ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

18 september 2014 (*)

„Merken – Richtlijn 89/104/EEG – Artikel 3, lid 1, sub e – Weigering of nietigheid van inschrijving – Driedimensionaal merk – Verstelbare kinderstoel ,Tripp Trapp’ – Teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm die door de aard van de waar wordt bepaald – Teken dat bestaat uit de vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft”

In zaak C‑205/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 12 april 2013, ingekomen bij het Hof op 18 april 2013, in de procedure

Hauck GmbH & Co. KG

tegen

Stokke A/S,

Stokke Nederland BV,

Peter Opsvik,

Peter Opsvik A/S,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis (rapporteur), J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 februari 2014,

gelet op de opmerkingen van:

–        Hauck GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door S. Klos, A. A. Quaedvlieg en S. A. Hoogcarspel, advocaten,

–        Stokke A/S, Stokke Nederland BV, Peter Opsvik en Peter Opsvik A/S, vertegenwoordigd door T. Cohen Jehoram en R. Sjoerdsma, advocaten,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Salvatorelli, avvocato dello Stato,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, B. Czech en J. Fałdyga als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en R. Solnado Cruz als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Holt als gemachtigde, en N. Saunders, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. W. Bulst en F. Wilman als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 2014,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, sub e, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1; hierna: „merkenrichtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, Hauck GmbH & Co. KG, vennootschap naar Duits recht (hierna: „Hauck”) en, anderzijds, Stokke A/S, Stokke Nederland BV, Peter Opsvik en Peter Opsvik A/S (hierna samen: „Stokke e.a.”) inzake een vordering tot nietigverklaring van het Beneluxmerk van een teken met de vorm van een door Stokke e.a. verkochte kinderstoel.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Onder het opschrift „Gronden voor weigering of nietigheid” bepaalt artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn:

„Niet ingeschreven worden of, indien ingeschreven, nietig verklaard kunnen worden:

[...]

e)      tekens die uitsluitend bestaan uit:

–        de vorm die door de aard van de waar bepaald wordt, of

–        de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, of

–        de vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft”.

 Benelux-verdrag

4        Artikel 2.1, lid 2, van het op 25 februari 2005 te Den Haag ondertekende Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), dat op 1 september 2006 in werking is getreden, bepaalt:

„Tekens die een Beneluxmerk kunnen vormen

[...]

2.      Evenwel kunnen niet als merken worden beschouwd tekens die uitsluitend bestaan uit een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald, die een wezenlijke waarde aan de waar geeft of die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

5        Peter Opsvik heeft een kinderstoel ontworpen, genaamd „Tripp Trapp”. Deze stoel bestaat uit schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt, en uit horizontale liggers, waarbij de combinatie van de staanders en de liggers een „L‑vorm” heeft. Door die schuine staanders en de L‑vorm verkrijgt de stoel volgens de verwijzende rechter een hoge mate van oorspronkelijkheid. Het ontwerp van deze stoel is met verscheidene prijzen en eervolle vermeldingen bekroond en tentoongesteld in musea. Vanaf 1972 hebben Stokke e.a. de „Tripp trapp”-stoel op de markt gebracht, vooral op de Scandinavische markt, en sinds 1995 op de Nederlandse markt.

6        Hauck vervaardigt, distribueert en verkoopt kinderartikelen, waaronder twee stoelen die zij met „Alpha” en „Beta” aanduidt.

7        Op 8 mei 1998 heeft Stokke A/S bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom een inschrijvingsaanvraag ingediend voor een driedimensionaal merk met het uiterlijk van de „Tripp Trapp”-kinderstoel. Het merk is op haar naam ingeschreven voor „stoelen, met name kinderstoelen” en betreft de hieronder afgebeelde vorm:

Image not found

8        In Duitsland heeft het Oberlandesgericht Hamburg in een andere procedure tussen Stokke e.a. en Hauck bij in kracht van gewijsde gegaan arrest geoordeeld dat de „Tripp Trapp”-stoel naar Duits recht auteursrechtelijke bescherming genoot en dat de „Alpha”-stoel inbreuk maakte op die bescherming.

