ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)

19 mei 2021 (*)

„Dumping – Invoer van bepaalde gietijzeren producten van oorsprong uit China – Definitief antidumpingrecht – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Vereniging – Procesbevoegdheid – Procesbelang – Vaststelling van de schade – Berekening van de omvang van de invoer – Macro‑ en micro-economische indicatoren – Steekproeven – Berekening van de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie – Binnen een concern gefactureerde prijzen – Oorzakelijk verband – Analyse van toerekening en van niet-toerekening – Geen gesegmenteerde schadeanalyse – Beoordeling van het belang van prijsonderbieding – Vertrouwelijke behandeling van informatie – Rechten van verdediging – PCN-methode per PCN – Vergelijkbaarheid van de producten – Berekening van de normale waarde – Referentieland – Correctie voor btw – Vaststelling van de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten alsmede de winsten”

In zaak T‑254/18,

China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products, gevestigd te Peking (China), en de andere verzoekende partijen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I(1), vertegenwoordigd door R. Antonini, E. Monard en B. Maniatis, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en P. Němečková als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door:

EJ Picardie, gevestigd te Saint-Crépin-Ibouvillers (Frankrijk), en de andere interveniërende partijen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage II(2), vertegenwoordigd door U. O’Dwyer, B. O’Connor, solicitors, en M. Hommé, advocaat,

interveniëntes,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2018/140 van de Commissie van 29 januari 2018 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde gietijzeren producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde gietijzeren producten van oorsprong uit India (PB 2018, L 25, blz. 6), voor zover zij betrekking heeft op verzoeksters,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise, P. Nihoul (rapporteur), R. Frendo en J. Martín y Pérez de Nanclares, rechters,

griffier: E. Artemiou, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 juni 2020,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 31 oktober 2016 is bij de Europese Commissie een klacht ingediend op grond van artikel 5 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisverordening”), opdat zij een antidumpingprocedure zou inleiden betreffende de invoer van bepaalde gietijzeren producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Republiek India.

2        Deze klacht is ingediend door zeven producenten in de Europese Unie, te weten Fondatel Lecomte SA, Fonderies Dechaumont SA, Fundiciones de Odena, SA, Heinrich Meier Eisengießerei GmbH & Co. KG, Saint-Gobain Construction Products UK Ltd, Saint-Gobain PAM SA en Ulefos Oy (hierna: „klagers”). De klacht werd gesteund door twee producenten in de Unie, te weten EJ Picardie en Montini SpA.

3        De Commissie heeft bij bericht gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 10 december 2016 (PB 2016, C 461, blz. 22) een antidumpingprocedure betreffende de betrokken invoer ingeleid.

4        Het onderzochte product bestond uit „bepaalde producten van gietijzer met bladvormig grafiet (grijs gietijzer) of gietijzer met bolgrafiet (ook bekend als nodulair gietijzer) en delen daarvan […] van de soort die wordt gebruikt voor […] het afdekken van installaties op of onder de grond en/of openingen tot installaties op of onder de grond, alsmede het toegankelijk maken van installaties op of onder de grond en/of zicht mogelijk maken in installaties op of onder de grond” (hierna: „betrokken product”).

5        Het onderzoek van de dumping en de daaruit voortvloeiende schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die voor de schadebeoordeling relevant zijn, had betrekking op de periode van 1 januari 2013 tot het einde van het onderzoektijdvak (hierna: „beoordelingsperiode”).

6        Op 16 augustus 2017 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2017/1480 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde gietijzeren producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2017, L 211, blz. 14; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld. De Commissie heeft voorlopig geen dumping vastgesteld met betrekking tot invoer uit de Republiek India.

7        Aan het einde van de antidumpingprocedure heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2018/140 van 29 januari 2018 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde gietijzeren producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde gietijzeren producten van oorsprong uit India (PB 2018, L 25, blz. 6; hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld.

8        De China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products (hierna: „CCCME”) is een vereniging naar Chinees recht, waarvan onder meer Chinese producenten-exporteurs van het betrokken product lid zijn. De CCCME heeft deelgenomen aan de administratieve procedure die heeft geleid tot vaststelling van de bestreden verordening.

9        De andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I zijn negen Chinese producenten-exporteurs, waarvan er twee door de Commissie zijn geselecteerd voor de steekproef van Chinese producenten-exporteurs voor het onderzoek.

 Procedure en conclusies van partijen

10      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 april 2018, hebben verzoeksters, te weten de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I, het onderhavige beroep ingesteld. Het verweerschrift, de repliek en de dupliek zijn neergelegd op respectievelijk 22 augustus 2018, 12 november 2018 en 23 februari 2019.

11      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 juli 2018, hebben EJ Picardie en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage II, verzocht in de onderhavige zaak te mogen interveniëren aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van 24 oktober 2018 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan.

12      Op 13 december 2018 hebben interveniëntes een memorie in interventie neergelegd ter griffie van het Gerecht. Verzoeksters en de Commissie hebben op 24 januari 2019 hun opmerkingen aangaande deze memorie ingediend.

13      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vierde kamer, waaraan de onderhavige zaak hernieuwd is toegewezen.

14      Op voorstel van de Vierde kamer heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering de zaak naar een uitgebreide kamer verwezen.

15      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer – uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, schriftelijke vragen gesteld aan partijen en de Commissie verzocht een bepaald stuk over te leggen. Partijen hebben deze vragen en dit verzoek om overlegging van een bepaald stuk binnen de gestelde termijn beantwoord.

16      Partijen hebben pleidooi gehouden ter terechtzitting van 29 juni 2020.

17      Verzoeksters verzoeken het Gerecht:

–        de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover die op hen alsook op de in bijlage A.2 genoemde leden van de CCCME van toepassing is;

–        de Commissie en interveniëntes te verwijzen in de kosten.

18      Verzoeksters verzoeken het Gerecht tevens bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten dat de Commissie berekeningen en brongegevens betreffende de omvang van de invoer, de schade en de dumpingmarge van de Chinese en Indiase producenten-exporteurs overlegt.

19      De Commissie, daarin ondersteund door interveniëntes, vordert:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren;

–        meer subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid

20      Ondersteund door interveniëntes heeft de Commissie meerdere middelen van niet-ontvankelijkheid tegen het bij het Gerecht ingestelde beroep aangevoerd, betreffende:

–        het ontbreken van duidelijkheid en nauwkeurigheid van het verzoekschrift (eerste, primair aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid);

–        de onmogelijkheid voor de CCCME om in eigen naam en in naam van haar leden in rechte op te treden (tweede en derde, subsidiair aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid);

–        de niet-ontvankelijkheid van het beroep voor zover het is ingesteld door de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I (vierde, eveneens subsidiair aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid).

21      Deze middelen van niet-ontvankelijkheid worden in onderstaande punten geanalyseerd.

 Ontbreken van duidelijkheid en nauwkeurigheid van het verzoekschrift

22      Primair betoogt de Commissie, in haar eerste middel van niet-ontvankelijkheid, dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk is, op grond dat het verzoekschrift niet voldoet aan de in artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering gestelde minimumvereisten van duidelijkheid en nauwkeurigheid, omdat niet kan worden achterhaald welke vorderingen in het verzoekschrift zijn ingesteld door elk van de entiteiten die beroep instellen tegen de bestreden verordening, doordat zij zijn gegroepeerd onder de noemer „verzoeksters”.

23      In dit verband zij eraan herinnerd dat, krachtens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van hetzelfde Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht, en krachtens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, het verzoekschrift onder meer de naam van de verzoekende partij en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen dient te bevatten.

24      Deze onderdelen dienen zo duidelijk en precies te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder bijkomende informatie (arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑444/11, EU:T:2014:773, punt 93).

25      In casu betoogt de Commissie niet dat verzoeksters niet naar behoren geïdentificeerd zijn of dat de middelen niet voldoende duidelijk zijn, maar voert zij aan dat verzoeksters in hun beroep niet hebben gepreciseerd welke middelen door elk van hen zijn aangevoerd, terwijl die precisering noodzakelijk is om de invloed van hun status op de ontvankelijkheid van de aangevoerde middelen te beoordelen.

26      In dit verband moet worden opgemerkt dat, anders dan de Commissie aanvoert, de wezenlijke elementen betreffende het verband tussen verzoeksters en de aangevoerde middelen uit het verzoekschrift blijken.

27      In punt 1 van het verzoekschrift wordt namelijk gepreciseerd dat het beroep wordt ingesteld door ten eerste wat bepaalde verzoeken betreft de CCCME voor eigen rekening, ten tweede de CCCME voor rekening van haar leden en ten derde negen Chinese producenten-exporteurs die op eigen titel en zonder tussenkomst van de CCCME handelen.

28      Uit die presentatie vloeit voort dat enkel het verzoek tot nietigverklaring dat de CCCME voor eigen rekening heeft ingediend, beperkt is.

29      De omvang van het beroep dat door de CCCME voor eigen rekening is ingesteld, is blijkens punt 5 van het verzoekschrift gericht op de waarborging van de procedurele rechten waarover zij beschikt, met dien verstande dat zij zich in dat kader beroept op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, van de rechten van verdediging en van enkele bepalingen van de basisverordening, namelijk artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1 tot en met 3, en artikel 20, leden 2 en 4.

30      Anders dan de Commissie aanvoert, kan derhalve op basis van het verzoekschrift een verband worden vastgesteld tussen de middelen en de verzoeksters die deze aanvoeren.

31      Hieruit vloeit voort dat de Commissie bij het voeren van haar verweer rekening kon houden met de invloed van de verschillen in status van verzoeksters op de ontvankelijkheid van de middelen en op die punten kon concluderen en dat het Gerecht op zijn beurt zijn controle met volledige kennis van zaken kan uitoefenen, in overeenstemming met de in punt 24 hierboven genoemde rechtspraak.

32      In deze omstandigheden moet het eerste middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.

 Ontvankelijkheid van het beroep zoals door de CCCME in eigen naam ingesteld

33      In haar beroep merkt de CCCME op dat zij in eigen naam in rechte optreedt ter waarborging van de procedurele rechten die haar tijdens het onderzoek op grond van de basisverordening zijn toegekend.

34      Volgens de Commissie, ondersteund door interveniëntes, is het beroep in dit verband niet-ontvankelijk, omdat de CCCME geen vereniging is die het belang van haar leden vertegenwoordigt, maar een orgaan van de Volksrepubliek China. Daardoor kan zij zich niet beroepen op de procedurele rechten die bij de basisverordening aan representatieve verenigingen en belanghebbenden zijn toegekend, en moet haar in het kader van die verordening de status van vertegenwoordigster van het land van uitvoer worden verleend, die haar hoogstens een recht op informatie toekent.

35      Ter onderbouwing van dat standpunt, dat subsidiair wordt aangevoerd en het tweede middel van niet-ontvankelijkheid van het beroep vormt, leggen de Commissie en interveniëntes de volgende elementen voor.

36      Ten eerste blijkt uit artikel 4 van de statuten van de CCCME, waarin wordt bepaald dat zij onder het toezicht, het beheer en de professionele begeleiding van het ministerie van Burgerzaken en het Chinese ministerie van Handel handelt, dat de CCCME een werkgroep van de Chinese regering is, en geen handelsvereniging.

37      Ten tweede komt de algemene vergadering van de leden van de CCCME slechts eens in de vijf jaar bijeen, zoals is vastgelegd in artikel 16 van haar statuten, terwijl die vergadering wordt gepresenteerd als het hoogste orgaan van de groep en in die hoedanigheid wordt geacht over de in artikel 14 van die statuten opgesomde bevoegdheden te beschikken.

38      Ten derde zijn de Chinese kamers van koophandel het resultaat van een reorganisatie van overheidsinstellingen en de Chinese communistische partij. Hun rol van verlengstuk van de partij en de overheidsinstanties is bij die reorganisatie evenwel niet fundamenteel gewijzigd. Hun gedrag wordt nog steeds bepaald door de overheid, zodat zij niet over de onafhankelijkheid beschikken die nodig is om als representatieve verenigingen te kunnen worden beschouwd.

39      Ten vierde wordt de CCCME geleid door het nationale bureau dat overeenkomstig de Chinese wetgeving inzake verenigingen bevoegd is voor het beheer van verenigingen, met als gevolg dat zij geen enkel initiatief kan nemen en geen standpunt kan verdedigen zonder voorafgaande toestemming van de Volksrepubliek China.

40      Ten vijfde blijkt het bestaan van nauwe banden met het Chinese ministerie van Handel uit de tussenkomst van een adjunct-directeur van dat ministerie bij een vergadering die op 9 december 2016 door de CCCME werd gehouden met het oog op een analyse van het onderzoek dat toen door de Commissie was gepland en dat tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid. De Commissie benadrukt dat deze tussenkomst, die wordt bevestigd in een proces-verbaal van die vergadering dat door verzoeksters is overgelegd, bevestigt dat de deelname van de CCCME aan het onderzoek voor de Volksrepubliek China een manier vormde om toe te zien op het verloop daarvan. Ter uitoefening van dat toezicht is de CCCME systematisch aanwezig geweest bij de controlebezoeken van de functionarissen van de Commissie aan de hoofdkantoren van de Chinese producenten-exporteurs. Deze producenten-exporteurs stuurden de CCCME overigens een kopie van alle met de Commissie uitgewisselde e‑mails, zelfs als zij geen lid waren van de CCCME.

41      Interveniëntes betogen dat de CCCME, op instructie van de Volksrepubliek China, een strategie hanteert die tot doel heeft de legitimiteit van de door de Unie en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) getroffen handelsbeschermingsmaatregelen te ondermijnen. Dit blijkt uit het feit dat de CCCME in het onderhavige geding twee fundamentele veranderingen bepleit, namelijk ten eerste dat de door het Gerecht uitgeoefende toetsing van de wettigheid van de bestreden verordening wordt uitgebreid en ten tweede dat de vertrouwelijke gegevens in het door de Commissie samengestelde onderzoeksdossier volledig toegankelijk worden gemaakt.

42      Ten zesde voeren interveniëntes aan dat de CCCME zichzelf op haar internetsite presenteert als een organisatie die tot doel heeft de nationale markteconomie te corrigeren en te reguleren. In diezelfde geest merken zij op dat er binnen de CCCME een werkgroep voor zelfregulering van de bedrijfstak is ingesteld om schadelijke concurrentie tussen Chinese ondernemingen op het gebied van buitenlandse handel en het construeren van buitenlandse markten te voorkomen.

43      Ten zevende tonen de door verzoeksteres overgelegde verklaringen aan dat de 19 ondernemingen in naam waarvan de CCCME stelt in rechte op te treden, tijdens het onderzoek geen lid van de CCCME waren maar dat pas in december 2017 en januari 2018 zijn geworden. In deze omstandigheden kan de CCCME niet suggereren dat zij daadwerkelijk een representatieve vereniging van die leden is. Bovendien worden gietijzeren producten op de internetsite van de CCCME niet genoemd als bedrijfstak die zij vertegenwoordigt.

44      Om een standpunt in te nemen moet in herinnering worden gebracht dat de Unierechter, wanneer hem een bezwaar tegen de ontvankelijkheid van een beroep of een gedeelte van een beroep wordt voorgelegd, tot taak heeft te bepalen of is voldaan aan de vereisten die in de rechtspraak inzake dat soort bezwaren zijn gesteld.

45      In casu blijkt uit de rechtspraak dat, om na te gaan of de CCCME in eigen naam beroep kan instellen, moet worden gecontroleerd of zij ten eerste procesbevoegdheid en ten tweede een procesbelang heeft, beide vereist krachtens artikel 263 VWEU (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

–       Procesbevoegdheid

46      Wat de procesbevoegdheid betreft, wordt in artikel 263, vierde alinea, VWEU bepaald dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon onder de in de eerste en de tweede alinea van die bepaling vastgestelde voorwaarden beroep kan instellen tegen handelingen die tot hem zijn gericht of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen.

47      Aangezien de bestreden verordening niet tot de CCCME is gericht, moet worden vastgesteld of zij zich, voor zover zij tracht haar procedurele belangen te waarborgen door in eigen naam beroep in te stellen, kan baseren op de tweede in artikel 263, vierde alinea, VWEU genoemde situatie, namelijk de situatie waarin de verzoekende partij kan aantonen dat de bestreden handeling haar ten eerste individueel en ten tweede rechtstreeks raakt.

48      Deze twee vereisten (individuele geraaktheid en rechtstreekse geraaktheid) worden achtereenvolgens in onderstaande punten onderzocht.

49      Volgens de rechtspraak veronderstelt de individuele geraaktheid dat de bestreden handeling de verzoekende partij betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert en haar derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een dergelijk besluit (arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232).

50      Het feit dat een natuurlijke persoon of een rechtspersoon op enigerlei wijze intervenieert in de procedure die leidt tot de vaststelling van een bestreden handeling, volstaat niet om die persoon te individualiseren ten opzichte van de betrokken handeling (zie in die zin arresten van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie, 191/82, EU:C:1983:259, punt 31; 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie, T‑47/00, EU:T:2002:7, punt 55, en 9 juni 2016, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad, T‑276/13, EU:T:2016:340, punt 81).

51      De individuele geraaktheid kan daarentegen als vaststaand worden beschouwd wanneer in het Unierecht wordt bepaald dat voor de vaststelling van een Uniehandeling een procedure moet worden gevolgd waarin die natuurlijke of rechtspersoon procedurele rechten kan opeisen, zoals het recht te worden gehoord, waarbij de specifieke rechtspositie van die natuurlijke of rechtspersoon tot gevolg heeft dat hij wordt geïndividualiseerd in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU (zie in die zin arresten van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie, 191/82, EU:C:1983:259, punt 31; 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie, T‑47/00, EU:T:2002:7, punt 55, en 9 juni 2016, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad, T‑276/13, EU:T:2016:340, punt 81).

52      In dit verband moet worden onderzocht of de auteur van de bestreden verordening tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling daarvan, aan CCCME procedurele rechten heeft toegekend die zij kan trachten te beschermen door zich in eigen naam tot de Unierechter te wenden.

53      In het kader van dat onderzoek moet worden vastgesteld dat CCCME van de Commissie op grond van artikel 6, lid 7, van de basisverordening op verzoek toestemming heeft gekregen voor toegang tot het onderzoeksdossier, welke toestemming op 16 december 2016 is verleend.

54      Bijgevolg heeft de Commissie CCCME overeenkomstig artikel 20, lid 1, van de basisverordening de door haar vastgestelde voorlopige conclusies verstrekt, hetgeen volgens het dossier op 17 augustus 2017 heeft plaatsgevonden. De CCCME heeft op 15 september 2017 schriftelijke opmerkingen over de voorlopige conclusies ingediend.

55      Naderhand, op 8 november 2017, heeft de CCCME overeenkomstig artikel 20, lid 2, van de basisverordening de definitieve conclusies ontvangen, waarin de Commissie overwoog definitieve maatregelen aan te bevelen.

56      Op 20 november 2017 heeft de CCCME over deze definitieve conclusies schriftelijke opmerkingen ingediend, waarop de Commissie heeft gereageerd, zoals in overweging 9 van de bestreden verordening is beschreven.

57      Ten slotte heeft de Commissie de CCCME het recht toegekend twee keer deel te nemen aan een gehoor in het kader van het onderzoek, overeenkomstig artikel 6, lid 5, van de basisverordening, dat in die mogelijkheid voorziet voor natuurlijke of rechtspersonen die binnen de termijn die in het in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte bericht is vastgesteld een daartoe strekkend schriftelijk verzoek indienen, waarin zij aantonen dat zij daadwerkelijk belanghebbenden zijn, voor wie de resultaten van de procedure vermoedelijk consequenties zullen hebben en dat zij geldige redenen hebben om te worden gehoord.

58      Uit die onderdelen van de procedure blijkt dat de CCCME tijdens de gehele administratieve procedure door de Commissie is beschouwd als belanghebbende aan wie de in de basisverordening genoemde procedurele rechten moeten worden toegekend.

59      Van de erkenning van die status en van de rechten die daaruit voortvloeien voor de CCCME is akte genomen in de bestreden verordening, waarin de Commissie in overweging 25 heeft opgemerkt dat die kamer, op grond van het in de basisverordening bepaalde, moest worden beschouwd als belanghebbende die in het bijzonder de Chinese bedrijfstak van de gietstukken vertegenwoordigt.

60      Op basis daarvan moet worden vastgesteld dat de CCCME tijdens de administratieve procedure dus door de Commissie is geïndividualiseerd en derhalve voldoet aan de in de rechtspraak gestelde vereisten om wat betreft het in haar naam ingestelde beroep om haar procedurele rechten te waarborgen, te worden beschouwd als individueel geraakt door de bestreden verordening.

61      Die conclusie wordt betwist door de Commissie en interveniëntes, die, zonder in twijfel te trekken dat tijdens het onderzoek op grond van de basisverordening aan de CCCME procedurele rechten en een specifieke status zijn toegekend, aanvoeren dat die situatie in feite berust op een vergissing. Bij de voorbereiding van haar verweer voor het Gerecht heeft de Commissie zich gerealiseerd dat de status en procedurele rechten waarin de basisverordening voorziet, in feite niet aan de CCCME konden worden toegekend, aangezien zij een orgaan van de Volksrepubliek China is. De erkenning van een dergelijke vergissing, zelfs in het stadium van het beroep bij de rechter, moet volgens de Commissie de niet-ontvankelijkheid van het door de CCCME in eigen naam ingestelde beroep met zich brengen.

62      In reactie op dat argument moet ten eerste in herinnering worden gebracht dat de Unierechter, indien aan hem een bezwaar tegen de ontvankelijkheid is voorgelegd, dient te onderzoeken of aan de vereisten in het Verdrag is voldaan en dat uit dat onderzoek is gebleken dat dit in casu inderdaad het geval was.

63      Ten tweede moet worden opgemerkt dat de argumentatie van de Commissie neerkomt op de suggestie dat de rechtspositie die zij op grond van de basisverordening aan de CCCME heeft toegekend voor het onderhavige beroep buiten beschouwing moet worden gelaten, op grond dat die positie het gevolg was van een aan haar toerekenbare vergissing.

64      Een dergelijke vergissing, als die al wordt aangetoond, kan evenwel niet ongedaan maken wat tijdens de administratieve procedure is erkend en toegekend, temeer daar de auteur van een bestreden handeling de mogelijkheid heeft vergissingen die hij in het kader van de vaststelling daarvan heeft begaan, te corrigeren. Zo kan die auteur, wanneer hij zich van de vergissing bewust wordt, besluiten de erkende procedurele rechten en de erkende status aan de belanghebbende te ontnemen, onverminderd de mogelijkheid voor de belanghebbende om de Unierechter dan te verzoeken de geldigheid van het aldus genomen besluit te toetsen (zie in die zin arrest van 27 januari 2000, BEUC/Commissie, T‑256/97, EU:T:2000:21, punten 27 en 84). Indien de vergissing wordt ontdekt na beëindiging van de administratieve procedure, zoals in casu volgens de door de Commissie aangevoerde argumentatie het geval is, behoudt de auteur van de betrokken verordening de mogelijkheid deze in te trekken en de procedure weer op te nemen op het punt waarop de vergissing is begaan en deze te corrigeren (zie in die zin arrest van 16 maart 2016, Frucona Košice/Commissie, T‑103/14, EU:T:2016:152, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wederom onverminderd de mogelijkheid voor de belanghebbende om het hem betreffende besluit te betwisten.

65      Hieruit volgt dat het door de Commissie met ondersteuning van interveniëntes aangevoerde argument moet worden afgewezen.

66      Voor zover nodig moet erop worden gewezen dat de Commissie tevens aanvoert dat de CCCME, gesteld dat zij aan de basisverordening ontleende procedurele rechten kan opeisen, als representatieve vereniging in de zin van die verordening, en niet als belanghebbende in de zin van die verordening moet worden erkend. De status van representatieve vereniging geeft toegang tot procedurele rechten die beperkter zijn dan de procedurele rechten die belanghebbenden ter beschikking staan, met als gevolg dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot bepaalde door de CCCME ingeroepen procedurele rechten die door de basisverordening enkel aan de belanghebbenden worden toegekend.

67      In reactie op dat argument volstaat het op te merken dat die door de Commissie gegeven voorstelling van de CCCME niet overeenstemt met hetgeen is vermeld in de bestreden verordening, waarvan de motivering in het onderhavige beroep in aanmerking moet worden genomen.

68      In de bestreden verordening heeft de Commissie immers ondubbelzinnig de status van de CCCME als belanghebbende erkend, zoals is opgemerkt in punt 59 hierboven. Zo heeft zij in overweging 25 gesteld:

„[D]e Commissie [was] van mening dat het niet-vertrouwelijke dossier van de zaak dat ter beschikking was gesteld van de partijen, met inbegrip van de CCCME, alle gegevens bevatte die relevant waren voor de presentatie van hun gevallen en gebruikt waren in het onderzoek. Als de informatie als vertrouwelijk werd beschouwd, bevatte het niet-vertrouwelijke dossier zinvolle samenvattingen daarvan. Alle belanghebbenden, met inbegrip van de CCCME, hadden toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier en konden het raadplegen. Met betrekking tot de CCCME merkte de Commissie op dat, hoewel de kamer onder meer de Chinese bedrijfstak van de gietstukken vertegenwoordigt, zij van geen enkele individuele in de steekproef opgenomen producent-exporteur toestemming had om toegang te verkrijgen tot de vertrouwelijke informatie daarvan. Derhalve kon de vertrouwelijke informatie die naar de individuele in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs was toegestuurd, niet aan de CCCME worden verstrekt.”

69      Zoals uit de punten 53 tot en met 58 hierboven blijkt, heeft de Commissie de CCCME tijdens de procedure bovendien zowel procedurele rechten toegekend die uitdrukkelijk worden voorbehouden aan representatieve verenigingen, zoals die welke zijn verankerd in artikel 20, leden 1 en 2, van de basisverordening en het mogelijk maken informatie te verkrijgen over de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan voorlopige maatregelen zijn ingesteld of op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen aan te bevelen, als andere procedurele rechten die op grond van die verordening zonder onderscheid worden verleend aan alle belanghebbenden, zoals het recht te worden gehoord op grond van artikel 6, lid 5.

