ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

12 maart 2020 (*)

„Dumping – Invoer van warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland, Servië en Oekraïne – Beëindiging van de procedure met betrekking tot de invoer uit Servië – Vaststelling van schade – Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit meer dan één land – Artikel 3, lid 4, van verordening (EU) 2016/1036 – Beëindiging van de procedure zonder maatregelen – Artikel 9, lid 2, van verordening 2016/1036 – Definitieve mededeling van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen of de beëindiging van een onderzoek of procedure zonder maatregelen aan te bevelen – Artikel 20, lid 2, van verordening 2016/1036”

In zaak T‑835/17,

Eurofer, Association Européenne de l’Acier, AISBL, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door J. Killick en G. Forwood, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche, N. Kuplewatzky en A. Demeneix als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

HBIS Group Serbia Iron & Steel LLC Belgrade, vertegenwoordigd door R. Luff, advocaat,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795 van de Commissie van 5 oktober 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland en Oekraïne, en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië (PB 2017, L 258, blz. 24),

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins, R. Barents en J. Passer (rapporteur), rechters,

griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 november 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Naar aanleiding van een klacht die door verzoekster, Eurofer, Association européenne de l’acier, AISBL, op 23 mei 2016 is ingediend, heeft de Europese Commissie een antidumpingonderzoek geopend naar de invoer in de Europese Unie van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland, Servië en Oekraïne.

2        Op 7 juli 2016 heeft de Commissie een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de in punt 1 hierboven genoemde invoer (PB 2016, C 246, blz. 7) bekendgemaakt overeenkomstig verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisverordening”).

3        Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de voor de schadebeoordeling relevante ontwikkelingen had betrekking op de periode van 1 januari 2013 tot het einde van het onderzoektijdvak.

4        In het bericht van inleiding van het onderzoek heeft de Commissie aangegeven dat zij mogelijk bij de betrokkenen een steekproef zou uitvoeren overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. Wat de producenten in de Unie betreft, bestond de uiteindelijke steekproef uit zes producenten die gevestigd waren in vijf verschillende lidstaten en meer dan 45 % van de productie in de Unie vertegenwoordigden, te weten:

–        ThyssenKrupp Steel Europe AG, Duisburg, Duitsland;

–        Tata Steel IJmuiden BV, Velsen-Noord, Nederland;

–        Tata Steel UK Limited, Port Talbot, Zuid-Wales, Verenigd Koninkrijk;

–        ArcelorMittal Méditerranée SAS, Fos-sur-Mer, Frankrijk;

–        ArcelorMittal Atlantique Et Lorraine, Duinkerken, Frankrijk;

–        ArcelorMittal España SA, Gozón, Spanje.

5        Uit hoofde van artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken ter plaatse uitgevoerd bij de betrokken producenten.

6        Op 4 april 2017 heeft de Commissie alle belanghebbenden via een informatiedocument (hierna: „informatiedocument”) in kennis gesteld van het feit dat zij het onderzoek zou voortzetten zonder voorlopige maatregelen in te stellen met betrekking tot de invoer in de Unie van het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen. Dat document bevatte de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie besloot het onderzoek voort te zetten zonder voorlopige maatregelen in te stellen. Volgend op de mededeling van dat document hebben de belanghebbenden schriftelijke opmerkingen ingediend naar aanleiding van de bekendgemaakte informatie en bevindingen. Belanghebbenden die verzochten gehoord te worden, werden ook gehoord.

7        Op 4 mei 2017 werd een hoorzitting gehouden met verzoekster in aanwezigheid van de raadadviseur-auditeur voor handelsprocedures. Op 8 juni 2017 werd een tweede hoorzitting met verzoekster gehouden.

8        In de periode van 29 mei tot en met 9 juni 2017 zijn vijf aanvullende controlebezoeken uitgevoerd bij de volgende belanghebbenden in de Unie:

–        ThyssenKrupp Steel Europe AG, Duisburg (producent in de Unie),

–        HUS Ltd, Plovdiv, Bulgarije [gebruiker, lid van een consortium genaamd „Consortium for Imports of Hot-Rolled Flats” (consortium voor de invoer van warmgewalste platte producten)],

–        Technotubi SpA, Alfianello, Italië (gebruiker, lid van bovengenoemd consortium),

–        een Italiaanse gebruiker die geen lid is van het consortium en om anonimiteit heeft gevraagd,

–        verzoekster.

9        Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen op 17 juli 2017 (hierna: „mededeling van de definitieve bevindingen”) werd op 27 juli 2017 opnieuw een hoorzitting met verzoekster gehouden, in aanwezigheid van de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

10      Na een hoorzitting op 3 augustus 2017 met een Iraanse producent-exporteur heeft de Commissie de dumpingberekening en de daarop gebaseerde berekeningen overgedaan. Op 4 augustus 2017 zijn de partijen door middel van een aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen op de hoogte gebracht van deze herziening.

11      Op 5 oktober 2017 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795 vastgesteld tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland en Oekraïne, en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië (PB 2017, L 258, blz. 24, met rectificatie in PB 2017, L 319, blz. 81; hierna: „bestreden verordening”).

12      Artikel 2 van de bestreden verordening bepaalt dat „[d]e antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Unie van het betrokken product van oorsprong uit Servië [...] hierbij [wordt] beëindigd overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de basisverordening”.

 Procedure en conclusies van partijen

13      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 december 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

14      Op 21 maart 2018 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend.

15      Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 en 18 april 2018, hebben respectievelijk interveniënte, HBIS Group Serbia Iron & Steel LLC Belgrade, en de Republiek Servië verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie.

16      Bij akte, neergelegd op 14 mei 2018, heeft verzoekster overeenkomstig artikel 144, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om een aantal in de bijlagen A.25, A.30 en A.31 bij het verzoekschrift opgenomen vertrouwelijke gegevens niet aan interveniënte en de Republiek Servië mee te delen als zij tot de onderhavige procedure zouden worden toegelaten.

17      Op 3 juli 2018 heeft verzoekster haar repliek ingediend.

18      Bij beschikking van 6 juli 2018 heeft de Achtste kamer van het Gerecht het verzoek tot interventie van de Republiek Servië afgewezen.

19      Bij beschikking van 12 juli 2018 heeft de president van de Achtste kamer van het Gerecht interveniënte toegelaten tot de procedure en, in afwachting van eventuele opmerkingen van interveniënte met betrekking tot het verzoek om vertrouwelijke behandeling, voorlopig enkel de door verzoekster overgelegde niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift meegedeeld.

20      Bij akte, neergelegd op 31 juli 2018, heeft interveniënte het Gerecht ervan in kennis gesteld dat zij geen bezwaar had tegen de vertrouwelijke behandeling van de door verzoekster aangewezen gegevens, met uitzondering evenwel van bepaalde gegevens op de bladzijden 779 tot en met 781 van bijlage A.25 bij het verzoekschrift.

21      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 september 2018, heeft interveniënte haar memorie in interventie ingediend.

22      Op 14 september 2018 heeft de Commissie haar dupliek ingediend.

23      Bij beschikking van 5 oktober 2018 heeft de president van de Achtste kamer van het Gerecht het verzoek om vertrouwelijke behandeling afgewezen met betrekking tot de in punt 20 hierboven bedoelde gegevens en gelast een nieuwe, niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift mee te delen aan interveniënte.

24      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 oktober 2018, heeft verzoekster een niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift verstrekt overeenkomstig de beschikking van 5 oktober 2018.

25      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 november 2018, heeft interveniënte een aanvullende memorie in interventie ingediend met betrekking tot de niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift.

26      Op 20 december 2018 hebben verzoekster en de Commissie hun opmerkingen ingediend.

27      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 januari 2019, heeft verzoekster op grond van artikel 106 van het Reglement voor de procesvoering verzocht om in het kader van de mondelinge behandeling te worden gehoord.

28      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        artikel 2 van de bestreden verordening nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

29      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.

30      Interveniënte verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.

 In rechte

 Ontvankelijkheid

31      De Commissie, ondersteund door interveniënte, stelt – zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid bij afzonderlijke akte als bedoeld in artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering te hebben opgeworpen – dat het beroep om twee redenen niet-ontvankelijk is. Ten eerste kan artikel 2 van de bestreden verordening niet los van de rest van de verordening worden beschouwd. Ten tweede is verzoekster niet procesbevoegd en heeft zij evenmin procesbelang.

32      Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat de Unierechter bevoegd is om in elk geval afzonderlijk te beoordelen of het in het belang van een goede rechtsbedeling is om het beroep te verwerpen zonder eerst uitspraak te doen over de ontvankelijkheid ervan (zie in die zin arresten van 26 februari 2002, Raad/Boehringer, C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punten 51 en 52, en 14 september 2016, Trajektna luka Split/Commissie, T‑57/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:470, punt 84).

