiding van de activiteit zelf en van de dienstverrichters die deze activiteit uitoefenen vormt.

120    Aangezien het in de banksector niet gebruikelijk is dat de consument het merk personifieert en er geen bedrijfsnaam of handelsnaam bestaat die precies overeenkomt met de benaming „Crédit Mutuel”, kan het gebruik van de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” evenmin als het gebruik van een bedrijfsnaam of handelsnaam worden beschouwd dat gebruik als merk vormt.

121    Het EUIPO merkt op dat verzoekster in wezen betoogt dat het gebruik dat de merkhouder heeft bewezen, geen gebruik „als individueel merk” is, maar eerder een gebruik „als collectief merk”. Dienaangaande refereert het EUIPO aan het oordeel van het Gerecht over de toepassing van de rechtspraak van de Unierechters inzake het gebruik van een merk op de feiten van de onderhavige zaak, in overeenstemming met zijn wezenlijke functie, en meer in het bijzonder het gebruik van een individueel merk als aanduiding van een collectieve commerciële herkomst.

122    Interveniënte stelt dat het bestaan van eventuele concurrentie binnen de groep Crédit Mutuel geen invloed heeft op de vraag of de term „onderlinge kredietverlening” onderscheidend vermogen door het gebruik kan verkrijgen. Ten eerste zou Crédit Mutuel inderdaad duiden op de groep met dezelfde naam, zoals met name erkend door de Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) en de Franse mededingingsautoriteit. Aangezien het betwiste merk door meerdere juridisch verbonden economische entiteiten wordt geëxploiteerd, zou het voor het publiek een teken van herkenning van het lidmaatschap van deze groepering vormen.

123    Ten tweede zou het bestaan van eigen merken voor de aanduiding van de door verzoekster, respectievelijk CM11-CIC, aangeboden waren en diensten, het gebruik van het „overkoepelende merk” van Crédit Mutuel niet doen verdwijnen, aangezien het systematisch wordt gebruikt en het teken is van het lidmaatschap van de groepering dat het publiek doet reageren bij de keuze van een bankproduct.

124    Ten derde is de omstandigheid dat de CNCM, in haar hoedanigheid van centraal orgaan, geen bankactiviteit heeft en dus niet bekend is bij de consument niet relevant, aangezien het volgens de rechtspraak niet noodzakelijk is dat het merk door de houder ervan wordt geëxploiteerd en het volstaat dat dit merk daadwerkelijk wordt geëxploiteerd door gemachtigde derden, hetgeen in casu het geval is.

125    Ten vierde is ook de omstandigheid dat verzoekster een ander logo gebruikt dan het door CM11-CIC gebruikte logo irrelevant, aangezien het woordelement gemakkelijker door de consument wordt onthouden en het woordteken Crédit Mutuel in die omstandigheden wel degelijk het onderscheidende bestanddeel is waardoor het publiek de waren en diensten kan associëren met eenzelfde commerciële herkomst.

126    Ten vijfde stelt interveniënte dat het woordteken Crédit Mutuel wel degelijk als merk wordt gebruikt. In dit verband herinnert zij eraan dat volgens de rechtspraak het gebruik van een bedrijfs- of een handelsnaam kan worden beschouwd als een gebruik voor financiële producten, zelfs wanneer het teken op deze waren niet wordt aangebracht, wanneer de derde dat teken aldus gebruikt dat er een verband ontstaat tussen de bedrijfsnaam, de handelsnaam of het uithangbord en de betrokken waren of diensten. Interveniënte voegt daaraan toe dat het teken Crédit Mutuel in wezen een dienstmerk is waarvan de exploitatie moet bestaan in het aanbrengen ervan op verschillende materiële dragers die met die diensten verband houden. Zij herinnert er ten slotte aan dat er geen sprake is van een bedrijfs- of handelsnaam die precies overeenstemt met de bewoordingen „Crédit Mutuel” en dat de uitdrukking „onderlinge kredietverlening” in de ter kennis gebrachte stukken losstaat van enige vermelding van de bedrijfsvorm, zoals de kamer van beroep heeft opgemerkt.