9        In Nederland hebben Stokke e.a. beroep ingesteld bij de Rechtbank ’s‑Gravenhage, waarbij zij aanvoerden dat de productie en de verkoop door Hauck van de „Alpha”‑ en „Beta”-stoelen inbreuk maakte op de auteursrechten op de „Tripp Trapp”-stoel en op hun Beneluxmerk, en schadevergoeding voor deze inbreuk gevorderd. Hauck heeft bij wijze van verweer een reconventionele vordering tot nietigverklaring van het door Stokke A/S gedeponeerde Benelux-merk Tripp Trapp ingesteld.

10      De Rechtbank ’s‑Gravenhage heeft de vorderingen van Stokke e.a. goeddeels toegewezen voor zover deze op hun exploitatierechten waren gebaseerd. Zij heeft de vordering tot nietigverklaring van dat merk evenwel toegewezen.

11      Hauck heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage (Nederland). In zijn arrest heeft het Gerechtshof geoordeeld dat de „Tripp Trapp”-stoel auteursrechtelijk werd beschermd en dat de „Alpha”‑ en „Beta”-stoelen onder de beschermingsomvang daarvan vielen. Het Gerechtshof is dus tot het besluit gekomen dat Hauck tussen 1986 en 1999 inbreuk had gemaakt op de auteursrechten van Stokke e.a.

12      Het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage heeft evenwel geoordeeld dat het aantrekkelijke uiterlijk van de „Tripp Trapp”-stoel een wezenlijke waarde aan de betrokken waar geeft en dat de vorm ervan wordt bepaald door de aard van de waar, namelijk een veilige, comfortabele en deugdelijke kinderstoel. Volgens het Gerechtshof is het litigieuze merk dus een teken dat uitsluitend bestaat in een vorm die beantwoordt aan de gronden voor weigering of nietigheid bedoeld in artikel 3, lid 1, sub e, eerste en derde streepje, van de merkenrichtlijn. Deze rechter heeft bijgevolg geoordeeld dat de Rechtbank ’s‑Gravenhage dat driedimensionale merk op goede gronden had vernietigd.

13      Hauck heeft tegen het arrest van het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, en Stokke e.a. hebben in het kader van deze procedure incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft het cassatieberoep verworpen, maar stelt dat het incidentele cassatieberoep vragen van uitlegging van artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn doet rijzen, die in de rechtspraak van het Hof tot op heden geen beantwoording hebben gevonden.

14      Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      a)      Gaat het bij de weigerings‑ of nietigheidsgrond van artikel 3, lid 1, [sub e, eerste streepje, van de merkenrichtlijn], te weten dat [driedimensionale] merken niet uitsluitend mogen bestaan uit een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald, om een vorm die voor de functie van de waar onontbeerlijk is, of is daarvan reeds sprake bij aanwezigheid van een of meer wezenlijke gebruikskenmerken van een waar, waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt?

b)      Indien geen van deze alternatieven juist is, hoe dient het voorschrift dan te worden uitgelegd?

2)      a)      Gaat het bij de weigerings‑ of nietigheidsgrond van artikel 3, lid 1, [sub e, derde streepje, van de merkenrichtlijn], te weten dat [driedimensionale] merken niet uitsluitend mogen bestaan uit een vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft, om het motief (of de motieven) van de aankoopbeslissing van het in aanmerking komende publiek?

b)      Is van ,een vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft’ in de zin van evenbedoeld voorschrift slechts sprake indien die vorm moet worden aangemerkt als de voornaamste of overheersende waarde in vergelijking tot andere waarden (zoals bij kinderstoelen: de veiligheid, het comfort en de deugdelijkheid) of kan daarvan ook sprake zijn, indien naast die waarde ook andere, eveneens als wezenlijk aan te merken waarden van die waar bestaan?

c)      Is voor de beantwoording van vragen 2a en 2b beslissend de opvatting van de meerderheid van het in aanmerking komende publiek, of kan de rechter oordelen dat reeds de opvatting van een deel van het publiek volstaat om de betrokken waarde als ,wezenlijk’ in de zin van voormelde bepaling aan te merken?

d)      Indien het antwoord op vraag 2c in laatstbedoelde zin luidt, welke eis dient dan aan de omvang van het betrokken deel van het publiek te worden gesteld?