33      In casu is het gerechtvaardigd om het beroep ten gronde te onderzoeken en in voorkomend geval geen uitspraak te doen over de ontvankelijkheid ervan.

 Ten gronde

34      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan. Het eerste middel heeft betrekking op een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie heeft besloten de Servische invoer niet te cumuleren overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. Het tweede middel betreft een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie van mening was dat geen beschermende maatregelen tegen de Republiek Servië „nodig” waren, zelfs niet op een niet-cumulatieve basis. Het derde middel ziet op schending van artikel 20, lid 2, van die verordening, schending van verzoeksters recht op informatie en rechten van verdediging, en schending van het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) verankerde recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie heeft geweigerd de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens voor de Servische exporteur mee te delen.

 Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout en onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie heeft besloten de Servische invoer niet te cumuleren overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening

35      Verzoekster voert aan dat, aangezien ten eerste de dumpingmarges van 38,7 % die werden vastgesteld ten aanzien van de Servische invoer boven de „minimumdrempel” als bedoeld in artikel 9, lid 3, van de basisverordening lagen en ten tweede het invoervolume uit Servië overeenkwam met een marktaandeel van 1,04 % en dus boven de in artikel 5, lid 7, van die verordening genoemde 1 %-drempel lag, de Commissie in de bestreden verordening ten onrechte heeft besloten om de invoer uit Servië niet te cumuleren.

36      Verzoekster voegt daaraan toe dat in de bestreden verordening geen verschillende concurrentieverhoudingen worden vastgesteld tussen Servië en de vier andere betrokken landen en evenmin tussen die vijf landen en de Unie. De vermeende status van de Servische producent-exporteur als „prijsvolger” is hoe dan ook irrelevant vanuit het oogpunt van artikel 3, lid 4, onder a) en b), van de basisverordening.

37      Wat de invoervolumes betreft, voert verzoekster aan dat de in artikel 5, lid 7, van de basisverordening genoemde 1 %-drempel van toepassing is in het kader van artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening, ook al wordt er in die bepaling niet uitdrukkelijk naar artikel 5, lid 7, van die verordening verwezen. Dat wordt volgens haar bevestigd in de toelichtende nota van de Commissie van 21 september 2000 aan het Antidumpingcomité (ad‑hocgroep voor de uitvoering) van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), door het feit dat de Commissie die drempel systematisch toepast, alsook door de rechtspraak.

38      De in artikel 5, lid 7, van de basisverordening genoemde 1 %-drempel vormt een duidelijke en precieze drempel waarboven de volumes niet meer „verwaarloosbaar” zijn.

39      Volgens verzoekster is de stelling van de Commissie in de bestreden verordening dat invoer van net boven de 1 %-drempel als verwaarloosbaar kan worden beschouwd en niet-cumulatief kan worden beoordeeld, in het licht van de bewoordingen van artikel 5, lid 7, van de basisverordening in strijd met de gebruikelijke betekenis van de betrokken bepalingen, de context ervan en de doelstellingen van de verordening waarvan de betrokken bepalingen deel uitmaken, en leidt zij bovendien tot een leemte in de verordening.

40      De Commissie heeft in overweging 234 van de bestreden verordening ten onrechte aangenomen dat zij kon afwijken van de in artikel 3, lid 4, en artikel 5, lid 7, van de basisverordening duidelijk vastgestelde drempels door zich te baseren op de meer algemene beoordelingselementen van artikel 3, lid 3, van die verordening. Artikel 3, lid 4, van die verordening verwijst op geen enkele manier naar lid 3 van dat artikel.

41      Evenmin kan de Commissie zich beroepen op haar ruime beoordelingsbevoegdheid om ingewikkelde situaties op economisch, politiek en juridisch vlak te beoordelen. De vraag of de invoer uit een land hoger ligt dan 1 % van het marktaandeel is eenvoudig en binair.

42      De Commissie vergist zich bovendien door aan te nemen dat het „extra” volume van 0,04 % „geen rol” speelt. Het juridisch criterium is immers niet of het volume boven de strikte 1 %-drempel, zijnde 0,04 %, al dan niet een rol speelt, maar of invoer die overeenkomt met een marktaandeel van 1,04 % in zijn geheel als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Wanneer invoer die een marktaandeel van 1,04 % vertegenwoordigt en overeenkomt met meer dan 350 000 ton uitvoer voor een waarde van meer dan 120 miljoen EUR wordt verkocht tegen dumpingprijzen en tegen prijzen die 30 % lager liggen dan die van producenten in de Unie, zijn de gevolgen daarvan niet te verwaarlozen.

43      Als de Commissie wel over een beoordelingsbevoegdheid uit hoofde van artikel 3, lid 4, van de basisverordening beschikt om van de 1 %-drempel af te wijken, zou de bestreden verordening hoe dan ook zijn gebaseerd op twee volledig irrelevante factoren, en voorbijgaan aan andere elementen, zoals de dumping, het prijsbederf en de prijsonderbieding, die voor het vaststellen van de weerslag van de Servische invoer op de bedrijfstak van de Unie juist heel erg relevant zijn.

44      De verklaring dat de Servische producent-exporteur een „prijsvolger” was, houdt evenmin steek aangezien zij op geen enkele feitelijke grondslag stoelt. De bevindingen van de Commissie zijn immers uitsluitend gebaseerd op de gemiddelde prijs van de invoer van een groot assortiment producten, en niet op de prijzen van specifieke producten. Voor de vraag of de Servische producent-exporteur een „prijsvolger” dan wel een „prijsleider” was, dient te worden nagegaan op welk moment de exporteur zijn prijzen heeft verhoogd en verlaagd ten opzichte van de andere exporteurs. In de bestreden verordening wordt die analyse niet uitgevoerd.

45      Aangezien Servië slechts één enkele producent-exporteur telde terwijl er in twee van de vier andere landen meerdere waren, is het nog duidelijker dat de Commissie zich heeft vergist door zich op de gemiddelde prijs van de invoer te baseren. De Commissie had niet alleen de gemiddelde prijzen maar tevens de aan die gemiddelden ten grondslag liggende prijzen van de afzonderlijke exporteurs van de andere landen in aanmerking moeten nemen.

46      Bovendien was het wenselijker geweest een vergelijkende analyse van de prijsonderbieding uit te voeren, productcontrolenummer per productcontrolenummer (PCN per PCN), zoals de analyse die de Commissie heeft uitgevoerd voor de invoer uit de vier andere landen waarnaar onderzoek werd gedaan. Voor zover de Commissie in overweging 238 van de bestreden verordening heeft aangegeven dergelijke gegevens niet te hebben gebruikt „aangezien de berekeningen voor prijsonderbieding en prijsbederf slechts een indruk [gaven] tijdens het onderzoektijdvak en niet geschikt [waren] om de trend van de prijzen over een aantal jaren te vergelijken”, benadrukt verzoekster dat artikel 3, lid 3, van de basisverordening uitdrukkelijk bepaalt dat er „wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product [...] heeft plaatsgevonden”. Dienaangaande heeft de Commissie in haar beoordeling geen rekening gehouden met de hoge dumpingmarge van de Servische invoer (38,7 %).

47      Tegelijkertijd valt de door de Commissie in overweging 238 van de bestreden verordening aangehaalde reden (zie punt 46 hierboven) niet te verzoenen met de argumenten in de overwegingen 235 en 236 van die verordening waarin de Commissie zich juist op de gemiddelde prijzen tijdens het onderzoektijdvak baseert.

48      Daar komt nog bij dat in de bestreden verordening geen rekening wordt gehouden met de algemene toename van de invoer, die is gestegen van 0,48 % in 2013 tot 1,04 % tijdens het onderzoektijdvak.

49      De Commissie en interveniënte betwisten deze argumenten.

50      Volgens artikel 3, lid 4, van de basisverordening worden, wanneer de invoer van een product uit meer dan één land terzelfder tijd aan een antidumpingonderzoek wordt onderworpen, de gevolgen van deze invoer uitsluitend cumulatief beoordeeld, ten eerste, indien de dumpingmarge voor het uit elk land ingevoerde product meer dan minimaal is in de zin van artikel 9, lid 3, en de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet te verwaarlozen is en, ten tweede, indien een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke product uit de Unie, opportuun is.

51      In artikel 3, lid 4, van de basisverordening zijn dus drie voorwaarden opgenomen, te weten een meer dan minimale dumpingmarge, een niet te verwaarlozen ingevoerde hoeveelheid en passende concurrentieverhoudingen, waaraan telkens moet zijn voldaan opdat de invoer van een product uit meer dan één land die terzelfder tijd aan een antidumpingonderzoek wordt onderworpen, cumulatief zou kunnen worden beoordeeld. Het volstaat daarentegen dat aan een van die drie voorwaarden niet is voldaan om een cumulatieve beoordeling uit te sluiten.