127    Ten zesde is interveniënte van mening dat de stukken die zij heeft overgelegd, aantonen dat het woordmerk Crédit Mutuel voor de consument al vele jaren verwijst naar aangeboden waren en bankdiensten, niet door alle coöperatieve banken, maar door één bank, die overeenstemt met het banknet waarvan de CNCM het centrale orgaan is.

128    In het kader van de onderhavige grief van het tweede en het derde middel stelt verzoekster in wezen dat uit de door interveniënte overgelegde bewijzen kan worden opgemaakt dat het betwiste merk hoogstens de groep Crédit Mutuel aanduidt, en dus de coöperatieve banken waaruit die is samengesteld, en niet de CNCM, die de merkhouder is. Daardoor is het betwiste merk niet gebruikt als merk, maar als een verwijzing naar die groep. Deze omstandigheid kan beletten dat het individuele merk zijn herkomstaanduidende functie vervult en aldus onderscheidend vermogen door gebruik verkrijgt.

129    Uit de rechtspraak blijkt dat voor de verkrijging van onderscheidend vermogen door het gebruik van het merk vereist is dat minstens een aanzienlijk deel van het relevante publiek de betrokken waren of diensten op basis van het merk als afkomstig van een bepaalde onderneming identificeert (zie arrest van 15 december 2016, Vorm van een chocoladereep, T‑112/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:735, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

130    Indien de betrokken kringen, of althans een aanzienlijk deel ervan, de waar op basis van het merk als afkomstig van een bepaalde onderneming identificeren, moet daaraan de conclusie worden verbonden dat aan de in artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 gestelde voorwaarde voor de inschrijving van het merk is voldaan (zie arrest van 15 december 2016, Vorm van een chocoladereep, T‑112/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:735, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

131    Hoewel de verkrijging van onderscheidend vermogen zowel het resultaat kan zijn van het gebruik, als deel van een ingeschreven merk, van een element van dit merk, als van het gebruik van een afzonderlijk merk in samenhang met een ingeschreven merk, zoals in punt 111 hierboven in herinnering is gebracht, blijkt uit de rechtspraak dat de betrokken kringen als gevolg van dit gebruik de waar of de dienst die enkel wordt aangeduid met het merk waarvan inschrijving wordt gevraagd, daadwerkelijk moeten percipiëren als afkomstig van een bepaalde onderneming. Los van de vraag of het gebruik betrekking heeft op een teken als deel van een ingeschreven merk dan wel op een teken in samenhang met een ingeschreven merk, is de essentiële voorwaarde dus dat het teken waarvan inschrijving als merk wordt aangevraagd, als gevolg van dat gebruik voor de betrokken kringen kan dienen om de waren waarop het betrekking heeft te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming (arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé, C‑215/14, EU:C:2015:604, punten 64 en 65).

132    Bovendien zij eraan herinnerd dat, wat de verkrijging van onderscheidend vermogen door het gebruik betreft, de betrokken kringen de waar of de dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming moeten identificeren op basis van het gebruik van het merk als merk. De uitdrukking „gebruik van het merk als merk” moet aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op het gebruik van het merk met het oog op de identificatie door de betrokken kringen van de waar of de dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming (zie arrest van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C‑24/05 P, EU:C:2006:421, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

133    Niet om het even welk gebruik van het merk vormt dus per se een gebruik als merk (zie arrest van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C‑24/05 P, EU:C:2006:421, punt 62).

134    Tegen de achtergrond van deze overwegingen dient te worden onderzocht of de kamer van beroep op goede gronden heeft geoordeeld dat de door interveniënte overgelegde bewijzen in casu konden aantonen dat het betwiste merk door het gebruik ervan onderscheidend vermogen had verkregen, zodat het voor de betrokken kringen de waren en diensten aanduidde die van een bepaalde onderneming afkomstig zijn.