3)      Dient artikel 3, lid 1, van de [merkenrichtlijn], aldus uitgelegd te worden dat de in dat artikel [sub e] bedoelde uitsluitingsgrond ook bestaat, indien het [driedimensionale] merk een teken behelst waarvoor het aldaar onder [het eerste streepje] bedoelde geldt, en dat voor het overige voldoet aan het aldaar onder [het derde streepje] bedoelde?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

15      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, sub e, eerste streepje, van de merkenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving enkel van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm die voor de functie van de waar onontbeerlijk is, of ook op een teken dat uitsluitend bestaat uit een vorm waarbij één of meer wezenlijke gebruikskenmerken van deze waar aanwezig zijn, waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt.

16      Volgens die bepaling worden tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm die door de aard van de waar wordt bepaald niet ingeschreven, of kunnen zij, indien ingeschreven, nietig worden verklaard.

17      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de verschillende in artikel 3 van de merkenrichtlijn opgesomde gronden voor weigering van inschrijving moeten worden uitgelegd in het licht van het algemeen belang dat aan elk van die gronden ten grondslag ligt (zie in die zin arresten Windsurfing Chiemsee, C‑108/97 en C‑109/97, EU:C:1999:230, punten 25‑27, en Philips, C‑299/99, EU:C:2002:377, punt 77).

18      Dienaangaande heeft het Hof met betrekking tot het tweede streepje van artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn verklaard dat de ratio van de in deze bepaling vastgestelde gronden voor weigering van inschrijving erin bestaat te verhinderen dat als gevolg van de bescherming van het merkenrecht de merkhouder een monopolie wordt toegekend op technische oplossingen of gebruikskenmerken van een waar, waarnaar de gebruiker mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt [arrest Philips, EU:C:2002:377, punt 78, en, wat betreft artikel 7, lid 1, sub e, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) – een bepaling die in wezen identiek is aan artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn – arrest Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 43].

19      Het verbod van inschrijving van zuiver functionele vormen, vastgesteld in artikel 3, lid 1, sub e, tweede streepje, van de merkenrichtlijn, of van vormen die een wezenlijke waarde aan de waar geven, in de zin van het derde streepje van deze bepaling, heeft als naaste doel te voorkomen dat het door een merk verleende exclusieve en duurzame recht kan worden gebruikt ter vereeuwiging, zonder beperking in de tijd, van andere rechten die de Uniewetgever aan verjaring heeft willen onderwerpen (zie in die zin arrest Lego Juris/BHIM, EU:C:2010:516, punt 45).

20      Zoals de advocaat-generaal in de punten 28 en 54 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dient te worden vastgesteld dat de in artikel 3, lid 1, sub e, eerste streepje, van de merkenrichtlijn vastgestelde grond voor weigering van inschrijving hetzelfde doel nastreeft als het tweede en het derde streepje van deze bepaling en dat dit eerste streepje dus in overeenstemming daarmee moet worden uitgelegd.

21      Een correcte toepassing van artikel 3, lid 1, sub e, eerste streepje, van de merkenrichtlijn verlangt dus dat de wezenlijke kenmerken van het betrokken teken, namelijk de belangrijkste elementen ervan, per geval naar behoren worden geïdentificeerd op basis van de totaalindruk die het teken oproept of van een achtereenvolgend onderzoek van elk element waaruit dit teken bestaat (zie in die zin arrest Lego Juris/BHIM, EU:C:2010:516, punten 68‑70).

22      Dienaangaande dient te worden benadrukt dat de grond voor weigering van inschrijving van artikel 3, lid 1, sub e, eerste streepje, van de merkenrichtlijn geen toepassing kan vinden wanneer de aanvraag tot inschrijving als merk betrekking heeft op een vorm van een waar, in welke vorm een ander element, zoals een sier‑ of fantasie-element dat niet inherent is aan de generieke functie van de waar, een belangrijke of wezenlijke rol speelt (zie in die zin arrest Lego Juris/BHIM, EU:C:2010:516, punten 52 en 72).

23      Zou het eerste streepje van die bepaling aldus worden uitgelegd dat het enkel van toepassing is op tekens die uitsluitend bestaan uit vormen die voor de functie van de betrokken waar onontbeerlijk zijn, waarbij aan de betrokken producent geen enkele marge wordt gelaten voor een wezenlijke eigen bijdrage, dan zou de aldaar vastgestelde weigeringsgrond zijn doel dus niet volledig kunnen bereiken.