52      In casu volgt uit de overwegingen 228 tot en met 240 van de bestreden verordening dat de bevinding van de Commissie dat de invoer uit Servië niet cumulatief met de invoer uit de vier andere landen diende te worden beoordeeld, op de volgende overwegingen berust:

–        de dumpingmarges voor de invoer uit de betrokken landen, waaronder Servië, lagen boven de minimumdrempel als bedoeld in artikel 9, lid 3, van de basisverordening;

–        het invoervolume uit Servië was aangemerkt als verwaarloosbaar;

–        de Servische uitvoerprijzen weken af van de uitvoerprijzen van de vier andere betrokken landen.

53      Wat in de eerste plaats het invoervolume uit Servië betreft, vloeit uit overweging 232 van de bestreden verordening voort dat dit volume als verwaarloosbaar in de zin van artikel 3, lid 4, van de basisverordening is aangemerkt gelet op het feit dat het invoervolume uit Servië is afgenomen van 427 558 ton in 2015 tot ongeveer 354 000 ton tijdens het onderzoektijdvak, wat overeenkomt met een marktaandeel van slechts 1,04 %.

54      In overweging 232 van de bestreden verordening staat het volgende te lezen:

„Het is de normale praktijk van de Commissie een marktaandeel als verwaarloosbaar te beschouwen wanneer dit onder de 1 %-drempel ligt zoals vastgesteld in de basisverordening in de fase van inleiding. De Commissie was in dit geval echter van mening dat 1,04 % nog steeds verwaarloosbaar is aangezien 0,04 % als niet ter zake dienend beschouwd moet worden. Zeker wanneer, in relatieve zin, de Servische invoerhoeveelheden aanzienlijk lager zijn dan de hoeveelheden van elk van de vier andere landen. Het Servische invoervolume was inderdaad bijna de helft van het volume van Brazilië, het op een na laagste land wat betreft invoervolume.”

55      In overweging 234 van de bestreden verordening, in antwoord op verzoeksters argument dat „de Servische uitvoer cumulatief beoordeeld moest worden met de invoer uit de vier andere landen gezien het feit dat de Servische uitvoer boven de 1 % de-minimisdrempel lag [en] er geen uitzondering [mag] worden gemaakt op de 1 %-drempel, hoe klein ook het percentage dat boven deze drempel uitstijgt” (overweging 233 van de bestreden verordening), heeft de Commissie daaraan toegevoegd:

„Het besluit om de invoer al dan niet cumulatief te beoordelen moet gebaseerd zijn op alle in artikel 3, lid 3, van de basisverordening aangegeven criteria. Artikel 3, lid 4, van de basisverordening kent aan geen van deze afzonderlijke criteria een bijzonder gewicht toe. Hoewel de invoer uit een land inderdaad niet kan worden gecumuleerd wanneer de omvang ervan verwaarloosbaar is, betekent het tegendeel hiervan niet dat de invoer ipso facto gecumuleerd moet worden. Voorts zijn in de basisverordening de drempels voor verwaarloosbaarheid niet specifiek vastgesteld. Hoewel artikel 5, lid 7, van de basisverordening kan dienen als richtsnoer voor de verwaarloosbare invoervolumes, zijn deze drempels niet met verwijzing opgenomen in artikel 3, lid 4. De formulering biedt de Commissie eerder de flexibiliteit ieder geval individueel te onderzoeken en er rekening mee te houden dat het ‚extra’ volume van 0,04 % geen rol speelt.”

56      Het invoervolume (in ton) en het marktaandeel (vastgesteld door vergelijking van de invoervolumes met het verbruik op de vrije markt van de Unie) voor Servië en de vier andere landen zijn opgenomen in tabel 3 van de bestreden verordening (zie overweging 232 daarvan).

57      Wat in de tweede plaats de in tabel 4 van de bestreden verordening opgenomen invoerprijzen betreft, heeft de Commissie in overweging 235 van die verordening erop gewezen dat „ook al daalden de gemiddelde Servische verkoopprijzen eveneens tijdens de beoordelingsperiode, hun gemiddelde verkoopprijs tijdens het onderzoektijdvak (365 EUR/ton) [...] de hoogste [was] tijdens het onderzoektijdvak en aanzienlijk hoger dan de gemiddelde verkoopprijzen voor Brazilië, Iran, Rusland en Oekraïne, die varieerden van 319 EUR/ton tot 346 EUR/ton”, en dat „de Servische gemiddelde verkoopprijzen [...] aanzienlijk hoger [waren] dan de gemiddelde verkoopprijzen van de vier andere betrokken landen”.

58      De Commissie heeft in overweging 236 van de bestreden verordening daaraan toegevoegd dat „de prijsbepaling, in combinatie met het te verwaarlozen volume, [suggereert] dat de Servische producent-exporteur eerder een prijsvolger dan een prijszetter voor het betrokken product [was]”. Volgens haar werd dat „ook geïllustreerd door het feit dat de prijsdaling van 2015 tot en met het onderzoektijdvak ook in relatieve zin lager [was], ten opzichte van de prijsdaling van de vier andere betrokken landen”.

59      Dienaangaande heeft de Commissie in het kader van de schriftelijke behandeling aangevoerd dat het eerste middel niet ter zake dienend moest worden verklaard aangezien verzoekster de bevinding waartoe zij op grond van de in de overwegingen 235 en 236 van de bestreden verordening toegelichte beoordeling onder artikel 3, lid 4, onder b), van de basisverordening was gekomen, niet heeft betwist en dat die bevinding volstaat om de bestreden verordening te rechtvaardigen gelet op het feit dat aan de drie voorwaarden van artikel 3, lid 4, van de basisverordening cumulatief moet worden voldaan.

60      Evenwel dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat, anders dan de Commissie eveneens in het kader van de schriftelijke behandeling heeft aangevoerd, het opschrift van het door verzoekster in casu aangevoerde eerste middel niet beperkt bleef tot artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, maar kortweg verwees naar artikel 3, lid 4, ervan. In de tweede plaats is het juist omdat verzoekster de beoordeling in de overwegingen 235 en 236 van die verordening betwist en daarnaast meent dat die beoordeling irrelevant is vanuit het oogpunt van artikel 3, lid 4, onder a) en b), van de basisverordening dat zij aanvoert dat in de bestreden verordening geen verschillende concurrentieverhoudingen worden vastgesteld tussen Servië en de vier andere betrokken landen of tussen de vijf landen en de Unie. In de derde plaats moet ten slotte worden opgemerkt dat de Commissie niet op een duidelijke en ondubbelzinnige manier heeft vastgesteld dat de cumulatieve beoordeling voor de invoer uit Servië gelet op de concurrentieverhoudingen niet opportuun was, terwijl zij dat voor de vier andere landen wel uiterst nauwkeurig heeft gedaan (zie overweging 241 van de bestreden verordening).

61      Voorts heeft de Commissie, in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting, toegegeven dat de door de exporteurs toegepaste prijzen eveneens een rol zouden kunnen spelen in het kader van het onderzoek van de tweede voorwaarde van artikel 3, lid 4, van de basisverordening (niet-verwaarloosbaar invoervolume); zij heeft verduidelijkt dat de overwegingen 235 en 236 van de bestreden verordening aldus eveneens kunnen worden opgevat als een „kwalitatieve” beoordeling die de in de overwegingen 232 tot en met 234 van die verordening uiteengezette „kwantitatieve” beoordeling van het verwaarloosbaar karakter van het invoervolume uit Servië versterkt, en het is in deze context dat zij heeft vastgesteld dat de grief strekkende tot afwijzing van het onderhavige middel op grond dat het niet ter zake dienend is „zonder voorwerp [is geraakt]”.

62      Derhalve is er geen reden om dit middel niet ter zake dienend te verklaren, maar dient integendeel de gegrondheid ervan te worden onderzocht en wel in de eerste plaats in het licht van de tweede voorwaarde van artikel 3, lid 4, van de basisverordening (niet te verwaarlozen ingevoerde hoeveelheid).

63      Dienaangaande dient ter inleiding te worden opgemerkt dat in tegenstelling tot in het eerste onderdeel van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, waarin de eerste voorwaarde (dumpingmarge) nauwgezet wordt vastgesteld onder verwijzing naar de minimumhoogte als bedoeld in artikel 9, lid 3, van die verordening, zijnde 2 %, in het tweede onderdeel van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, dat de tweede voorwaarde betreft, geen verwijzing is opgenomen en louter wordt vereist dat de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet „te verwaarlozen” is, zonder dat dit begrip meer in detail wordt omschreven.

64      Artikel 5, lid 7, van de basisverordening bepaalt inderdaad dat er geen procedures worden ingeleid tegen landen waarvan de invoer een marktaandeel van minder dan 1 % bedraagt, tenzij die landen samen ten minste 3 % van het verbruik in de Unie voor hun rekening nemen. Voorts heeft het Gerecht in het arrest van 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad (T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punten 104 en 105), inzake invoer die overeenkwam met een marktaandeel van 5,26 %, geoordeeld dat die bepaling juist ertoe strekt de omstandigheden te expliciteren waarin het aandeel van de invoer in het verbruik van de Unie te laag ligt om te kunnen aannemen dat de betrokken invoer aan de oorsprong ligt van dumping, en dat die bepaling en artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening derhalve complementair zijn.