135    Uit de rechtspraak die hierboven in de punten 129 tot en met 131 in herinnering is gebracht, blijkt dat het gebruik van het merk volgens de wezenlijke functie ervan, te weten de aanduiding van de commerciële herkomst van de waren en diensten als afkomstig van een bepaalde onderneming, van het grootste belang is bij de beoordeling van de bewijzen die ertoe strekken aan te tonen dat dit merk onderscheidend vermogen door gebruik heeft verkregen.

136    Uit de bestreden beslissing (blz. 27‑40) blijkt dat interveniënte een groot aantal bewijzen heeft overgelegd om aan te tonen dat het betwiste merk bij het relevante publiek bekend was en dus onderscheidend vermogen door gebruik heeft verkregen. Dit bewijsmateriaal bestaat uit opiniepeilingen, bewijzen van de deelname van de groep Crédit Mutuel in partnerschappen, financiële informatie, met inbegrip van het bewijs dat de groep Crédit Mutuel in verschillende rangschikkingen werd geplaatst, en reclamecampagnes.

137    De conclusies die de kamer van beroep uit deze bewijzen heeft getrokken over de commerciële herkomst van de door het betwiste merk aangeduide waren en diensten zijn niet duidelijk. De kamer van beroep wijst er immers op dat het relevante publiek het betwiste merk dat waren en diensten aanduidt percipieert als afkomstig van hetzij de „houder”, namelijk de CNCM (punten 97, 105, 108 en, in wezen, punten 99 en 100 van de bestreden beslissing), hetzij „de bank” of „een bank” (punten 103, 104 en 107 van de bestreden beslissing), hetzij de „groep Crédit Mutuel”, het „netwerk Crédit Mutuel” of de „groep van ondernemingen Crédit Mutuel” (punten 104 en 116 van de bestreden beslissing).

138    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het betwiste merk een individueel merk is. Terwijl interveniënte houdster is van het als collectief merk ingeschreven Franse merk Crédit Mutuel, waarvoor de cour d’appel de Paris in zijn arrest van 27 februari 2018 op basis van soortgelijke bewijzen als die welke interveniënte in de procedure voor de EUIPO heeft aangevoerd heeft geconcludeerd dat het merk onderscheidend vermogen door gebruik had verkregen, heeft zij niet de keuze gemaakt om het betwiste merk in te schrijven als collectief Uniemerk. Bovendien heeft zij in het kader van de procedure voor de nietigheidsafdeling benadrukt dat het betwiste merk als individueel merk is gedeponeerd en ingeschreven (zie blz. 4 van de beslissing van de nietigheidsafdeling).

139    Tussen partijen staat eveneens vast dat het betwiste merk niet wordt gebruikt door de houdster ervan, de CNCM, die geen coöperatieve bank is en dus zelf geen bankactiviteiten verricht. Volgens interveniënte wordt het betwiste merk immers geëxploiteerd door verschillende entiteiten die binnen de groep Crédit Mutuel zijn verenigd, en vormt zij aldus een teken van erkenning voor het publiek van lidmaatschap van die groep.

140    Ook staat vast dat de banken die deel uitmaken van de groep Crédit Mutuel en het betwiste merk exploiteren, zoals blijkt uit punt 88 van de bestreden beslissing, voornamelijk zijn georganiseerd in twee autonome en concurrerende groepen, Crédit Mutuel Arkéa en CM11-CIC, die het betwiste merk met andere merken of geassocieerd met hun eigen logo’s gebruiken om hun waren en hun diensten bij hun klanten aan te duiden.

141    Het is echter niet uitgesloten dat het betwiste individuele merk door een dergelijk collectief gebruik van het merk onderscheidend vermogen door gebruik kan verkrijgen.