24      Een dergelijke uitlegging zou immers ertoe leiden deze weigeringsgrond te beperken tot de zogeheten „natuurlijke” waren, waarvoor geen vervanger bestaat, of tot de zogeheten „gereguleerde” waren, waarvan de vorm wordt voorgeschreven door normen, terwijl de tekens die bestaan uit de vormen die uit dergelijke waren voortvloeien hoe dan ook niet zouden kunnen worden ingeschreven doordat zij onderscheidend vermogen missen.

25      Integendeel, bij de toepassing van de in artikel 3, lid 1, sub e, eerste streepje, van de merkenrichtlijn vermelde weigeringsgrond dient rekening te worden gehouden met het feit dat het begrip „vorm die door de aard van de waar bepaald wordt” impliceert dat in beginsel ook de inschrijving moet worden geweigerd van vormen waarvan de wezenlijke kenmerken inherent zijn aan de generieke functie of functies van deze waar.

26      Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie heeft aangegeven, zou het voorbehouden van dergelijke kenmerken aan één marktdeelnemer eraan in de weg staan dat concurrerende ondernemingen hun waren een vorm kunnen geven die nuttig is voor het gebruik van deze waren. Bovendien zij vastgesteld dat het gaat om wezenlijke kenmerken waarnaar de consument kan zoeken in de waren van concurrenten, aangezien deze waren beogen dezelfde of een soortgelijke functie te vervullen.

27      Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, sub e, eerste streepje, van de merkenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar waarbij één of meerdere wezenlijke gebruikskenmerken aanwezig zijn die inherent zijn aan de generieke functie of functies van deze waar en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt.

 Tweede vraag

28      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, sub e, derde streepje, van de merkenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar met verschillende kenmerken die aan de waar verschillende wezenlijke waarden kunnen geven, en of bij deze beoordeling rekening dient te worden gehouden met de wijze waarop het doelpubliek de vorm van de waar waarneemt.

29      Blijkens de verwijzingsbeslissing vinden de twijfels van de Hoge Raad der Nederlanden over de uitlegging van deze bepaling hun oorsprong in de omstandigheid dat de vorm van de „Tripp Trapp”-stoel volgens hem een aanzienlijke esthetische waarde aan de stoel geeft, terwijl deze waar tegelijkertijd andere kenmerken heeft, die de veiligheid, het comfort en de deugdelijkheid betreffen en de waar wezenlijke waarden voor de functie ervan geven.

30      Dienaangaande zij opgemerkt dat de omstandigheid dat de vorm wordt geacht een wezenlijke waarde aan de waar te geven, niet uitsluit dat ook andere kenmerken van de waar daaraan een aanzienlijke waarde kunnen geven.

31      Het doel om te voorkomen dat het door een merk verleende exclusieve en duurzame recht kan worden gebruikt ter vereeuwiging, zonder beperking in de tijd, van andere rechten die de Uniewetgever aan verjaring heeft willen onderwerpen, vereist dus – zoals de advocaat-generaal in punt 85 van zijn conclusie heeft opgemerkt – dat de toepassing van het derde streepje van artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn niet automatisch wordt uitgesloten wanneer de betrokken waar naast haar esthetische functie ook andere wezenlijke functies vervult.

32      Het begrip „vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft” mag immers niet enkel worden beperkt tot de vorm van waren die uitsluitend een artistieke of sierwaarde hebben, op gevaar af van geen betrekking te hebben op waren die, naast een belangrijk esthetisch element, wezenlijke functionele kenmerken hebben. In dit laatste geval zou het door het merk aan de merkhouder verleende recht een monopolie toekennen op de wezenlijke kenmerken van de waren, waardoor deze weigeringsgrond zijn doel niet volledig zou kunnen bereiken.

33      Bovendien heeft het Hof met betrekking tot de invloed van het doelpubliek opgemerkt dat, anders dan in het geval van artikel 3, lid 1, sub b, van de merkenrichtlijn, waarin dwingend rekening moet worden gehouden met de perceptie van het doelpubliek omdat deze wezenlijk is om vast te stellen of op grond van het aangevraagde teken de betrokken waren of diensten kunnen worden geïdentificeerd als afkomstig van een bepaalde onderneming, een dergelijke verplichting niet kan worden opgelegd in het kader van lid 1, sub e, van dit artikel (zie in die zin arrest Lego Juris/BHIM, EU:C:2010:516, punt 75).