65      Evenwel verwijst artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening met betrekking tot de tweede voorwaarde (niet te verwaarlozen ingevoerde hoeveelheid), zoals verzoekster overigens zelf erkent, op geen enkele manier naar artikel 5, lid 7, van die verordening of naar een andere bepaling ervan.

66      Daarnaast voert de Commissie terecht aan dat artikel 5, lid 7, van de basisverordening ziet op een ander stadium in het onderzoek dan artikel 3, lid 4, van die verordening. Artikel 5, lid 7, laatste zin, van die verordening bepaalt immers dat er in de in die bepaling aangegeven hypothese zelfs geen procedure wordt ingeleid. Artikel 3, lid 4, van die verordening heeft daarentegen betrekking op invoer waarnaar door de Commissie een onderzoek wordt gevoerd na de inleiding van de procedure (zie artikel 6, lid 1, van de betrokken verordening).

67      Artikel 5, lid 7, van de basisverordening kan dienen als richtsnoer voor verwaarloosbare invoervolumes, zoals de Commissie in overweging 234 van de bestreden verordening terecht heeft opgemerkt, maar dat betekent in het kader van artikel 3, lid 4, van die verordening dus nog niet dat invoer uit het betrokken land die overeenkomt met een marktaandeel van meer dan 1 % niet als verwaarloosbaar kan worden beschouwd.

68      In die context dient in herinnering te worden gebracht dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen en onder andere bij de vaststelling van de schade, volgens vaste rechtspraak over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. De rechter van de Unie dient bij zijn toetsing dan ook alleen na te gaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op basis waarvan de omstreden keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid [zie in die zin arrest van 18 september 2012, Since Hardware (Guangzhou)/Raad, T‑156/11, EU:T:2012:431, punten 134 en 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

69      In casu kwam het invoervolume uit Servië tijdens het onderzoektijdvak overeen met een marktaandeel van 1,04 % en benaderde het dus heel erg de situatie waarin de Commissie volgens artikel 5, lid 7, van de basisverordening in beginsel geen onderzoek mag openen (te weten „een marktaandeel van minder dan 1 %). Daarnaast volgt uit overweging 232 van de bestreden verordening dat het Servische invoervolume aanzienlijk lager lag dan de hoeveelheden van elk van de vier andere landen. Zoals uit dezelfde overweging blijkt, was het Servische invoervolume met name bijna de helft van het volume van Brazilië, het op een na laagste land wat betreft invoervolume.

70      In die omstandigheden, waarvan de materiële juistheid door verzoekster overigens niet wordt betwist, blijkt geenszins dat de Commissie een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, laat staan misbruik van bevoegdheid in de zin van de in punt 68 hierboven aangehaalde rechtspraak kan worden verweten.

71      Het klopt dat de Commissie in de in punt 37 hierboven vermelde toelichtende nota aan de WTO-instanties heeft verklaard dat, wat de voorwaarden voor een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer betreft, „[de Unie] de verwaarloosbaarheid van de invoervolumes [vaststelt] ten opzichte van artikel 5, lid 7, [van de basisverordening]” en dat „[m]et andere woorden de invoer [...] als verwaarloosbaar [wordt] beschouwd wanneer het marktaandeel ervan lager ligt dan 1 %, tenzij, in het geval van een onderzoek naar meerdere landen, die landen samen ten minste 3 % van het verbruik in de Unie voor hun rekening nemen”.

72      Voorts verwijst de Commissie in de praktijk, bij de toepassing van artikel 3, lid 4, van de basisverordening, regelmatig naar artikel 5, lid 7, van die verordening.

73      Behalve in de door verzoekster gegeven voorbeelden waarin de Commissie ofwel rechtstreeks aan artikel 5, lid 7, van de basisverordening heeft gerefereerd door erop te wijzen dat „het invoervolume van elk land [...] niet verwaarloosbaar [is] in de zin van [die bepaling]”, ofwel aan de 1 %-drempel van het verbruik in de Unie door erop te wijzen dat „het invoervolume van de twee hierboven vermelde producenten minimaal was gedurende het onderzoektijdvak: duidelijk minder dan 1 % van het verbruik in de Gemeenschap”, heeft de Commissie immers ook in een aantal andere zaken op dezelfde manier naar die bepaling verwezen [zie bijvoorbeeld, wat het eerst geval betreft, overweging 127 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/763 van de Commissie van 12 mei 2015 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van bepaalde gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Japan, de Republiek Korea, de Russische Federatie en de Verenigde Staten van Amerika (PB 2015, L 120, blz. 10), en overweging 217 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 384/96 van de Raad (PB 2009, L 352, blz. 1); wat het tweede geval betreft, overweging 76 van besluit 2006/781/EG van de Commissie van 15 november 2006 tot beëindiging van de antidumpingprocedure ten aanzien van de invoer van kathodestraalbuizen voor kleurentelevisietoestellen uit de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Maleisië en Thailand (PB 2006, L 316, blz. 18), en, wat het derde geval betreft, overweging 115 van uitvoeringsverordening (EU) 2019/576 van de Commissie van 10 april 2019 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht betreffende de invoer van mengsels van ureum en ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland, Trinidad en Tobago en de Verenigde Staten van Amerika (PB 2019, L 100, blz. 7), overweging 168 van uitvoeringsverordening (EU) 2017/141 van de Commissie van 26 januari 2017 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, al dan niet afgewerkt, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan (PB 2017, L 22, blz. 14), en overweging 109 van uitvoeringsverordening (EU) 2016/181 van de Commissie van 10 februari 2016 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde koudgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Russische Federatie (PB 2016, L 37, blz. 1)].

74      Daarnaast heeft de Commissie in andere gevallen weliswaar niet uitdrukkelijk naar artikel 5, lid 7, van de basisverordening verwezen, maar heeft zij niettemin verwezen naar een minimumomvang of -drempel, dus wellicht naar de in die bepaling opgenomen drempel [zie bijvoorbeeld overweging 89 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 585/2012 van de Raad van 26 juni 2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009, en tot beëindiging van de procedure van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Kroatië (PB 2012, L 174, blz. 5), en overweging 236 van verordening (EG) nr. 1256/2008 van de Raad van 16 december 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde gelaste buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Belarus, de Volksrepubliek China en Rusland, naar aanleiding van een procedure krachtens artikel 5 van verordening (EG) nr. 384/96, van oorsprong uit Thailand, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen krachtens artikel 11, lid 2, van die verordening, van oorsprong uit Oekraïne, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen krachtens artikel 11, lid 2, en een tussentijds nieuw onderzoek krachtens artikel 11, lid 3, van die verordening, en tot beëindiging van de procedures betreffende hetzelfde product van oorsprong uit Bosnië-Herzegovina en Turkije (PB 2008, L 343, blz. 1)].

75      De gevallen waarin de Commissie eenvoudigweg heeft vastgesteld dat het volume van de betrokken invoer niet verwaarloosbaar was in de zin van artikel 3, lid 4, van de basisverordening zonder te verwijzen naar artikel 5, lid 7, daarvan dan wel naar een minimumomvang of -drempel zijn daarentegen vrij zeldzaam, met name in haar recente praktijk [zie bijvoorbeeld overweging 105 van verordening (EG) nr. 1742/2000 van de Commissie van 4 augustus 2000 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van polyethyleentereftalaat (PET) uit India, Indonesië, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand (PB 2000, L 199, blz. 48); overweging 65 van verordening (EG) nr. 1472/2000 van de Commissie van 6 juli 2000 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van polyester stapelvezels uit India en de Republiek Korea (PB 2000, L 166, blz. 1), en overweging 32 van verordening (EG) nr. 178/98 van de Commissie van 23 januari 1998 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van kaliumpermanganaat van oorsprong uit India en Oekraïne (PB 1998, L 19, blz. 23)].

76      Zoals de Commissie terecht opmerkt, moet de rechtmatigheid van een verordening tot instelling van antidumpingrechten of, zoals in casu, tot beëindiging van de procedure zonder dat antidumpingrechten worden ingesteld, evenwel worden beoordeeld in het licht van de rechtsregels, met name de bepalingen van de basisverordening, en niet op grond van de vermeende eerdere besluitvormingspraktijk van de Commissie en de Raad [zie in die zin arrest van 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 107].

77      Wat de in punt 37 hierboven vermelde toelichtende nota betreft, heeft de Commissie eveneens terecht aangevoerd dat dit document niet kan worden bestempeld als richtsnoeren waaruit een zelfbeperking van haar beoordelingsbevoegdheid volgt in de zin van de in punt 138 van het arrest van 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie (T‑38/02, EU:T:2005:367), aangehaalde rechtspraak. Uit dat aan een WTO-comité gericht document volgt immers dat het niet de bedoeling van de Commissie was om de beoordelingsbevoegdheid waarover zij in het kader van de basisverordening beschikt, te beperken, maar eenvoudigweg om de WTO-instanties in kennis te stellen van haar gebruikelijke praktijk.