142    Zoals naar voren komt uit punt 135 hierboven, is in het kader van de beoordeling van de verkrijging door een merk van onderscheidend vermogen door gebruik immers vereist dat dit gebruik overeenkomstig de wezenlijke functie van een merk wordt verricht. Voor individuele merken, zoals het betwiste merk, is deze wezenlijke functie van het merk daarin gelegen, dat aan de consument of de eindverbruiker de identiteit van de oorsprong van de gemerkte waren of diensten wordt gewaarborgd, zodat hij deze zonder gevaar voor verwarring van waren of diensten van een andere herkomst kan onderscheiden. Om zijn rol als essentieel onderdeel van het stelsel van onvervalste mededinging dat het Verdrag tot stand wil brengen, te kunnen vervullen, dient het merk immers de waarborg te bieden dat alle van dat merk voorziene waren of diensten zijn vervaardigd of verricht onder controle van een en dezelfde onderneming, die kan worden geacht voor de kwaliteit ervan in te staan [zie in die zin en bij analogie, arresten van 8 juni 2017, W. F. Gözze Frottierweberei en Gözze, C‑689/15, EU:C:2017:434, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 juni 2018, Schmid/EUIPO – Landeskammer für Land- und Forstwirtschaft in Steiermark (Steirisches Kürbiskernöl), T‑72/17, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2018:335, punt 44].

143    Hieruit volgt dat, om vast te stellen of een individueel merk onderscheidend vermogen heeft verkregen door een collectief gebruik dat ervan is gemaakt, moet worden bepaald of het de consumenten waarborgt dat de betrokken waren of diensten afkomstig zijn van een bepaalde onderneming, die moet worden opgevat als één onderneming onder controle waarvan zij worden vervaardigd of verstrekt en waaraan bijgevolg de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van die waren of diensten kan worden toegerekend.

144    In casu moet worden onderzocht of interveniënte, te weten de houdster van het betwiste merk, moet worden beschouwd als „één enkele onderneming” in de zin van de in punt 142 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, zoals deze laatste stelt, op grond van de juridische en commerciële banden tussen haar en de leden van de groep Crédit Mutuel, zodat het betwiste merk door de band tussen dit merk en de door de leden van deze groep verstrekte waren en diensten zou kunnen worden geacht onderscheidend vermogen te hebben verkregen door het gebruik dat ervan was gemaakt.

145    In deze context is het dan van belang vast te stellen of interveniënte controle uitoefent op de waren en diensten van de banken die deel uitmaken van de groep Crédit Mutuel die dit merk daadwerkelijk exploiteren, zodat de betrokken waren of diensten in de waarneming van de consument afkomstig zijn van één onderneming die verantwoordelijk kan worden gehouden voor de kwaliteit ervan.

146    Dienaangaande zij opgemerkt dat de CNCM het centrale orgaan van de groep Crédit Mutuel is. Overeenkomstig artikel L. 512‑56 CMF is zij belast met de gezamenlijke vertegenwoordiging van de vestigingen van de coöperatieve bank om hun gemeenschappelijke rechten en belangen te doen gelden, de uitoefening van administratief, technisch en financieel toezicht op de organisatie en het beheer van elke vestiging van de coöperatieve bank, en het nemen van alle maatregelen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de onderlinge kredietverlening. Krachtens artikel R. 512‑20 CMF moeten de vestigingen van de coöperatieve bank zich ertoe verbinden de statuten, reglementen van orde, instructies en besluiten van de CNCM na te leven. Zoals blijkt uit haar statuten, functioneert de CNCM in de vorm van een vereniging.

147    In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft interveniënte, door haar taken als centraal orgaan van de groep Crédit Mutuel in herinnering te brengen, aangevoerd dat zij administratief, technisch en financieel toezicht uitoefent op de leden van het netwerk, en dat zij de nodige maatregelen neemt om de liquiditeit en de solvabiliteit van elk van de vestigingen van de groep te waarborgen.

