Hogere voorziening ingesteld op 13 april 2021 door Évariste Boshab tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 3 februari 2021 in zaak T-111/19, Évariste Boshab / Raad van de Europese Unie

(Zaak C-242/21 P)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Évariste Boshab (vertegenwoordigers: T. Bontinck, P. De Wolf, T. Payan, A. Guillerme, advocaten)

Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 3 februari 2021 in de zaak Évariste Boshab/Raad van de Europese Unie (T-111/19), dat op diezelfde dag is betekend, vernietigen;

uitspraak doen op het beroep en besluit (GBVB) 2018/1940 van de Raad van 10 december 2018 nietig verklaren, voor zover de naam van rekwirant daarbij is gehandhaafd in punt 8 van de bijlage bij besluit 2010/788/GBVB, alsmede uitvoeringsverordening (EU) 2018/1931 van de Raad van 10 december 2018 nietig verklaren, voor zover de naam van rekwirant daarbij is gehandhaafd in punt 8 van bijlage I bis bij verordening (EG) nr. 1183/20051 ;

de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten van beide instanties.

Middelen en voornaamste argumenten

Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 3 februari 2021 in zaak T-111/19, Évariste Boshab/Raad van de Europese Unie, tot staving waarvan hij twee middelen aanvoert, die berusten op schending van de rechten van de verdediging en een kennelijke beoordelingsfout.

Met betrekking tot het eerste middel voert rekwirant aan dat het Gerecht rekwirants rechten van verdediging en in het bijzonder zijn om recht te worden gehoord heeft geschonden, voor zover het:

heeft geoordeeld dat de te late mededeling door de Raad van de Europese Unie, zonder dat rekwirant zijn opmerkingen vóór het besluit tot verlenging van de betrokken beperkende maatregelen kenbaar kon maken, geen schending opleverde van het recht te worden gehoord, aangezien het geen nieuw element betrof, en

niet de passende conclusies heeft getrokken uit het feit dat de Raad in casu geen verificaties heeft verricht.

Met betrekking tot het tweede middel betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout, voor zover het:

eraan is voorbijgegaan dat beperkende maatregelen bewarend en per definitie voorlopig van aard zijn, en dat hun geldigheid altijd afhangt van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid blijven voorbestaan en of de handhaving ervan vereist is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel;

niet heeft vastgesteld dat de door de Raad aangevoerde gegevens geen handelwijze kon opleveren waarmee werd voldaan aan het criterium voor plaatsing op de litigieuze lijsten, te weten handelingen die ernstige schendingen van de mensenrechten inhouden, en

geen kritiek heeft geuit op het feit dat de Raad de door rekwirant in het kader van de heroverwegingsprocedure verstrekte gegevens niet heeft onderzocht en op basis daarvan geen eigen onderzoek heeft uitgevoerd.

____________

1 Verordening (EG) nr. 1183/2005 van de Raad van 18 juli 2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo; PB 2005, L 193, blz. 1 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV), PB 2008, L 352 M, blz. 231 (MT).