ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

19 april 2012 (*)

„Verordening (EG) nr. 44/2001— Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Bevoegdheid ‚ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad’ — Bepaling van plaats waar schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen — Website van aanbieder van zoekmachineadvertentiedienst die via landgebonden topniveaudomeinnaam van lidstaat opereert — Gebruik door adverteerder van trefwoord dat identiek is aan in andere lidstaat ingeschreven merk”

In zaak C‑523/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 5 oktober 2010, ingekomen bij het Hof op 10 november 2010, in de procedure

Wintersteiger AG

tegen

Products 4U Sondermaschinenbau GmbH,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Safjan (rapporteur), A. Borg Barthet, E. Levits en J.‑J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Wintersteiger AG, vertegenwoordigd door E. Boesch, Rechtsanwalt,

–        Products 4U Sondermaschinenbau GmbH, vertegenwoordigd door J. Steinschnack, Rechtsanwalt,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door F. Díez Moreno als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Hathaway als gemachtigde, bijgestaan door A. Henshaw, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en W. Bogensberger als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 februari 2012,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de in Oostenrijk gevestigde onderneming Wintersteiger AG (hierna: „Wintersteiger”) en de in Duitsland gevestigde onderneming Products 4U Sondermaschinenbau GmbH (hierna: „Products 4U”) over het verzoek van Wintersteiger om Products 4U te verbieden het Oostenrijkse merk „Wintersteiger” te gebruiken als trefwoord op de website van de aanbieder van een betalende zoekmachineadvertentiedienst.

 Rechtskader

 Verordening nr. 44/2001

3        Blijkens punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001 heeft deze verordening tot doel om in het belang van de goede werking van de interne markt „[b]epalingen [vast te stellen] die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is”.

4        Punt 11 van de considerans van die verordening luidt:

„De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.”

5        In punt 12 van de considerans van die verordening heet het:

„Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.”

6        Artikel 2, lid 1, van die verordening is opgenomen in afdeling 1 („Algemene bepalingen”) van hoofdstuk II („Bevoegdheid”). Het bepaalt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

7        Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat ook in afdeling 1 is opgenomen, luidt:

„Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

8        In artikel 5, punt 3, van deze verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 2 („Bijzondere bevoegdheid”) van hoofdstuk II, is bepaald:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[...]

3)      ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

[...]”

 Richtlijn 2008/95/EG

9        Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 299, blz. 25), met als opschrift „Rechten verbonden aan het merk”, bepaalt:

„Het ingeschreven merk geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen het gebruik van een teken in het economische verkeer te verbieden:

a)      wanneer dat gelijk is aan het merk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk ingeschreven is;

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Wintersteiger is een in Oostenrijk gevestigde onderneming die ski- en snowboardservicemachines, inclusief reserveonderdelen en toebehoren, produceert en over de hele wereld verhandelt. Sinds 1993 is zij houdster van het Oostenrijkse merk Wintersteiger.

11      Ook Products 4U, die in Duitsland is gevestigd, ontwikkelt en verhandelt ski- en snowboardservicemachines. Zij verkoopt voorts toebehoren voor machines van andere fabrikanten, met name voor die van Wintersteiger. Dat toebehoren, dat Products 4U „Wintersteiger-Zubehör” („Wintersteiger-toebehoren”) noemt, wordt niet door verzoekster in het hoofdgeding geproduceerd en is niet door haar toegestaan. Net als verzoekster in het hoofdgeding is Products 4U over de hele wereld actief en verhandelt zij haar producten ook in Oostenrijk.

12      Sinds 1 december 2008 heeft Products 4U het trefwoord („AdWord”) „Wintersteiger” gereserveerd in het door de aanbieder van de onlinezoekmachineadvertentiedienst Google ontwikkelde reclamesysteem. Na die registratie, die beperkt was tot het Duitse landgebonden topniveaudomein van Google, de website „google.de”, verkreeg een internetgebruiker die het trefwoord „Wintersteiger” in de zoekmachine van deze advertentiedienst ingaf, als eerste zoekresultaat een link naar de website van Wintersteiger. Bij het ingeven van deze zoekterm verscheen echter ook een reclameboodschap van Products 4U in het rechterdeel van het scherm, onder het opschrift „Anzeige” („advertentie”). De tekst van deze advertentie droeg de onderstreepte en blauwe titel „Skiwerkstattzubehör” („toebehoren voor ski-ateliers”). Bovendien bevatte deze tekst op twee regels de woorden „Ski und Snowboardmaschinen” („ski- en snowboardmachines”) en „Wartung und Reparatur” („onderhoud en reparatie”). De laatste regel van deze advertentie vermeldde in groene letters het internetadres van Products 4U. Een gebruiker die op de titel „Skiwerkstattzubehör” („toebehoren voor ski-ateliers”) klikte, kwam uit bij het aanbod „Wintersteiger-Zubehör” („Wintersteiger-toebehoren”) op de website van Products 4U. De reclameboodschap op de site „google.de” verduidelijkte helemaal niet dat er geen economisch verband bestond tussen Wintersteiger en Products 4U. Products 4U heeft overigens geen aan het zoekwoord „Wintersteiger” gelinkte reclameboodschap geplaatst op het Oostenrijkse landgebonden topniveaudomein van Google, de website „google.at”.