78      Aangezien de basisverordening bepaalt dat er onder de in artikel 5, lid 7, van die verordening opgenomen 1 %-drempel geen procedures worden ingeleid ingeval het onderzoek één enkel land betreft (artikel 5, lid 7, van die verordening) en de schade normaal als te verwaarlozen wordt beschouwd (artikel 9, lid 3, van die verordening), is het voorts logisch dat de Commissie die drempel hanteert als referentiepunt voor de beoordeling van het verwaarloosbaar karakter van het invoervolume in de zin van artikel 3, lid 4, van de betrokken verordening zonder evenwel te beweren dat die drempel in het kader van die bepaling van toepassing is.

79      Daarnaast blijkt uit twee van de drie handelingen waarop interveniënte in punt 28 van haar memorie in interventie heeft gewezen wel degelijk – ondanks dat die in een andere context zijn vastgesteld (herzieningsprocedure en onderzoek van het oorzakelijk verband) – dat de Commissie reeds bereid is geweest om invoer die overeenkomt met een marktaandeel van meer dan 1 % als gering, of zelfs als verwaarloosbaar, te beschouwen [zie met name de overwegingen 51, 52 en 79 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1342/2013 van de Raad van 12 december 2013 tot intrekking van de antidumpingmaatregelen op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels van oorsprong uit de Russische Federatie naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB 2013, L 338, blz. 1), en de overwegingen 162 tot en met 166 van verordening (EG) nr. 540/2002 van de Commissie van 26 maart 2002 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gelaste buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit Tsjechië, Polen, Thailand, Turkije en Oekraïne (PB 2002, L 83, blz. 3)].

80      Derhalve heeft de Commissie in casu zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken het standpunt kunnen innemen dat het invoervolume uit Servië nog steeds verwaarloosbaar was in de zin van artikel 3, lid 4, van de basisverordening, ook al was dat volume gestegen van 0,48 % in 2013 tot 1,04 % tijdens het onderzoektijdvak. Ofschoon uit artikel 3, lid 3, van die verordening voortvloeit dat er, wat de omvang van de invoer met dumping betreft, moet worden nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Unie, aanzienlijk is toegenomen, kan die toename in een geval waarin zij (zelfs wanneer zij relatief gezien aanzienlijk is) resulteert in een volume zoals in casu dat nog steeds verwaarloosbaar is, immers niet afdoen aan de rechtmatigheid van het besluit dat de Commissie op grond van artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening heeft genomen.

81      Daarnaast is de Commissie in overweging 248 van de bestreden verordening terecht ervan kunnen uitgaan dat het feit dat de Servische gemiddelde verkoopprijzen in het onderzoektijdvak aanzienlijk hoger waren dan de gemiddelde verkoopprijzen van de vier andere betrokken landen eveneens een aanwijzing was voor het feit dat dit lage invoervolume geen schade kon berokkenen aan de bedrijfstak van de Unie.

82      Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de vraag wat een verwaarloosbaar invoervolume is als bedoeld in artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening (dat voorwaarden verbindt aan de cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer van een uit meer dan één land afkomstig product dat terzelfder tijd aan een antidumpingonderzoek wordt onderworpen), niet alleen draait om de loutere omvang van dat volume (zelfs relatief gezien, ten opzichte van de Uniemarkt of de invoervolumes uit andere derde landen), maar zich uitstrekt tot de kwaliteit ervan, te weten de andere elementen die een indicatie geven van de gevolgen die dit volume kan teweegbrengen.

83      Vastgesteld dient evenwel te worden dat de Commissie, in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting, met recht en rede aanvoert dat wanneer de prijzen met betrekking tot de invoer uit een land waarvan het volume overeenkomt met een gering marktaandeel, hoog zijn, dat feit op zich het verwaarloosbaar karakter van dat volume kan staven, zonder dat die prijzen uitvoeriger dienen te worden geanalyseerd zoals in casu door verzoekster wordt gevraagd (zie punten 42‑44 hierboven).

84      Daaraan dient te worden toegevoegd dat in casu de prijzen met betrekking tot de invoer uit Servië gedurende het gehele onderzoektijdvak hoger lagen dan die van de vier andere landen (zie tabel 4 van de bestreden verordening).

85      In die omstandigheden dienen verzoeksters argumenten met betrekking tot de tweede voorwaarde (niet te verwaarlozen ingevoerde hoeveelheid) en, doordat de voorwaarden van artikel 3, lid 4, van de basisverordening cumulatief zijn, het eerste middel in zijn geheel, te worden afgewezen zonder dat in tweede instantie hoeft te worden nagegaan of de Commissie op basis van de in de overwegingen 235 en 236 van de bestreden verordening uiteengezette elementen eveneens tot de slotsom kon komen dat een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer niet opportuun was rekening houdend met de concurrentieverhoudingen als bedoeld in artikel 3, lid 4, onder b), van de basisverordening.

 Tweede middel: kennelijke beoordelingsfout en onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie van mening was dat beschermende maatregelen tegen de Republiek Servië niet „nodig” waren, zelfs niet op een niet-cumulatieve basis

86      Verzoekster voert aan dat zelfs in de veronderstelling dat de Commissie de invoer uit Servië terecht niet heeft gecumuleerd met die van de vier andere landen, zij had moeten nagaan of de invoer uit Servië met dumping op zich heeft bijgedragen aan aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie.

87      Volgens verzoekster dient artikel 9, lid 2, van die verordening, gelet met name op overweging 16 van de basisverordening, te worden uitgelegd in het licht van de algemene doelstelling van de antidumpingregeling van de Unie, die erin bestaat te voorkomen dat door dumpingpraktijken van producenten-exporteurs uit derde landen aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Unie wordt berokkend.

88      Aangezien volgens artikel 9, lid 3, van de basisverordening „[b]ij een overeenkomstig artikel 5, lid 9, [van die verordening] ingeleide procedure [...] de schade normaal als te verwaarlozen [wordt] beschouwd wanneer de betrokken invoer minder bedraagt dan de in artikel 5, lid 7, [van die verordening] aangegeven hoeveelheden” kan op grond van artikel 9, lid 3, van die verordening niet tot de slotsom worden gekomen dat invoer die net boven de in artikel 5, lid 7, van de betrokken verordening opgenomen 1 %-drempel ligt, in beginsel kan worden beschouwd als invoer die te verwaarlozen schade veroorzaakt. Daaruit kan enkel worden afgeleid dat invoer die te verwaarlozen is doordat hij onder die drempel ligt, al dan niet kan worden beschouwd als invoer die te verwaarlozen schade veroorzaakt.

89      Dienaangaande bevat artikel 3 van de basisverordening belangrijke aanwijzingen om schade vast te stellen. Verzoekster verklaart dat zij in haar opmerkingen over de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen van 4 augustus 2017 bovendien een onafhankelijke beoordeling van de schade met betrekking tot de invoer uit Servië had gevraagd.

90      Desondanks heeft de Commissie zich overhaast uitgesproken over de vraag of maatregelen tegen de Republiek Servië nodig waren. Zij heeft niet naar behoren onderzocht, zoals zij dat had moeten doen, of de invoer uit Servië op zich aan aanmerkelijke schade heeft kunnen bijdragen, rekening houdend met de verschillende beoordelingselementen in artikel 3 van de basisverordening, te weten de hoge dumpingmarge (38,7 %), de prijsonderbiedings‑ en prijsbederfgegevens en de globale toename van het invoervolume (gaande van 0,48 % in 2013 tot 1,04 % tijdens het onderzoektijdvak). Uit de overwegingen 240 en 248 van de bestreden verordening blijkt duidelijk dat de Commissie als enige reden voor haar bevinding dat geen enkele maatregel ten aanzien van de invoer uit Servië nodig was, aanvoert dat die invoer minimaal was bevonden. Dat houdt geen steek, aangezien die invoer overeenkwam met een marktaandeel van 1,04 %, wat hoger ligt dan de duidelijk vastgestelde 1 %-drempel.

91      Volgens verzoekster leveren de in die context vermelde gemiddelde prijzen in overweging 248 van de bestreden verordening slechts een onvolledig beeld op van de situatie, gelet op het feit dat de enige echte Servische producent in werkelijkheid verkocht tegen prijzen die vergelijkbaar waren met die van bepaalde andere producenten, die geacht werden schade aan de producenten in de Unie te hebben berokkend en waaraan de Commissie antidumpingrechten heeft opgelegd.