148    Op basis van dergelijke omstandigheden kan echter niet worden vastgesteld dat zij tevens controle uitoefent op de waren en diensten die worden geleverd door de banken van de groep Crédit Mutuel, in de zin van de in punt 142 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

149    Zelfs indien de groep Crédit Mutuel één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht dan wel in de zin van de prudentiële eisen is, zoals blijkt uit de verschillende door interveniënte dienaangaande aangevoerde besluiten en handelingen van Europese en nationale toezichthouders, wettigt een dergelijke vaststelling, anders dan interveniënte stelt, op zich niet de conclusie dat interveniënte als centraal orgaan van deze groep ook één enkele onderneming in de zin van de hierboven in punt 142 aangehaalde rechtspraak vormt. Dit begrip heeft immers een autonome inhoud in het merkenrecht van de Europese Unie, zoals uitgelegd in de hierboven aangehaalde rechtspraak, en mag niet worden verward of worden toegepast naar analogie met de vaste begrippen op andere gebieden van het Unierecht, zoals het mededingingsrecht of het prudentiële toezicht op kredietinstellingen.

150    De criteria die van toepassing zijn om vast te stellen dat in het prudentieel toezicht of met het oog op de toepassing van het mededingingsrecht sprake is van een groep Crédit Mutuel, zijn immers niet dezelfde als die welke gelden voor de vaststelling dat er sprake is van „één enkele onderneming” in de zin van de rechtspraak inzake het gebruik van een individueel Uniemerk overeenkomstig de wezenlijke functie ervan.

151    In dit laatste geval is het enige relevante criterium de vraag of het gebruik van het betwiste merk voor de door de leden van Crédit Mutuel verstrekte waren en diensten de consumenten waarborgt dat deze waren en diensten afkomstig zijn van één enkele onderneming onder controle waarvan deze waren en diensten worden verstrekt, en waaraan bijgevolg de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de waren en diensten kan worden toegerekend. Interveniënte heeft echter niet aangetoond dat dit het geval is voor de groep Crédit Mutuel.

152    De argumenten die interveniënte heeft aangevoerd om aan te tonen dat zij indirect maar noodzakelijkerwijs controle uitoefent op de kwaliteit van de waren en diensten van de bankinstellingen die deel uitmaken van de groep Crédit Mutuel, zijn niet overtuigend. Zij stelt immers dat de consument bij een betrouwbare bank de kwaliteiten van financiële soliditeit, solvabiliteit en liquiditeit van bankinstellingen zal zoeken. Aangezien zij dienaangaande het toezicht uitoefent op de instellingen die deel uitmaken van die groep, is zij daardoor ook aansprakelijk voor de kwaliteit van de producten en diensten die zij leveren.

153    Ook al kan de verantwoordelijkheid voor het toezicht in prudentiële zin gevolgen hebben voor de perceptie bij de klanten van de banken die tot de groep Crédit Mutuel behoren door bij te dragen aan hun imago van „betrouwbare banken”, wettigt zij evenwel niet de conclusie dat interveniënte naast het toezicht op hun financiële situatie ook controle uitoefent op de waren en diensten die zij aan de consumenten verstrekken, zodat de kwaliteit van die waren en diensten aan haar kan worden toegerekend. De conclusie dat het betwiste individuele merk, waarvan interveniënte de houder is, aangeeft dat de door het merk aangeduide waren en diensten afkomstig zijn van één enkele onderneming, waardoor het, door de commerciële herkomst ervan te garanderen, onderscheidend vermogen zou kunnen verkrijgen wegens het collectieve gebruik ervan door de leden van de groep Crédit Mutuel, kan echter alleen aan de hand van dit laatste criterium worden getrokken.