13      Met het betoog dat Products 4U met de op de site „google.de” geplaatste advertentie inbreuk maakte op haar Oostenrijkse merk, heeft Wintersteiger bij de Oostenrijkse rechters een vordering ingesteld die ertoe strekte het gebruik van dit merk te verbieden. De bevoegdheid van deze laatste rechters om uitspraak te doen over haar vordering, heeft Wintersteiger gebaseerd op artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001. Zij heeft namelijk aangevoerd dat de site „google.de” ook in Oostenrijk kan worden geraadpleegd en dat deze zoekmachineadvertentiedienst in het Duits wordt aangeboden.

14      Products 4U heeft de internationale bevoegdheid van de Oostenrijkse rechters betwist en subsidiair betoogd dat geen inbreuk is gemaakt op het merk Wintersteiger. Aangezien de site „google.de” uitsluitend tot Duitse gebruikers is gericht, was de betrokken advertentie volgens haar uitsluitend voor Duitse klanten bestemd.

15      De rechter in eerste aanleg was van oordeel dat hoewel de site „google.de” via het internet kan worden geraadpleegd in Oostenrijk, Google zijn diensten aanbiedt via websites die onder landgebonden topniveaudomeinnamen opereren, zodat de site „google.de” slechts op Duitsland is gericht en de Oostenrijkse rechters niet bevoegd zijn om een uitspraak te doen over de vordering van Wintersteiger. De rechter in hoger beroep heeft daarentegen zijn internationale bevoegdheid bevestigd, maar hij oordeelde dat Wintersteiger geen rechten had en heeft de vordering van Wintersteiger om die reden afgewezen.

16      Het Oberste Gerichtshof, bij wie beroep tot „Revision” is ingesteld, vraagt zich in casu af onder welke omstandigheden de reclame die door het gebruik van het Oostenrijkse merk Wintersteiger is gemaakt op een website die via een landgebonden topniveaudomeinnaam „.de” opereert, overeenkomstig artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 de grondslag kan vormen voor de bevoegdheid van de Oostenrijkse rechters om uitspraak te doen over een vordering die ertoe strekt het gebruik van een Oostenrijks merk te verbieden. Daarop heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moeten de woorden ‚plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ in artikel 5, punt 3, van [verordening nr. 44/2001], wanneer van een in een andere lidstaat gevestigde persoon wordt beweerd dat hij inbreuk op een merk van de staat van het gerecht heeft gemaakt door gebruikmaking van een aan het merk gelijk trefwoord (AdWord) in een internetzoekmachine die haar diensten onder verschillende [landgebonden] topniveaudomeinen aanbiedt, aldus worden uitgelegd:

a)      dat de bevoegdheid uitsluitend ontstaat wanneer het trefwoord wordt gebruikt op de website van de zoekmachine waarvan het topniveaudomein dat van de staat van het gerecht is;

b)      dat de bevoegdheid uitsluitend ontstaat wanneer de website van de zoekmachine waarop het trefwoord wordt gebruikt, in de staat van het gerecht kan worden geraadpleegd;

c)      dat voor de bevoegdheid vereist is dat naast de mogelijkheid om de website te raadplegen, aan andere eisen is voldaan?

2)      Indien de [eerste vraag, sub c] bevestigend wordt beantwoord:

Volgens welke criteria moet worden bepaald of bij gebruik als AdWord van een merk van de staat van het gerecht op een website van een zoekmachine met een ander [landgebonden] topniveaudomein dan dat van de staat van het gerecht, een bevoegdheid krachtens artikel 5, punt 3, van [verordening nr. 44/2001] ontstaat?”

  Beantwoording van de prejudiciële vragen

17      Met zijn prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen volgens welke criteria moet worden bepaald welke rechter krachtens artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 bevoegd is om uitspraak te doen over een geschil betreffende een inbreuk op een in een lidstaat ingeschreven merk die zou bestaan in het gebruik door een adverteerder van een aan dat merk identiek trefwoord op de website van een zoekmachine die via een ander topniveaudomein opereert dan dat van de lidstaat waar het merk is ingeschreven.