70      Gelet op het voorafgaande moet worden geoordeeld dat de CCCME voldoet aan de vereisten om te worden beschouwd als individueel geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, onverminderd de mogelijkheid voor de Commissie om de CCCME in de toekomst in voorkomend geval de status en waarborgen in kwestie te weigeren en de mogelijkheid voor de betrokken entiteit om in dat geval dat besluit voor de Unierechter te betwisten.

71      Aangezien daarmee de individuele geraaktheid is vastgesteld, moet worden onderzocht of de CCCME tevens als rechtstreeks geraakt kan worden beschouwd, waarvoor de volgende voorwaarden cumulatief moeten worden vervuld.

72      Ten eerste moet de bestreden handeling rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de verzoekende partij (arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 66).

73      Ten tweede moet de bestreden handeling aan degenen tot wie deze handeling is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de Unierechtelijke regeling voortvloeit, zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 66).

74      Deze voorwaarden worden in casu vervuld, aangezien de CCCME de eerbiediging van haar procedurele rechten enkel kan waarborgen indien zij de mogelijkheid heeft de bestreden verordening te betwisten.

75      Aangezien de CCCME dus niet alleen individueel maar ook rechtstreeks wordt geraakt, moet worden vastgesteld dat zij in eigen naam procesbevoegd is om de bescherming van haar procedurele rechten te waarborgen (zie in die zin arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punten 101‑109).

76      Ter afronding van de analyse wordt opgemerkt dat de Commissie in haar verweerschrift heeft aangevoerd dat de CCCME geen rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU is. Ter terechtzitting heeft zij evenwel, nadat zij de door verzoeksters verstrekte stukken met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid van de CCCME naar Chinees recht had bestudeerd, van dit middel van niet-ontvankelijkheid afgezien, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

–       Procesbelang

77      Wat betreft het procesbelang preciseert de rechtspraak dat een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring alleen ontvankelijk is indien de verzoekende partij belang heeft bij nietigverklaring van de bestreden handeling (arrest van 10 december 2010, Ryanair/Commissie, T‑494/08–T‑500/08 en T‑509/08, EU:T:2010:511, punt 41; beschikkingen van 9 november 2011, ClientEarth e.a./Commissie, T‑120/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:646, punt 46, en 30 april 2015, EEB/Commissie, T‑250/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:274, punt 14).

78      In dit verband moet worden opgemerkt dat nietigverklaring van de bestreden verordening de Commissie zou dwingen de antidumpingprocedure te heropenen en, indien zij van mening zou zijn dat is voldaan aan de voorwaarden die daartoe in de basisverordening zijn opgenomen, de CCCME toe te staan zich te mengen in de procedure door overeenkomstig de basisverordening naar haar opmerkingen te vragen.

79      Aangezien een nietigverklaring dergelijke effecten kan hebben, zou zij rechtsgevolgen kunnen sorteren voor de in eigen naam optredende CCCME.

80      In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de CCCME het procesbelang heeft dat nodig is om in eigen naam het onderhavige beroep in te stellen.

 Ontvankelijkheid van het beroep zoals dat door de CCCME in naam van haar leden is ingesteld en ontvankelijkheid van de tot staving van dit beroep aangevoerde argumenten

81      In haar derde, eveneens subsidiair aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid betwist de Commissie aan de hand van vier argumenten de mogelijkheid voor de CCCME om namens haar leden beroep in te stellen.

–       Geen representatief karakter

82      Ondersteund door interveniëntes betoogt de Commissie dat het recht op toegang tot de rechter, dat aan verenigingen wordt toegekend wanneer zij in naam van hun leden in rechte optreden, in de rechtspraak wordt voorbehouden aan verenigingen met een representatief karakter. In de rechtstraditie van de lidstaten wordt met deze term verwezen naar het karakter van een privaatrechtelijke entiteit die de collectieve belangen van haar leden, zoals zij deze op democratische wijze binnen die entiteit hebben bepaald, kan behartigen. Volgens de Commissie ontbreekt dit representatieve karakter bij de CCCME, die moet worden beschouwd als een orgaan van de Volksrepubliek China en dus niet in aanmerking kan komen voor toepassing van de rechtspraak in kwestie.

83      In dit verband moet worden opgemerkt dat een vereniging volgens de rechtspraak met name beroep tot nietigverklaring kan instellen wanneer zij de belangen behartigt van ondernemingen die zelf een ontvankelijk beroep hadden kunnen instellen (beschikking van 23 november 1999, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, T‑173/98, EU:T:1999:296, punt 47, en arrest van 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad, T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509, punt 33).

84      De mogelijkheid voor een vereniging om in naam van haar leden in rechte op te treden, berust op het belangrijke voordeel van die wijze van procederen, namelijk dat aldus kan worden voorkomen dat de leden van de vereniging die hun belangen vertegenwoordigt een groot aantal beroepen tegen dezelfde handelingen instellen (zie in die zin arresten van 6 juli 1995, AITEC e.a./Commissie, T‑447/93–T‑449/93, EU:T:1995:130, punt 60; 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad, T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509, punt 35, en 30 april 2019, UPF/Commissie, T‑747/17, EU:T:2019:271, punt 25).

85      Uit de in punt 84 hierboven aangehaalde rechtspraak vloeit voort dat het voor de verwezenlijking van dit voordeel slechts noodzakelijk is dat ten eerste de betrokken vereniging optreedt in naam van haar leden (die op hun beurt een ontvankelijk beroep hadden kunnen instellen, hetgeen later moet worden nagegaan) en ten tweede deze vereniging volgens haar statuten bevoegd is beroep in te stellen.

86      In dit verband moet worden nagegaan of deze twee voorwaarden wat de CCCME betreft als vervuld kunnen worden beschouwd.

87      Wat de eerste voorwaarde betreft, moet worden vastgesteld dat de CCCME, ten bewijze van hun lidmaatschap, het Gerecht voor elk van de ondernemingen in naam waarvan het beroep is ingesteld een document heeft verstrekt waaruit dit lidmaatschap blijkt.

88      Wat de tweede voorwaarde betreft, kan worden opgemerkt dat het doel van die vereniging in de door de CCCME overgelegde statuten zodanig wordt omschreven dat dit een rechtsvordering om de belangen van haar leden te beschermen tegen handelsbeschermingsmaatregelen kan omvatten.

89      Deze vaststelling is gebaseerd op artikel 3 van de statuten van de CCCME, waarin het doel van de vereniging wordt omschreven als „haar leden coördinatie, advies en service verstrekken; een gelijk speelveld tegen protectionisme in stand houden; de legitieme rechten en belangen van haar leden waarborgen; en de gezonde ontwikkeling van de mechanische en de elektronische bedrijfstak bevorderen”.

90      Deze vaststelling is tevens gebaseerd op artikel 6, leden 4, 5 en 9, van de statuten, waarin aan de CCCME de bevoegdheid wordt verleend om „ondernemingen te organiseren voor het beheer van rechtszaken op het gebied van handelsmaatregelen en van gedingen op het gebied van intellectuele eigendom betreffende uitvoer naar het buitenland van mechanische en elektronische producten uit China, de leden juridisch advies en juridische ondersteuning te bieden, de regering te verzoeken om onderzoeken in te stellen naar oneerlijke mededingingspraktijken van buitenlandse ondernemingen[,] het opstellen van voorschriften voor de diensten van de bedrijfstak te organiseren, de zelfregulering van de bedrijfstak te bevorderen[,] de normale handelsorde voor in‑ en uitvoer, alsook de gemeenschappelijke belangen van de leden in stand te houden […] en al naargelang de behoeften van de leden andere werkzaamheden te verrichten”.

91      Voor zover nodig kan worden opgemerkt dat het doel van de CCCME in haar statuten in vergelijkbare bewoordingen wordt beschreven als de bewoordingen die worden gebruikt in de statuten van de verzoekende verenigingen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association (C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punten 60‑63), waarin het Hof heeft geoordeeld dat voor die verenigingen was voldaan aan de voorwaarde van procesbevoegdheid.

92      Derhalve moet worden vastgesteld dat in casu is voldaan aan de twee in de rechtspraak genoemde voorwaarden voor een vereniging om in naam van haar leden beroep in te stellen.

93      Dat standpunt wordt evenwel op twee punten betwist door de Commissie en interveniëntes.

94      In de eerste plaats merken interveniëntes op dat de door de CCCME overgelegde verklaringen ten bewijze van het lidmaatschap van de ondernemingen die beweren bij haar organisatie te zijn aangesloten, zijn opgesteld kort voordat het beroep werd ingesteld, terwijl dat lidmaatschap niet was aangetoond tijdens de administratieve fase die tot vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid.

95      Om in aanmerking te kunnen komen voor toepassing van de rechtspraak op grond waarvan verenigingen in naam van hun leden mogen optreden, moet volgens hen evenwel worden aangetoond dat er sprake is van vertegenwoordiging gedurende de gehele procedure, met inbegrip van de administratieve fase, aangezien de vertegenwoordiging anders kunstmatig zou zijn en uitsluitend zou zijn gerelateerd aan de instelling van het beroep.

96      In dit verband volstaat het in herinnering te brengen dat de erkenning van een vorderingsrecht voor verenigingen in naam van hun leden volgens de rechtspraak is gebaseerd op een procedurele reden die verband houdt met de goede rechtsbedeling, namelijk het voordeel dat ontstaat als alle vorderingen die anders door de betrokken ondernemingen zouden zijn ingesteld in één beroep worden gebundeld (zie punt 84 hierboven), en dat de vereniging in naam van haar leden een beroep kan instellen, ook wanneer de vertegenwoordiging niet de gehele procedure, met inbegrip van de administratieve fase, dekt.

97      In casu is er inderdaad sprake van een dergelijk voordeel, omdat door het in naam van haar leden door de CCCME ingestelde beroep kan worden voorkomen dat elk van haar leden in wier naam zij in rechte optreedt, een vordering instelt. Daarnaast staat vast dat de ondernemingen voor rekening waarvan de CCCME in rechte optreedt op de datum waarop het beroep werd ingesteld inderdaad lid van die vereniging waren.

98      In de tweede plaats merkt de Commissie, daarin ondersteund door interveniëntes, op dat er door het arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association (C‑465/16 P, EU:C:2019:155), naast de twee hierboven onderzochte voorwaarden nog een derde voorwaarde is geïntroduceerd, die verband houdt met het representatieve karakter van de betrokken vereniging in de zin van de rechtstraditie die de lidstaten gemeen hebben.

99      In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof in het arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association (C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punten 120‑125), heeft geoordeeld dat het ontbreken van een stemrecht of enig ander middel voor de ondernemingen om hun belangen binnen een vereniging te kunnen doen gelden er niet aan in de weg stond dat die vereniging in naam van haar leden beroep instelde.

100    Het arrest van 9 juni 2016, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad (T‑276/13, EU:T:2016:340), waarmee het Gerecht in eerste aanleg een extra voorwaarde had toegevoegd aan de hierboven bestudeerde voorwaarden en had geoordeeld dat de verenigingen die stelden in naam van hun leden in rechte op te treden enkel over een vorderingsrecht beschikten indien er sprake was van een stemrecht of een ander middel dat die leden in staat stelde hun mening binnen de organisatie kenbaar te maken, is op die grond door het Hof vernietigd.

101    Derhalve moet worden voorbijgegaan aan de uitlegging van het arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association (C‑465/16 P, EU:C:2019:155), van de Commissie en interveniëntes, die inhoudt dat op het recht van verenigingen om in naam van hun leden in rechte op te treden een aanvullende voorwaarde van toepassing is die verband houdt met het representatieve karakter van de betrokken vereniging in de zin van de rechtstraditie die de lidstaten gemeen hebben.

102    Bovendien kan worden opgemerkt dat de Uniewetgever blijk heeft gegeven van een zeker realisme door in de antidumpingregelgeving rekening te houden met de situatie waarin de invoer met dumping afkomstig is uit een land zonder markteconomie. Zo worden in artikel 2 van de basisverordening verschillende voorschriften genoemd om de normale waarde te bepalen, naargelang de producenten-exporteurs al dan niet in een land met een markteconomie zijn gevestigd.

103    Indien een voorwaarde van representativiteit wordt gesteld voor een rechtspersoon die zich presenteert als vereniging, moet bij de beoordeling of die voorwaarde wordt vervuld rekening worden gehouden met ten eerste de bijzonderheden van het derde land waar die rechtspersoon vandaan komt en ten tweede het feit dat in geval van een staat zonder markteconomie de overheidsinstanties sterker ingrijpen in het functioneren en de werkzaamheden van de ondernemingen of de verenigingen die op zijn grondgebied opereren.

104    Op basis van die overwegingen moet het eerste argument dat door de Commissie en interveniëntes is aangevoerd tegen de ontvankelijkheid van het in naam van haar leden door de CCCME ingestelde beroep worden afgewezen.

–       Aard van de bestreden verordening

105    De Commissie betoogt, nog steeds om de mogelijkheid te betwisten dat de CCCME in naam van haar leden in rechte optreedt, dat de aard van de bestreden verordening in de weg staat aan toepassing van de rechtspraak inzake de ontvankelijkheid van door verenigingen ingestelde beroepen op geschillen over handelsbeschermingsmaatregelen.

106    Volgens de Commissie bevat de bestreden verordening een samenstel van besluiten die elk een specifieke producent-exporteur betreffen. Aangezien de effecten van een eventuele nietigverklaring van die verordening enkel ten goede kunnen komen aan de producent-exporteur die beroep heeft ingesteld, is het om redenen van rechtszekerheid van essentieel belang de ondernemingen die via de in hun naam in rechte optredende verenging om die nietigverklaring verzoeken, te identificeren. Op grond van de mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie inzake gerechtelijke procedures die bij het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn aangebracht, is die identificatie niet mogelijk wanneer een beroep in naam van haar leden door een verenging wordt ingesteld.

107    In dit verband moet worden opgemerkt dat op grond van de rechtspraak niet kan worden uitgesloten dat een vereniging het recht heeft in naam van haar leden in rechte op te treden in geval van geschillen over handelsbeschermingsmaatregelen (zie in die zin arresten van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punt 126; 21 maart 2012, Fiskeri og Havbruksnæringens Landsforening e.a./Raad, T‑115/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:136, punt 29, en 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad, T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509, punt 63).

108    Ook in casu is sprake van de procedurele voordelen die door de rechtspraak aan dit soort beroepen worden toegekend, omdat de verordeningen waarbij antidumpingrechten zijn ingesteld van invloed kunnen zijn op een groot aantal producenten-exporteurs die in die handelingen worden genoemd of betrokken waren bij het onderzoek dat aan de vaststelling ervan is voorafgegaan.

109    Het is juist dat wanneer een verordening uiteenlopende antidumpingrechten oplegt, een enkele van de ondernemingen die voorwerp zijn van die verordening slechts individueel wordt geraakt door de bepalingen ervan die haar een bijzonder antidumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet door de bepalingen waarbij antidumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd (arrest van 10 maart 1992, Ricoh/Raad, C‑174/87, EU:C:1992:108, punt 7).

110    Zo brengt een beroep tot nietigverklaring van een verordening die antidumpingrechten oplegt, indien het wordt toegewezen, nietigverklaring van die verordening met zich mee voor zover daarin een antidumpingrecht aan de verzoekende partij is opgelegd, en tast deze nietigverklaring niet de geldigheid aan van de andere onderdelen van die verordening, met name niet van het antidumpingrecht dat van toepassing is op de andere handelaren (zie in die zin arrest van 15 februari 2001, Nachi Europe, C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 27).

111    Het volstaat evenwel vast te stellen dat de producenten-exporteurs in naam waarvan de CCCME in rechte optreedt, 19 Chinese producenten-exporteurs zijn die in bijlage A.2 van het onderzoek zijn geïdentificeerd als Hebei Cheng’An Babel Casting Co. Ltd, Shanxi Jiaocheng Xinglong Casting Co. Ltd, Tianjin Jinghai Chaoyue Industrial and Commercial Co. Ltd, Qingdao Jiatailong Industrial Co. Ltd, Qingdao Jinfengtaike Machinery Co. Ltd, Shahe City Fangyuan Casting Co. Ltd, Shandong Heshengda Machinery Technology Co. Ltd, Baoding Shuanghu Casting Co. Ltd, Tang County Kaihua Metal Products Co. Ltd, Weifang Nuolong Machinery Co. Ltd, Laiwu Xinlong Weiye Foundry Co. Ltd, Handan Zhangshui Pump Manufacturing Co. Ltd, Zibo Joy’s Metal Co. Ltd, Dingxiang Sitong Forging and Casting Industrial, Jiaocheng County Honglong Machinery Manufacturing Co. Ltd, Laiwu City Haitian Machinery Plant, Lianyungang Ganyu Xingda Casting Foundry, Rockhan Technology Co. Ltd en Botou GuangTai Precision Casting Factory.

112    Hieruit volgt dat overeenkomstig de in punt 110 hierboven genoemde rechtspraak uitsluitend die leden kunnen profiteren van een nietigverklaring indien het in hun naam door de CCCME ingestelde beroep door het Gerecht wordt toegewezen.

113    Om die reden moet het tweede argument dat door de Commissie is aangevoerd tegen de ontvankelijkheid van het in naam van haar leden door de CCCME ingestelde beroep worden afgewezen.

–       Niet in de steekproef opgenomen leden

114    De Commissie brengt in herinnering dat de leden van de CCCME niet zijn opgenomen in de steekproef van de Chinese producenten-exporteurs die zij tijdens het onderzoek heeft genomen en betoogt dat de rechtspraak uitsluitend procesbevoegdheid toekent aan de handelaren die aldus zijn geselecteerd.

115    In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 46 hierboven is opgemerkt, een persoon krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU kan opkomen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen.

116    De eerste en de derde in die bepaling genoemde situatie hebben geen betrekking op de leden van de CCCME, omdat de bestreden verordening ten eerste niet tot hen gericht is (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad, T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509, punt 39) en ten tweede uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, aangezien het bij verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1) ingestelde systeem, in het kader waarvan de bestreden verordening is vastgesteld, er namelijk in voorziet dat de in die verordening vastgestelde rechten worden geïnd op basis van maatregelen die door nationale autoriteiten worden getroffen (zie in die zin beschikking van 21 januari 2014, Bricmate/Raad, T‑596/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:53, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117    Aangezien de eerste en de derde in artikel 263, vierde alinea, VWEU genoemde situatie zich in casu niet voordoen, moet worden bepaald of de voor toepassing van de tweede situatie gestelde voorwaarden wat betreft de leden van de CCCME zijn vervuld, waartoe moet worden onderzocht of zij rechtstreeks en individueel worden geraakt.

118    In casu wordt aan de voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid voldaan, aangezien de bestreden verordening rechtstreekse gevolgen heeft voor de rechtspositie van de leden van de CCCME, en de douaneautoriteiten van de lidstaten over geen enkele beoordelingsmarge beschikken en verplicht zijn de bij de bestreden verordening opgelegde rechten te innen (zie in die zin arresten van 29 maart 1979, ISO/Raad, 118/77, EU:C:1979:92, punt 26, en 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad, T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509, punt 62).

119    Wat betreft de individuele geraaktheid dient eraan te worden herinnerd dat verordeningen waarbij een antidumpingrecht wordt ingesteld volgens de rechtspraak naar de aard en de strekking ervan normatief zijn, aangezien zij toepasselijk zijn op alle betrokken marktdeelnemers (arresten van 16 april 2015, TMK Europe, C‑143/14, EU:C:2015:236, punt 19, en 28 februari 2019, Raad/Marquis Energy, C‑466/16 P, EU:C:2019:156, punt 47). Dit normatieve karakter staat er evenwel niet aan in de weg dat die verordeningen die producenten en exporteurs van het betrokken product die op basis van gegevens over hun handelsactiviteit worden verdacht van dumping, rechtstreeks en individueel kunnen raken. Dit is in de regel het geval met productie‑ en exportondernemingen die kunnen aantonen dat hun identiteit blijkt uit de handelingen van de Commissie en de Raad, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen (arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punt 79; zie ook arrest van 16 januari 2014, BP Products North America/Raad, T‑385/11, EU:T:2014:7, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

120    In dit verband moet worden vastgesteld dat de leden van de CCCME productie‑ en exportondernemingen van het betrokken product zijn die ten eerste de Commissie informatie hebben verstrekt in antwoord op de vragenlijst in bijlage I bij het bericht van inleiding van het onderzoek en waarvan ten tweede de identiteit uit de betrokken verordening blijkt, meer in het bijzonder uit de bijlage waarnaar in artikel 1, lid 2, van het dispositief van die verordening wordt verwezen. Als in die bijlage opgenomen andere medewerkende ondernemingen worden de leden van de CCCME onderworpen aan een antidumpingrecht van een specifiek bedrag, dat afwijkt van het bedrag dat van toepassing is op alle andere niet-geïdentificeerde ondernemingen waarop de bestreden verordening van toepassing is. Zoals de Commissie zelf betoogt en zoals is opgemerkt in punt 106 hierboven, bevat de bestreden verordening derhalve een samenstel van besluiten die elk een specifieke producent-exporteur betreffen.

121    In deze omstandigheden moet, gelet op de uit de rechtspraak voortvloeiende criteria zoals die in punt 119 hierboven in herinnering zijn gebracht, worden vastgesteld dat de leden van de CCCME niet alleen rechtstreeks maar ook individueel door deze verordening worden geraakt.

122    Ten slotte hebben de leden van de CCCME een procesbelang, omdat zij een belang hebben bij nietigverklaring van de bestreden verordening, aangezien zij aan de bij die verordening opgelegde antidumpingrechten worden onderworpen.

123    Derhalve moet worden vastgesteld dat de leden van de CCCME en bijgevolg die vereniging zelf voldoen aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van hun beroep en moet het derde tegen deze conclusie door de Commissie aangevoerde argument dus worden afgewezen.

–       Beperking van argumenten die kunnen worden aangevoerd

124    De Commissie betoogt dat de CCCME zich in naam van haar leden niet kan beroepen op schending van de bepalingen van de basisverordening die betrekking hebben op andere elementen dan de vaststelling van de schade voor de bedrijfstak van de Unie door de Commissie.

125    De Commissie merkt namelijk op dat de door de Chinese producenten-exporteurs tijdens het antidumpingonderzoek aan de CCCME verleende machtiging slechts gold voor het verweer van die ondernemingen tegen haar beweringen over de schade. Daaruit vloeit voort dat de leden van de CCCME die vereniging tijdens het onderzoek en bijgevolg in het kader van het onderhavige beroep enkel het recht hadden verleend om hen te verdedigen tegen de bevindingen van de Commissie betreffende de schade.

126    In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, zoals is opgemerkt in de punten 88 tot en met 90 hierboven, de CCCME op grond van de statuten betreffende haar oprichting en organisatie onder meer tot taak heeft de belangen van haar leden te behartigen.

127    Door het algemene karakter ervan, omvat een dergelijke taak het instellen van een vordering in rechte om de belangen van haar leden te verdedigen tegen handelsbeschermingsmaatregelen en het in dat verband aanwenden van elk middel dat de legaliteit van die maatregelen ter discussie kan stellen, zelfs indien de van de leden ontvangen machtiging zich tijdens het onderzoek beperkte tot schade.

128    Bovendien moet worden opgemerkt dat een vereniging waarvan een van de statutaire taken de verdediging van de belangen van haar leden is, zoals bij de CCCME het geval is, volgens de rechtspraak niet hoeft te beschikken over een specifiek mandaat dat of specifieke machtiging die is opgesteld door de leden wier belangen zij behartigt, teneinde procesbevoegdheid voor de rechterlijke instanties van de Unie te hebben (zie in die zin arrest van 15 januari 2013, Aiscat/Commissie, T‑182/10, EU:T:2013:9, punt 53), aangezien het instellen van een beroep door de aard ervan inherent is aan de verdediging van dergelijke belangen.

129    Derhalve moet het vierde door de Commissie aangevoerde argument, dat inhoudt dat de CCCME zich in naam van haar leden niet kan beroepen op schending van bepalingen die niet de schade voor de bedrijfstak van de Unie betreffen, worden afgewezen.

 Ontvankelijkheid van het beroep voor zover het is ingesteld door de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I

130    Subsidiair betwist de Commissie tevens de ontvankelijkheid van het beroep voor zover het is ingesteld door de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I.

131    In de eerste plaats voert de Commissie aan dat zeven van de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I en die Chinese producenten-exporteurs zijn die niet in de steekproef waren opgenomen, om de reeds in punt 114 hierboven uiteengezette reden niet de vereiste procesbevoegdheid hebben.

132    In dit verband moet worden vastgesteld dat deze ondernemingen, die producenten-exporteurs van het betrokken product zijn, net zoals de leden van de CCCME ten eerste de Commissie informatie hebben verstrekt in antwoord op de vragenlijst in bijlage I bij het bericht van inleiding van het onderzoek en ten tweede in de betrokken verordening zijn geïdentificeerd als in de bijlage bij die verordening opgesomde andere medewerkende ondernemingen. Uit dien hoofde staat hun naam in die bijlage en wordt hun een antidumpingrecht van een specifiek bedrag opgelegd, zodat moet worden vastgesteld dat de bestreden verordening een samenstel van besluiten bevat die elk een specifieke producent-exporteur betreffen. Derhalve moet om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in de punten 118 tot en met 122 hierboven worden geconcludeerd dat die zeven rechtspersonen een procesbelang en procesbevoegdheid hebben.

133    In de tweede plaats voert de Commissie aan dat de mandaten die zijn verstrekt door de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I onregelmatigheden bevatten die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het beroep, op grond dat zij niet duidelijk de functie noemen van de personen die deze hebben ondertekend en niet aantonen dat die personen bevoegd waren om dergelijke documenten te ondertekenen.

134    Meer in het bijzonder is voor zeven van de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I, als functie van de persoon die de machtiging heeft ondertekend, ingevuld „gedelegeerd bestuurder”, „algemeen directeur”, „financieel controleur” of „directeur”, zonder verdere precisering of rechtvaardiging of die persoon op grond van Chinees recht bevoegd was om een dergelijke machtiging te ondertekenen.