154    Hieruit volgt dat in casu het betwiste individuele merk niet is gebruikt volgens zijn wezenlijke functie ter aanduiding van de commerciële herkomst van de waren en diensten als afkomstig van één enkele onderneming, onder controle waarvan deze zijn vervaardigd of geleverd en waaraan de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit ervan kan worden toegeschreven, maar, zoals het EUIPO en verzoekster in wezen aanvoeren, als aanduiding van een collectieve commerciële herkomst of, meer in het bijzonder, als indicatie dat de betrokken waren en diensten afkomstig zijn van een producent of dienstverrichter die behoort tot de vereniging of het collectief dat bestaat uit de banken van de groep Crédit Mutuel. Bovendien verklaart interveniënte uitdrukkelijk (zie de argumenten van interveniënte in de punten 122‑127 hierboven), dat het betwiste merk voor het relevante publiek een teken van erkenning vormt van het lidmaatschap van de groep Crédit Mutuel.

155    Een dergelijk gebruik van het betwiste merk ter aanduiding van de herkomst van de waren of diensten van een van de banken die tot de groep Crédit Mutuel behoren, kan in voorkomend geval de conclusie wettigen dat een collectief merk zijn functie van herkomstaanduiding vervult. Anders dan een individueel merk duidt het collectieve Uniemerk immers niet de waren of diensten van één enkele onderneming aan, maar maakt dit het op grond van artikel 74 van verordening 2017/1001 mogelijk om de commerciële herkomst van de door het merk aangeduide waren of diensten vast te stellen, aangezien zij afkomstig zijn van de leden van de vereniging die eigenaar is van dit merk (zie in die zin arresten van 8 juni 2017, W.F. Gözze Frottierweberei en Gözze, C‑689/15, EU:C:2017:434, punt 50, en 20 september 2017, The Tea Board/EUIPO, C‑673/15 P–C‑676/15 P, EU:C:2017:702, punt 57).

156    Interveniëntes argument dat de consument de bankdiensten die onder het merk Crédit Mutuel worden aangeboden in verband brengt met de groep Crédit Mutuel door hen zo te onderscheiden van die met een andere herkomst, vormt veeleer een voorbeeld van het gebruik van dit merk als collectief merk, en niet als een individueel merk.

157    Zoals in punt 138 hierboven is opgemerkt, is het betwiste merk echter als individueel merk ingeschreven en niet als collectief merk.

158    Aangezien interveniënte niet heeft aangetoond dat het betwiste individuele merk de wezenlijke functie van aanduiding van de commerciële herkomst vervult, namelijk het waarborgen dat de waren en diensten die het aanduidt afkomstig zijn van één enkele onderneming onder controle waarvan deze worden geleverd en die dus verantwoordelijk is voor de kwaliteit ervan in de zin van de in punt 142 bedoelde rechtspraak, heeft de kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat het merk onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik dat de leden van de groep Crédit Mutuel ervan maken.

159    Deze conclusie wordt bevestigd door het door verzoekster aangevoerde feit dat Crédit Mutuel Arkéa en CM11-CIC, twee autonome en concurrerende groepen, waar de coöperatieve banken die deel uitmaken van de vereniging met interveniënte als het centrale orgaan zich omheen hebben georganiseerd, ter aanduiding van hun producten en diensten aan hun klanten, naast het betwiste merk verschillende merken gebruiken of het merk associëren met een specifiek logo om de commerciële herkomst van deze waren en diensten aan te duiden als afkomstig van de ene of de andere groep. Deze omstandigheid wordt niet betwist door interveniënte, die deze evenwel niet relevant vindt, aangezien het gebruik van het „overkoepelende merk” Crédit Mutuel, dat interveniënte lijkt te begrijpen als het merk dat wordt gebruikt door alle banken die tot de groep Crédit Mutuel behoren, niet verdwijnt door het bestaan van eigen merken ter aanduiding van de door verzoekster respectievelijk CM11-CIC aangeboden waren en diensten.