18      In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de bijzondere bevoegdheidsregel die artikel 5, punt 3, van die verordening bevat in afwijking van het beginsel dat de rechters van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn, berust op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen de vordering en de rechters van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn (arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, Jurispr. blz. I-10269, punt 40).

19      Ook moet in herinnering worden gebracht dat de uitdrukking „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zodat de verweerder ter keuze van de eiser voor de rechter van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arrest eDate Advertising e.a., reeds aangehaald, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20       Deze beide plaatsen kunnen van betekenis zijn als aanknopingspunt voor de rechterlijke bevoegdheid, daar zij, afhankelijk van de omstandigheden, beide een bijzonder nuttige aanwijzing kunnen vormen voor de bewijslevering en de procesinrichting (arrest eDate Advertising e.a., punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

 Plaats waar de schade is ingetreden

21      Wat ten eerste de plaats betreft waar de schade is ingetreden, heeft het Hof reeds gepreciseerd dat dit de plaats is waar het feit dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen schade heeft veroorzaakt (arrest van 16 juli 2009, Zuid-Chemie, C‑189/08, Jurispr. blz. I‑6917, punt 26).

22      In de context van het internet heeft het Hof ook gepreciseerd dat in geval van een beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten, de persoon die zich gelaedeerd acht door op een website geplaatste content, een vordering tot vergoeding van de volledige schade kan indienen bij de rechters van de lidstaat waar zich het centrum van zijn belangen bevindt (zie arrest eDate Advertising e.a., reeds aangehaald, punt 52).

23      Zoals het Hof daarbij heeft opgemerkt, is het criterium inzake het centrum van de belangen van de gelaedeerde in overeenstemming met het doel van voorspelbaarheid van de rechterlijke bevoegdheid, aangezien het de eiser gemakkelijker maakt te bepalen bij welke rechter hij een vordering kan instellen en het tegelijkertijd de verweerder in staat stelt redelijkerwijs te weten voor welke rechter hij kan worden gedaagd (arrest eDate Advertising e.a., punt 50).

24      Zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie heeft benadrukt, kan deze beoordeling, die in de bijzondere context van schendingen van persoonlijkheidsrechten is verricht, niet ook gelden voor de bepaling van de rechterlijke bevoegdheid bij inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, zoals die welke in het hoofdgeding worden aangevoerd.

25      Anders dan de situatie van een persoon die meent dat zijn persoonlijkheidsrechten, die in alle lidstaten worden beschermd, zijn geschonden, is de bescherming die door de inschrijving van een nationaal merk wordt verleend, in beginsel beperkt tot het grondgebied van de lidstaat waar het is ingeschreven, zodat de houder ervan zich in de regel niet op die bescherming kan beroepen buiten dat grondgebied.

26      De vraag of het gebruik voor reclamedoeleinden van een teken dat gelijk is aan een nationaal merk op een website die uitsluitend via een ander topniveaudomein dan dat van de lidstaat waar dat merk is ingeschreven opereert, daadwerkelijk inbreuk maakt op dat merk, behoort echter tot het onderzoek ten gronde van het beroep dat de bevoegde rechter aan de hand van het toepasselijke materiële recht zal verrichten.

27      Met betrekking tot de bevoegdheid om uitspraak te doen over een beweerde inbreuk op een nationaal merk in een situatie zoals die in het hoofdgeding, moet worden geoordeeld dat zowel het doel van voorspelbaarheid als het doel van een goede rechtsbedeling ervoor pleiten om de bevoegdheid berustend op het intreden van de schade toe te wijzen aan de rechters van de lidstaat waar het betrokken recht wordt beschermd.

28      Het zijn namelijk de rechters van de lidstaat waar het betrokken merk is ingeschreven, die het best in staat zijn om te beoordelen, rekening houdend met de uitlegging van richtlijn 2008/95 in met name de arresten van 23 maart 2010, Google France en Google, C‑236/08–C‑238/08, Jurispr. blz. I‑2417, en 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, Jurispr. blz. I-6011, of in een situatie zoals die in het hoofdgeding daadwerkelijk inbreuk is gemaakt op het beschermde nationale merk. Die rechters kunnen uitspraak doen over de volledige schade die de houder van het beschermde recht beweert te hebben geleden door de inbreuk op dit merk, en over een vordering die ertoe strekt elke inbreuk op dat recht te doen beëindigen.

29      Vastgesteld moet dus worden dat een geschil over de inbreuk op een in een lidstaat ingeschreven merk die zou bestaan in het gebruik door een adverteerder van een aan dat merk identiek trefwoord op de website van een zoekmachine die via een landgebonden topniveaudomein van een andere lidstaat opereert, aanhangig kan worden gemaakt bij de rechters van de lidstaat waar het merk is ingeschreven.