135    Wat betreft de overige twee rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I, wordt aangevoerd dat zij een machtiging hebben verleend waarop de functie van de ondertekenaar niet was vermeld en bovendien geen documenten hebben bijgevoegd waaruit bleek dat deze bevoegd was om een dergelijk document te ondertekenen.

136    In dit verband moet worden opgemerkt dat het Reglement voor de procesvoering, in de versie die voortvloeit uit het reglement van 23 april 2015 (PB 2015, L 105, blz. 1), niet het bewijs vereist dat de aan de advocaat verleende machtiging is verstrekt door een daartoe gerechtigde vertegenwoordiger, zoals het geval was bij het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, dat daarvoor van kracht was [zie in die zin beschikking van 7 maart 2016, Sopra Steria Group/Parlement, T‑182/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:165, punten 26‑29; arresten van 28 september 2016, European Food/EUIPO – Société des produits Nestlé (FITNESS), T‑476/15, EU:T:2016:568, punt 19, en 17 februari 2017, Batmore Capital/EUIPO – Univers Poche (POCKETBOOK), T‑596/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:103, punten 19 en 20].

137    Hieruit volgt dat het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.

138    Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I een ontvankelijk beroep tegen de bestreden verordening kunnen instellen.

 Conclusie betreffende de ontvankelijkheid

139    Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat ten eerste het beroep zoals het door de CCCME in eigen naam is ingesteld om de bescherming van haar procedurele rechten te waarborgen, ten tweede het beroep zoals het door de CCCME in naam van de 19 door haar geïdentificeerde leden is ingesteld, en ten derde het beroep zoals het door de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I is ingesteld, ontvankelijk zijn.

 Ten gronde

140    Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan.

141    Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 3, leden 2, 3, en 5 tot en met 7, van de basisverordening alsook van het beginsel van behoorlijk bestuur, aangezien de Commissie haar conclusies over de schade en het oorzakelijk verband noch op positief bewijsmateriaal noch op een objectief onderzoek heeft gebaseerd.

142    Het tweede middel is ontleend aan schending door de Commissie van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening in haar analyse van het oorzakelijk verband.

143    Het derde middel is ontleend aan schending door de Commissie van de rechten van verdediging alsook van artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1 tot en met 3, en artikel 20, leden 2 en 4, van de basisverordening, doordat zij heeft geweigerd verzoeksters toegang te verlenen tot informatie die relevant is voor het vaststellen van de dumping en de schade.

144    Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 2, lid 10, artikel 3, lid 2, onder a), artikel 3, lid 3, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening alsook van het beginsel van behoorlijk bestuur bij het vaststellen van de dumpingmarge, de prijsonderbieding en de schademarge.

145    Het vijfde middel is ontleend aan schending door de Commissie van artikel 2, lid 10, onder b), en artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening doordat zij bij de vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde een correctie voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) heeft toegepast.

146    Het zesde middel is ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening bij de vaststelling van de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (hierna: „VAA-kosten”), alsook van de winsten die worden gebruikt om de normale waarde te berekenen.

 Omvang van de rechterlijke toetsing

147    Vooraf voeren verzoeksters aan dat de bestreden verordening moet worden onderworpen aan een volledige rechterlijke toetsing, die niet beperkt mag blijven tot de vraag of sprake is geweest van een kennelijk onjuiste beoordeling, zoals in de regel het geval is bij de rechterlijke toetsing van complexe economische evaluaties.

148    Tijdens de terechtzitting hebben verzoeksters verduidelijkt dat zij, bij het formuleren van deze overweging vooraf, niet beoogden af te wijken van de bestaande rechtspraak, maar enkel wilden onderstrepen dat de Unierechter volgens hen de materiële juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van de door de Commissie aangevoerde bewijsmiddelen diende te controleren, zelfs in de gebieden waar de Commissie over een ruime beoordelingsmarge beschikt.

149    In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid van de instellingen van de Unie ter zake van handelsbeschermingsmaatregelen, de Unierechter in geval van geschillen over handelsbeschermingsmaatregelen die worden gekenmerkt door de complexiteit van de te onderzoeken economische en politieke situaties, volgens de rechtspraak enkel mag nagaan of de rechtsregels zijn geëerbiedigd, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Trace Sport, C‑251/18, EU:C:2019:766, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

150    In dit verband staat het aan de rechter, zoals verzoeksters vragen, om ten eerste de materiële juistheid van de aangevoerde bewijsmiddelen en de betrouwbaarheid en samenhang ervan te onderzoeken, en ten tweede na te gaan of die elementen het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormen en of deze bewijsmiddelen de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel, C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209, punt 36).

 Eerste middel, inzake de vaststelling van het bestaan van schade en het oorzakelijk verband

151    Het eerste middel bestaat uit zes onderdelen.

–       Eerste onderdeel van het eerste middel, inzake de berekening van de omvang van de invoer

152    In het eerste onderdeel betogen verzoeksters dat de Commissie ter berekening van de omvang van de invoer met dumping gebruik heeft gemaakt van weinig betrouwbare gegevens, die door de klagers zijn aangeleverd.

153    De Commissie bestrijdt dit betoog.

154    Vooraf moet eraan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 1, lid 1, van de basisverordening een antidumpingrecht kan worden toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Unie in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.

155    In artikel 3, lid 2, onder a), van de basisverordening wordt bepaald dat de vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en een objectief onderzoek inhoudt van, met name, de omvang van de invoer met dumping.

156    Om de omvang van de invoer met dumping te berekenen, moet worden gebruikgemaakt van de gegevens van het bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat) (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 30). Deze gegevens worden ingedeeld aan de hand van codes uit de gecombineerde nomenclatuur (GN). In casu is het in de bestreden verordening bedoelde product ingedeeld onder twee codes: de GN‑code ex 7325 10 00 (niet-smeedbaar gietijzer) en de GN‑code ex 7325 99 10 (smeedbaar gietijzer), waarbij de vermelding „ex” vóór de code in beide gevallen betekent dat het onderzochte product slechts onder een deel van de betrokken code valt.

157    Om de omvang van de invoer met dumping te bepalen, moeten de transacties die in de beoordelingsperiode, dat wil zeggen van 1 januari 2013 tot en met 30 september 2016, onder deze codes zijn geregistreerd, bij elkaar worden opgeteld.

158    In casu moesten er aanpassingen worden verricht om drie problemen die zich voordeden bij de berekening van de omvang van de invoer met dumping, op te lossen.

159    Het eerste probleem betrof producten van niet-smeedbaar gietijzer (GN‑code ex 7325 10 00). Vóór 2014 maakten die producten deel uit van een grotere groep (GN‑code ex 7325 10), die was onderverdeeld in subcodes waarvan er drie betrekking hadden op het betrokken product, maar de derde subcode, GN‑code ex 7325 10 99, niet tot dat product beperkt was. Vanaf 2014 bestond die onderverdeling niet meer. Om de omvang van de invoer met dumping te bepalen, beschikte de Commissie enkel over gegevens die correspondeerden met GN‑code ex 7325 10 00, waaronder het betrokken product samen met andere producten was ingedeeld. Om dat probleem op te lossen, moesten de cijfers van de feitelijke invoer van het betrokken product tijdens de beoordelingsperiode worden geïsoleerd uit die algemenere cijfers. Daartoe heeft de Commissie gebruikgemaakt van een suggestie van de klagers, die inhield dat er twee methodologische besluiten werden genomen. Ten eerste hebben de klagers de Commissie in overweging gegeven om, teneinde te bepalen welk deel van de invoer in de algemene categorie uit het betrokken product bestond, uit te gaan van het aandeel van die invoer in de drie subcodes die vóór 2014 de gegevens over het product bevatten. Vervolgens werd gesuggereerd om met betrekking tot de derde subcode, die niet enkel op het betrokken product betrekking had maar breder was, het aan het betrokken product toe te rekenen deel te ramen op 30 %.

160    Op basis van die redenering is geconstateerd dat 60 % van de omvang die vóór 2014 als invoer uit China onder GN‑code ex 7325 10 was geregistreerd, afkomstig was van de drie subcodes die overeenkwamen met het betrokken product. Wat de invoer uit India betreft, was dat percentage 73 %, en voor de overige derde landen 50 %. Die percentages zijn vervolgens toegepast op de invoer onder GN‑code ex 7325 10 00 in de periode van 1 januari 2014 tot het einde van het onderzoektijdvak.

161    Het tweede probleem had betrekking op smeedbaar gietijzer (GN‑code ex 7325 99 10). De bij dat product behorende code is tijdens de gehele beoordelingsperiode onveranderd gebleven. Die code had evenwel ook betrekking op andere producten dan het betrokken product. Om dat probleem op te lossen, heeft de Commissie, net zoals voor niet-smeedbaar gietijzer, gebruikgemaakt van een door de klagers voorgestelde methode.

162    Om te beginnen heeft de Commissie, net zoals de klagers, geconstateerd dat de importeurs van het betrokken product van smeedbaar gietijzer uit de Volksrepubliek China waren begonnen GN‑code ex 7325 99 10 te gebruiken in 2005, toen eerdere antidumpingmaatregelen waren opgelegd bij verordening (EG) nr. 1212/2005 van de Raad van 25 juli 2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde gietstukken uit de Volksrepubliek China (PB 2005, L 199, blz. 1). Om de invoer onder die code te berekenen, heeft de Commissie op basis van die constatering het voorafgaande jaar, te weten 2004, als referentiejaar gekozen. Voor dit referentiejaar beschikte de Commissie voor de Volksrepubliek China over gegevens betreffende de invoer onder GN‑code 7325 99 10, maar die niet het betrokken product betrof. Daarom heeft zij de hoeveelheid van het betrokken product die onder die code uit de Volksrepubliek China was ingevoerd, berekend door de in 2004 verrichte transacties af te trekken van het invoervolume in de beoordelingsperiode. Op basis van die redenering was de Commissie van mening dat, voor de Volksrepubliek China, de transacties die betrekking hadden gehad op het betrokken product voor 100 % onder GN‑code 7325 99 10 vielen, waarvan 14 645 ton moest worden afgetrokken.

163    Vervolgens is een vergelijkbare berekening verricht voor de invoer uit de Republiek India. De klagers hebben geconstateerd dat de invoer van het betrokken product onder GN‑code ex 7325 99 10 uit dat land was begonnen in 2010. Volgens de klagers kon dit verschijnsel worden verklaard door de opzegging van de minimumprijsverbintenis waarvan de CCCME en bepaalde Chinese vennootschappen profiteerden in het kader van de eerdere door verordening nr. 1212/2005 ingestelde antidumpingmaatregelen. Na die opzegging zouden veel handelaren hebben getracht zich te bevoorraden bij Indiase producenten. Dat resulteerde in een toename van de invoer uit dat land voor het betrokken product. Toen de Commissie dit had geconstateerd, heeft zij het voorstel van de klagers ter harte genomen en de hoeveelheid betrokken product onder GN‑code ex 7325 99 10 in de invoer uit de Republiek India berekend door het invoervolume van 2009 af te trekken van het invoervolume in de beoordelingsperiode. Op basis van die redenering was zij van mening dat de transacties die betrekking hadden gehad op het betrokken product voor 100 % onder GN‑code 7325 99 10 vielen, waarvan 6 074 ton moest worden afgetrokken.

164    Ten slotte is uit de door de klagers verrichte onderzoeken gebleken dat het weinig waarschijnlijk was dat de invoer uit andere derde landen onder die code het betrokken product bevatte. In navolging van de klagers heeft de Commissie dus geoordeeld dat voor de andere derde landen 0 % van de transacties die betrekking hadden gehad op het betrokken product onder GN‑code 7325 99 10 viel.

165    Het derde probleem betrof de roosters voor afwateringsgoten. Die producten komen voor in de gegevens van Eurostat die corresponderen met de codes die voor het betrokken product worden gebruikt. Zoals is opgemerkt in overweging 41 van de bestreden verordening, zijn die producten evenwel van het onderzoek uitgesloten. Om de omvang van de invoer met dumping te bepalen, moesten de cijfers die konden worden toegerekend aan roosters voor afwateringsgoten dus van de beschikbare cijfers worden afgetrokken.

166    Om dat probleem op te lossen heeft de Commissie zich, op eigen initiatief, gebaseerd op een raming van de invoer van roosters voor afwateringsgoten. Voor deze raming is zij uitgegaan van de gemiddelde verkoop van roosters voor afwateringsgoten die in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs was gerealiseerd. Die verkoop vertegenwoordigde 10 % van het totaal van de voor dat tijdvak meegetelde invoer. Dit percentage is toegepast op de cijfers die zijn verkregen voor de in de beoordelingsperiode geregistreerde invoer.

167    Nu aldus de context van het eerste onderdeel van het eerste middel is geschetst, moet worden opgemerkt dat verzoeksters in dit onderdeel drie grieven aanvoeren inzake de berekening die door de Commissie is verricht om de omvang van de invoer met dumping te bepalen.

168    Met hun eerste grief verwijten verzoeksters de Commissie de door de klagers overgelegde gegevens zonder controle te hebben aanvaard, hetgeen in strijd is met de onpartijdigheid die in een dergelijke procedure leidend moet zijn voor haar houding.

169    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie in casu ter berekening van de omvang van de invoer met dumping niet louter de door de klagers verstrekte gegevens, maar veeleer een door hen voorgestelde methode heeft gebruikt, waarbij zij er, op basis van die methode die zij intussen had gevalideerd, voor heeft gezorgd dat zij zelf de berekeningen verrichtte die in de uiteindelijk door haar gehanteerde cijfers hebben geresulteerd.

170    De Commissie heeft in ten minste twee documenten uitgelegd waarom zij de door de klagers voorgestelde methode heeft gehanteerd. Zo heeft zij in overweging 122 van de voorlopige verordening opgemerkt dat „de klagers in de klacht [hadden] toegelicht welke methode zij [hadden] gehanteerd om op basis van gegevens van Eurostat tot invoerstatistieken te komen die beperkt [waren] tot het betrokken product” en dat „[o]mdat er geen betrouwbaardere methode en gegevens voorhanden [waren]” zij op die grond „bij het vaststellen van het volume van de invoer van het betrokken product uit de [Volksrepubliek China] [had] gebruikgemaakt van die methode en van gegevens van Eurostat, met uitsluiting van roosters voor afwateringsgoten, [aangezien] de CCCME [bovendien] geen alternatieve gegevens [had] verstrekt”. Bovendien heeft de Commissie er in de overwegingen 110 en 111 van de bestreden verordening met name op gewezen dat zij „[had opgemerkt] dat de door de klagers gebruikte methode om tijdens de beoordelingsperiode tot de invoergegevens in verband met het betrokken product te komen op Eurostatgegevens was gebaseerd”, waarna zij deze methode kort heeft beschreven, en heeft zij gepreciseerd dat „[a]angezien [zij] geen andere alternatieve informatiebron [had] gevonden die de invoergegevens voor het betrokken product nauwkeuriger zou weerspiegelen, […] zij van mening [was] dat de op Eurostatgegevens gebaseerde methode de meest geschikte [was]”.

171    Derhalve heeft de Commissie de betrokken methode dus geanalyseerd voordat zij deze overnam, en daarbij uitgelegd waarom deze methode haar geschikt leek. Zo heeft zij in overweging 113 van de bestreden verordening het verzoek van de ad-hocvereniging van niet-verbonden importeurs, Free Castings Imports (FCI), en van de CCCME om uitsluiting van GN code 7325 99 10 of om rekening te houden met een percentage van die code voor de berekening van het invoervolume van het betrokken product, afgewezen door erop te wijzen dat „een analyse van de invoer onder deze GN-code sinds de instelling van voorlopige maatregelen tot begin oktober 2017 [had geduid] op een aanzienlijke invoerhoeveelheid van 6 796 ton onder Taric-code 7325991051 vanuit de [Volksrepubliek China], die uitsluitend betrekking [had] op het betrokken product” en dat het „[d]aardoor […] duidelijk [was] dat het betrokken product ook onder GN‑code 7325 99 10 [was] ingevoerd”. Bij die gelegenheid heeft de Commissie gepreciseerd dat zij „geen bewijs [had] dat de invoer van andere producten onder deze GN-code dezelfde ontwikkeling als het betrokken product [had] doorgemaakt sinds 2005” en dat „[b]ijgevolg […] het gebruik van een percentage over de beoordelingsperiode onbetrouwbaar [geweest zou] zijn”.

172    Bovendien moet worden opgemerkt dat de door de klagers voorgestelde berekeningsmethode niet zonder controle door de Commissie is aanvaard. De Commissie is op 30 mei 2017 namelijk bij de vertegenwoordigers van de klagers op kantoor geweest. Na die controle is zij tot de conclusie gekomen dat ten eerste de voorgestelde verdeling over de verschillende GN‑codes de meest betrouwbare raming vormde om de omvang van de invoer met dumping te bepalen en dat ten tweede die raming, bij gebreke van meer gedetailleerde gegevens van een andere bron, een objectieve benadering van die gegevens vormde.

173    In deze context moet de eerste door verzoeksters aangevoerde grief, die inhoudt dat de Commissie de door de klagers voorgestelde methode „automatisch” heeft aanvaard, worden verworpen.

174    In een tweede grief hebben verzoeksters aangevoerd dat de door de Commissie gebruikte gegevens zijn gebaseerd op ongerechtvaardigde en irrationele aannamen, die op geen enkel positief bewijs zijn gebaseerd, hetgeen de Commissie overigens zelf zou hebben erkend.

175    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie, anders dan verzoeksters aangeven, niet heeft erkend dat de door haar gehanteerde methode van berekening van het invoervolume of de uit die methode voortvloeiende invoerprijzen onjuist, irrationeel of onbetrouwbaar waren.

176    De Commissie heeft in overweging 126 van de voorlopige verordening, waarnaar verzoeksters verwijzen, inderdaad opgemerkt dat „[a]angezien deze gegevens gebaseerd [waren] op invoerstatistieken en de gedetailleerde mix van productsoorten niet bekend [was], […] de ontwikkeling van de prijzen niet volledig betrouwbaar [was]”.

177    Deze erkenning betekent evenwel enkel dat de gehanteerde methode, zoals de Commissie heeft opgemerkt, een niet even gedetailleerd resultaat heeft opgeleverd als zij wenste, en houdt niet in dat de met die methode verkregen gegevens naar de mening van de Commissie volledig onbetrouwbaar waren en in het geheel niet bruikbaar waren voor het opstellen van de bestreden verordening.

178    Indien verzoeksters de betrouwbaarheid van de gegevens die de Commissie heeft gebruikt met betrekking tot de omvang van de invoer met dumping willen betwisten, staat het bijgevolg aan hen om hun beweringen te onderbouwen met bewijs dat op concrete wijze twijfel kan doen rijzen over de betrouwbaarheid van de door de Commissie gehanteerde methode of gebruikte gegevens (zie in die zin arrest van 20 september 2019, Jinan Meide Casting/Commissie, T‑650/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:644, punt 357).

179    Om in het gelijk te worden gesteld, mag een verzoekende partij zich in dat verband niet beperken tot het aandragen van alternatieve cijfers, bijvoorbeeld cijfers die zijn verkregen op grond van gegevens van de douaneautoriteiten waar de litigieuze invoer vandaan is gekomen, maar moet zij elementen aandragen die de door de Commissie verstrekte gegevens in twijfel kunnen trekken (zie in die zin arrest van 20 september 2019, Jinan Meide Casting/Commissie, T‑650/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:644, punt 357).

180    Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de Commissie over een ruime beoordelingsmarge beschikt voor de analyse van de gegevens, met inbegrip van de door Eurostat verstrekte gegevens (arrest van 23 september 2015, Schroeder/Raad en Commissie, T‑205/14, EU:T:2015:673, punt 41).

181    In casu betwisten verzoeksters vijf aannamen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd bij de berekening van het invoervolume op basis van de gegevens van Eurostat.

182    In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoeksters tijdens het onderzoek op elk van deze geschilpunten uitleg hebben gekregen over de methode die is gebruikt voor het opstellen van de ramingen die ten grondslag liggen aan de correcties die de Commissie heeft aangebracht op de invoercijfers van Eurostat.

183    Zo betwisten verzoeksters in de eerste plaats dat het invoervolume van het betrokken product van 2009 tot 2013 stabiel is gebleven op 30 % en sinds 2013 ongewijzigd is gebleven ten opzichte van het onder de oude GN-subcode ex 7325 10 99 (niet-smeedbaar gietijzer) opgegeven totale invoervolume.

184    Op dit punt is met betrekking tot de totale invoer die onder de oude GN‑code ex 7325 10 99 is opgegeven, de uitleg gegeven dat ongeveer 30 % het betrokken product betrof. Volgens de Commissie kon deze raming als voorzichtig worden beschouwd toen de antidumpingmaatregelen uit 2005 van kracht waren geworden. In die periode was voor dat product een tiencijferige code van het geïntegreerde tarief van de Europese Unie (Taric) vastgesteld, waardoor de Commissie en de douaneautoriteiten over de precieze bedragen konden beschikken.

185    Zo is uitgelegd dat het door de Commissie gehanteerde percentage van 30 % overeenkwam met hetgeen na de vaststelling van verordening nr. 1212/2005 was geconstateerd, toen er voor het eerst antidumpingrechten werden toegepast op de invoer van gietijzer uit de Volksrepubliek China. Dat percentage is vervolgens bij gebreke van een betrouwbaardere raming in de onderhavige procedure door de Commissie gebruikt.

186    In de tweede plaats betwisten verzoeksters de toepassing van het percentage van 30 %, dat voortvloeit uit een raming van de gegevens over de invoer uit de Volksrepubliek China, op alle landen waarvandaan de invoer plaatsvond die in aanmerking is genomen in het kader van de procedure die heeft geleid tot vaststelling van de bestreden verordening.

187    Op dit punt is uitgelegd dat de raming van 30 % op de andere derde landen was toegepast omdat er geen specifieke gegevens voor die landen bestonden, aangezien de enige informatie die kon worden verkregen de informatie was die was verzameld dankzij de instelling, bij verordening nr. 1212/2005, van antidumpingmaatregelen op de invoer uit uitsluitend de Volksrepubliek China.

188    In de derde plaats betwisten verzoeksters de aanname dat het invoervolume van het betrokken product sinds 2013 ongewijzigd is gebleven ten opzichte van het onder de oude GN‑code ex 7325 10 geregistreerde totale volume.

189    Op dit punt heeft de Commissie uitgelegd dat zij zich voor de berekening van de omvang van de invoer van het betrokken product die vanaf 2014 onder de algemene GN‑code ex 7325 10 was geregistreerd, had gebaseerd op de verhouding van die invoer tussen de drie subcodes die, vóór 2014, preciezere gegevens opleverden over dit product, door afzonderlijk te kijken naar de cijfers van de Volksrepubliek China, de Republiek India en de andere derde landen (zie punt 159 hierboven).

190    In de vierde plaats betwisten verzoeksters de aanname dat de absolute omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China, die is verricht onder GN‑code ex 7325 99 10 (smeedbaar gietijzer) en niet het betrokken product betreft, sinds 2004 ongewijzigd is gebleven.

191    Op dit punt heeft de Commissie een uitleg gegeven van de methode die zij heeft toegepast om de omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China onder GN‑code ex 7325 99 10 te berekenen, die inhield dat werd geïdentificeerd in welk jaar de invoer van het onderzochte product in het betrokken derde land onder die code was begonnen en dat het aantal in het jaar voorafgaand aan dat referentiejaar onder die code geregistreerde ingevoerde producten werd vergeleken met het aantal in de beoordelingsperiode, om aan de hand van het verschil de omvang te bepalen van de onder GN‑code ex 7325 99 10 geregistreerde invoer van het betrokken product in de beoordelingsperiode (zie de punten 162 tot en met 164 hierboven).

192    In de vijfde plaats betwisten verzoeksters ten slotte de aanname dat het percentage Chinese invoer van roosters voor afwateringsgoten ten opzichte van de totale Chinese invoer sinds 2013 ongewijzigd is gebleven en gelijk is aan het percentage van de invoer van roosters voor afwateringsgoten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs ten opzichte van hun totale invoer. In dat kader betwisten verzoeksters tevens de aanname dat derde landen geen roosters voor afwateringsgoten uitvoeren, aangezien deze landen, indien zij zich niet vergissen, niet uitgesloten lijken te zijn geweest. Indien er wel sprake is geweest van uitsluiting, is de volgens verzoeksters eveneens ongerechtvaardigde aanname dat het percentage invoer van roosters voor afwateringsgoten uit derde landen ten opzichte van hun totale invoer sinds 2013 stabiel is gebleven en gelijk is aan het percentage invoer van roosters voor afwateringsgoten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs in het onderzoektijdvak.

193    Wat het laatstgenoemde geschilpunt betreft, heeft de Commissie uitgelegd dat zij zich, omdat zij geen informatie had over de omvang van de invoer van roosters voor afwateringsgoten die moest worden uitgesloten van het betrokken product, heeft gebaseerd op het percentage roosters voor afwateringsgoten dat door bepaalde in de steekproef opgenomen producenten tijdens het onderzoek was ingevoerd. In haar antwoord op de vragen van het Gerecht heeft de Commissie verduidelijkt dat zij zich in dit kader had gebaseerd op de gegevens van de steekproef van Chinese producenten-exporteurs en op die van de steekproef van Indiase producenten-exporteurs met betrekking tot het onderzoektijdvak. Die raming is vervolgens toegepast op alle invoer, dat wil zeggen op de invoer uit de Volksrepubliek China, de Republiek India en de andere derde landen.

194    Uit het voorgaande blijkt dat verzoeksters in hun geschilpunten geen elementen naar voren hebben gebracht die de betrouwbaarheid van deze ramingen ter discussie kunnen stellen, omdat zij in wezen niet de betrouwbaarheid bestrijden van de ramingen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, maar veeleer dat deze ramingen werden toegepast in een periode na de periode waarop de gegevens die tot deze ramingen hebben geleid, betrekking hadden (eerste, derde, vierde en vijfde aanname, zoals bedoeld in respectievelijk de punten 183, 188, 190 en 192 hierboven) of werden toegepast op andere landen dan het land waarvan de gegevens die hadden geleid tot de raming afkomstig waren (tweede en vijfde aanname zoals bedoeld in respectievelijk de punten 186 en 192 hierboven).