34      De vermoedelijke perceptie van het teken door de gemiddelde consument is niet beslissend in het kader van de toepassing van de in het derde streepje van die bepaling vermelde weigeringsgrond, maar kan hooguit een nuttig beoordelingselement zijn voor de bevoegde autoriteit wanneer deze de wezenlijke kenmerken van het teken vaststelt (zie in die zin Lego Juris/BHIM, EU:C:2010:516, punt 76).

35      Zoals de advocaat-generaal in punt 93 van zijn conclusie heeft aangegeven, kan daarbij rekening worden gehouden met andere beoordelingselementen, zoals de aard van de betrokken warencategorie, de artistieke waarde van de betrokken vorm, het verschil tussen deze vorm en andere vormen die gewoonlijk op de betrokken markt worden gebruikt, het significante verschil in prijs in vergelijking met soortgelijke waren, of de ontwikkeling van een reclamestrategie waarbij vooral de nadruk wordt gelegd op de esthetische kenmerken van de betrokken waar.

36      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, sub e, derde streepje, van de merkenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar met verschillende kenmerken die aan de waar verschillende wezenlijke waarden kunnen geven. De perceptie van de vorm van de waar door het doelpubliek is slechts één van de elementen bij de beoordeling of de betrokken weigeringsgrond van toepassing is.

 Derde vraag

37      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in het eerste en het derde streepje van deze bepaling vermelde gronden voor weigering van inschrijving gecombineerd kunnen worden toegepast.

38      Volgens deze bepaling worden niet ingeschreven of kunnen, indien ingeschreven, nietig worden verklaard, tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm die door de aard van de waar wordt bepaald, de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, en de vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft.

39      Uit deze bewoordingen blijkt duidelijk dat de drie in deze bepaling vastgestelde gronden voor weigering van inschrijving autonoom zijn. Het feit dat zij achtereenvolgens worden aangehaald, alsook het gebruik van de term „uitsluitend” impliceert immers dat elk van deze gronden onafhankelijk van de andere moet worden toegepast.

40      Wanneer is voldaan aan één van de in artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn vermelde criteria, kan het teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar, en zelfs uit een grafische weergave van deze vorm, dus niet als merk worden ingeschreven (arresten Philips, EU:C:2002:377, punt 76, en Benetton Group, C‑371/06, EU:C:2007:542, punt 26, derde streepje).

41      Daarbij is niet van belang dat dit teken kan worden geweigerd op grond van verschillende weigeringsgronden, zodra één enkele weigeringsgrond volledig van toepassing is op dit teken.

42      Overigens zij benadrukt dat – zoals de advocaat-generaal in punt 99 van zijn conclusie heeft aangegeven – de doelstelling van algemeen belang, waarop de toepassing van de drie gronden voor weigering van inschrijving van artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn is gebaseerd, in de weg staat aan de weigering van inschrijving wanneer geen van deze drie gronden volledig van toepassing is.

43      In deze omstandigheden dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, sub e, van de merkenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in het eerste en het derde streepje van deze bepaling vermelde gronden voor weigering van inschrijving niet gecombineerd kunnen worden toegepast.

 Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 3, lid 1, sub e, eerste streepje, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar waarbij één of meerdere wezenlijke gebruikskenmerken aanwezig zijn die inherent zijn aan de generieke functie of functies van deze waar en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt.

2)      Artikel 3, lid 1, sub e, derde streepje, van de Eerste richtlijn (89/104) moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar met verschillende kenmerken die aan de waar verschillende wezenlijke waarden kunnen geven. De perceptie van de vorm van de waar door het doelpubliek is slechts één van de elementen bij de beoordeling of de betrokken weigeringsgrond van toepassing is.

3)      Artikel 3, lid 1, sub e, van de Eerste richtlijn (89/104) moet aldus worden uitgelegd dat de in het eerste en het derde streepje van deze bepaling vermelde gronden voor weigering van inschrijving niet gecombineerd kunnen worden toegepast.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.