BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

22 november 2012

Zaak F‑84/11

Barthel e.a.

tegen

Hof van Justitie van de Europese Unie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Bezoldiging – Weigering om verzoekers toeslag voor continu- of ploegendienst te geven – Bevestigend besluit – Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Barthel, Reiffers en Massez vragen om nietigverklaring van het besluit van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 mei 2011 tot afwijzing van hun klacht tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van hun verzoek van 14 juli 2010 om ex nunc in aanmerking te komen voor de toeslag voor continu- en ploegendienst. Voorts vragen verzoekers om het Hof te veroordelen tot betaling, aan elk van hen, van het bedrag van 10 700,76 EUR ter vergoeding van hun materiële schade en het bedrag van 3 000 EUR ter vergoeding van hun immateriële schade.

Beslissing: Het beroep van Barthel, Reiffers en Massez wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Het Hof draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in verzoekers’ kosten.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Voorafgaande administratieve klacht – Termijnen – Regels van openbare orde – Verzoek om herziening van definitief besluit van administratie – Ontbreken van nieuw feit dat termijn opnieuw kan doen ingaan – Niet-ontvankelijkheid – Verzoek betreffende periodieke vergoeding – Geen invloed

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Ambtenaren – Bezwarend besluit – Verplichting voor administratie om beroepswegen en ‑termijnen aan te geven – Geen

3.      Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Ontbreken van uitdrukkelijk antwoord op een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut – Onrechtmatigheid – Voorwaarde

(Ambtenarenstatuut, art. 90)

1.      Het periodieke karakter van een toelage vormt onvoldoende reden om een ambtenaar op basis van artikel 90, lid 1, van het Statuut de mogelijkheid te bieden, bij het tot aanstelling bevoegd gezag een nieuw verzoek in te dienen om herziening van zijn inmiddels definitief geworden besluit, op grond dat de gevolgen in de tijd van dat besluit anders worden geregeld, namelijk niet langer met terugwerkende kracht, maar uitsluitend voor de toekomst.

Het is een ambtenaar immers niet toegestaan om de termijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut te omzeilen door via een verzoek een eerder, door hem niet tijdig betwist besluit indirect aan de orde te stellen. Alleen het bestaan van nieuwe wezenlijke feiten kan de eventuele herziening van een definitief geworden besluit rechtvaardigen.

Het is het tot aanstelling bevoegd gezag overigens niet verboden om na het oorspronkelijke besluit, waartegen niet tijdig beroep is ingesteld en dat dus definitief is geworden, een nieuw besluit te nemen. Dat gezag mag voor de toekomst immers altijd een nieuw besluit nemen – indien nodig onder voorbehoud van verworven rechten –, net zoals het zijn oorspronkelijke besluit mag bevestigen. Aangezien het nieuwe besluit in dat laatste geval louter een bevestiging van het oorspronkelijke, definitief geworden besluit vormt, kan het voor de rechter niet met succes worden betwist.

(cf. punten 25‑27)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 11 juli 1997, Chauvin/Commissie, T‑16/97, punt 37, en aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: 12 september 2011, Cervelli/Commissie, F‑98/10

2.      Tot op heden bestaat er in het Unierecht geen algemene verplichting voor de instellingen om de ambtenaren en functionarissen tot wie hun handelingen gericht zijn te informeren over de beschikbare beroepswegen noch om de termijnen aan te geven waarbinnen zij beroep moeten instellen. Evenmin verplichten de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de instellingen om de bij hen in dienst zijnde ambtenaren en andere personeelsleden specifiek op de hoogte te stellen van de in het Statuut voorziene beroepswegen en ‑termijnen.

(cf. punten 35 en 36)

Referentie:

Hof: 27 november 2007, Diy-Mar Insaat Sanayi ve Ticaret en Akar/Commissie, C‑163/07 P, punt 41, en aangehaalde rechtspraak

3.      Het bestaan van schade die het gevolg zou kunnen zijn van de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag om een door een ambtenaar krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut ingediend verzoek stilzwijgend in plaats van uitdrukkelijk af te wijzen, hangt noodzakelijkerwijs af van de vraag of die afwijzing al dan niet onrechtmatig is, daar de stilzwijgende afwijzing als zodanig is voorzien in artikel 90, lid 2, van het Statuut.

(cf. punt 40)