195    De Commissie heeft opgemerkt dat zij geen preciezere en recentere gegevens had die even betrouwbaar of betrouwbaarder waren.

196    In een dergelijke context, die wordt gekenmerkt door ten eerste het feit dat preciezere en recentere informatie die even betrouwbaar of betrouwbaarder ontbreekt, en ten tweede de door de Commissie voorgelegde ramingen redelijk en plausibel van aard zijn, hetgeen blijkt uit de door de Commissie ter rechtvaardiging van de toepassing ervan gegeven toelichtingen, moet, gelet op de aan de Commissie toegekende ruime beoordelingsmarge, de tweede grief van verzoeksters, volgens welke de door de Commissie gebruikt gegevens zijn gebaseerd op ongerechtvaardigde en irrationele aannamen die op geen enkel positief bewijsmateriaal zijn gebaseerd, worden verworpen.

197    Met hun derde grief nemen verzoeksters in wezen het standpunt in dat het ontbreken van betrouwbaardere alternatieve gegevens te wijten is aan een gebrek aan zorgvuldigheid en aan de passiviteit van de Commissie, die volgens hen tot nietigverklaring van de bestreden verordening moeten leiden.

198    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie, volgens de rechtspraak, ambtshalve alle beschikbare gegevens moet onderzoeken nu haar rol in een antidumpingonderzoek niet die van scheidsgerecht is dat enkel bevoegd is om te beslissen in het licht van de informatie en het bewijs die door partijen bij het onderzoek zijn overgelegd. Hieromtrent moet worden opgemerkt dat artikel 6, leden 3 en 4, van de basisverordening de Commissie de bevoegdheid toekent om de lidstaten te verzoeken haar gegevens te verstrekken en alle noodzakelijke controles en inspecties uit te voeren (arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 32).

199    Om de omvang van de aan de Commissie opgelegde vereisten vast te stellen, moeten evenwel de grenzen in aanmerking worden genomen van de tijd waarover zij beschikt, gelet op met name de proceduretermijnen, die ontoereikend kunnen zijn voor de controles, inspecties en onderzoeken die kunnen worden beoogd (zie in die zin arrest van 20 september 2019, Jinan Meide Casting/Commissie, T‑650/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:644, punt 408).

200    Bovendien moet in aanmerking worden genomen of de kans voldoende groot is dat de beoogde gegevens kunnen leiden tot betrouwbaardere resultaten dan de gegevens die binnen de toepasselijke termijnen worden verkregen (zie in die zin arrest van 20 september 2019, Jinan Meide Casting/Commissie, T‑650/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:644, punt 410).

201    In casu blijkt dat de Commissie niet voorbij is gegaan aan de in de punten 198 tot en met 200 hierboven genoemde rechtspraak, die haar verplicht alle haar ter beschikking staande bronnen te raadplegen.

202    Wat betreft de informatie die volgens verzoeksters bij de nationale douaneautoriteiten had kunnen worden verkregen, moet namelijk worden opgemerkt dat het, zoals de Commissie heeft opgemerkt, ook al verleent de basisverordening haar de bevoegdheid daartoe, onevenredig zou zijn om van de Commissie te eisen dat zij bij de douaneautoriteiten van alle lidstaten lijsten van ingevoerde producten, per transactie, opvraagt en die analyseert om vast te stellen of zij in aanmerking kunnen worden genomen, en vervolgens vier jaar lang voor de gehele Unie de gegevens van het betrokken product samenstelt.

203    In hun stukken voeren verzoeksters twee argumenten aan om het gedrag van de Commissie wat betreft het zoeken van betrouwbare informatie te betwisten.

204    In de eerste plaats betogen verzoeksters dat de Commissie bepaalde gedetailleerdere gegevens bij de nationale douaneautoriteiten had kunnen opvragen om de betrouwbaarheid van de gemaakte aannamen te controleren en vervolgens het resultaat van die analyse te extrapoleren naar alle gegevens.

205    In dit verband moet worden opgemerkt dat dergelijke informatie niet onmiddellijk beschikbaar is, maar ook, ad hoc, moet worden opgevraagd bij de betrokken nationale autoriteiten. De Commissie zou vervolgens de reactie van die autoriteiten met de gevraagde gegevens moeten afwachten om een steekproef van gegevens te kunnen samenstellen. Een dergelijke werkwijze zou een aanzienlijke investering in termen van werkbelasting en behoorlijk veel tijd vereisen, welke twee aspecten zouden moeten worden verenigd met de aan de Commissie opgelegde strikte proceduretermijnen, zoals is opgemerkt in punt 199 hierboven.

206    Overigens zou een dergelijke steekproef van transacties, naast twijfels over de relevantie ervan, ook vragen kunnen opwerpen over de representativiteit van de gekozen transacties, omdat het met een dergelijke steekproef niet mogelijk zou zijn het invoervolume van het betrokken product precies te berekenen.

207    In de tweede plaats betogen verzoeksters dat de Commissie zich met vragenlijsten tot de importeurs had kunnen wenden, waarna zij op grond van de antwoorden daarop de betrouwbaarheid van de gebruikte gegevens had kunnen controleren en correcties had kunnen aanbrengen.

208    Volgens verzoeksters hebben de instellingen van de Unie in andere antidumpingonderzoeken van die informatiebron gebruikgemaakt, zoals in het onderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB 2013, L 129, blz. 1).

209    In dit verband moet worden opgemerkt dat het, zoals de Commissie heeft opgemerkt, in casu niet mogelijk was betrouwbaardere gegevens te verkrijgen van de importeurs. Ten eerste hebben de 28 importeurs die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen in hun antwoorden op de vragenlijst in bijlage II bij het bericht van inleiding van het onderzoek enkel met betrekking tot de invoer uit de Volksrepubliek China en de Republiek India, de twee onderzochte landen, een totaalcijfer van het volume van de invoer van het betrokken product verstrekt. Ten tweede waren die gegevens in casu niet onderverdeeld op basis van de GN‑codes van het onderzochte product. Ten slotte konden deze antwoorden enkel worden gecontroleerd voor de drie importeurs in de steekproef die op de vragenlijst hebben geantwoord. Het is evenwel niet vastgesteld dat deze importeurs voldoende representatief waren voor alle importeurs van het onderzochte product. De Commissie heeft namelijk opgemerkt dat de markt gefragmenteerd was en werd gekenmerkt door een groot aantal middelgrote en kleine ondernemingen en dat het in een dergelijke context niet was uitgesloten dat talrijke andere niet-verbonden importeurs die op de markt actief waren en die geen direct belang hadden bij medewerking met het onderzoek, niet naar voren waren gekomen.

210    Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie in casu geen kennelijk onjuiste beoordeling heeft gemaakt door ter berekening van de omvang van de invoer van het betrokken product slechts gebruik te maken van de gegevens uit de gegevensbank van Eurostat, zoals aangepast op grond van gerechtvaardigde aannamen, die een redelijke raming weerspiegelden van de echte cijfers van die invoer.

211    Bijgevolg moet het eerste onderdeel worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het eerste middel, inzake de macro-economische indicatoren die de Commissie heeft gebruikt om de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade vast te stellen

212    In het tweede onderdeel betwisten verzoeksters de betrouwbaarheid van de macro-economische indicatoren die de Commissie heeft gebruikt om de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade vast te stellen.

213    Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie, zoals is verduidelijkt in de antwoorden van partijen op de vragen van het Gerecht, de macro-economische indicatoren heeft beoordeeld voor de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel.

214    In dat kader heeft de Commissie zich gebaseerd op verschillende soorten gegevens. Voor de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie (hierna: „in de steekproef opgenomen producenten”) heeft de Commissie gebruikgemaakt van door hen verstrekte gegevens, die zij heeft gecontroleerd. Voor de overige producenten van de Unie die de aan het onderzoek ten grondslag liggende klacht hebben ingediend of gesteund (hierna: „overige klagers”) heeft zij zich gebaseerd op de gegevens uit de door die ondernemingen geretourneerde antwoorden op de vragenlijst. Ten slotte heeft de Commissie voor de resterende producenten van de Unie (hierna: „resterende producenten”) gebruikgemaakt van de door de klagers aangeleverde ramingen voor die producenten.

215    In casu voeren verzoeksters zes grieven aan, die door de Commissie worden betwist.

216    Met hun eerste grief verwijten verzoeksters de Commissie de haar ter beschikking staande gegevens over de overige klagers niet te hebben geactualiseerd.

217    In dit verband moet worden opgemerkt dat de gegevens over de overige klagers volgens overweging 136 van de bestreden verordening afkomstig zijn uit de antwoorden van die klagers op de vragenlijst die hun door de Commissie was voorgelegd, met dien verstande dat die gegevens door de klagers zijn opgesteld en vervolgens zijn „geactualiseerd in functie van het onderzoektijdvak”. De Commissie heeft een brief overgelegd die zij op woensdag 14 juni 2017 aan de CCCME heeft toegezonden en waarin zij heeft opgemerkt zij de gegevens over de klagers had samengesteld op grond van de door haar gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en van informatie die zij per e‑mail had ontvangen van de producenten die de klacht hadden ingediend of gesteund. Interveniëntes hebben opgemerkt dat deze gegevens waren geactualiseerd, in die zin dat de gegevens over de roosters voor afwateringsgoten waren verwijderd en de laatste beschikbare kwartaalgegevens waren toegevoegd.

218    Aangezien verzoeksters in het geheel geen bewijzen hebben overgelegd die deze beweringen in twijfel kunnen trekken, moet de eerste grief worden verworpen.

219    Met hun tweede grief betwisten verzoeksters de bestreden verordening op grond dat de Commissie zich voor de vaststelling ervan voor de resterende producenten heeft gebaseerd op ramingen en niet op werkelijke gegevens.

220    In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie aan de basisverordening geen onderzoeksbevoegdheden ontleent op grond waarvan zij ondernemingen zou kunnen dwingen hun medewerking te verlenen aan het onderzoek of informatie over te leggen. Zij is derhalve afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de partijen om haar binnen de voorgeschreven termijnen de benodigde informatie te verstrekken (zie in die zin arrest van 20 mei 2015, Yuanping Changyuan Chemicals/Raad, T‑310/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:295, punt 152 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

221    In een dergelijke context moet worden nagegaan of de Commissie in casu zorgvuldig heeft getracht werkelijke gegevens te verzamelen voordat zij zich baseerde op ramingen op basis van de informatie die zij kon verkrijgen.

222    In het bericht van opening van het onderzoek heeft de Commissie de producenten van het betrokken product in de Unie uitgenodigd aan de antidumpingprocedure deel te nemen en elke belanghebbende verzocht om uiterlijk 21 dagen na bekendmaking van het bericht van inleiding zijn standpunt omtrent de samenstelling van de steekproef van de producenten van de Unie kenbaar te maken.

223    De Commissie heeft vervolgens de klagers en andere bekende producenten in de Unie uitdrukkelijk geïnformeerd over de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd eraan deel te nemen.

224    Per e‑mail van 16 mei 2017 heeft de Commissie, nadat zij had geconstateerd dat de door de klagers verstrekte gegevens enkel op hun eigen situatie betrekking hadden, de vertegenwoordigers van de klagers verzocht om haar macro-economische gegevens voor de hele bedrijfstak te verstrekken.

225    In deze context kan de Commissie niet worden verweten dat zij zich, wat de resterende producenten betreft, heeft gebaseerd op de door de klagers verstrekte ramingen, aangezien het overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de basisverordening het doel was een visie van de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel te verkrijgen.

226    Bovendien kan het, zoals interveniëntes opmerken, in het kader van antidumpingprocedures nodig blijken gebruik te maken van ramingen wanneer bepaalde producenten ervoor kiezen niet deel te nemen of wanneer bepaalde producenten van de Unie op het moment dat de macro-economische gegevens worden verzameld niet meer produceren of niet meer bestaan, zoals in casu het geval is gebleken.

227    Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de ramingen geen veronderstellingen zijn en dat de klagers een berekeningswijze hebben gehanteerd die door de Commissie is gecontroleerd, waarna de Commissie heeft verzocht wijzigingen aan te brengen. In dit verband hebben interveniëntes opgemerkt dat de Commissie, in afwijking van het voorstel van de klagers om de werkelijke productie van de betrokken handelaren te ramen, heeft besloten in plaats daarvan uit te gaan van de productiecapaciteit van die producenten, waardoor de totale productie van de Unie werd verhoogd en de stijging van de door de Chinese producenten-exporteurs verworven marktaandelen werd gereduceerd. Interveniëntes leiden daaruit af, zonder dat dit betwist wordt, dat de Commissie met die keuze een schade-indicator heeft verlaagd, in het voordeel van de Chinese producenten-exporteurs.

228    De tweede grief moet dus worden verworpen.

229    Met hun derde grief betogen verzoeksters dat de door de Commissie gebruikte gegevens zonder toelichting substantieel zijn herzien.

230    In dit verband zij opgemerkt dat uit het dossier en de antwoorden van de partijen op de vragen van het Gerecht blijkt dat de Commissie de macro-economische gegevens als volgt heeft herzien.

231    Op 7 april 2017 heeft de Commissie de vertegenwoordigers van de klagers per brief verzocht haar uiterlijk 12 mei 2017 bepaalde macro-economische gegevens over de beoordelingsperiode te verstrekken. Op 12 mei 2017 hebben de vertegenwoordigers van de klagers per e‑mail een tabel met de macro-economische gegevens verstrekt.

232    Op 15 mei 2017 heeft de Commissie per e‑mail een niet-vertrouwelijke versie van dit document gevraagd. Op 16 mei 2017 heeft zij in een andere e‑mail gevraagd om een versie waarin de macro-economische gegevens van de hele bedrijfstak van de Unie exclusief de roosters voor afwateringsgoten waren opgenomen. Op 24 mei 2017 heeft de Commissie de vertegenwoordigers van de klagers nog een e‑mail gestuurd met het verzoek de gevraagde gegevens uiterlijk 29 mei 2017 te verstrekken en in te stemmen met een controlebezoek in hun bedrijf op 30 mei 2017.

233    Op 29 mei 2017 hebben de vertegenwoordigers van de klagers per e‑mail een nieuwe versie van de tabel met de macro-economische gegevens (hierna: „tweede versie van de macro-economische indicatoren”) verstrekt. De Commissie heeft deze gegevens op 30 mei 2017 gecontroleerd. Tijdens het controlebezoek hebben de klagers uitgebreidere informatie omtrent de gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten overgelegd, die een actualisatie van de cijfers rechtvaardigde. Bovendien heeft de Commissie opgemerkt dat de gegevens in de tweede versie van de macro-economische indicatoren geconsolideerde gegevens voor de resterende producenten bevatte, maar dat de klagers niet binnen de voor het controlebezoek gestelde termijn in staat waren geweest na te gaan of die gegevens in overeenstemming waren met de bewijsstukken. Derhalve heeft het controleteam de klagers verzocht de gegevens per bekende producent uit te splitsen en een aan de hand daarvan geactualiseerde tabel over te leggen.

234    Op 1 juni 2017 hebben de vertegenwoordigers van de klagers per e‑mail een nieuwe niet-vertrouwelijke versie van de macro-economische gegevens (hierna: „derde versie van de macro-economische indicatoren”) verstrekt, waarin de verzoeken van de Commissie waren verwerkt. Volgens verzoeksters wijkt die versie sterk af van de voorgaande versie. De CCCME heeft de Commissie per e‑mail verzocht een toelichting te geven op de redenen voor dat verschil. De Commissie heeft per e‑mail geantwoord dat het ging om een actualisatie van de gegevens na de op 30 mei 2017 verrichte controle. Op 2 juni 2017 heeft de Commissie per e‑mail verzocht om toestemming voor een controle van de geactualiseerde tabellen op diezelfde dag in het bedrijf van de vertegenwoordigers van de klagers. Deze hebben per e-mail toegestemd.

235    Na die controle hebben de klagers de Commissie op dezelfde dag een USB-stick met de vierde versie van de macro-economische indicatoren verstrekt. Op 12 juni 2017 hebben de vertegenwoordigers van de klagers de vierde versie van de macro-economische indicatoren opnieuw verstuurd, maar nu per e‑mail, in zowel een vertrouwelijke als een niet-vertrouwelijke versie. Interveniëntes hebben opgemerkt dat de derde versie van de macro-economische indicatoren, die tijdens het controlebezoek was onderzocht, bij vergissing de productiegegevens van de roosters voor afwateringsgoten van twee producenten bevatte en dat zij ter plaatse was gewijzigd. Voorts merken zij op dat de vierde versie tevens rekening hield met aanvullende informatie betreffende andere producenten die op die dag van de bedrijfstak van de Unie was ontvangen.

236    De Commissie voegt toe dat naar aanleiding van de door de FCI op 21 juni 2017 ingediende opmerkingen aan de vierde versie van de macro-economische indicatoren de gegevens zijn toegevoegd van een producent van de Unie die bij vergissing door de klagers buiten beschouwing was gelaten.

237    Gelet op deze elementen moet worden vastgesteld dat verzoeksters antwoord hebben gekregen op hun in punt 234 hierboven genoemde e‑mail, waarin zij de Commissie vroegen waarom er een verschil bestond tussen de tweede en de derde versie van de macro-economische indicatoren.

238    Voor het overige moet, gelet op de elementen in het dossier en de in de antwoorden van de partijen op de vragen van het Gerecht verstrekte toelichtingen, worden opgemerkt dat de herzieningen waren bedoeld om de gegevens aan te vullen en te verfijnen en zo de betrouwbaarheid ervan te verbeteren. Zoals interveniëntes hebben onderstreept, zijn bepaalde schriftelijke herzieningen doorgevoerd juist om rekening te houden met de door de betrokken partijen aangevoerde en door de Commissie aanvaarde bezwaren. Zo was het ten eerste nodig de gegevens van een extra producent van de Unie, die de klagers buiten beschouwing hadden gelaten, toe te voegen, en ten tweede de gegevens die betrekking hadden op de roosters voor afwateringsgoten, die volgens de Commissie niet tot het onderzochte product hoefden te worden gerekend, van de gegevens uit te sluiten.

239    In die omstandigheden moet de derde grief worden verworpen.

240    Met de vierde grief betogen verzoeksters dat de lijst van bronnen die de Commissie heeft gebruikt om de macro-economische indicatoren te berekenen onsamenhangend is, omdat deze gegevens zoals investeringen bevat, die niet in aanmerking mogen worden genomen omdat zij geen macro-economische indicator vormen.

241    Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Commissie zich, zoals is vermeld in punt 214 hierboven, heeft gebaseerd op verschillende soorten gegevens, afhankelijk van de betrokken categorie producenten van de Unie. Zo blijkt dat de betrokken lijst, met als titel „Aanvullende bewijsstukken”, niet alle gebruikte bronnen bevat, maar louter aanvullend is, gelet op alle gebruikte gegevens.

242    Bovendien vermeldt die lijst qua inhoud, zoals verzoeksters hebben opgemerkt, drie documenten met als titel „[naam van de onderneming] re investments”. Dit aantal door verzoeksters betwiste documenten is evenwel beperkt ten opzichte van het aantal documenten in de betrokken lijst. Zo hebben ten minste 13 van de in totaal 22 opgesomde documenten, waarvan sommige de klagers en weer andere de overige producenten van de Unie betreffen, betrekking op „activa”, „activa en investeringen”, „financiële balansen”, „financiële verslagen”, „werkgelegenheid”, „indirecte arbeidsplaatsen” en „arbeidsplaatsen”, die relevant zijn om de macro-economische gegevens te bepalen.

243    Ten slotte hebben de klagers in hun tijdens het onderzoek ingediende opmerkingen aanvullende details verstrekt wat betreft de bronnen die zijn gebruikt om de macro-economische indicatoren te berekenen, door het volgende op te merken:

„[W]ij hebben gegevens over de klagers en de ondernemingen die de klacht hebben gesteund verzameld die afkomstig zijn uit hun boekhouding. Voor de overige ondernemingen hebben de klagende ondernemingen ramingen opgesteld op basis van gegevens die waren geëxtrapoleerd uit de financiële balansen van die overige ondernemingen, internetsites, persartikelen en hun kennis van de markt.”

244    Gelet op een en ander moet de vierde grief worden verworpen.

245    Met de vijfde grief verwijten verzoeksters de Commissie uitsluitend de kantoren van de vertegenwoordigers van de klagers te hebben bezocht om de door klagers verstrekte gegevens te controleren. Zij merken op dat de Commissie bijvoorbeeld contact had kunnen opnemen met de resterende producenten om hun te vragen de op hen betrekking hebbende ramingen te bevestigen of te becommentariëren.

246    In dit verband zij opgemerkt dat overeenkomstig artikel 6, lid 8, van de basisverordening voor zover mogelijk wordt gecontroleerd of de door ongeacht welke belanghebbenden verstrekte inlichtingen waarop de bevindingen worden gebaseerd, juist zijn.

247    In reactie op andere door verzoeksters aangevoerde argumenten is reeds opgemerkt dat de Commissie geen onderzoeksbevoegdheden had op grond waarvan zij ondernemingen kon dwingen hun medewerking te verlenen aan het onderzoek of informatie over te leggen, maar dat zij afhankelijk was van de vrijwillige medewerking van de partijen om haar informatie te verstrekken (punt 220 hierboven).

248    In casu heeft de Commissie de producenten van de Unie die het betrokken product vervaardigden verzocht aan het onderzoek deel te nemen (zie de punten 222 en 223 hierboven). Evenwel hebben enkel de klagers de informatie verstrekt die nodig was om de macro-economische indicatoren te berekenen. In die context heeft de Commissie zich tot de klagers gewend om gegevens te verkrijgen over de producenten van de Unie die niet aan het onderzoek hadden meegewerkt en heeft zij van hen ramingen betreffende die producenten ontvangen (punt 224 hierboven).

249    Bij artikel 16, lid 1, van de basisverordening wordt het de Commissie toegestaan, ingeval zij dit nuttig oordeelt, bezoeken af te leggen om de ingewonnen inlichtingen te controleren.

250    Daaruit volgt dus dat de Commissie, om de juistheid van de ingewonnen inlichtingen te controleren, een controlebezoek kon afleggen bij de opstellers van die inlichtingen, met dien verstande dat die informatie in casu afkomstig was van de klagers.

251    Wat betreft het feit dat die controle is verricht op het kantoor van de vertegenwoordigers van de klagers, moet worden opgemerkt dat de Commissie de klagers reeds bij aanvang van de procedure via hun vertegenwoordigers heeft verzocht alle „bewijsstukken en werkbladen die waren gebruikt om de antwoorden op deze brief voor te bereiden, alsmede voor de in de klacht genoemde macro-economische gegevens over 2013‑2015” te bewaren.

252    Om praktische redenen was het aanvaardbaar dat de Commissie naar het kantoor van de vertegenwoordigers van de klagers ging om ter controle de stukken te raadplegen waaruit de door de klagers verstrekte gegevens afkomstig waren, gelet op de noodzaak de analyses te baseren op betrouwbare en geloofwaardige gegevens.

253    Bijgevolg moet de vijfde grief worden verworpen.

254    Met hun zesde grief verwijten verzoeksters de Commissie de gecontroleerde bewijsstukken niet precies te hebben geïdentificeerd.

255    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie tijdens de procedure heeft gepreciseerd dat de controle van 30 mei 2017 betrekking zou hebben op „overgelegde gegevens omtrent de macro-economische indicatoren (brondocumenten die waren gebruikt voor de gerapporteerde gegevens, hoe de gegevens [waren] samengesteld, hoe bepaalde cijfers in de klacht in verband met de consumptie en de invoer [waren] verkregen enz.)” en aldus, anders dan verzoeksters aanvoeren, de bewijsstukken heeft genoemd waarop de controles betrekking zouden hebben.

256    Aangezien die informatie ter kennis van verzoeksters is gebracht, moet de grief worden verworpen en moet derhalve het tweede onderdeel van het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.

–       Derde onderdeel van het eerste middel, inzake de winstgevendheid van de producenten van de Unie

257    In het derde onderdeel betwisten verzoeksters de cijfers die de Commissie heeft gebruikt om de verslechtering te bepalen die volgens haar kenmerkend is voor de ontwikkeling van de winstgevendheid van de producenten van de Unie in de jaren voorafgaand aan het onderzoek.

258    In overweging 162 van de voorlopige verordening heeft de Commissie opgemerkt dat de winstgevendheid van de producenten in de Unie in 2006 nog ongeveer 10 % bedroeg, dat deze in het eerste jaar van de beoordelingsperiode, namelijk in 2013, tot nog slechts 5,3 % was geslonken en dat zij tijdens de hele beoordelingsperiode was blijven verslechteren.

259    Op dit gebied voeren verzoeksters drie grieven aan, die door de Commissie worden betwist.

260    Met hun eerste grief voeren verzoeksters in wezen aan dat de Commissie de cijfers die zijn gebruikt bij de berekening van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie zonder grondslag heeft aangekondigd, aangezien de enige gegevens die zij van de bedrijfstak van de Unie heeft ontvangen waren verstrekt op 2 oktober 2017, dat wil zeggen nadat de voorlopige verordening was vastgesteld en ruim vijf maanden nadat de controles op kantoor bij de vertegenwoordigers van de klagers waren uitgevoerd.

261    Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de grief feitelijk onjuist is.

262    De gegevens betreffende de winstgevendheid over 2006 tot en met 2012 zijn namelijk hoe dan ook aan de Commissie verstrekt op 11 mei 2017, dat wil zeggen ten eerste voordat de voorlopige verordening werd vastgesteld en ten tweede vóór de controlebezoeken, die hebben plaatsgevonden op 30 mei en 2 juni 2017. De e‑mail waarmee de gegevens zijn verstrekt, is door de Commissie overgelegd, waarbij zij heeft uitgelegd dat dit document door de klagers op eigen initiatief in een vertrouwelijke versie was verzonden en dat het om die reden niet was opgenomen in het dossier dat voor de belanghebbenden toegankelijk was, maar enkel in het gedeelte van het dossier dat voor de Commissie was voorbehouden. De Commissie heeft voorts gepreciseerd dat het door de klagers verstuurde document van 2 oktober 2017 louter een voor de belanghebbenden toegankelijke versie van het document van 11 mei 2017 was.