160    Zoals hierboven in punt 154 is opgemerkt, en zoals interveniënte zelf stelt, vormt het betwiste merk, ook al moet het worden opgevat als een „overkoepelend merk”, het teken van lidmaatschap van de groep en duidt het dus hooguit de collectieve oorsprong van de waren en diensten als afkomstig van de groep Crédit Mutuel aan.

161    Zoals blijkt uit de rechtspraak die hierboven in punt 131 in herinnering is gebracht, moet het betwiste merk op zich bij het relevante publiek de indruk kunnen wekken dat het de bedoelde waren en diensten aanduidt als afkomstig van één enkele onderneming in de zin van de in punt 142 hierboven aangehaalde rechtspraak.

162    In deze context dient nog te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in punt 97 van de bestreden beslissing ten onrechte heeft geoordeeld dat de opiniepeilingen die door interveniënte zijn overgelegd om te bewijzen dat het betwiste merk door gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen, „ondubbelzinnig” bleek dat het relevante publiek het betwiste merk beschouwde als een aanduiding van de waren en bankdiensten als afkomstig van interveniënte. Uit deze peilingen blijkt immers dat de ondervraagde personen het teken Crédit Mutuel associëren met een bank of, meer algemeen, een financiële instelling, dan wel met een bankproduct zoals een lening. Deze peilingen kunnen dus hooguit aantonen dat het teken Crédit Mutuel voor het relevante publiek doelt op waren en diensten op het gebied van het bankwezen of bank- of bankinstellingen. Bovendien werd het betwiste merk juist om die reden als beschrijvend beschouwd voor die waren en diensten die verband houden met bankactiviteiten.

163    Het door interveniënte aangevoerde feit dat een bepaald percentage van de ondervraagde personen aangeeft te hebben gehoord van de „naam” Crédit Mutuel, bewijst geenszins dat het relevante publiek het betwiste merk associeert met interveniënte, maar hoogstens dat het vertrouwd is met deze term die volgens hen verwijst naar een bank, een financiële instelling of een bankproduct.

164    De overige argumenten van interveniënte laten de conclusie in punt 158 hierboven onverlet.

165    Ten eerste moet het argument worden afgewezen dat een merk, om door gebruik onderscheidend vermogen te verkrijgen, niet hoeft te worden geëxploiteerd door de houder ervan, maar dat het volstaat dat het daadwerkelijk wordt geëxploiteerd door gemachtigde derden, hetgeen in casu het geval is wat het betwiste merk betreft.

166    De rechtspraak waarop interveniënte zich in dit verband baseert, betreft immers het bewijs van het normale gebruik van een merk met toestemming van de houder ervan in de zin van artikel 18, lid 2, van verordening 2017/1001, aangezien dit normaal gebruik door de houder ervan als een feit wordt beschouwd. Vastgesteld moet echter worden dat er geen bepaling bestaat die vergelijkbaar is met die van artikel 18, lid 2, van verordening 2017/1001 met betrekking tot de verkrijging door een merk van onderscheidend vermogen door gebruik, zodat niet zonder meer kan worden geoordeeld dat het gebruik van een merk door een derde met toestemming van de houder het mogelijk maakt de verkrijging van onderscheidend vermogen door gebruik van een merk vast te stellen.

167    Het Hof heeft namelijk weliswaar erkend dat de voorwaarden die gelden bij het onderzoek of een merk normaal is gebruikt in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening 2017/1001, vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor de verkrijging van onderscheidend vermogen van een teken als gevolg van het gebruik met het oog op de inschrijving ervan in de zin van artikel 7, lid 3, van die verordening (zie arrest van 18 april 2013, Colloseum Holding, C‑12/12, EU:C:2013:253, punt 34), maar heeft zich niet uitgesproken over de voorwaarden die voortvloeien uit artikel 18, lid 2, van dezelfde verordening.