92      Het gegeven dat de Servische producent-exporteur mogelijkerwijs een „prijsvolger” was, is irrelevant. De schade is veroorzaakt door afspraken over prijzen die voor concurrerende producten de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderboden. Als de Servische prijzen daadwerkelijk de prijzen in de Unie onderboden, maakt het niet uit of de Servische producent de prijzen van de andere exporteurs (die dumpingprijzen hanteerden) volgde dan wel een prijsdaling veroorzaakte. In beide gevallen heeft de bedrijfstak van de Unie schade geleden. Wanneer er sprake is van dumping, schade en een oorzakelijk verband, is de Commissie verplicht op een niet-discriminerende wijze rechten op te leggen op alle invoer, ongeacht de oorsprong ervan. Zij kan niet staande houden, met name sinds de Servische producent onder controle is gekomen van een vennootschap in handen van de Volksrepubliek China, dat het probleem van de Servische prijzen door het instellen van maatregelen ten aanzien van de vier andere betrokken landen vanzelf zou zijn opgelost daar de Servische producent-exporteur een „prijsvolger” is.

93      Het feit dat de Servische invoer oppervlakkig en onvolledig is onderzocht, bevestigt de algemene overtuiging dat het besluit van de Commissie om de procedure wat Servië betreft te beëindigen, niet is ingegeven door de toepasselijke rechtsregels maar door andere overwegingen (van politieke aard) die in het kader van de op grond van de basisverordening uit te voeren analyse evenwel volledig irrelevant zijn. Bovendien houdt het feit dat er in de bestreden verordening geen andere gronden zijn opgenomen, een schending van artikel 296 VWEU in.

94      De Commissie, ondersteund door interveniënte, betwist die argumenten.

95      Volgens artikel 9, lid 2, eerste volzin, van de basisverordening wordt het onderzoek of de procedure beëindigd wanneer beschermende maatregelen niet nodig zijn.

96      Volgens artikel 9, lid 3, van de basisverordening, in de versie die van kracht was op de dag waarop de bestreden verordening is vastgesteld, wordt de schade bij een overeenkomstig artikel 5, lid 9, van die verordening ingeleide procedure normaal als te verwaarlozen beschouwd wanneer de betrokken invoer minder bedraagt dan de in artikel 5, lid 7, van die verordening aangegeven hoeveelheden. Deze procedure wordt onmiddellijk beëindigd indien wordt vastgesteld dat de dumpingmarge minder dan 2 % bedraagt, uitgedrukt als een percentage van de uitvoerprijs, met dien verstande dat wanneer de marge voor individuele exporteurs minder dan 2 % bedraagt enkel het onderzoek wordt beëindigd en de procedure op deze exporteurs van toepassing blijft en zij bij een latere herziening voor het betrokken land overeenkomstig artikel 11 van de basisverordening aan een nieuw onderzoek kunnen worden onderworpen.

97      In casu voert verzoekster in wezen aan dat het besluit om de procedure wat de invoer uit Servië betreft te beëindigen op een oppervlakkig en onvolledig onderzoek van die invoer is gebaseerd en daarnaast dat het ontbreken van andere gronden dan die in de overwegingen van de bestreden verordening, een schending van artikel 296 VWEU inhoudt.

98      Wat de grief inzake schending van artikel 296 VWEU betreft, blijkt uit vaste rechtspraak dat de door die bepaling vereiste motivering de redenering van de instelling van de Unie die de betwiste handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en derhalve voor hun rechten kunnen opkomen, en de Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad, T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99      Het is echter niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk en rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, daar bij de beoordeling van de motivering niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. De auteur van de handeling kan volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van de verordening van wezenlijk belang zijn (zie in die zin arrest van 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad, T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100    Meer in het bijzonder zijn de instellingen niet verplicht om ten aanzien van alle argumenten die de belanghebbenden bij hen hebben aangevoerd, een standpunt te bepalen, maar kunnen zij volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van het besluit van wezenlijk belang zijn (zie arrest van 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad, T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punt 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101    In casu wordt in overweging 240 van de bestreden verordening, die aansluit op de analyse van de dumpingmarges, invoervolumes uit Servië en Servische uitvoerprijzen, aangegeven dat „[d]e Commissie [...] daarom tot de conclusie [kwam] dat de invoer uit Servië niet cumulatief beoordeeld [moest] worden met de invoer uit de vier andere landen”, dat „[d]oordat de invoer uit Servië als minimaal bevonden [was], [...] er geen beschermende maatregelen nodig [waren] ten aanzien van de invoer van [warmgewalste platte producten] van oorsprong uit Servië”, en dat „[d]erhalve [...], overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de basisverordening, de procedure ten aanzien van de invoer uit Servië beëindigd [diende] te worden”.

102    In overweging 248, eerste streepje, van de bestreden verordening wordt voorts aangegeven dat „de omvang van de Servische invoer minimaal [werd] bevonden”, dat hij „[a]ls gevolg daarvan [...] te verwaarlozen [was], en [niet kon] [...] worden gesteld dat hij schade aan de bedrijfstak in de Unie [berokkende]”, en dat „[h]et feit dat de Servische gemiddelde verkoopprijzen in het onderzoektijdvak aanzienlijk hoger waren dan de gemiddelde verkoopprijzen van de vier andere betrokken landen [...] eveneens een aanwijzing [was] voor het feit dat dit lage invoervolume geen schade [kon] berokkenen aan de bedrijfstak van de Unie”.

103    Vastgesteld dient te worden dat uit de overwegingen 240 en 248 van de bestreden verordening duidelijk en ondubbelzinnig de redenering blijkt die de Commissie heeft gevolgd met betrekking tot de in artikel 9, lid 2, van de basisverordening bedoelde behoefte aan beschermende maatregelen ten aanzien van de invoer uit Servië.

104    De vraag of de Commissie louter op grond van de met name in de overwegingen 240 en 248 van de bestreden verordening vastgestelde elementen kon besluiten tot het beëindigen van de procedure met betrekking tot de invoer uit Servië dan wel of zij in dat kader andere elementen, zoals de (hoge) dumpingmarge, prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens en de globale toename van dat invoervolume, had moeten onderzoeken en dientengevolge ten aanzien van deze andere elementen die verordening met redenen had moeten omkleden, betreft de gegrondheid en dus het onderzoek van de grief betreffende een oppervlakkig en onvolledig onderzoek van die invoer, zoals in punt 97 hierboven is uiteengezet.

105    Bovendien dient erop te worden gewezen dat de Commissie in de overwegingen 237 tot en met 239 van de bestreden verordening uitdrukkelijk onderbouwt waarom prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens met betrekking tot de Servische producent-exporteur niet in aanmerking zijn genomen. Wat de dumpingmarges van die laatste en de globale toename van het invoervolume betreft, vloeit uit overweging 230 en tabel 3 van die verordening voort dat de Commissie zich bewust was van het feit dat die marges boven de in artikel 9, lid 3, van de basisverordening vastgestelde minimumdrempel lagen en dat zij daarnaast van die toename niet onwetend was.

106    Derhalve moet de grief inzake schending van artikel 296 VWEU worden afgewezen.

107    Wat de grief inzake een oppervlakkig en onvolledig onderzoek van de invoer uit Servië betreft, vloeit uit overweging 240 en artikel 2 van de bestreden verordening voort dat het besluit van de Commissie om de antidumpingprocedure betreffende de invoer uit Servië te beëindigen, is gebaseerd op artikel 9, lid 2, van de basisverordening en op het feit dat „de invoer uit Servië als minimaal bevonden is”.

108    In overweging 248 van de bestreden verordening heeft de Commissie daaraan toegevoegd dat het „feit dat de Servische gemiddelde verkoopprijzen in het onderzoektijdvak aanzienlijk hoger waren dan de gemiddelde verkoopprijzen van de vier andere betrokken landen [...] eveneens een aanwijzing [was] voor het feit dat dit lage invoervolume geen schade [kon] berokkenen aan de bedrijfstak van de Unie”.

109    Hoewel dat „oppervlakkig en onvolledig” kan lijken, met name wegens het feit dat het door de Commissie krachtens artikel 9, lid 2, van de basisverordening genomen besluit was gebaseerd op dezelfde elementen als die waarop haar krachtens artikel 3, lid 4, van die verordening genomen besluit was gebaseerd, betekent dat evenwel nog niet dat artikel 2 van de bestreden verordening onrechtmatig is, en wel om de volgende redenen.

110    Artikel 9, lid 2, van de basisverordening bepaalt dat het onderzoek of de procedure wordt beëindigd „wanneer beschermende maatregelen niet nodig zijn”, zonder de omstandigheden te specificeren waarin van die hypothese moet worden uitgegaan.

111    Derhalve wordt de Commissie in artikel 9, lid 2, van de basisverordening een bepaalde beoordelingsmarge gelaten.

112    Zoals in punt 68 hierboven reeds is aangegeven, blijkt voorts dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen en met name bij de vaststelling van de schade (die overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de basisverordening aanmerkelijk moet zijn), volgens vaste rechtspraak over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. De rechter van de Unie dient bij zijn toetsing dan ook alleen na te gaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op basis waarvan de omstreden keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.