263    Wat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode betreft, blijkt dat deze is berekend op basis van de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie op de vragenlijst die door de Commissie aan hen was voorgelegd en die uiterlijk op 22 februari 2017 – dus voordat de voorlopige verordening werd vastgesteld – aan de Commissie moest worden geretourneerd.

264    De eerste grief moet dus worden verworpen.

265    Met de tweede grief beweren verzoeksters dat het in punt 260 hierboven genoemde document van 2 oktober 2017 geen informatie over de gebruikte bronnen verstrekt.

266    In dit verband volstaat het op te merken dat de door verzoeksters verlangde bronnen die de klagers hebben gebruikt om de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie van 2006 tot en met 2012 te bepalen in het document van 11 mei 2017, niet relevant zijn om te kunnen vaststellen of de beoordeling door de Commissie van de micro-economische indicatoren rechtmatig is. Zoals de Commissie heeft onderstreept, heeft zij zich namelijk, ondanks de vermelding van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in 2006 in overweging 162 van de voorlopige verordening, uitsluitend gebaseerd op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode (1 januari 2013 tot en met 30 september 2016) om de ontwikkeling ervan te beoordelen, zoals blijkt uit overweging 168 van die verordening.

267    Deze grief is bijgevolg niet ter zake dienend, hetgeen om dezelfde reden ook geldt voor de derde door verzoeksters aangevoerde grief, namelijk dat de door de Commissie gebruikte cijfers worden tegengesproken door de cijfers die zijn genoemd in het verzoek om een nieuw onderzoek dat de bedrijfstak van de Unie in 2010 heeft ingediend in het kader van het verstrijken van de bij verordening nr. 1212/2005 opgelegde antidumpingmaatregelen.

268    De gegevens betreffende de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie waarop dat verzoek om een nieuw onderzoek betrekking had, hadden immers noodzakelijkerwijs betrekking op de jaren vóór 2010. Zoals in punt 266 hierboven is opgemerkt, heeft de Commissie in overweging 162 van de voorlopige verordening weliswaar het jaar 2006 genoemd, maar waren het de gegevens uit de beoordelingsperiode, te weten 1 januari 2013 tot en met 30 september 2016, die relevant waren en de basis vormden voor de besluitvorming van de Commissie.

269    Hoe dan ook was de winstgevendheid in het kader van het onderzoek geraamd op basis van de gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie, zoals interveniëntes hebben aangevoerd, terwijl de gemiddelde winstgevendheid die door de bedrijfstak van de Unie is genoemd in zijn verzoek om een nieuw onderzoek in het kader van het verstrijken van de bij verordening nr. 1212/2005 opgelegde antidumpingmaatregelen was gebaseerd op de gegevens van zes extra producenten.

270    Gelet op een en ander moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

–       Vierde onderdeel van het eerste middel, inzake de steekproef van producenten van de Unie

271    In het vierde onderdeel betwisten verzoeksters de wijze waarop de Commissie producenten van de Unie heeft geselecteerd voor de steekproef op basis waarvan zij de effecten van de invoer met dumping heeft geëvalueerd.

272    In dit verband voeren verzoeksters twee grieven aan, die door de Commissie worden betwist.

273    Met hun eerste grief voeren verzoeksters aan dat de Commissie de belanghebbenden niet op effectieve wijze heeft verzocht hun opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen.

274    De CCCME heeft op 18 januari 2017, nadat zij hierover contact had opgenomen met de Commissie, namelijk toegang gehad tot ten eerste een document van 12 december 2016, met als titel „Voorstel voor een steekproef van producenten van de Unie”, met daarin een steekproef van drie producenten van de Unie, en ten tweede de vragenlijsten die de Commissie op 16 januari 2017 had verzonden naar „EJ Picardie + 4 andere” producenten van de Unie, zoals in de titel van dat document is aangegeven.

275    Volgens verzoeksters wekken die documenten de indruk dat de voorlopige steekproef op enig moment is uitgebreid tot andere producenten van de Unie. Op 20 januari 2017 heeft de Commissie evenwel in het niet-vertrouwelijke dossier de uiteindelijke steekproef van de producenten van de Unie van 16 januari 2017 opgenomen, waarin zij de oorspronkelijke keuze van drie producenten heeft bevestigd.

276    Volgens verzoeksters blijkt uit deze omstandigheden dat de Commissie de voorlopige steekproef aan de belanghebbenden bekend heeft gemaakt nadat de definitieve steekproef was samengesteld en nadat de vragenlijsten naar de producenten in de steekproef waren verzonden, hetgeen in strijd is met de rechten van verdediging van de belanghebbenden en met artikel 17, lid 2, van de basisverordening, waarin is bepaald dat de selectie bij voorkeur geschiedt in overleg en met de toestemming van de betrokken partijen.

277    In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens artikel 17, lid 2, van de basisverordening „[d]e definitieve selectie van partijen, productsoorten of transacties ingevolge dit artikel geschiedt door de Commissie, bij voorkeur in overleg en met toestemming van de betrokken partijen, mits deze zich binnen drie weken na de opening van het onderzoek bij de Commissie aanmelden en voldoende inlichtingen verstrekken om de keuze van een representatieve steekproef mogelijk te maken”.

278    Het in artikel 17, lid 2, van de basisverordening bedoelde overleg met de betrokken partijen is enkel effectief indien dit plaatsvindt in een stadium waarin de Commissie rekening kan houden met de ingediende opmerkingen en de steekproef in voorkomend geval kan aanpassen.

279    In casu moet erop worden gewezen dat de Commissie in het bericht van opening van het onderzoek heeft opgemerkt dat zij had besloten het onderzoek tot een redelijk aantal producenten in de Unie te beperken door een steekproef samen te stellen en dat zij daartoe een voorlopige steekproef had genomen waarvan de samenstelling door de belanghebbenden kon worden geraadpleegd. In dat bericht heeft de Commissie tevens gepreciseerd dat belanghebbenden die andere informatie wilden verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kon zijn, tenzij anders aangegeven, dat uiterlijk 21 dagen na bekendmaking van genoemd bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie moesten doen.

280    In haar schriftelijke opmerkingen betoogt de Commissie dat de reden waarom het document van 12 december 2016, met als titel „Voorstel voor een steekproef van producenten van de Unie” oorspronkelijk niet in het niet-vertrouwelijke dossier is opgenomen, zoals was aangekondigd in het bericht van inleiding, was gelegen in een foutieve vermelding van het onderzoeksteam. Het document was per ongeluk als „vertrouwelijk” gemarkeerd, terwijl het als „niet-vertrouwelijk” had moeten worden gemarkeerd zodat alle belanghebbenden het konden inzien. Zodra de CCCME de Commissie op 18 januari 2017 ervan in kennis stelde dat dit document ontbrak in de informatie waartoe zij toegang had, is dit document in het systeem als „niet-vertrouwelijk” aangemerkt om te garanderen dat het door de belanghebbenden, met inbegrip van de CCCME, kon worden geraadpleegd.

281    Hieruit volgt dat de CCCME is geraadpleegd op 18 januari 2017, derhalve iets meer dan een maand na de inleiding van het onderzoek, dat wil zeggen op een moment waarop haar opmerkingen in aanmerking konden worden genomen bij de keuze van de steekproef.

282    Hoewel zij daartoe vanaf dat moment de mogelijkheid had, heeft de CCCME geen opmerkingen over de samenstelling van die steekproef ingediend.

283    Het klopt dat verzoeksters betogen dat het aantal in de steekproef opgenomen ondernemingen is gewijzigd en vervolgens definitief is vastgesteld voordat zij waren geraadpleegd, hetgeen volgens hen tot gevolg had dat het overleg niet effectief was, aangezien over de samenstelling van de steekproef was besloten zonder dat zij zich erover konden uitspreken.

284    Gesteld evenwel dat de Commissie daadwerkelijk heeft beoogd de voorlopige steekproef aan te passen en vervolgens van standpunt is veranderd voordat de CCCME de samenstelling van de voorgestelde steekproef had kunnen inzien, dan volstaat het hoe dan ook om in reactie op dat argument op te merken dat ten eerste de belanghebbenden in casu in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te spreken over de door de Commissie voorgestelde samenstelling van de steekproef, dat ten tweede de steekproef waarover het overleg was gevoerd drie ondernemingen bevatte en dat ten derde de definitieve steekproef feitelijk die drie ondernemingen bevatte.

285    Derhalve hadden verzoeksters opmerkingen kunnen indienen over de steekproef van producenten van de Unie, die de Commissie in aanmerking had kunnen nemen, hetgeen betekent dat hun rechten van verdediging alsmede artikel 17, lid 2, van de basisverordening, anders dan zij betogen, wel degelijk zijn geëerbiedigd.

286    Om die redenen moet de eerste grief worden verworpen.

287    Met hun tweede grief betogen verzoeksters dat de door de Commissie samengestelde steekproef niet representatief is voor de verscheidenheid aan situaties van de producenten binnen de Unie, met name de specifieke situatie van de Oost-Europese producenten.

288    Volgens de Commissie is het door verzoeksters op dit gebied aangevoerde argument niet-ontvankelijk omdat het voor het eerst voor het Gerecht is aangevoerd en bovendien ongegrond.

289    In dit verband zij er met betrekking tot de inhoud op gewezen dat de analyse van de Commissie krachtens artikel 4, lid 1, van de basisverordening moet worden gebaseerd op de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel om te komen tot een betrouwbare weergave van de economische situatie van de bedrijfstak op het hele grondgebied van de Unie.

290    Niettemin is het de Commissie toegestaan om in zaken van aanzienlijke omvang het onderzoek te beperken tot een redelijk aantal partijen door gebruik te maken van de in artikel 17 van de basisverordening bedoelde steekproeven.

291    Artikel 17, leden 1 en 2, van de basisverordening voorziet in twee methoden om een steekproef samen te stellen die als representatief in de zin van die verordening kan worden beschouwd. De eerste methode bestaat erin dat de Commissie zich baseert op een steekproef van partijen, producten of transacties die statistisch geldig is op basis van de op het tijdstip van de selectie beschikbare gegevens. Wat betreft de tweede in artikel 17, lid 1, van die verordening genoemde steekproefmethode, berust de representativiteit van de steekproef op het feit dat deze de grootste productie-, verkoop‑ of exporthoeveelheden omvat die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kunnen worden onderzocht (zie arrest van 15 juni 2017, T.KUP, C‑349/16, EU:C:2017:469, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

292    Bovendien volgt uit artikel 17, lid 2, van de basisverordening dat de definitieve selectie van de steekproef geschiedt door de Commissie overeenkomstig de bepalingen inzake de steekproefmethode (arresten van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 87, en 15 maart 2018, Caviro Distillerie e.a./Commissie, T‑211/16, EU:T:2018:148, punt 48).

293    Bovendien moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de Commissie, wanneer zij van steekproeven gebruikmaakt, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en het toezicht van de Unierechter bijgevolg wordt begrensd zoals is beschreven in de punten 149 en 150 hierboven (zie in die zin arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 93).

294    Ten slotte preciseert de rechtspraak dat de Commissie, wanneer zij kiest voor de tweede steekproefmethode, over een zekere ruimte beschikt die samenhangt met haar op de toekomst gerichte beoordeling van wat zij redelijkerwijs kan doen binnen de termijn waarbinnen zij haar onderzoek moet verrichten (arresten van 15 juni 2017, T.KUP, C‑349/16, EU:C:2017:469, punt 31, en 15 maart 2018, Caviro Distillerie e.a./Commissie, T‑211/16, EU:T:2018:148, punt 41).

295    In een dergelijke context, die wordt gekenmerkt door het bestaan van een ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie en een beperking van het toezicht door de Unierechter, staat het aan verzoeksters om, op basis van de rechtspraak, de bewijzen over te leggen op grond waarvan het Gerecht kan vaststellen dat de Commissie bij de beoordeling van de schade een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de wijze waarop zij de steekproef van de bedrijfstak van de Unie heeft samengesteld (zie in die zin arrest van 15 maart 2018, Caviro Distillerie e.a./Commissie, T‑211/16, EU:T:2018:148, punt 49).

296    In casu  heeft de Commissie met toepassing van de in punt 291 hierboven genoemde tweede methode de steekproef samengesteld op basis van de grootste productie‑ en verkoophoeveelheden, zoals artikel 17, lid 1, van de basisverordening haar toestaat.

297    Volgens overweging 13 van de voorlopige verordening vertegenwoordigde die steekproef 48 % van het totale productievolume en 43 % van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie. De omvang van de productiehoeveelheden en van de totale verkopen van die producenten is niet door verzoeksters betwist.

298    De keuze van deze methode staat dus in de weg aan de mogelijkheid om de steekproef te betwisten omdat deze geografisch gezien onvoldoende representatief zou zijn, aangezien de in de steekproef opgenomen productie-, verkoop-, en exporthoeveelheden – indien zij hoog zijn – worden geacht een geschikte basis te vormen om de situatie in de hele bedrijfstak te beoordelen.

299    Derhalve zijn verzoeksters ten onrechte van mening dat de steekproef van de Commissie niet voldoende representatief was in de zin van artikel 17, lid 1, van de basisverordening, omdat deze geen Oost-Europese producenten omvatte.

300    De tweede grief moet derhalve ten gronde worden verworpen, zonder dat een uitspraak over de door de Commissie aangevoerde argumenten inzake de ontvankelijkheid nodig is.

301    Gelet op een en ander moet het vierde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

–       Vijfde onderdeel van het eerste middel, inzake het gebruik van binnen een concern geldende prijzen om de kosten van de bedrijfstak van de Unie te berekenen

302    In het vijfde onderdeel betogen verzoeksters dat de Commissie voor het berekenen van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade in geval van Saint-Gobain PAM gebruik heeft gemaakt van de prijzen die waren gefactureerd voor doorverkopen binnen het concern van ondernemingen waarvan die producent deel uitmaakt (verrekenprijzen), zonder te beoordelen of die aankoopprijzen onafhankelijk waren.

303    Om de daadwerkelijke winstgevendheid te beoordelen, had de Commissie een vergelijking moeten maken tussen enerzijds de waarde van de verkopen die waren verricht aan onafhankelijke klanten en anderzijds de kosten die waren gemaakt voor de vervaardiging van de producten en de VAA-kosten van de wederverkopers, omdat haar analyse van de schade anders vertekend zou zijn.

304    De Commissie bestrijdt het betoog van verzoeksters.

305    In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie in haar antwoord op de vragen van het Gerecht heeft uitgelegd dat Saint-Gobain PAM het beoogde product rechtstreeks aan onafhankelijke klanten verkocht, maar ook, zoals verzoeksters hebben opgemerkt, indirect, via verbonden handelaren.

306    Het is evenwel gebleken dat die omstandigheid geen gevolgen heeft gehad voor de vaststelling van de productiekosten, aangezien ten eerste de twee soorten verkopen betrekking hebben op de door de betrokken onderneming vervaardigde producten en ten tweede de waarde die bij de berekening door de Commissie in aanmerking is genomen, overeenkomt met de door die onderneming in het kader van de vervaardiging gemaakte productiekosten, los van het soort verkoop dat vervolgens zou plaatsvinden.

307    Zoals de Commissie heeft opgemerkt, heeft het feit dat bepaalde verkopen via verbonden ondernemingen zijn verricht dus geen gevolgen voor de berekening van de productiekosten van Saint-Gobain PAM en dus evenmin voor de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade.

308    In haar antwoord op de vragen van het Gerecht heeft de Commissie inderdaad opgemerkt dat Saint-Gobain PAM bepaalde grondstoffen bij verbonden ondernemingen kocht.

309    Om de productiekosten met betrekking tot die transacties in haar berekening te kunnen opnemen, heeft de Commissie evenwel gecontroleerd of deze transacties konden worden beschouwd als onder normale marktvoorwaarden verrichte transacties.

310    Bij het vergelijken van de directe kosten in de productiekosten per eenheid en in de prijs voor de wederverkoop aan niet-verbonden partijen in de Unie, heeft zij namelijk geconstateerd dat Saint-Gobain PAM zich in dezelfde bandbreedte bevond als de twee andere producenten in de steekproef, die hun grondstoffen niet bij verbonden leveranciers hadden gekocht.

311    Het vijfde onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.

–       Zesde onderdeel van het eerste middel, hoofdzakelijk inzake het verschil in de praktijken die werden toegeschreven aan de producenten-exporteurs naargelang zij Indiaas of Chinees waren

312    In het zesde onderdeel voeren verzoeksters meerdere grieven aan, waarvan er een hier wordt onderzocht terwijl de andere, wegens het voorwerp ervan, in andere delen van dit arrest worden onderzocht (zie punt 325 hieronder).

313    Met de in casu onderzochte grief voeren verzoeksters aan dat de conclusie van de Commissie dat er aan de Indiase producenten-exporteurs geen dumping kan worden toegeschreven, terwijl het bestaan van dumping wel is vastgesteld voor de Chinese producenten-exporteurs, onbegrijpelijk is. Volgens verzoeksters is die conclusie onverenigbaar met de twee volgende feitelijke elementen. Ten eerste waren de Indiase uitvoerprijzen lager dan de Chinese. Ten tweede waren de gegevens die de Commissie had gebruikt om de normale waarde vast te stellen voor de Indiase en de Chinese producenten-exporteurs identiek, aangezien de Republiek India was gekozen als referentieland.

314    Volgens de Commissie moet deze grief worden verworpen.

315    Bij het innemen van een standpunt moet worden opgemerkt dat, zoals verzoeksters in herinnering brengen, de invoer in de Unie van het betrokken product uit de Republiek India gelijktijdig met de invoer uit de Volksrepubliek China is onderzocht om het eventuele bestaan van dumping aan te tonen (zie punt 3 hierboven).

316    In het kader van het onderzoek heeft de Commissie geconstateerd dat de prijzen van de invoer uit de Volksrepubliek China op basis van het volume in ton gemiddeld hoger lagen dan de prijzen uit de Republiek India.

317    Aangezien de Volksrepubliek China niet wordt beschouwd als land met een markteconomie, werd tegelijkertijd de normale waarde, die werd gebruikt om te bepalen of er sprake was van dumping bij de Chinese producenten-exporteurs, berekend op basis van de gegevens uit de Republiek India, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening (hierna: „referentielandmethode”).

318    Volgens artikel 1, lid 2, van de basisverordening moet worden vastgesteld dat ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Unie lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld.

319    Dat de Commissie bij de beoordeling of er bij de Chinese en de Indiase producenten-exporteurs sprake was van dumping rekening moest houden met ten eerste het feit dat de normale waarde in beide gevallen was gebaseerd op de Indiase gegevens en ten tweede het feit dat de uitvoerprijzen van de Indiase producenten-exporteurs lager waren dan die van de Chinese producenten-exporteurs, had volgens verzoeksters het logische gevolg dat de Indiase producenten-exporteurs hogere dumpingmarges hadden en dat de Commissie constateerde dat er bij de producenten-exporteurs in dat land sprake was van dumping, zodra zij die conclusie had getrokken met betrekking tot de Chinese producenten-exporteurs.

320    In dit verband zij opgemerkt dat dit verschil tussen de Chinese en de Indiase producenten-exporteurs tijdens het onderzoek door de Commissie is toegelicht.

321    Om te beginnen heeft de Commissie uitgelegd dat zij weliswaar op basis van het volume in ton heeft erkend dat de Indiase uitvoerprijzen gemiddeld lager waren dan de Chinese, maar dat deze prijzen niet naar behoren kunnen worden vergeleken. Zoals de Commissie gedetailleerd heeft uitgelegd in overweging 179 van de voorlopige verordening, waarnaar overweging 19 van de bestreden verordening verwijst, wordt het verschil in prijs volgens haar verklaard door de omstandigheid dat de Indiase producenten-exporteurs grijs gietijzer uitvoerden, dat brosser was en daarom meer grondstoffen nodig had dan de producten van nodulair gietijzer uit de Volksrepubliek China om tot een vergelijkbare prestatie te komen. Om die reden waren de Chinese prijzen hoger indien de vergelijking werd gemaakt op basis van het volume in ton. Het zou daarentegen anders zijn indien de vergelijking werd verricht per product, dat het juiste criterium is voor de vergelijking van verkopen.

322    Voorts was er voor de binnenlandse prijzen van de Indiase producten, zoals de Commissie in overweging 20 van de bestreden verordening heeft opgemerkt, sprake van een specifieke fiscale situatie, met bepaalde correcties als gevolg. Uit de door de Commissie verrichte analyse bleek dat er geen btw werd toegepast op de Indiase binnenlandse prijzen die bij toepassing van de referentielandmethode werden gebruikt om de normale waarde vast te stellen, teneinde te bepalen of er sprake was van dumping uit de Volksrepubliek China. Daardoor ontstond er asymmetrie tussen de Chinese uitvoerprijzen en de Indiase binnenlandse prijzen die werden gebruikt om de normale waarde vast te stellen. Om een vergelijking hiertussen mogelijk te maken, heeft de Commissie derhalve de normale waarde gecorrigeerd door er de btw in op te nemen en zo de normale waarde die werd gebruikt om te beoordelen of er sprake was van dumping van de Chinese producenten-exporteurs, naar boven bijgesteld.

323    Op grond van deze redenering, waarvan verzoeksters de samenhang niet ter discussie hebben kunnen stellen, heeft de Commissie met betrekking tot de Chinese producenten-exporteurs en de Indiase producenten-exporteurs verschillende conclusies getrokken wat betreft het bestaan van dumping.

324    In die omstandigheden moet de eerste grief worden verworpen.

325    In het zesde onderdeel voeren verzoeksters nog twee grieven aan, die samen met andere middelen waarop zij betrekking hebben, zullen worden geanalyseerd. Zo verwijten verzoeksters de Commissie de CCCME elke toegang te hebben geweigerd tot informatie die nodig was om de door de Commissie verrichte analyses te controleren. Deze grief wordt geanalyseerd in het kader van het derde middel. Bovendien betwisten verzoeksters de weigering van de Commissie om gegevens te verzamelen, teneinde de schade-indicatoren per lidstaat en per productcategorie, van grijs gietijzer of van nodulair gietijzer, te beoordelen. Deze grief zal worden onderzocht in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel.

326    Gelet op een en ander moet het zesde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen wat betreft de hierboven onderzochte grief, onder verwijzing naar de analyse van de twee grieven die verband houden met andere middelen, en moet bijgevolg het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.

 Tweede middel, inzake het oorzakelijk verband

327    Het tweede middel, dat bestaat uit drie onderdelen, heeft betrekking op artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening, waarin is bepaald dat de Commissie moet onderzoeken in hoeverre de schade van de bedrijfstak van de Unie in voorkomend geval het gevolg is van de litigieuze invoer en niet van andere factoren.

–       Eerste onderdeel van het tweede middel, inzake de omstandigheid dat de toename van de invoer met dumping en de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie niet gelijktijdig plaatsvonden

328    In het eerste onderdeel betwisten verzoeksters de redenering die de Commissie heeft gevolgd om aan te tonen dat er sprake is van een oorzakelijk verband tussen enerzijds de toename van de invoer met dumping en anderzijds de geconstateerde verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode.

329    Dit onderdeel, dat door de Commissie wordt betwist, is verdeeld in vier grieven.

330    Met hun eerste grief betogen verzoeksters dat de Commissie, om het oorzakelijk verband aan te tonen, de economische actoren aan het begin en aan het einde van de beoordelingsperiode heeft vergeleken, terwijl zij de in de loop van die periode waargenomen tendensen had moeten analyseren. Indien zij voor die benadering had gekozen, zou zij hebben kunnen constateren dat de indicatoren die kenmerkend zijn voor de bedrijfstak van de Unie vanaf 2014 waren verslechterd. Uit de door de Commissie verstrekte gegevens blijkt evenwel dat de invoer uit de Volksrepubliek China vanaf dat moment is afgenomen. Volgens verzoeksters is een dergelijke afname onverenigbaar met de conclusie dat deze invoer heeft bijgedragen tot de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

331    In dit verband moet worden opgemerkt dat de in onderstaande tabel opgenomen indicatoren zich tijdens de beoordelingsperiode op de volgende wijze hebben ontwikkeld.

Index (2013 = 100)

2013

2014

2015

Onderzoektijdvak

Verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie (ton)

100

97

90

89

Productievolume van de bedrijfstak van de Unie (ton)

100

103

96

96

Marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie (%)

100

97

95

97

Omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China (ton)

100

124

120

116

Marktaandeel in de Unie van de invoer uit de Volksrepubliek China (%)

100

125

126

126


332    Uit deze tabel blijkt dat de omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China, zoals verzoeksters opmerken, in 2015 is afgenomen ten opzichte van het niveau in 2014.

333    Dit betekent evenwel niet dat een oorzakelijk verband tussen de ontwikkeling van die invoer en de ontwikkeling van de indicatoren voor de bedrijfstak in de Unie moet worden uitgesloten.

334    Uit deze tabel blijkt namelijk dat de afname van deze invoer vanaf 2014 relatief is, aangezien het niveau van de invoer significant hoger blijft dan het niveau aan het begin van de beoordelingsperiode (+16 %), zodat het, indien een langere periode in aanmerking wordt genomen, gekunsteld is om over een afname van de invoer te spreken.

335    Bovendien wordt in de door verzoeksters verstrekte informatie voorbijgegaan aan de substantiële toename van de betrokken invoer tussen 2013 en 2014 (+24 %). Het is echter mogelijk dat een zodanig omvangrijke toename de markt van de Unie heeft kunnen verzadigen, doordat deze resulteerde in vervroegde bestellingen van klanten van de Unie, met als gevolg dat de verkopen vervolgens zijn gedaald, met name in 2015, het jaar waarin het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie afnam (‑10 % ten opzichte van de uitgangsindex), terwijl ook de invoer een daling liet zien, zij het een beperkte in vergelijking met de daling van de verkopen van die bedrijfstak.

336    In hun betoog kijken verzoeksters verder dan de hierboven onderzochte specifieke overwegingen en plaatsen zij fundamentele vraagtekens bij de methode waarbij de Commissie haar conclusies trekt uit de vergelijking tussen de gegevens betreffende het begin en die betreffende het einde van de beoordelingsperiode.