168    Bijgevolg is de door interveniënte aangevoerde rechtspraak over de toepassing van artikel 18, lid 2, van verordening 2017/1001 niet relevant in het kader van de toepassing van artikel 7, lid 3, van die verordening.

169    Ten tweede kan op grond van het argument van interveniënte dat, hoewel een bedrijfs- of een handelsnaam op zich niet tot doel heeft om een onderscheid te maken tussen waren of diensten, gebruik kan worden gemaakt van een dergelijke handelsnaam „voor waren of diensten”, wanneer de derde dit teken aldus gebruikt dat een verband ontstaat tussen het teken dat de bedrijfs- of de handelsnaam uitmaakt, en de door de derde in de handel gebrachte waren of diensten (arrest van 11 september 2007, Céline, C‑17/06, EU:C:2007:497, punten 21‑23), niet worden aangetoond dat het betwiste merk de houder aanduidt als de herkomst van de betrokken waren en diensten. Zoals de kamer van beroep in punt 117 van de bestreden beslissing heeft opgemerkt, is de merkhouder immers interveniënte, die „Confédération nationale du Crédit mutuel” als bedrijfsnaam heeft. Het betwiste merk komt dus niet overeen met haar bedrijfsnaam.

170    Gelet op het voorgaande moeten het tweede en het derde middel van het beroep worden toegewezen en moet de bestreden beslissing gedeeltelijk worden vernietigd voor zover de kamer van beroep heeft geconcludeerd dat het betwiste merk onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik ervan voor de waren en diensten van de eerste categorie waarvoor het beschrijvend is en geen onderscheidend vermogen heeft, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de andere grieven die verzoekster heeft opgeworpen ter betwisting van de beoordeling van de kamer van beroep van het onderscheidend vermogen dat is verkregen door gebruik van het betwiste merk.

 Kosten

171    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Voorts bepaalt het Gerecht, indien meerdere partijen in het ongelijk worden gesteld, volgens artikel 134, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten. Tot slot draagt, ingevolge artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, elke partij haar eigen kosten, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, kan het Gerecht evenwel beslissen dat een partij behalve in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.

172    In casu heeft verzoekster verzocht om het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten. Het EUIPO heeft verzocht om verzoekster en interveniënte te verwijzen in de kosten. Interveniënte heeft verzocht om verzoekster te verwijzen in de kosten.

173    In deze omstandigheden, en gelet op het feit dat verzoekster, het EUIPO en interveniënte op bepaalde punten van hun conclusies in het ongelijk zijn gesteld, moet worden beslist dat verzoekster voor de kosten van het beroep in de hoofdzaak een derde van haar eigen kosten en een derde van de kosten van het EUIPO en van interveniënte draagt, en dat het EUIPO twee derde van zijn eigen kosten en twee derde van de kosten van verzoekster draagt, en interveniënte twee derde van haar eigen kosten draagt. Interveniënte draagt de kosten van het incidenteel beroep.

HET GERECHT (Tweede kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 8 november 2017 (zaak R 1724/20165) wordt vernietigd voor zover daarin is beslist dat het betwiste merk onderscheidend vermogen had verkregen door het gebruik voor de waren en diensten waarvoor het beschrijvend was en geen onderscheidend vermogen had.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      Het incidenteel beroep wordt verworpen.

4)      Crédit Mutuel Arkéa wordt verwezen in een derde van haar eigen kosten en een derde van de kosten van het EUIPO en de Confédération nationale du Crédit mutuel in verband met het hoofdberoep.

5)      Het EUIPO wordt verwezen in twee derde van zijn eigen kosten en twee derde van de kosten van verzoekster in verband met het hoofdberoep.

6)      De Confédération nationale du Crédit mutuel wordt verwezen in twee derde van haar eigen kosten van het hoofdberoep en in de kosten van het incidenteel beroep.

Prek

Buttigieg

Berke

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 september 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.