113    Het klopt dat het besluit met betrekking tot de vraag of er in een specifiek geval al dan niet een antidumpingrecht moet worden ingesteld, in beginsel moet worden gebaseerd op een uitvoerige analyse van met name de vraag of er sprake is van dumping (artikel 2 van de basisverordening) en van schade (artikel 3 van die verordening).

114    Uit de tekst van de basisverordening vloeit evenwel voort dat een dergelijke uitvoerige analyse niet steeds vereist is en dat het nodig kan zijn een onderzoek of een procedure te beëindigen, onder andere louter op grond van de dumpingmarge of de invoervolumes. Overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de basisverordening worden de procedures immers onmiddellijk beëindigd indien wordt vastgesteld dat de dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de uitvoerprijs, minder dan 2 % bedraagt. Volgens diezelfde bepaling wordt de schade normaal als te verwaarlozen beschouwd wanneer de betrokken invoer minder bedraagt dan de in artikel 5, lid 7, van die verordening aangegeven hoeveelheden.

115    In casu vloeit ten eerste uit de overwegingen 240 en 248 van de bestreden verordening voort dat precies een van die elementen, te weten het invoervolume uit Servië, in de redenering van de Commissie een cruciale rol heeft gespeeld.

116    Ten tweede vloeit uit overweging 232 van de bestreden verordening voort dat het invoervolume uit Servië tijdens het onderzoektijdvak overeenkwam met een marktaandeel van 1,04 %.

117    Een marktaandeel van 1,04 % tijdens het onderzoektijdvak, waarvan de materiële juistheid door verzoekster niet wordt betwist, ligt heel dicht bij de drempel (van 1 %) waaronder de door de invoer uit een derde land veroorzaakte schade overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 7, van die verordening, normaal als te verwaarlozen wordt beschouwd.

118    Zoals in punt 108 hierboven reeds is aangegeven (zie ook de punten 57, 58 en 81 hierboven), vloeit uit de bestreden verordening (zie overwegingen 235, 236 en 248) bovendien voort dat de Servische gemiddelde verkoopprijzen hoger waren dan de gemiddelde verkoopprijzen van de vier andere betrokken landen en dat de Commissie zich dienaangaande op het standpunt heeft gesteld dat dit feit eveneens een aanwijzing was dat dit lage invoervolume geen schade kon berokkenen aan de bedrijfstak van de Unie.

119    Anders dan de loutere bewoordingen van overweging 240 van de bestreden verordening zouden kunnen laten uitschijnen, volgt daaruit dat de bevinding dat er geen behoefte aan beschermende maatregelen ten aanzien van de invoer uit Servië was, niet uitsluitend was gebaseerd op de „minimale” omvang van die invoer, maar wel op het samenspel tussen dat element en het in punt 118 hierboven uiteengezette element.

120    Vastgesteld dient te worden dat, om soortgelijke redenen als die welke in de punten 83 en 84 hierboven zijn uiteengezet, de Commissie op grond van dat samenspel rechtsgeldig tot de slotsom kon komen dat er geen behoefte was aan beschermende maatregelen ten aanzien van invoer waarvan het volume weliswaar hoger lag dan de in artikel 9, lid 3, van de basisverordening opgenomen drempel, maar nog steeds, zoals in casu, dicht bij die drempel lag.

121    In die omstandigheden is niet aangetoond dat de Commissie de beoordelingsmarge waarover zij in het kader van de toepassing van artikel 9, lid 2, van de basisverordening beschikt, heeft overschreden.

122    Derhalve dienen de grief betreffende een oppervlakkig en onvolledig onderzoek van de invoer uit Servië en, dientengevolge, het tweede middel in zijn geheel, ongegrond te worden verklaard.

 Derde middel: schending van artikel 20, lid 2, van de basisverordening, schending van verzoeksters recht op informatie en rechten van verdediging, alsook schending van het in artikel 41 van het Handvest verankerde recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie heeft geweigerd de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens voor de Servische exporteur mee te delen

123    Ter inleiding benadrukt verzoekster dat in artikel 3, lid 3, van de basisverordening is aangegeven dat prijsonderbieding een element is waarmee ter beoordeling van de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen rekening moet worden gehouden, wat samenhangt met de vaststelling van de schade. Prijsonderbieding en prijsbederf zijn dus relevante elementen ter beantwoording van de vraag of tegen de Republiek Servië geen maatregelen „nodig” waren als bedoeld in artikel 9, lid 2, van die verordening.

124    Verzoekster wijst erop dat zij herhaaldelijk om mededeling van de dienstige elementen heeft verzocht, te weten op 10 april 2017, naar aanleiding van het informatiedocument waarin wordt aangegeven dat de procedure tegen de Servische Republiek kon worden beëindigd op grond dat de Servische producent-exporteur een „prijsvolger” was, op 2 mei 2017, in het kader van haar opmerkingen over dat informatiedocument, en op 30 mei 2017, in een e-mail aan het team dat bij de Commissie verantwoordelijk was voor het dossier. Zij benadrukt dat zij op 7 augustus 2017, in haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen, haar argument heeft herhaald dat het uitsluiten van de Servische Republiek rechtens niet gerechtvaardigd was op grond dat de invoer uit Servië niet minimaal was daar die boven de wettelijk vastgelegde 1 %-drempel lag, en dat de Commissie geen bewijs had verstrekt tot staving van haar vaststelling dat de Servische producent-exporteur een „prijsvolger” was, welke vaststelling de reden was om de procedure tegen de Servische Republiek te beëindigen.

125    Voorts voert verzoekster aan dat de raadadviseur-auditeur het tijdens de hoorzitting van 4 mei 2017 eens was met haar verzoek om mededeling van de berekeningen van de schademarges en van de „Servische onderbieding”. In het rapport met betrekking tot de hoorzitting van 27 juli 2017 wordt overigens aangegeven dat „wat de uitsluiting van de [Servische Republiek] betreft, [...] de raadadviseur-auditeur niet de redenen [heeft] kunnen achterhalen waarom de prijsonderbiedingsgegevens voor Servië niet zijn meegedeeld, terwijl die gegevens de bedrijfstak zouden helpen begrijpen waarom dat besluit is genomen”.

126    Desondanks heeft de Commissie gedurende de hele procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, systematisch geweigerd om de betrokken elementen mee te delen.

127    De in overweging 238 van de bestreden verordening opgenomen reden ter rechtvaardiging van de weigering om de berekening van de „Servische onderbieding” mee te delen, houdt om twee redenen geen steek.

128    Ten eerste kan de mededeling van de gemiddelde prijzen niet in de plaats komen van de prijsonderbiedingsgegevens. Prijsonderbieding vindt plaats op productbasis (PCN per PCN), waardoor prijzen nauwgezet kunnen worden vergeleken. Uit de in overweging 235 van de bestreden verordening gepresenteerde hogere gemiddelde prijzen kan evenwel ofwel blijken dat de prijsonderbieding en het prijsbederf van de Servische invoer minder erg was dan die van de invoer uit de vier andere landen, ofwel dat de Servische uitvoer een ruimere bandbreedte vertoonde, wat niet is bewezen aangezien de gevraagde analyse van de prijsonderbieding en het prijsbederf niet is meegedeeld. Het is onmogelijk te weten of de Commissie soortgelijke producten heeft vergeleken zonder over een fijnmazigere uitsplitsing van de vergelijking per productsoort te beschikken.

129    Ten tweede is de reden waarom de Commissie tijdens het onderzoek geen aandacht heeft besteed aan de prijsonderbieding niet te verzoenen met de redenering in de overwegingen 235 en 236 van de bestreden verordening, waarin die instelling zich juist op de gemiddelde prijzen in het onderzoektijdvak baseert om ten onrechte tot de slotsom te komen dat het Servische invoervolume verwaarloosbaar was en dat de Servische producent-exporteur een „prijsvolger” was.

130    Voorts kan de Commissie niet op goede gronden stellen dat het niet nodig was de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens vrij te geven daar zij die gegevens niet in aanmerking heeft genomen. Dat standpunt maakt de rechten van de verdediging inhoudsloos, ofschoon de eerbiediging van die rechten in het kader van onderzoeksprocedures inzake antidumping van vitaal belang is. Volgens verzoekster kan een analogie worden getrokken met de onderzoeken in mededingingszaken waarin de Unierechter heeft geoordeeld dat het niet aan de Commissie stond om als enige uit te maken of de betrokken onderneming op grond van de documenten kon worden gedisculpeerd. Het beginsel van procedurele gelijkheid en de wijze waarop dit in mededingingszaken tot uitdrukking komt, namelijk het feit dat de Commissie en de verdediging in gelijke mate over informatie dienen te beschikken, vereisen dat de onderneming waarnaar onderzoek wordt gevoerd de bewijskracht van de documenten kan beoordelen.