337    In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de instelling van een „beoordelingsperiode” tot doel heeft gehad de Commissie in staat te stellen onderzoek in te stellen naar een langere periode dan die waarop het eigenlijke onderzoek betrekking heeft, om haar analyse te kunnen baseren op huidige of potentiële tendensen voor de identificatie waarvan een voldoende lange periode vereist is (zie in die zin arrest van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C‑69/89, EU:C:1991:186, punt 87).

338    Dat is precies wat de Commissie in casu heeft gedaan door haar analyse niet te beperken tot de ontwikkelingen die in de loop van één of twee jaar hebben plaatsgevonden, maar door de tendensen over een langere periode te onderzoeken [zie in die zin arrest van 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 145 (niet gepubliceerd)]. Zo is zij tot de conclusie gekomen dat de invoer met dumping tussen 2013 en het einde van het onderzoektijdvak in totaal met 16 % was gestegen, terwijl het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie met 11 % was afgenomen en het marktaandeel van die bedrijfstak in diezelfde periode met 3 % was gedaald.

339    Doordat verzoeksters de mogelijkheid betwisten dat de Commissie zich baseert op het begin en het einde van de beoordelingsperiode, stellen zij eigenlijk een door de Commissie gemaakte methodologische keuze ter discussie.

340    Met betrekking tot dit soort kwesties kent de rechtspraak de instellingen van de Unie echter een ruime beoordelingsmarge toe, waardoor de verzoekende partij, indien zij het optreden van die instellingen met succes wil betwisten, moet aantonen dat er sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling (arrest van 14 maart 2007, Aluminium Silicon Mill Products/Raad, T‑107/04, EU:T:2007:85, punt 71).

341    In casu moet worden vastgesteld dat verzoeksters in hun betoog geen bewijs aanvoeren waarmee het bestaan van een kennelijk onjuiste beoordeling kan worden aangetoond, maar veeleer een alternatieve uitlegging van de trend in de economische indicatoren voorstellen, waarbij zij opmerken dat de door de Commissie gehanteerde benadering hun gekunsteld lijkt (zie in die zin arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 172).

342    Om die redenen moet de eerste grief worden verworpen.

343    In hun tweede grief merken verzoeksters op dat de Commissie in overweging 174 van de bestreden verordening heeft verklaard dat ten eerste de invoer met dumping tot een verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie heeft geleid en dat ten tweede die invoer zich in overeenstemming met de productie van de Unie had ontwikkeld, dat wil zeggen dat deze eerst was gestegen en vervolgens gedaald.

344    Verzoeksters voeren aan dat de redenering van de Commissie moeilijk is te volgen, aangezien het feit dat de toename van de invoer met dumping gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de stijging van het productievolume van de bedrijfstak van de Unie en het feit dat de daaropvolgende daling van de invoer gelijktijdig heeft plaatsgevonden met een afname van het volume van de bedrijfstak van de Unie, veeleer aantonen dat er geen oorzakelijk verband bestaat.

345    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie, zoals verzoeksters stellen, in de bestreden verordening heeft verwezen naar een parallelle ontwikkeling van de invoer met dumping en de productie van de bedrijfstak van de Unie.

346    Die constatering is juist aangezien, zoals uit de tabel in punt 331 hierboven blijkt, de invoer met dumping in 2014 is gestegen, van de index van 100 naar een index van 124, net zoals het productievolume van de bedrijfstak van de Unie, dat op zijn beurt steeg van de index van 100 naar een index van 103. In 2015 zijn beide indices gedaald, de invoer met dumping naar een index van 120 en het productievolume van de bedrijfstak van de Unie naar een index van 96.

347    Niettemin moeten de bewoordingen van de Commissie in de hele overweging 174 van de bestreden verordening in aanmerking worden genomen om te bepalen hoe zij tot de conclusie is gekomen dat er een oorzakelijk verband bestond tussen de invoer met dumping en de verslechtering van de bedrijfstak van de Unie.

348    Het totaal van de door de Commissie in overweging 174 van de bestreden verordening gegeven toelichtingen maakt het begrijpelijk waarom zij, in het licht van de cijfers die zijn opgenomen in de schade-indicatoren van de bedrijfstak van de Unie, heeft vastgesteld dat deze indicatoren gelijktijdig met de stijging van de invoer met dumping waren verslechterd, en dat een oorzakelijk verband tussen deze twee verschijnselen kon worden aangetoond.

349    In overweging 174 van de bestreden verordening heeft de Commissie namelijk opgemerkt dat de ontwikkelingen over de gehele beoordelingsperiode genomen het bestaan ondersteunen van een oorzakelijk verband tussen de verslechtering van de bedrijfstak van de Unie, zowel wat betreft volume als wat betreft marktaandeel, en de toename van de invoer met dumping in die periode.

350    Deze conclusie wordt gestaafd door de cijfers in de tabel in punt 331 hierboven, waaruit blijkt dat de invoer met dumping tijdens de beoordelingsperiode is gestegen, van de index van 100 naar een index van 116, terwijl de indicatoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie over het geheel genomen een daling lieten zien: het productievolume van de index van 100 naar een index van 96, het verkoopvolume van de index van 100 naar een index van 89 en het marktaandeel van de index van 100 naar een index van 97 in diezelfde periode.

351    Verzoeksters kunnen de redenering van de Commissie dus volgen en begrijpen om welke redenen zij, zonder kennelijke beoordelingsfout, heeft geconcludeerd dat er over de gehele beoordelingsperiode sprake was geweest van een tijdsverband tussen de ontwikkeling van de invoer met dumping en de indicatoren die zijn genoemd in punt 350 hierboven.

352    Om die redenen moet de tweede grief worden verworpen

353    Met hun derde grief betwisten verzoeksters de bewering van de Commissie dat de daling van het verbruik in de Unie het oorzakelijk verband tussen de toename van de invoer met dumping en de verslechtering van de indicatoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie niet heeft verbroken.

354    In dit verband zij erop gewezen dat de Commissie in punt 191 van het voorlopige besluit heeft erkend dat het verbruik van het betrokken product gedurende de beoordelingsperiode was gedaald.

355    De Commissie heeft in diezelfde overweging evenwel onderstreept dat die daling en de eventuele invloed daarvan op de ontwikkeling van de indicatoren, het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet hadden kunnen verbreken.

356    Om dat standpunt te verdedigen, heeft zij zich gebaseerd op drie reeksen cijfers. In de eerste plaats heeft zij opgemerkt dat het verbruik van het betrokken product met 8 % was gedaald. In de tweede plaats heeft zij geconstateerd dat het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie met 11 % was afgenomen. Aangezien dit tweede percentage hoger was dan het eerste, heeft zij geoordeeld dat de afname van het verkoopvolume niet volledig kon worden verklaard door de daling van het verbruik. In de derde plaats heeft zij opgemerkt dat tegelijkertijd de invoer met dumping met 16 % was gestegen. Volgens de Commissie kon die stijging het verschil tussen de daling van het verbruik en de grotere daling van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie verklaren.

357    Verzoeksters hebben in hun betoog geen bewijzen aangevoerd waarmee kan worden aangetoond dat de Commissie bij die redenering een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt. Integendeel, een dergelijke redenering blijkt te stroken met de rechtspraak [zie in die zin arrest van 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 122 (niet gepubliceerd)].

358    De derde grief moet dus worden verworpen.

359    Met hun vierde grief bestrijden verzoeksters dat, zoals de Commissie in de bestreden verordening heeft aangegeven, de prijsonderbieding die het gevolg was van de invoer met dumping het marktaandeel en de winst van de producenten in de Unie kon verslechteren, terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in de periode waarin een prijsonderbieding is geconstateerd, namelijk het onderzoektijdvak, is gestegen van een index van 95 naar een index van 97.

360    In dit verband blijkt dat de Commissie zich, om het oorzakelijk verband aan te tonen, heeft gebaseerd op ten eerste het bestaan van een prijsonderbieding (in de orde van grootte van 31,6 % tot 39,2 %) die was aangetoond voor het onderzoektijdvak, en ten tweede het feit dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode een daling van 2,1 procentpunten had laten zien, terwijl dat van de invoer met dumping met 5,6 procentpunten was gestegen.

361    In dit kader rijst de vraag of de Commissie zich kan baseren op een voor het onderzoektijdvak aangetoonde prijsonderbieding als bewijs voor een effect op de bedrijfstak van de Unie over de gehele beoordelingsperiode.

362    In dit verband moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat de prijsonderbieding overeenkomstig artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening wordt geanalyseerd om te bepalen of de invoer met dumping gevolgen kan hebben gehad voor de prijzen bij de verkoop van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie. De prijsonderbieding wordt vastgesteld aan de hand van de door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs verstrekte cijfers, met name om hun dumpingmarges te bepalen. Die gegevens worden berekend op basis van het onderzoektijdvak. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de Commissie een fout kan hebben begaan door de prijsonderbieding te berekenen op basis van gegevens over dat tijdvak (zie in die zin arrest van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie, T‑500/17, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:691, punt 51).

363    Vervolgens moet worden onderstreept dat er sprake is van een samenhang tussen enerzijds het bepalen van de prijsonderbieding en, meer in het algemeen, van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijs van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie, op grond van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening, en anderzijds het aantonen van een oorzakelijk verband, op grond van artikel 3, lid 6, van de basisverordening (zie arrest van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie, T‑500/17, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:691, punt 32; zie in die zin ook arrest van 30 november 2011, Transnational Company „Kazchrome” en ENRC Marketing/Raad en Commissie, T‑107/08, EU:T:2011:704, punt 59).

364    De bewijzen voor het bestaan van schade, met inbegrip van het bewijs inzake de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijs van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie, worden namelijk in aanmerking genomen in het kader van de door de Commissie verrichte analyse van het oorzakelijk verband, zoals bedoeld in artikel 3, lid 6, van de basisverordening. De door de Commissie in het kader van artikel 3, lid 3, van de basisverordening gemaakte vergelijking moet derhalve als basis dienen voor haar analyse van de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade (arrest van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie, T‑500/17, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:691, punt 57).

365    Hieruit vloeit voort dat de Commissie niet kan worden verweten een voor het tijdvak aangetoonde prijsonderbieding in aanmerking te hebben genomen om de gevolgen voor de verslechtering van de bedrijfstak van de Unie, die is beoordeeld over een ruimere periode, te beoordelen.

366    In die context kan de omstandigheid dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoeksjaar waarin de prijsonderbieding is vastgesteld, is gestegen, terwijl het in 2014 en in 2015 en over het algemeen tijdens de beoordelingsperiode is gedaald, niet afdoen aan het oorzakelijk verband dat in dit kader door de Commissie is aangetoond.

367    Om die redenen moet de vierde grief worden verworpen.

368    Met hun vijfde grief betogen verzoeksters dat de Commissie bij het berekenen van de ontwikkeling van de marktaandelen en van de invoer met dumping onderscheid had moeten maken tussen de producten van grijs gietijzer en de producten van nodulair gietijzer.

369    Aangezien deze grief nauw verband houdt met de tweede grief van het tweede onderdeel van het tweede middel, zal deze in het kader daarvan worden onderzocht.

370    Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen wat betreft de hierboven onderzochte vier grieven, onder verwijzing naar de analyse van de vijfde grief, die verband houdt met een ander deel.

–       Tweede onderdeel van het tweede middel, inzake de noodzaak van een gesegmenteerde schadeanalyse

371    Volgens verzoeksters kon de Commissie niet in het algemeen beweren dat de invoer met dumping de geconstateerde schade had veroorzaakt, maar had zij met behulp van een gesegmenteerde analyse het bestaan van een verband tussen die twee elementen moeten aantonen.

372    De Commissie betoogt dat dit onderdeel behalve niet-ontvankelijk ook ongegrond is, omdat de door verzoeksters aangevoerde argumenten niet juridisch worden gestructureerd.

373    Wat betreft de ontvankelijkheid moet worden opgemerkt dat verzoeksters zich beroepen op schending van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening, omdat de Commissie volgens hen niet heeft onderzocht hoe de invoer met dumping van één productsoort (een standaardproduct dat bijna geheel van nodulair gietijzer is) de geconstateerde schade kon hebben veroorzaakt, terwijl die schade ook andere productsoorten omvatte. Aangezien ten eerste de betrokken bepalingen kunnen worden geïdentificeerd en ten tweede het argument van verzoeksters begrijpelijk is, moet dit onderdeel ontvankelijk worden verklaard.

374    Ten gronde beroepen verzoeksters zich ter ondersteuning van hun betoog op het arrest van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad (T‑35/01, EU:T:2004:317).

375    In punt 127 van het arrest van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad (T‑35/01, EU:T:2004:317), heeft het Gerecht geoordeeld dat de Raad de basisverordening niet had geschonden door in die zaak, ter beoordeling van de verschillende schade-indicatoren, een analyse per segment van het betrokken product, te weten elektronische weegschalen, uit te voeren. Het Gerecht heeft opgemerkt dat een analyse per segment niet door de basisverordening werd uitgesloten en dat de instellingen deze konden uitvoeren, met name indien de via een andere methode verkregen resultaten om de een of andere reden vertekend bleken te zijn. In die zaak had de Raad in overweging 83 van de bestreden verordening opgemerkt dat de methode voor de berekening van de gemiddelde verkoopprijzen van alle elektronische weegschalen de resultaten had beïnvloed, als gevolg van „wijzigingen in het productenassortiment (namelijk ingrijpende wijzigingen in de omvang van de verkoop van producten uit de verschillende marktsegmenten van 1995 tot het onderzoektijdvak)”.

376    Verder moet worden opgemerkt dat in het arrest van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie (T‑500/17, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:691), waarop verzoeksters zich in hun antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht beroepen, is geoordeeld dat de Commissie, aangezien zij had vastgesteld dat het betrokken product (in die zaak bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of staal) tot drie verschillende segmenten behoorde (olie en gas, bouw, en elektriciteitsopwekking), met die segmentering rekening moest houden bij het vaststellen van schade en met name bij de analyse van de prijsonderbieding. Het Gerecht heeft gepreciseerd dat een gesegmenteerde analyse in die zaak gerechtvaardigd was, omdat de producten aan de vraagzijde beperkt onderling verwisselbaar waren, de prijzen tussen de segmenten uiteenliepen, en de grootste in de steekproef opgenomen producent van de Unie voornamelijk in de sector olie en gas actief was terwijl de invoer van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zich in het segment bouw concentreerde. In dat verband heeft het Gerecht opgemerkt dat het gebruik van een vergelijkingsmethode op basis van productcontrolenummers (hierna: „PCN”) om een koppeling vast te stellen tussen productsoorten, de zogenoemde „PCN-methode per PCN”, kon worden gebruikt indien deze deel uitmaakte van een analyse die rekening hield met de segmentatie van de markt.

377    Uit de arresten van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad (T‑35/01, EU:T:2004:317), en 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie (T‑500/17, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:691), blijkt dat een analyse per segment gerechtvaardigd kan zijn wanneer de onderzochte producten niet onderling verwisselbaar zijn en wanneer een of meer segmenten meer dan andere door de invoer met dumping kunnen worden geraakt.

378    Een dergelijke analyse per segment is evenwel niet vereist wanneer de producten voldoende onderling verwisselbaar zijn. In een dergelijk geval kunnen het ontbreken van een duidelijk onderscheid tussen de producten of segmenten (A, B en C) en het bestaande verband ertussen ertoe leiden dat ook de verkoop van de producten A en C door de producenten van de Unie kan dalen ten gunste van de invoer van product B in de Unie. Zo kan de invoer met dumping, hoewel deze zich concentreert in een bepaald marktsegment (B), van invloed zijn op de hele bedrijfstak van de Unie.

379    Enkel in een situatie waarin de resultaten om de een of andere reden vertekend blijken te zijn, is een gesegmenteerde analyse in geval van onderling verwisselbare producten gerechtvaardigd. In een dergelijk geval staat het aan de betrokken partij concreet bewijs aan te dragen ter onderbouwing van haar bewering dat verschillende producten niet voldoende onderling verwisselbaar zijn of dat het in geval van voldoende onderling verwisselbare producten in de betrokken zaak tot vertekende resultaten zou leiden indien geen gesegmenteerde analyse was verricht.

380    Met betrekking tot deze segmentatiekwestie voeren verzoeksters ter ondersteuning van hun argumentatie drie grieven aan.

381    Met hun eerste grief verwijzen verzoeksters naar de klacht die heeft geleid tot de inleiding van het onderzoek. In die klacht hebben de betrokken producenten van de Unie gepreciseerd dat de invoer met dumping uitsluitend betrekking had op standaardproducten en dat de situatie anders was in de Unie, waar de productie in het algemeen voor 90 % uit standaardproducten en voor 10 % uit niet-standaardproducten bestond. Volgens verzoeksters had in een dergelijke context enkel een gesegmenteerde analyse kunnen garanderen dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade wat betreft haar niet-standaardproducten niet ten onrechte werd toegeschreven aan de invoer uit de Volksrepubliek China.

382    In dit verband moet worden opgemerkt dat de standaardproducten in de klacht worden gedefinieerd als producten die in overeenstemming zijn met de normen EN 124 of EN 1433. Volgens die normen hebben niet-standaardproducten ruimere openingen en zijn zij uitgerust met extra eigenschappen die worden geacht de waarde van het product te vergroten: waterdichtheid, vergrendelingssysteem, octrooi enz.

383    Het gegeven dat producten tot verschillende categorieën behoren, volstaat op zich niet om te concluderen dat zij niet onderling verwisselbaar zijn en dat een gesegmenteerde analyse derhalve mogelijk is, aangezien producten die tot verschillende categorieën behoren identieke functies kunnen hebben of aan dezelfde behoeften kunnen voldoen (zie in die zin arrest van 10 maart 1992, Sanyo Electric/Raad, C‑177/87, EU:C:1992:111, punt 12).

384    In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoeksters in casu geen bewijs hebben aangevoerd van eventuele specifieke en afzonderlijke behoeften van de klanten waaraan elk van die categorieën producten (standaard en niet-standaard) zou voldoen.

385    Aangezien verzoeksters het tegendeel niet hebben bewezen, moet in deze context worden vastgesteld dat het ontbreken van een gesegmenteerde analyse waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen standaard‑ en niet-standaardproducten in casu niet in strijd was met de vereisten van de rechtspraak, zodat de eerste grief moet worden verworpen.

386    Met de tweede grief betogen verzoeksters dat de Commissie ter beoordeling van de schade van de bedrijfstak van de Unie onderscheid had moeten maken tussen de betrokken producten, naargelang zij van nodulair gietijzer of van grijs gietijzer werden vervaardigd. Dit argument is tevens aangevoerd in het kader van het zesde onderdeel van het eerste middel en van de vijfde grief van het eerste onderdeel van het tweede middel.

387    In dit verband moet worden opgemerkt dat het verband tussen nodulair gietijzer en grijs gietijzer is geanalyseerd tijdens het nieuwe onderzoek van de eerste antidumpingmaatregelen die werden genomen tegen de invoer voor dit soort producten uit de Volksrepubliek China.

388    In casu werd met de procedure voor een nieuw onderzoek beoogd te bepalen of de gietstukken van nodulair gietijzer net zoals de gietstukken van grijs gietijzer onder de definitie vallen van het product waarop verordening nr. 1212/2005 betrekking heeft, namelijk bepaalde artikelen van niet-smeedbaar gietijzer.

389    In de verordening die naar aanleiding van dit nieuwe onderzoek is vastgesteld, te weten verordening (EG) nr. 500/2009 van de Raad van 11 juni 2009 tot wijziging van verordening nr. 1212/2005 (PB 2009, L 151, blz. 6), heeft de Commissie geoordeeld dat de gietstukken van grijs gietijzer en de gietstukken van nodulair gietijzer met het oog op de antidumpingprocedure als één enkel product moesten worden aangemerkt, omdat zij dezelfde eigenschappen hadden (fysiek, chemisch en technisch), voor dezelfde doeleinden konden worden gebruikt en onderling verwisselbaar waren.

390    In dit kader heeft de Commissie opgemerkt dat grijs gietijzer en nodulair gietijzer beide legeringen zijn van ijzer en koolstof, hoewel er geringe onderlinge verschillen konden bestaan in de structuur van de grondstof en er tijdens het productieproces ook verschillende stoffen konden worden toegevoegd. Zij heeft daaraan toegevoegd dat nodulair gietijzer technische eigenschappen heeft waardoor het materiaal beter dan grijs gietijzer bestand is tegen breukspanning en, wat belangrijker is, onder drukspanning veel beter kan worden vervormd zonder te breken. Dat verschil wordt evenwel gecompenseerd door verglijkbare mechanische en technische eigenschappen, zoals de mogelijkheid er gietstukken van te maken, de slijtvastheid en de elasticiteit. Bovendien blijkt uit verordening nr. 500/2009 dat bovengenoemd verschil alleen van invloed is op het ontwerp van het gietstuk (gietstukken van nodulair gietijzer moeten worden vastgezet), en niet op de geschiktheid voor het doel van het gietstuk: het afdekken of toegankelijk maken van installaties op of onder de grond. In haar analyse heeft de Commissie tevens opgemerkt dat consumenten beide soorten gietstukken zagen als hetzelfde product, dat wordt gebruikt om putten af te dekken en daarbij weerstand moet bieden aan het verkeer en een veilige en gemakkelijke toegang moet bieden tot ondergrondse netwerken, of om oppervlaktewater te verzamelen (roosters), en dat beide soorten gietstukken duurzame oplossingen boden.

391    In casu moet worden opgemerkt dat verzoeksters geen bewijzen aanvoeren om deze constateringen ter discussie te stellen, maar beweren dat er in bepaalde lidstaten sprake is van een „voorrang” of een „voorkeur” voor een van beide soorten gietijzer. Zo wordt volgens hen de Duitse markt gedomineerd door grijs gietijzer en de Franse markt door nodulair gietijzer.

392    Een dergelijke bewering, die niet wordt ondersteund door concrete bewijzen, volstaat evenwel niet om de analyse van de Commissie ter discussie te stellen. Hoe dan ook kan een enkele prioriteit niet met zekerheid aantonen dat de producten niet of onvoldoende onderling verwisselbaar zijn, zodat de tweede grief eveneens moet worden verworpen.

393    Met hun derde grief betogen verzoeksters dat de Commissie bij de beoordeling van de schade van de bedrijfstak van de Unie onderscheid had moeten maken tussen Oost-Europa en de rest van de Unie, omdat de concurrentieomstandigheden in dat gedeelte van de Unie minder ontwikkeld zijn.

394    In dit verband moet worden opgemerkt dat deze grief niet voldoende wordt onderbouwd om naar behoren te worden geanalyseerd, aangezien verzoeksters, zonder een specifieke uitleg te geven, enkel hebben opgemerkt dat de concurrentievoorwaarden in Oost-Europa verschillen van die in andere regio’s van Europa.

395    Verzoeksters merken terecht op dat de Commissie in verordening nr. 1212/2005, die heeft geresulteerd in vaststelling van de antidumpingmaatregelen van 2005, een analyse per segment heeft verricht en daarbij een bepaald geografisch gebied, in dat geval Frankrijk, heeft uitgesloten.

396    In overweging 73 van verordening nr. 1212/2005 heeft de Commissie die werkwijze evenwel gerechtvaardigd op grond dat de marktpenetratie van de invoer met dumping niet op de gehele markt van de Unie gelijk was. De penetratie was namelijk sterk in 14 van de lidstaten, maar de invoer met dumping was nog niet gericht op de Franse markt. De twee in de steekproef opgenomen Franse producenten wogen daarnaast bijzonder zwaar voor de vaststelling van de algehele situatie van de bedrijfstak van de Unie, omdat hun productie en verkoop van gietstukken in Frankrijk ongeveer 36 % bedroeg van de totale productie en verkoop van die bedrijfstak. Gezien deze bijzondere situatie heeft de Commissie het passend geacht samen met de schadeanalyse voor de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel een analyse te presenteren van de trends van bepaalde indicatoren voor de markt van de Unie waarop de invoer met dumping was gericht, dat wil zeggen die markt met uitzondering van Frankrijk.

397    Verzoeksters hebben niet aangetoond dat dergelijke omstandigheden in casu rechtvaardigden dat de schade aan de bedrijfstak van West-Europa en die aan de bedrijfstak van Oost-Europa afzonderlijk werden beoordeeld, zodat de derde grief moet worden verworpen en bijgevolg het tweede onderdeel van het tweede middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

–       Derde onderdeel van het tweede middel, inzake de invoerprijzen en het belang van de prijsonderbieding

398    In het derde onderdeel van het tweede middel voeren verzoeksters twee grieven aan, die door de Commissie worden betwist.

399    Met hun eerste grief betogen verzoeksters dat de Commissie niet over betrouwbare informatie over de prijzen van de invoer met dumping beschikte.

400    In dit verband moet worden vastgesteld dat de Commissie in overweging 126 van de voorlopige verordening heeft erkend dat de ontwikkeling van de prijzen van de invoer met dumping niet „volledig betrouwbaar” was, aangezien deze gegevens waren gebaseerd op invoerstatistieken en de gedetailleerde mix van productsoorten niet bekend was.

401    In die passage heeft de Commissie evenwel, anders dan verzoeksters opmerken, niet erkend dat de ontwikkeling van de prijzen van de invoer met dumping niet betrouwbaar genoeg was om bruikbaar te zijn, maar enkel dat de berekening van de prijzen van de invoer niet had geleid tot een resultaat met de door haar gewenste mate van detail, zonder dat zij deze gegevens echter als volledig onbetrouwbaar beschouwde en heeft overwogen dat zij mogelijk in het geheel niet van nut waren bij het opstellen van de bestreden verordening.

402    Het feit dat de ontwikkeling van genoemde prijzen niet „volledig betrouwbaar” is, is het gevolg van de omstandigheid dat de gegevens van Eurostat het betrokken product indelen aan de hand van codes die ook andere producten omvatten en dat die gegevens om die reden zijn aangepast, zoals is opgemerkt in de punten 158 tot en met 166 hierboven.