 Plaats van de veroorzakende gebeurtenis

30      Wat ten tweede de plaats betreft van de gebeurtenis die een inbreuk op een nationaal merk zou hebben veroorzaakt die zou bestaan in het gebruik van een aan dat merk identiek trefwoord in een zoekmachine die via een landgebonden topniveaudomein van een andere lidstaat opereert, moet worden opgemerkt dat de territoriale beperking van de bescherming van een nationaal merk de internationale bevoegdheid van andere rechters dan die van de lidstaat waar dat merk is ingeschreven niet uitsluit.

31      Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van verordening nr. 44/2001 autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van deze verordening (arrest eDate Advertising e.a., reeds aangehaald, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waaronder het doel van voorspelbaarheid van de bevoegdheidstoewijzing en het doel een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting te verzekeren.

32      In het bijzonder staat vast dat de plaats waar de beweerde schade is veroorzaakt, van betekenis kan zijn als aanknopingspunt voor de rechterlijke bevoegdheid, daar zij een bijzonder nuttige aanwijzing kan vormen voor de bewijslevering en de procesinrichting.

33      In een situatie zoals die in het hoofdgeding bestaat het nut van de aanwijzing die de plaats van de veroorzakende gebeurtenis vormt, met name in het gemak waarmee de rechter van die plaats bewijs over die gebeurtenis kan verzamelen.

34      In het geval van een beweerde inbreuk op een in een lidstaat ingeschreven nationaal merk doordat op de website van een zoekmachine reclame verschijnt naar aanleiding van het gebruik van een trefwoord dat identiek is aan dat merk, is de veroorzakende gebeurtenis niet het verschijnen van de reclame zelf, maar het starten door de adverteerder van het technische proces waardoor de advertentie die hij voor zijn eigen commerciële communicatie heeft gecreëerd, volgens vooraf bepaalde parameters verschijnt.

35      Zoals het Hof in het kader van de uitlegging van de richtlijn betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten heeft opgemerkt, is het de adverteerder die het aan het merk identieke trefwoord kiest, en niet de zoekmachineadvertentiedienst, die het merk in het economisch verkeer gebruikt (arrest Google France en Google, reeds aangehaald, punten 52 en 58). Het feit dat een eventuele schending van het merkenrecht veroorzaakt, is dus het gedrag van de adverteerder die de zoekmachineadvertentiedienst gebruikt voor zijn eigen commerciële communicatie.

36      Het starten door de adverteerder van het technische proces waardoor de advertentie verschijnt wordt weliswaar uiteindelijk verricht op een server van de exploitant van de door de adverteerder gebruikte zoekmachine, maar, rekening houdend met het doel van voorspelbaarheid waarnaar de bevoegdheidsregels moeten streven, kan de plaats waar die server gevestigd is, aangezien het onzeker is waar deze zich bevindt, niet worden beschouwd als de plaats van de veroorzakende gebeurtenis in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.

37      Daarentegen is de plaats waar de adverteerder is gevestigd, de plaats waar is beslist om het proces waardoor de advertentie verschijnt te starten, aangezien deze zowel voor de eiser als voor de verweerder zeker en identificeerbaar is en dus de bewijslevering en de procesinrichting vergemakkelijkt.

38      Bijgevolg kan een geschil over de inbreuk op een in een lidstaat ingeschreven merk die zou bestaan in het gebruik door een adverteerder van een aan dat merk identiek trefwoord op de website van een zoekmachine die via een landgebonden topniveaudomeinnaam van een andere lidstaat opereert, ook aanhangig worden gemaakt bij de rechters van de lidstaat van de plaats waar de adverteerder is gevestigd.

39      Gelet op het voorgaande moet artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat een geschil over een inbreuk op een in een lidstaat ingeschreven merk die zou bestaan in het gebruik door een adverteerder van een aan dat merk identiek trefwoord op de website van een zoekmachine die via een landgebonden topniveaudomeinnaam van een andere lidstaat opereert, aanhangig kan worden gemaakt bij de rechters van de lidstaat waar het merk is ingeschreven of bij de rechters van de lidstaat van de plaats waar de adverteerder is gevestigd.

 Kosten

40      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een geschil over een inbreuk op een in een lidstaat ingeschreven merk die zou bestaan in het gebruik door een adverteerder van een aan dat merk identiek trefwoord op de website van een zoekmachine die via een landgebonden topniveaudomeinnaam van een andere lidstaat opereert, aanhangig kan worden gemaakt bij de rechters van de lidstaat waar het merk is ingeschreven of bij de rechters van de lidstaat van de plaats waar de adverteerder is gevestigd.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.