131    Volgens verzoekster zou de mededeling van de betrokken informatie en een onpartijdig onderzoek van die informatie een ander resultaat hebben opgeleverd. Zij meent dat zij, als zij kennis had kunnen nemen van de berekeningen van de „Servische onderbieding”, de bewering dat de producent-exporteur een „prijsvolger” was had kunnen weerleggen door aan te tonen dat de door hem aan de bedrijfstak van de Unie veroorzaakte schade niet te verwaarlozen was in de zin van artikel 9, lid 3, van de basisverordening. Zij betoogt dat zij van die informatie gebruik had kunnen maken om bij de Commissie doorslaggevende argumenten aan te dragen en daarbij aan te voeren dat de voorgenomen benadering geen hout sneed en op grond van de bewijselementen in het niet-vertrouwelijke dossier niet te rechtvaardigen was.

132    Verzoekster voegt daaraan toe dat zij eveneens de andere lidstaten van haar bezorgdheid in kennis had kunnen stellen. Overigens moet er volgens haar ook nog op worden gewezen dat die lidstaten bezwaren zonder voorgaande hebben geuit ten aanzien van het voorstel van de Commissie in de onderhavige zaak, dat aanvankelijk door het overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité met een gekwalificeerde meerderheid was verworpen.

133    De Commissie en interveniënte betwisten die argumenten.

134    Volgens artikel 20, lid 2, van de basisverordening kunnen in de in lid 1 van dat artikel genoemde partijen, waaronder de klagers, om definitieve mededeling verzoeken van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen of de beëindiging van een onderzoek of procedure zonder maatregelen aan te bevelen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de mededeling van feiten of overwegingen die afwijken van die waarop de voorlopige maatregelen zijn gebaseerd.

135    In casu vloeit uit de overwegingen 228 tot en met 240 (en 248) van de bestreden verordening voort dat de bevinding van de Commissie dat de invoer uit Servië niet cumulatief met de invoer uit de vier andere landen diende te worden beoordeeld en dat de procedure wat de invoer uit Servië betreft moest worden beëindigd, is gebaseerd op de drie in punt 52 hierboven opgenomen overwegingen.

136    Uit het bij het Gerecht ingediende dossier blijkt dat verzoekster van die overwegingen in kennis is gesteld zowel op 4 april 2017, aan de hand van het informatiedocument (zie punten 129‑137 van dat document, dat aan het dossier is toegevoegd als bijlage A.30 bij het verzoekschrift), als op 17 juli 2017, in het kader van de mededeling van de definitieve bevindingen (zie punten 188‑195 van de mededeling van de definitieve bevindingen, die aan het dossier is toegevoegd als bijlage A.31 bij het verzoekschrift), en dat zij tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt over het bestaan en de relevantie van die overwegingen op zinvolle wijze kenbaar te maken (zie met name overwegingen 23, 24 en 32 van de bestreden verordening).

137    Hieruit volgt dat verzoekster overeenkomstig artikel 20, lid 2, van de basisverordening in kennis is gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan was overwogen aan te bevelen om de procedure met betrekking tot de invoer uit Servië zonder maatregelen te beëindigen, dat zij in de gelegenheid is gesteld haar standpunt op zinvolle wijze kenbaar te maken en dat derhalve haar rechten van verdediging in casu zijn geëerbiedigd.

138    Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet inhoudt dat de instellingen van de Unie verplicht zijn zich achter het standpunt van de betrokkene te scharen. Om zijn standpunt op zinvolle wijze kenbaar te maken, volstaat het immers dat de betrokkene dat standpunt te zijner tijd kan meedelen, zodat de instellingen van de Unie er kennis van kunnen nemen en met de nodige aandacht kunnen beoordelen of het relevant is voor de inhoud van de handeling die in de fase van vaststelling is [zie in die zin arrest van 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

139    Bovendien volgt uit het voorgaande dat de Commissie de procedure met betrekking tot de invoer uit Servië op grond van enkel de in punt 52 hierboven opgenomen overwegingen heeft kunnen beëindigen zonder een fout te begaan.

140    Het argument dat verzoekster ontleent aan analogie met de rechtspraak op het gebied van de mededinging, meer bepaald het arrest van 29 juni 1995, ICI/Commissie (T‑36/91, EU:T:1995:118), dient te worden afgewezen. Het Gerecht heeft in punt 111 van dat arrest geoordeeld dat „het niet aan de Commissie staat om uit te maken of de in het kader van de instructie van de onderhavige zaken in beslag genomen documenten de betrokken ondernemingen disculpeerden”, dat „[h]et beginsel van procedurele gelijkheid en de wijze waarop dit in mededingingszaken tot uitdrukking komt, namelijk dat de Commissie en de verdediging in gelijke mate over informatie dienen te beschikken, vereisten dat verzoekster de bewijskracht kon beoordelen van de van [de betrokken onderneming] afkomstige documenten die de Commissie niet bij de mededeling van de punten van bezwaar had gevoegd” en dat niet kon worden aanvaard dat „de Commissie over de inbreuk heeft beslist terwijl zij als enige beschikte over de [betrokken] stukken [...], en dus als enige kon beslissen om deze al dan niet te gebruiken tot staving van de inbreuk, terwijl verzoekster er geen toegang toe had en dus niet de overeenkomstige beslissing kon nemen om de stukken al dan niet voor haar verdediging te gebruiken”.

141    Uit de rechtspraak blijkt inderdaad dat de vereisten inzake eerbiediging van de rechten van de verdediging niet alleen gelden bij procedures die tot de oplegging van sancties kunnen leiden, maar ook bij onderzoeksprocedures die voorafgaan aan de vaststelling van antidumpingverordeningen, die de betrokken ondernemingen rechtstreeks en individueel kunnen raken en nadelige gevolgen voor hen kunnen hebben. In het bijzonder betekent de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de belanghebbende ondernemingen in het kader van de mededeling aan hen van de informatie in de loop van de onderzoeksprocedure dat deze ondernemingen tijdens deze procedure in staat moeten worden gesteld om op doeltreffende wijze hun standpunt kenbaar te maken over het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en over het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade (zie arrest van 10 april 2019, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie, T‑301/16, EU:T:2019:234, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

142    In casu bevinden verzoekster noch overigens haar leden zich evenwel in een soortgelijke situatie als die van een onderneming die riskeert een sanctie of antidumpingrecht opgelegd te krijgen. Hieruit volgt dat zij niet met vrucht argumenten kan ontlenen aan de door haar aangevoerde rechtspraak.

143    Wat de vermeende schending van het beginsel van behoorlijk bestuur betreft, volgt uit vaste rechtspraak dat de Commissie tijdens een administratieve procedure inzake beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Unie, de grondrechten van de Unie – waaronder het in artikel 41 van het Handvest verankerde recht op behoorlijk bestuur – moet eerbiedigen. Volgens de rechtspraak betreffende het beginsel van behoorlijk bestuur is het, wanneer de instellingen van de Unie over een beoordelingsmarge beschikken, van des te fundamenteler belang dat de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen in acht worden genomen. Een van die waarborgen is de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie in die zin arrest van 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad, T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punt 189 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

144    In de punten 113 en 114 hierboven is er reeds op gewezen dat ofschoon het besluit met betrekking tot de vraag of in een specifiek geval al dan niet een antidumpingrecht moet worden ingesteld, in beginsel dient te worden gebaseerd op een uitvoerige analyse van met name de vraag of er sprake is van dumping (artikel 2 van de basisverordening) en van schade (artikel 3 van die verordening), een dergelijke uitvoerige analyse niet steeds vereist is en dat het nodig kan zijn een onderzoek of een procedure te beëindigen, onder andere louter op grond van de dumpingmarge of de invoervolumes.

145    In casu vloeit uit het onderzoek van het tweede middel voort dat de Commissie terecht heeft besloten de procedure met betrekking tot de invoer uit Servië te beëindigen uitsluitend op grond van de invoervolumes en de gegevens met betrekking tot de gemiddelde verkoopprijzen, zonder de prijsonderbiedings- en prijsbederfgegevens te onderzoeken.

146    Derhalve dient te worden vastgesteld dat de Commissie alle relevante gegevens van de onderhavige zaak heeft onderzocht en het beginsel van behoorlijk bestuur dus niet heeft geschonden.

147    Derhalve dient ook het derde middel te worden afgewezen.

148    Aan die slotsom kan niet worden afgedaan door de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarges voor de Servische Republiek waarvan verzoekster de overlegging vraagt. Dat verzoek dient dus eveneens te worden afgewezen.

149    Derhalve dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan.

 Kosten

150    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

151    Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en interveniënte te worden verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten van deze laatsten.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Eurofer, Association Européenne de l’Acier, AISBL, zal haar eigen kosten dragen, alsook die van de Europese Commissie en HBIS Group Serbia Iron & Steel LLC Belgrade.

Collins

Barents

Passer

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 maart 2020.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.