403    In reactie op het eerste onderdeel van het eerste middel is geoordeeld dat de Commissie zich, bij gebreke van preciezere, recentere en betrouwbaardere informatie, op die gegevens, na aanpassing, kon baseren om de omvang van de invoer met dumping vast te stellen.

404    In het verlengde daarvan moet worden geoordeeld dat de Commissie die gegevens ook kon gebruiken om de prijzen van de invoer met dumping te beoordelen en de ontwikkeling daarvan te achterhalen.

405    De eerste grief moet dus worden verworpen.

406    Met de tweede grief verwijten verzoeksters de Commissie het belang van de prijsonderbieding onvoldoende te hebben beoordeeld, gelet op het aandeel in de productie van de bedrijfstak van de Unie waarvoor geen enkele prijsonderbieding was aangetoond.

407    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie volgens overweging 187 van de bestreden verordening heeft vastgesteld dat 62,6 % van de totale verkoop in de Unie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie werd onderboden door de invoer met dumping van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China. Zij is tot die conclusie gekomen op basis van het feit dat ten eerste alle ingevoerde productsoorten vergelijkbaar waren met productsoorten die door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie werden verkocht en dat ten tweede de prijzen van alle ingevoerde productsoorten de verkoopprijzen van de vergelijkbare soorten die door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie werden verkocht, onderboden. Uit deze verschillende elementen heeft de Commissie geconcludeerd dat de schadelijke effecten van de prijs van de invoer met dumping op de verkoop van de bedrijfstak van de Unie in voldoende mate waren aangetoond.

408    Volgens verzoeksters kon de Commissie die conclusie niet trekken, gelet op het beperkte aandeel ten aanzien waarvan daadwerkelijk een prijsonderbieding was geconstateerd – in casu 62,6 % van de door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie verrichte verkopen. Volgens verzoeksters is een dergelijk aandeel om twee redenen onvoldoende. Het eerste door verzoeksters aangevoerde bezwaar is dat het aandeel van de verkoop waarvoor een prijsonderbieding is aangetoond, slechts 26,9 % bedraagt van de verkopen van de Unie, aangezien de steekproef van producenten van de Unie 43 % van de totale verkopen van de bedrijfstak van de Unie vertegenwoordigt. Het tweede door verzoeksters aangevoerde argument is dat dit aandeel van 62,6 % betekent dat er voor het resterende, toch niet verwaarloosbare gedeelte van die verkoop (meer dan 37 %) geen prijsonderbieding is geconstateerd. In die omstandigheden had de Commissie volgens verzoeksters moeten onderzoeken of er daadwerkelijk een oorzakelijk verband kon worden aangetoond met de voor de hele bedrijfstak van de Unie geconstateerde schade. Hieromtrent onderstrepen zij dat de verkoop van de bedrijfstak van de Unie in vergelijking met de invoer met dumping aanzienlijke verschillen vertoont naargelang van de producten (van nodulair gietijzer of van grijs gietijzer) en van de lidstaten.

409    In dit verband moet worden opgemerkt dat de basisverordening, zoals is gepreciseerd in punt 290 hierboven, de Commissie toestaat om in zaken van aanzienlijke omvang haar onderzoek te baseren op een aantal partijen dat zij bepaalt door gebruik te maken van een in artikel 17 van die verordening genoemde steekproefmethode, terwijl die mogelijkheid of de in die bepaling genoemde steekproefmethoden in casu niet in het kader van een exceptie van onwettigheid door verzoeksters ter discussie zijn gesteld.

410    In casu heeft de Commissie bij wijze van steekproef, zoals in punt 296 hierboven is opgemerkt, de tweede in die bepaling bedoelde methode gebruikt, namelijk een selectie op basis van „de grootste” hoeveelheden (productie en verkoop).

411    Derhalve moet op grond van de basisverordening worden geoordeeld dat de door de Commissie verrichte analyse was gebaseerd op gegevens die als representatief moeten worden beschouwd, met als gevolg dat de prijsonderbieding die is geconstateerd voor de verkopen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie als representatief voor de hele bedrijfstak van de Unie moet worden beschouwd.

412    Derhalve moet het eerste bezwaar van verzoeksters dat bij slechts 26,9 % van de verkopen van de Unie sprake is van prijsonderbieding, welk bezwaar er in wezen op neerkomt dat de mogelijkheid voor de Commissie om zich te baseren op representatieve steekproeven ter discussie wordt gesteld, worden afgewezen.

413    Wat hun tweede bezwaar betreft, onderstrepen verzoeksters in hun antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht dat de verkopen die overeenkomen met de 37,4 % die niet in aanmerking is genomen, niet vergelijkbaar waren met de invoer van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en per definitie niet werden onderboden.

414    Ter ondersteuning van hun argumentatie verwijzen verzoeksters naar het arrest van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie (T‑500/17, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:691), waarbij een antidumpingverordening van de Commissie nietig is verklaard met name op grond dat die instelling in haar analyse 8 % van de omvang van de verkopen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie buiten beschouwing had gelaten bij het onderzoek van de prijsonderbieding, omdat er geen soortgelijke ingevoerde productsoort bestond.

415    Volgens verzoeksters dringt in casu dezelfde conclusie zich op, gelet op de overeenkomsten tussen deze twee zaken, temeer daar het door de Commissie genegeerde percentage in casu hoger is (ongeveer 37 %) dan het percentage in die eerdere zaak (8 %). In beide zaken is de gegevensverzameling die de Commissie heeft gebruikt om de gemiddelde verkoopprijzen per eenheid en de winstgevendheid van de verkopen in de Unie aan onafhankelijke afnemers te bepalen, gebaseerd op alle door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie verkochte productsoorten. Op dezelfde wijze heeft de Commissie volgens verzoeksters in beide dossiers een specifiek verband aangetoond tussen de analyse van de prijsonderbieding bij de invoer met dumping en de ontwikkeling van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Ook in diezelfde lijn heeft de Commissie in beide gevallen een verband ontdekt tussen enerzijds de daling van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en anderzijds de verslechtering van de winstgevendheid van die bedrijfstak en van de daling van zijn marktaandelen. Ten slotte heeft de Commissie zowel in deze als in die eerdere zaak verzuimd een specifieke motivering aan te dragen op grond waarvan kon worden uitgesloten dat de niet in aanmerking genomen producten een significante rol hadden gespeeld in de verlaging van de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie.

416    In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht zich in het door verzoeksters aangevoerde arrest van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie (T‑500/17, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:691), heeft uitgesproken in een context waarin de Commissie zelf had opgemerkt dat het geheel van onderzochte producten uit afzonderlijke segmenten bestond. In die context heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie de analyse van de prijsonderbieding had verricht zonder onderscheid te maken tussen de toch door haar geïdentificeerde segmenten. Bovendien heeft het Gerecht overwogen dat de Commissie bij haar analyse geen rekening had gehouden met bepaalde productsoorten die door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie werden verkocht en waarvoor geen ingevoerde soortgelijke productsoort bestond. In dat specifieke kader heeft het Gerecht in punt 74 van genoemd arrest geoordeeld dat „bij gebreke van een specifieke motivatie in dit verband in de bestreden verordening, niet kan worden uitgesloten dat de 17 betrokken productsoorten, die 8 % van de omvang van de verkopen van genoemde producenten en, gelet op de verschillen in prijzen tussen segmenten, in termen van waarde wellicht een hoger percentage vertegenwoordigen, een significante rol hebben gespeeld in de verlaging van de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie”.

417    Die situatie is anders dan de situatie in casu, waarin de Commissie niet heeft geconstateerd dat er op de markt voor het betrokken product verschillende segmenten bestaan en haar standpunt op dat gebied uitgebreid heeft toegelicht, terwijl verzoeksters geen bewijzen hebben kunnen aandragen om aan deze beoordeling af te doen of deze in twijfel te trekken.

418    Verzoeksters overwegen dat hun tweede bezwaar ook wordt ondersteund door de conclusies van de beroepsinstantie van de WTO in het geschil „China – Maatregelen die antidumpingrechten opleggen aan naadloze buizen van high-performance roestvrijstaal ‚HP-SSST’ uit Japan” (WT/DS 454/AB/R en WT/DS 460/AB/R, verslag van 14 oktober 2015).

419    In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht volgens de rechtspraak bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden verordening niet is gebonden aan de uitlegging door die beroepsinstantie van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3) (zie in die zin arrest van 1 maart 2005, Van Parys, C‑377/02, EU:C:2005:121, punt 54).

420    Voor het overige moet worden opgemerkt dat de beroepsinstantie van de WTO in het in punt 418 hierboven genoemde verslag heeft opgemerkt dat de onderzoekende instantie voor een objectieve beoordeling van de gevolgen van de invoer met dumping voor de binnenlandse prijzen een dynamische beoordeling moest verrichten van de prijsontwikkeling en ‑tendensen in de relatie tussen enerzijds de prijzen van de invoer met dumping en anderzijds de prijzen van het soortgelijke binnenlandse product tijdens het onderzoektijdvak, en dat zij daarbij rekening moest houden met alle relevante bewijzen, in voorkomend geval met inbegrip van het relatieve marktaandeel van elke productsoort.

421    Deze vaststelling moet echter in de context ervan worden gezien. In die zaak was aangetoond dat de betrokken producten, te weten naadloze buizen van high-performance roestvrijstaal (HP-SSST), moesten worden onderscheiden in verschillende marktsegmenten, die correspondeerden met verschillende productengamma’s waarvan de substitueerbaarheid niet was aangetoond. Bovendien had de Chinese onderzoekende instantie tijdens het onderzoek geconstateerd dat de invoer met dumping en de binnenlandse verkopen zich tijdens het onderzoektijdvak op verschillende segmenten van de HP-SSST-markt concentreerden. Terwijl de binnenlandse Chinese HP-SSST-productie voor het merendeel uit producten van A‑kwaliteit bestond, bedroeg het marktaandeel van de invoer met dumping van producten van A‑kwaliteit namelijk 1,45 % in 2008 en daarna 0 %.

422    In die specifieke context heeft de beroepsinstantie van de WTO zich op het standpunt gesteld dat de Chinese onderzoekende instantie niet enkel kon constateren, zoals zij dat had gedaan, dat er sprake was van een prijsonderbieding voor de ingevoerde producten van B‑ en van C‑kwaliteit, maar dat zij ook rekening moest houden met het relatieve marktaandeel van elk A-, B-, en C‑product.

423    In casu is de situatie anders, aangezien het betrokken product ter vergelijking weliswaar door de Commissie is ingedeeld in PCN-codes, maar het een verscheidenheid aan productsoorten omvat die onderling verwisselbaar blijven.

424    Deze methode is overigens bekrachtigd door de beroepsinstantie van de WTO in haar in punt 418 hierboven genoemde verslag, aangezien deze instantie in punt 5.180 heeft opgemerkt dat de onderzoekende instantie op grond van artikel 3.2 van de antidumpingovereenkomst niet was gehouden het bestaan van prijsonderbieding aan te tonen voor elk van de onderzochte productsoorten of met betrekking tot het hele assortiment goederen waaruit het soortgelijke binnenlandse product bestond.

425    In deze context moet worden geoordeeld dat het bestaan van een onderbiedingsmarge in de orde van grootte van 31,6 tot 39,2 %, die betrekking heeft op 62,6 % van de verkopen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie, blijkt te volstaan om in casu te concluderen dat er sprake was van een aanzienlijke prijsonderbieding ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 3, lid 3, van de basisverordening.

426    Gelet op een en ander moet de tweede grief worden verworpen en moet bijgevolg het derde onderdeel van het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.

427    Aangezien alle in het kader van het tweede middel aangevoerde argumenten zijn afgewezen, moet dit middel worden afgewezen.

 Derde middel, inzake de weigering om bepaalde informatie te verstrekken

428    Met het derde middel verwijten verzoeksters de Commissie te hebben geweigerd hun voor het vaststellen van de dumping en de schade nuttige informatie te verstrekken. Dit verwijt is tevens gemaakt in het kader van het zesde onderdeel van het eerste middel.

–       Ontvankelijkheid van het derde middel

429    Volgens de Commissie moet het derde middel met betrekking tot alle verzoeksters niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten eerste kan de CCCME, aangezien zij geen belanghebbende in de zin van de basisverordening is, zich niet beroepen op schending van de uit die verordening voortvloeiende procedurele rechten. Ten tweede hebben de leden van de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I niet deelgenomen aan het onderzoek door opmerkingen in te dienen en toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier te verzoeken, zodat zij zich niet kunnen beroepen op schending van de procedurele rechten met betrekking tot het niet aan hen verstrekken van informatie.

430    Om de ontvankelijkheid te onderzoeken, moeten drie situaties worden onderscheiden, al naargelang de identiteit van de rechtspersoon of de onderneming die het middel heeft aangevoerd.

431    Als eerste moet de situatie worden onderzocht waarin het argument door de CCCME in eigen naam wordt aangevoerd.

432    In dit verband moet worden opgemerkt dat de CCCME, aangezien zij heeft deelgenomen aan het onderzoek en voor zichzelf om de in het derde middel bedoelde informatie heeft verzocht, beschikt over procedurele rechten die zij in het kader van het onderhavige beroep kan trachten te beschermen.

433    In deze context wordt het derde middel ontvankelijk verklaard voor zover het is aangevoerd door de CCCME in eigen naam.

434    Als tweede moet de situatie worden onderzocht waarin het middel wordt aangevoerd door de leden van de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I, die de bestreden verordening ter discussie stellen op grond dat informatie die essentieel is voor de verdediging van hun belangen niet aan hen is verstrekt.

435    In dit verband moet worden opgemerkt dat deze twee categorieën bestaan uit ondernemingen die niet hebben aangetoond dat zij hebben deelgenomen aan het onderzoek of dat hebben verzocht om verstrekking van de betrokken informatie.

436    Uit de basisverordening en met name artikel 5, lid 10, ervan, blijkt dat de instellingen niet in staat zijn alle ondernemingen die belang kunnen hebben bij een antidumpingprocedure te identificeren en zo vast te stellen aan wie de informatie waarvan bekendmaking is toegestaan, moet worden verstrekt, zodat het aan de belanghebbenden staat om zich kenbaar te maken en aan te geven dat zij er belang bij hebben te worden geïnformeerd en aan het onderzoek deel te nemen.

437    Zoals uit de rechtspraak blijkt, dienen deze belanghebbenden de instellingen in staat te stellen de moeilijkheden te beoordelen die zij kunnen ondervinden door het ontbreken van een element in de informatie die hun is verstrekt, met dien verstande dat zij niet voor de Unierechter kunnen klagen over het feit dat bepaalde informatie hun niet is meegedeeld indien zij in de loop van het onderzoek bij de instellingen geen enkel verzoek betreffende die informatie hebben ingediend (zie arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

438    Bijgevolg kan het derde middel met betrekking tot de leden van de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I enkel als ontvankelijk worden aangemerkt voor zover die ondernemingen nietigverklaring van de bestreden verordening vorderen op grond dat informatie ten onrechte niet aan hen is verstrekt.

439    De derde situatie die moet worden onderzocht, is ten slotte de situatie waarin het middel wordt aangevoerd door de leden van de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I, met het argument dat de rechten van verdediging niet zijn geëerbiedigd ten aanzien van de CCCME.

440    In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak schending van de rechten van verdediging naar haar aard een subjectieve onregelmatigheid vormt (zie in die zin arrest van 26 oktober 2010, CNOP en CCG/Commissie, T‑23/09, EU:T:2010:452, punt 45), met als gevolg dat deze door de betrokkene zelf moet worden aangevoerd en niet door een andere partij kan worden aangevoerd (zie in die zin arrest van 1 juli 2010, ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni/Commissie, T‑62/08, EU:T:2010:268, punt 186).

441    Derhalve moet worden geoordeeld dat het op grond van die rechtspraak niet mogelijk is dat de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I zich voor de Unierechter beroepen op schending van de procedurele rechten die tijdens het onderzoek aan de CCCME zijn verleend.

442    Volgens verzoeksters staat het Unierecht de leden van een vereniging echter wel toe zich te beroepen op schending van de door die vereniging uitgeoefende procedurele rechten indien die vereniging tijdens het onderzoek in hun naam voor de Commissie is opgetreden, met dien verstande dat zij in een dergelijk geval in feite verzoeken om bescherming van hun eigen rechten, die tijdens die administratieve fase in hun naam door de vereniging zijn uitgeoefend.

443    In dit verband moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid voor een vereniging om tijdens de antidumpingprocedure de procedurele rechten van bepaalde leden uit te oefenen, in de rechtspraak is erkend (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie, T‑228/17, EU:T:2019:619, punt 36).

444    Aan die mogelijkheid wordt door diezelfde rechtspraak evenwel de voorwaarde verbonden dat de entiteit tijdens het onderzoek heeft kenbaar gemaakt dat zij de intentie had als vertegenwoordigster van bepaalde leden op te treden, hetgeen veronderstelt dat die leden zijn geïdentificeerd en dat zij kan aantonen dat zij van hen een machtiging heeft ontvangen om deze procedurele rechten in hun naam uit te oefenen.

445    Uit het dossier blijkt echter dat de CCCME zich in casu tijdens het onderzoek niet als zodanig bij de Commissie heeft gepresenteerd, maar dat zij in de loop van het gehele onderzoek daarentegen is opgetreden als entiteit die de Chinese bedrijfstak in zijn geheel vertegenwoordigde.

446    Zo heeft de CCCME in de opmerkingen die zij op 15 september 2017 over de voorlopige verordening heeft ingediend, het volgende opgemerkt:

„Het belang van de CCCME komt overeen met het belang van de Chinese gietijzerbedrijfstak in zijn geheel. Dit belang kan – en zal vaak – samenvallen met de belangen van de afzonderlijke Chinese producenten-exporteurs van het betrokken product, maar is afgescheiden van, en gaat verder dan deze afzonderlijke belangen. Zo zij met name opgemerkt dat de leden van de CCCME niet enkel de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs zijn, maar ook de niet in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, waarvoor derhalve het recht geldt dat van toepassing is op de ‚in de bijlage opgenomen andere medewerkende ondernemingen’ of op ‚alle andere ondernemingen’. Tot haar leden behoren ook vennootschappen die het betrokken product in deze fase niet naar de Europese Unie (‚EU’) uitvoeren, maar wellicht overwegen dat in de toekomst wel te doen. Met haar deelneming aan het onderhavige onderzoek beoogt de CCCME het collectieve belang van haar leden en de Chinese (exporterende) gietijzerbedrijfstak en niet de afzonderlijke belangen van haar leden te behartigen. Deze afzonderlijke belangen worden behartigd door de verschillende Chinese producenten(-exporteurs) zelf, van wie sommigen individueel aan de onderhavige procedure deelnemen.”

447    In deze context kan niet worden geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten waarin de rechtspraak voorziet om de leden van de vereniging in staat te stellen procedurele rechten die tijdens de administratieve fase door de CCCME zijn uitgeoefend te beschermen.

448    Ter terechtzitting hebben verzoeksters voorgesteld de machtigingen over te leggen die de leden van de CCCME volgens hen hadden gegeven om de CCCME toestemming te verlenen en te verzoeken om de procedurele rechten waarop zij aanspraak konden maken op te eisen.

449    Dat bewijsaanbod moet in dat stadium van de procedure evenwel als niet relevant worden beschouwd, omdat die eventuele machtigingen tijdens het onderzoek hadden moeten worden overgelegd om de Commissie in staat te stellen aan de betrokken ondernemingen de procedurele rechten toe te kennen waarop zij aanspraak konden maken.

450    In het licht van het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat het derde middel in eigen naam kan worden opgeworpen door de CCCME als vereniging die de gehele Chinese bedrijfstak vertegenwoordigt, en verklaart het de argumenten die in het kader van dat middel zijn aangevoerd door de leden van de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I, niet-ontvankelijk.

–       Verhouding tussen de rechten van verdediging en de verplichting tot geheimhouding

451    Ten gronde moet worden opgemerkt dat de eerbiediging van het recht van verweer in iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, volgens de rechtspraak een grondbeginsel van Unierecht vormt dat zelfs bij het ontbreken van enige regeling inzake de procedure in acht moet worden genomen (zie arrest van 1 oktober 2009, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, C‑141/08 P, EU:C:2009:598, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

452    Volgens het Hof is dit beginsel van kapitaal belang in antidumpingonderzoekprocedures (zie arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

453    Op grond van dat beginsel moeten de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken over ten eerste het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en ten tweede het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade (zie arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

454    In dit verband moeten de instellingen van de Unie met zorgvuldigheid te werk gaan door te proberen om de betrokken ondernemingen de voor de behartiging van hun belangen dienstige gegevens mee te delen, waarbij zij een zekere mate van vrijheid hebben om – eventueel ambtshalve – te kiezen voor de vorm die hen passend lijkt met het oog op die mededeling (arresten van 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer/Raad, C‑49/88, EU:C:1991:276, punt 17, en 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punt 99; zie in die zin ook arrest van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, EU:C:1985:119, punt 30).

455    Deze beginselen worden ten uitvoer gebracht in de basisverordening, die voorziet in een stelsel van waarborgen met een tweeledige doelstelling, namelijk enerzijds de belanghebbenden in staat stellen hun belangen nuttig te verdedigen en anderzijds de vertrouwelijkheid van de in de loop van het onderzoek verzamelde informatie beschermen (zie naar analogie arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 96).

456    De regels met betrekking tot die twee doelstellingen worden in de volgende punten onderzocht.

457    Wat de eerste doelstelling betreft, worden de procedurele waarborgen die het recht op informatie van de belanghebbende partijen verzekeren eerst in artikel 6, lid 7, en vervolgens in artikel 20 van de basisverordening gedefinieerd (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 97).

458    Zo bepaalt artikel 6, lid 7, van de basisverordening dat de belanghebbende partijen, met inbegrip van de exporteurs en hun representatieve verenigingen, op schriftelijk verzoek inzage kunnen verkrijgen in alle door een bij het onderzoek betrokken partij verstrekte informatie, doch niet in de interne documenten van de autoriteiten van de Unie of van de lidstaten, voor zover die informatie betrekking heeft op hun zaak, niet vertrouwelijk is en bij het onderzoek wordt gebruikt (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 98).

459    Aan de andere kant noemt artikel 20 van de basisverordening twee momenten waarop aan de belanghebbende partijen, met inbegrip van de exporteurs en hun representatieve verenigingen, specifieke informatie kan worden medegedeeld over de essentiële feiten en overwegingen waarop de antidumpingmaatregelen kunnen worden gebaseerd, te weten enerzijds na de instelling van voorlopige maatregelen en anderzijds vóór de instelling van definitieve maatregelen (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 99).

460    Wat de tweede doelstelling betreft, bevat de basisverordening regels voor de eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de tijdens het onderzoek verzamelde inlichtingen (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 103).

461    In dit verband bevat artikel 19, lid 1, van de basisverordening het beginsel dat vertrouwelijke inlichtingen door de autoriteiten als dusdanig moeten worden behandeld.

462    Vertrouwelijke inlichtingen zijn vertrouwelijk wegens hun aard of omdat zij als dusdanig zijn aangemerkt door de personen of entiteiten die deze hebben verstrekt. Tot de eerste categorie behoren inlichtingen waarvan de bekendmaking een concurrent aanmerkelijke voordelen zou geven, of degene die de inlichtingen heeft verstrekt of van wie diegene die inlichtingen heeft verkregen, ernstig zou benadelen. Wat de tweede categorie betreft, verbiedt artikel 19, lid 5, eerste volzin, van de basisverordening de Commissie, de lidstaten en hun functionarissen om zonder de uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de entiteit die deze heeft verstrekt gegevens bekend te maken waarvoor die persoon of entiteit om een vertrouwelijke behandeling heeft verzocht.

463    Volgens artikel 19, lid 5, tweede volzin, van de basisverordening is het verbod op bekendmaking ook van toepassing op informatie die tussen de Commissie en de lidstaten wordt uitgewisseld en op interne documenten van de instellingen en de lidstaten, en zijn alleen de in de basisverordening genoemde uitzonderingen toegestaan.

464    Nu beide in de regelgeving nagestreefde doelstellingen zijn beschreven, moet worden opgemerkt dat het Unierecht aanwijzingen bevat voor de wijze waarop zij zich tot elkaar verhouden (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 105).

465    Sommige bepalingen in de basisverordening onderstrepen het belang dat aan vertrouwelijkheid wordt gehecht. Zo wijst artikel 6, lid 7, van deze verordening, waaraan is herinnerd in punt 458 hierboven, erop dat het vertrouwelijke karakter van door een bij het onderzoek betrokken partij verstrekte informatie zich verzet tegen inzage door de belanghebbenden. Verder bepaalt artikel 20, lid 4, van deze verordening dat de definitieve mededeling moet worden gedaan „met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke gegevens” (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 105).

466    Omgekeerd preciseert de rechtspraak dat het voorschrift om de vertrouwelijkheid van inlichtingen te eerbiedigen niet aldus mag worden opgevat dat de rechten van verdediging hun inhoud verliezen (zie in die zin arrest van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, EU:C:1985:119, punt 29).

467    Om deze twee doelstellingen met elkaar in verband te brengen, wordt in artikel 19, lid 2, van de basisverordening bepaald dat, wanneer vertrouwelijke inlichtingen worden verstrekt, een niet-vertrouwelijke samenvatting moet worden verstrekt door de partij die om vertrouwelijkheid verzoekt, welke samenvatting gedetailleerd genoeg moet zijn om de belanghebbenden een redelijk inzicht in de wezenlijke inhoud van de verstrekte inlichtingen te verschaffen.

468    Met hetzelfde doel van eerbiediging van de rechten van verdediging wanneer de vertrouwelijkheid zich verzet tegen de bekendmaking van de inlichtingen, draagt artikel 19, lid 4, van de basisverordening de instellingen op om algemene gegevens, en in het bijzonder de motivering van in het kader van de basisverordening genomen besluiten, bekend te maken.

469    In het licht van deze beginselen en bepalingen moet worden nagegaan of de CCCME in staat is gesteld om zinvol haar standpunt kenbaar te maken over het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en over het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt, met dien verstande dat de betrokken instellingen, wanneer zij de voorschriften inzake vertrouwelijkheid en het recht op informatie voor de belanghebbenden moeten verenigen, in het licht van die informatie de bijzondere situatie van de belanghebbende partij en met name de positie van die belanghebbende partij op de betrokken markt ten opzichte van die van de persoon die deze informatie heeft verstrekt, moeten beoordelen (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 199).

470    In dit onderzoek worden de drie onderdelen van het middel achtereenvolgens onderzocht.

–       Eerste onderdeel van het derde middel, inzake het verzoek om bekendmaking van de door de Commissie verrichte berekeningen

471    In het eerste onderdeel verwijt de CCCME de Commissie haar geen gedetailleerde berekeningen van de normale waarde, de dumpingmarges, de effecten van de Chinese invoer op de prijzen, de schade en de schademarge te hebben verstrekt. Volgens de CCCME kunnen de belanghebbenden, wanneer zij over de gedetailleerde berekening van de Commissie en de voor die berekening gebruikte gegevens beschikken, opmerkingen indienen die nuttiger zijn voor hun verdediging. Deze partijen kunnen dan immers precies nagaan hoe de Commissie die gegevens heeft gebruikt en die vergelijken met hun eigen berekeningen, waardoor zij eventuele vergissingen van de Commissie op het spoor kunnen komen die anders niet zouden kunnen worden aangetoond.

472    De Commissie betwist niet dat de door de CCCME gevraagde berekeningen essentiële feiten en overwegingen in de zin van artikel 20, lid 2, van de basisverordening kunnen vormen voor belanghebbenden zoals producenten-exporteurs, die het risico lopen te worden onderworpen aan de betrokken antidumpingmaatregelen. Zij is evenwel van mening dat de CCCME niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van de basisverordening, aangezien deze entiteit niet zelf actief is als producent van of handelaar in het betrokken product. Volgens de Commissie gaat de verplichting om informatie te verstrekken voor de representatieve verenigingen minder ver dan voor de belanghebbenden, met name producenten-exporteurs.

473    In dit verband moet om te beginnen worden bepaald of de berekeningen met betrekking waartoe de CCCME om inzage heeft verzocht vertrouwelijke informatie in de zin van artikel 19, lid 1, van de basisverordening bevatten, zoals de Commissie tijdens het onderzoek heeft tegengeworpen.

474    Wat betreft de berekeningen van de normale waarde heeft de Commissie in de bestreden verordening uitgelegd dat er naargelang van de onderzochte situatie verschillende berekeningsmethoden waren gehanteerd. Zo is de eerste gebruikte situatie die waarin de uitgevoerde productsoort identiek of vergelijkbaar was met een op de Indiase markt vervaardigde productsoort, waarbij wordt opgemerkt dat de Republiek India is gekozen als derde land met een markteconomie dat als referentieland voor de berekening van de normale waarde fungeert. In dat geval zijn verschillende methoden toegepast, al naargelang de vraag of de betrokken productsoort op de Indiase markt al dan niet in representatieve hoeveelheden werd verkocht. Wanneer die productsoort in representatieve hoeveelheden op de Indiase markt werd verkocht, hetgeen in de praktijk gold voor één productsoort die door één Indiase producent werd verkocht, heeft de Commissie namelijk de in het kader van normale handelstransacties gehanteerde prijs gebruikt. Wanneer de betrokken productsoort niet in representatieve hoeveelheden op de Indiase markt werd verkocht, hetgeen gold voor alle andere productsoorten die identiek waren aan of vergelijkbaar met de uitgevoerde producten, heeft de Commissie nog onderscheid gemaakt naargelang de productsoort „in voldoende hoeveelheden” werd verkocht door ten minste één Indiase producent, in welk geval zij de in het kader van normale handelstransacties gehanteerde prijzen heeft gebruikt (hierna: „tweede methode”), dan wel niet werd verkocht maar wel werd geproduceerd door ten minste één Indiase producent, in welk geval zij de normale waarde heeft berekend aan de hand van de productiekosten, vermeerderd met de VAA-kosten en winst van de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties door die Indiase producent (hierna: „derde methode”). De tweede situatie is die waarin de uitgevoerde productsoort niet identiek was aan of vergelijkbaar met een op de Indiase markt vervaardigde productsoort. In dat geval gebruikte de Commissie een normale waarde die gebaseerd was op de binnenlandse verkoop door de Indiase producenten in het kader van normale handelstransacties van alle productsoorten waarvoor dezelfde grondstof (nodulair of grijs gietijzer) was gebruikt.

475    In het licht van die uitleg moet worden vastgesteld dat bij de berekeningen van de normale waarde met betrekking waartoe de CCCME om inzage heeft verzocht, is gebruikgemaakt van de verkoopprijzen alsmede de productiekosten, de VAA-kosten en de winst van de Indiase producenten, uitgesplitst naar productsoort.

476    Elementen zoals de productiekosten, de VAA-kosten of de winst zijn in casu vertrouwelijk wegens hun aard in de zin van artikel 19, lid 1, van de basisverordening, aangezien, zoals in deze bepaling wordt opgemerkt, kennis van die elementen bij derden tijdens het zakendoen een concurrent aanmerkelijke mededingingsvoordelen zou kunnen geven of degene die de inlichtingen heeft verstrekt ernstig zou kunnen benadelen (zie punt 462 hierboven).

477    Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat deze elementen zijn opgenomen in de beperkte versie van de bij de Commissie ingediende vragenlijst en daarom, net als de prijzen, door de partijen bij het onderzoek als vertrouwelijk zijn verstrekt, hetgeen voor de autoriteiten met kennis van die informatie de verplichting met zich meebrengt die vertrouwelijkheid te eerbiedigen, omdat zij anders artikel 19, leden 1 en 5, van de basisverordening zouden schenden (zie punt 462 hierboven).

478    Dezelfde constatering dringt zich op voor de andere door de CCCME gevraagde berekeningen.

479    Zo wordt bij de berekening van de dumpingmarges, aangezien daarvoor de normale waarde wordt vergeleken met de uitvoerprijzen van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, gebruikgemaakt van gegevens van vertrouwelijke aard van de Indiase producenten en de Chinese producenten-exporteurs van wie de prijzen worden vergeleken.

480    Ook de berekeningen van de schade, met inbegrip van, in dat kader, de berekening van de effecten van de Chinese invoer op de prijzen, bevatten vertrouwelijke gegevens. Ten eerste resulteren de berekeningen van de prijsonderbieding, aan de hand waarvan het effect van de invoer op de prijzen van de producten op de markt van de Unie kan worden beoordeeld, uit een vergelijking tussen de uitvoerprijzen van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en de prijzen van modellen of vergelijkbare producten van in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Ten tweede wordt bij de beoordeling van de aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade rekening gehouden met de gevolgen van de invoer voor de bedrijfstak van de Unie. In dat kader worden de vertrouwelijke gegevens van de bedrijfstak van de Unie, namelijk gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie over de prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden, de arbeidskosten, de voorraden, de winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen, het rendement van investeringen en het vermogen om kapitaal aan te trekken, verzameld en geanalyseerd in relatie tot de door de Commissie geëvalueerde micro-economische indicatoren. Hetzelfde geldt voor de gegevens van de producenten van de bedrijfstak van de Unie over de productie, de productiecapaciteit, de bezettingsgraad, het verkoopvolume, het marktaandeel, de groei, de werkgelegenheid en de productiviteit, in relatie tot de door de Commissie geëvalueerde macro-economische indicatoren.

481    Ten slotte wordt voor de berekening van de schademarge tevens gebruikgemaakt van vertrouwelijke gegevens, omdat zij resulteren uit een vergelijking tussen uitvoerprijzen en de corresponderende niet-schadelijke prijzen van de bedrijfstak van de Unie.

482    Derhalve blijkt uit bovenstaande analyse dat alle door de CCCME gevraagde berekeningen vertrouwelijk zijn en bescherming verdienen.

483    Er zij echter aan herinnerd dat, wanneer informatie niet kan worden medegedeeld wegens het vertrouwelijke karakter ervan, artikel 19, leden 2 tot en met 4, van de basisverordening enerzijds de betrokken partijen dwingt om telkens als dat mogelijk is een niet-vertrouwelijke samenvatting van die informatie te verstrekken en anderzijds de Commissie verplicht om algemene gegevens, en in het bijzonder de motivering van in het kader van de basisverordening genomen besluiten, bekend te maken.

484    Derhalve moet worden vastgesteld of de CCCME, gelet op de informatie die haar is medegedeeld, in staat is gesteld om, zoals de rechtspraak vereist, voor haar verdediging nuttige aanwijzingen te verstrekken.

485    Bij het onderzoek daarvan moeten twee aspecten in aanmerking worden genomen, namelijk ten eerste de informatie waarover de CCCME feitelijk beschikte en ten tweede de hoedanigheid van de CCCME tijdens het onderzoek (zie de in punt 469 hierboven aangehaalde rechtspraak). Deze aspecten worden hierna onderzocht.

486    Met betrekking tot het eerste aspect moet worden opgemerkt dat de Commissie wat betreft de berekeningen van de normale waarde, ter bescherming van de commercieel gevoelige informatie van de medewerkende Indiase producenten maar ook van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, de CCCME een beschrijving van de methode van berekening van de normale waarde die naargelang van de in punt 474 hierboven genoemde situaties was toegepast, alsmede bepaalde aanwijzingen over het resultaat van die berekeningen heeft verstrekt. Zo heeft de Commissie haar geïnformeerd dat dit resultaat in de orde van grootte van 3 000 tot 4 000 renminbi yuan (CNY) en respectievelijk 8 000 tot 9 000 CNY lag, naargelang van de productsoort. Na een verzoek van de CCCME heeft de Commissie in punt 61 van haar definitieve conclusies en in overweging 67 van de bestreden verordening tevens opgemerkt dat het totaal van de VAA-kosten en de winst die in het kader van de derde methode waren toegevoegd bestond uit 1 % tot 10 % van de omzet voor de producten van grijs gietijzer en 10 % tot 20 % van de omzet voor de producten van nodulair gietijzer.

487    Wat betreft de berekeningen van de dumpingmarge heeft de CCCME kennisgenomen van de door de Commissie gehanteerde methode, namelijk, zoals in overweging 92 van de voorlopige verordening is beschreven, dat de Commissie de dumpingmarge van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs heeft berekend door de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product in het referentieland te vergelijken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product. Zo heeft de Commissie een dumpingmarge per productsoort verkregen. Vervolgens heeft zij de dumpingmarge voor elke in de steekproef opgenomen producent-exporteur berekend op grond van de door hem verkochte productsoorten. De CCCME is geïnformeerd dat uit het resultaat van die berekeningen bleek dat de dumpingmarges varieerden tussen 15,5 % en 38,1 %.

488    Wat betreft de berekeningen van de prijsonderbieding is de CCCME, zoals is opgemerkt in de overwegingen 127 en 128 van de voorlopige verordening, geïnformeerd over het feit dat de Commissie de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak had vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort die door de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in rekening werd gebracht aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het „niveau af fabriek”, en de overeenkomstige gewogen gemiddelde prijs per productsoort van de invoer van de vijf in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie, op cif-niveau (cost, insurance, freight), met de nodige correcties voor douanerechten ter hoogte van 1,7 % voor producten van grijs gietijzer en 2,7 % voor producten van nodulair gietijzer. De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat de prijzen per productsoort en voor transacties in hetzelfde handelsstadium waren vergeleken, indien nodig gecorrigeerd en na aftrek van rabatten en kortingen. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt in procenten van de omzet van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak en liet zien dat de prijsonderbiedingsmarges varieerden van 35,4 % tot 42,7 %. Deze zijn vervolgens, zoals is opgemerkt in overweging 122 van de bestreden verordening, gecorrigeerd.

489    Voor de berekeningen die nodig waren voor het onderzoek van de micro- en de macro-economische indicatoren, aan de hand waarvan de aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade kon worden geraamd, heeft de CCCME totaalcijfers per indicator en per jaar gekregen, die zijn uiteengezet in de overwegingen 137 tot en met 166 van de voorlopige verordening.

490    Wat ten slotte de berekening van de schademarge betreft, is de CCCME geïnformeerd dat de Commissie, om de winst te bepalen die redelijkerwijs bij normale concurrentie door de bedrijfstak van de Unie kon worden bereikt, was uitgegaan van de winst op de verkoop aan niet-verbonden afnemers. De streefwinst werd voorlopig vastgesteld op 5,3 %, vergelijkbaar met de in 2013 behaalde winst op de verkoop aan niet-verbonden afnemers. De Commissie heeft in dit verband gepreciseerd dat zij, aangezien de invoer met dumping in 2014 aanzienlijk was gestegen en vervolgens was gestabiliseerd, ervan was uitgegaan dat het winstniveau van 2013 weergaf wat redelijkerwijs kon worden bereikt bij normale concurrentie, dat wil zeggen zonder invoer met dumping. De Commissie heeft vervolgens het schade-opheffende prijsniveau bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, naar behoren gecorrigeerd voor invoerkosten en douanerechten, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. Het resultaat van deze berekeningen was een percentage tussen 70,7 % en 80,7 %.

491    Wat betreft het tweede aspect dat in aanmerking moet worden genomen om te bepalen of de CCCME de informatie heeft gekregen die zij nodig had om haar rechten van verdediging uit te oefenen, moet in herinnering worden gebracht dat de CCCME geen in de steekproef opgenomen producent-exporteur is. Zij bevindt zich dus niet in de positie van de handelaren wier geïndividualiseerde gegevens, die zij zelf aan de Commissie hebben verstrekt, door de Commissie zijn gebruikt voor haar berekeningen voor de in de basisverordening vereiste constateringen. De Commissie verstrekt nu juist elk van die handelaren de berekeningen die betrekking hebben op die handelaar, waarvan een deel verband houdt met diens eigen gegevens, die voor de betrokken handelaar geen problemen met vertrouwelijkheid opleveren, en een ander deel betrekking heeft op vertrouwelijke gegevens van de producenten in India of de Unie. Samen met de door de Commissie verstrekte toelichtingen verschaffen deze toelichtingen de handelaren voor hun eigen situatie inzicht in de hun opgelegde rechten, waarbij deze toelichtingen zo gedetailleerd en nauwkeurig mogelijk moeten zijn, zodat de handelaren in voorkomend geval de door de Commissie gemaakte keuzen kunnen betwisten.

492    Zoals in punt 58 hierboven is opgemerkt, genoot de CCCME tijdens het onderzoek de status van belanghebbende in de zin van de basisverordening. In het kader van het onderzoek handelde zij, volgens de uiteenzetting die zij zelf bij aanvang van de procedure heeft gegeven, als vereniging die alle in de betrokken sector in de Volksrepubliek China actieve Chinese producenten, dat wil zeggen een aanzienlijk aantal ondernemingen, vertegenwoordigde. Uit dien hoofde kan zij geen aanspraak maken op het recht om alle informatie over bepaalde Chinese producenten-exporteurs zonder hun toestemming te verzamelen. Bovendien heeft zij evenmin toegang tot de vertrouwelijke gegevens van de producenten in India en de Unie, wier besluit om aan het onderzoek deel te nemen met name afhankelijk is van de aan hen gegeven waarborgen inzake vertrouwelijkheid. Het zou in strijd zijn met de in de basisverordening aan de instellingen van de Unie opgelegde vereisten van eerbiediging van de vertrouwelijkheid indien aan de CCCME in de door haar gevraagde mate toegang werd verleend.

493    Hieruit volgt dat de Commissie in casu het recht had om, zoals zij heeft gedaan, de CCCME nauwkeurige informatie in de vorm van een samenvatting te verstrekken om de vertrouwelijkheidsverplichtingen betreffende de door haar verrichte berekeningen na te komen.

494    Voor het overige heeft de Commissie aan de hand van door de CCCME gemaakte opmerkingen haar wijze van berekening van de normale waarde gewijzigd, met name voor de tweede en de derde methode, dat wil zeggen de methode die van toepassing is wanneer de uitgevoerde productsoort identiek is aan of vergelijkbaar is met een in beperkte hoeveelheden op de Indiase markt vervaardigde en verkochte productsoort, respectievelijk de methode die van toepassing is wanneer de productsoort niet wordt verkocht maar wel wordt geproduceerd door ten minste één in de steekproef opgenomen Indiase producent. De Commissie heeft de normale waarde uiteindelijk berekend aan de hand van de door die verkopers gehanteerde verkoopprijzen (tweede methode), zoals is uitgelegd in overweging 66 van de bestreden verordening, en van de productiekosten, vermeerderd met de VAA-kosten en winst van de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties door de betrokken Indiase producent (derde methode), zoals is uitgelegd in overweging 67 van de bestreden verordening, in plaats van zich, zoals voorheen, te baseren op de normale waarde die was berekend op basis van de gemiddelde productiekosten van een soortgelijk product van elke Indiase producent. De CCCME heeft tevens de berekening van de normale waarde bij die derde methode kunnen betwisten, en meer in het bijzonder het in aanmerking nemen van de VAA-kosten en de winst van één Indiase producent, hoewel de argumentatie van de CCCME van de hand is gewezen, zoals is opgemerkt in de overwegingen 70 tot en met 72 van de bestreden verordening.

495    In deze context moet worden geoordeeld dat de Commissie in casu het recht had om de CCCME als vereniging die de Chinese bedrijfstak vertegenwoordigde, de inzage te weigeren tot de gedetailleerde berekeningen van de normale waarde, de dumpingmarges, de effecten van de Chinese invoer op de prijzen, de schade en de schademarge, waarom deze vereniging tijdens het onderzoek heeft verzocht. Ook moet worden geoordeeld dat de CCCME, met de informatie die haar was medegedeeld en die is genoemd in de punten 486 tot en met 490 hierboven, als vereniging die de Chinese bedrijfstak vertegenwoordigde, beschikte over de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie beoogde de instelling van definitieve maatregelen aan te bevelen en dat de Commissie, met behoud van de vertrouwelijkheid van de betrokken gegevens, haar in de gelegenheid heeft gesteld in dit verband zinvol haar standpunt kenbaar te maken.

496    De CCCME beroept zich op twee arresten om dit standpunt te betwisten.

497    In de eerste plaats beroept de CCCME zich op het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie de rechten van verdediging van de verzoekende partij had geschonden door haar te weigeren de details van de berekening van de normale waarde per productsoort en van de uitkomst van die berekeningen te verstrekken.

498    In dit verband zij opgemerkt dat de feiten in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), waarop de CCCME zich beroept, afwijken van die in de onderhavige zaak. Ten eerste betrof de eerste zaak een in de steekproef opgenomen producent-exporteur, en niet een vereniging die een gehele bedrijfstak vertegenwoordigde, zoals de CCCME, die zich om de in de punten 491 en 492 hierboven genoemde redenen in een andere situatie bevindt dan een dergelijke producent-exporteur. Ten tweede deed de in die zaak door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring zich hoe dan ook voor in een specifieke context, waarin de producent van het referentieland van wie de gegevens voor die berekeningen waren gebruikt, toestemming had verleend voor de bekendmaking van die gegevens. Zoals de Commissie opmerkt, heeft het Gerecht in het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), de weigering van de Commissie – terwijl de handelaar van wie de gegevens afkomstig waren bekendmaking ervan had aanvaard – dus veroordeeld, overwegende dat wat de handelaar had aanvaard ook door de Commissie kon worden aanvaard. In casu doet een dergelijke situatie zich niet voor, omdat met name de Indiase producenten niet hebben ingestemd met een dergelijke bekendmaking van hun gegevens.

499    In de tweede plaats beroept de CCCME zich op het arrest van 1 juni 2017, Changmao Biochemical Engineering/Raad (T‑442/12, EU:T:2017:372), waarin het Gerecht de nietigverklaring van de in die zaak bestreden verordening heeft uitgesproken op grond van het feit dat de Commissie had geweigerd informatie te verstrekken over de berekening van de normale waarde, met name over de bron van de voor het betrokken product gehanteerde prijzen en de factoren die op de prijsvergelijking van invloed waren.

500    Ook in dit verband moeten de verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak die heeft geleid tot het arrest van 1 juni 2017, Changmao Biochemical Engineering/Raad (T‑442/12, EU:T:2017:372), worden onderstreept. Laatstgenoemde zaak had namelijk ook betrekking op een andere situatie dan die van een vereniging die een gehele bedrijfstak vertegenwoordigt, namelijk die van een onderzochte producent-exporteur. Bovendien is de draagwijdte van dat arrest niet zo ruim als de CCCME beweert. Ten eerste had de door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring betrekking op de weigering om specifieke informatie over de berekening van de normale waarde te verstrekken, namelijk informatie over het prijsverschil tussen DL-wijnsteenzuur (voorwerp van het onderzoek) en L(+)-wijnsteenzuur (in het referentieland geproduceerd), zonder dat er in genoemd arrest sprake was van het mededelen van de prijzen zelf. Ten tweede werd de nietigverklaring gerechtvaardigd door het feit dat de weigering van de Commissie om die specifieke informatie te verstrekken geen geldige reden had. De Commissie had haar weigering namelijk niet tijdens de administratieve procedure gerechtvaardigd. Voor het Gerecht had zij uitgelegd dat de gevraagde informatie uiteindelijk niet was verstrekt om redenen van vertrouwelijkheid. Volgens het Gerecht kon een dergelijke uitleg evenwel niet voor het eerst voor het Gerecht worden gegeven. Deze uitleg had tijdens de administratieve procedure aan de verzoekende partij moeten worden gegeven. Uit bovengenoemd arrest blijkt dus dat het Gerecht niet heeft uitgesloten dat de Commissie, indien zij haar weigering tot bekendmaking in het stadium van de administratieve procedure naar behoren gemotiveerd had, had kunnen voorkomen dat de verzoekende partij toegang kreeg tot de betrokken informatie.

501    Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de CCCME, als vereniging die de Chinese bedrijfstak vertegenwoordigt, geen toegang mag worden verleend tot de gedetailleerde berekeningen van de normale waarde, de dumpingmarges, de effecten van de Chinese invoer op de prijzen, de schade en de schademarge, omdat deze gegevens vertrouwelijke informatie vormen. Uit de omstandigheden in de onderhavige zaak blijkt dat de informatie die deze entiteit heeft verkregen betreffende de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie beoogde definitieve maatregelen vast te stellen, haar in staat hebben gesteld haar belangen als vereniging die de Chinese bedrijfstak vertegenwoordigt zinvol te verdedigen.

502    Tijdens het onderzoek heeft de CCCME gevraagd haar advocaten toegang te verlenen tot de hierboven genoemde informatie, onder de aan hen opgelegde verplichting de vertrouwelijkheid van die gegevens te eerbiedigen.

503    In dit verband moet worden opgemerkt dat de basisverordening niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet, terwijl, zoals is opgemerkt in de punten 467 en 468 hierboven, in deze verordening precies is bepaald wat de instellingen en wat de partijen die over de betrokken informatie beschikken, moeten doen wanneer die informatie vertrouwelijk is. Aangezien de instellingen en de betrokken partijen aan de in dit kader aan hen opgelegde vereisten hebben voldaan, is er geen reden het besluit van de Commissie om die toegang te weigeren, te bekritiseren.

504    Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het derde middel worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het derde middel, inzake het verzoek om bekendmaking van een geaggregeerde versie van de berekeningen

505    In het tweede onderdeel, dat subsidiair is aan het eerste, betoogt de CCCME dat de Commissie ten minste een geaggregeerde versie van de in het eerste onderdeel bedoelde berekeningen had moeten verstrekken, met name wat betreft ten eerste de berekeningen van de normale waarde, de effecten van de Chinese invoer op de prijzen en de schademarge en ten tweede de schattingen betreffende de macro-economische indicatoren.

506    De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel.

507    In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de presentatie van een geaggregeerde versie van vertrouwelijke gegevens niet noodzakelijkerwijs betekent dat zij niet vertrouwelijk meer zijn. Dit geldt in casu met name voor de berekening van de normale waarde. De Commissie heeft in dit verband terecht opgemerkt dat aggregatie van de gegevens niet voldoende kon waarborgen dat de afzonderlijke gegevens van de producenten niet konden worden achterhaald, aangezien zij voor bepaalde productsoorten de gegevens van één Indiase producent en voor andere de gegevens van hooguit twee of drie Indiase producenten had gebruikt. Hetzelfde geldt voor de schattingen betreffende de macro-economische indicatoren, die wat betreft de resterende producenten zijn verricht door de klagers. In die zin heeft het Gerecht reeds geoordeeld dat de geschatte productie van de betrokken producenten in de Unie, waarop de Commissie zich had gebaseerd voor de berekening van de consumptie, terecht als vertrouwelijk was beschouwd, aangezien deze was gebaseerd op de marktkennis waarover de klagers beschikten. Het Gerecht heeft dus geoordeeld dat de Commissie, door alleen de cijfers van de totale productie te verstrekken, in overeenstemming met de basisverordening had gehandeld (arrest van 25 oktober 2011, CHEMK en KF/Raad, T‑190/08, EU:T:2011:618, punt 231).

508    In de tweede plaats moet worden onderstreept dat – zoals de Commissie heeft betoogd – de voor het onderzoek verrichte berekeningen en de in de basisverordening vereiste vaststellingen, er niet toe leiden dat zij te allen tijde beschikt over geaggregeerde resultaten voor alle betrokken producenten.

509    In overweging 24 van de bestreden verordening heeft de Commissie dan ook opgemerkt dat de door de CCCME gevraagde geaggregeerde versie van de berekeningen van de prijsonderbieding niet bestond, aangezien de prijsonderbieding enkel per productsoort per producent-exporteur was berekend. Elke in de steekproef opgenomen Chinese producent-exporteur heeft dus de berekeningen van de prijsonderbieding voor elk van de door hem geëxporteerde productsoorten ontvangen.

510    Het is juist dat de Commissie verplicht kan zijn een document op te stellen om de rechten van verdediging van een partij te waarborgen (zie naar analogie arrest van 27 november 2019, Izuzquiza en Semsrott/Frontex, T‑31/18, EU:T:2019:815, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

511    Deze verplichting kan in casu evenwel niet uitmonden in een verplichting voor de Commissie om een document op te stellen voor een partij zoals de CCCME, dat wil zeggen een vereniging die de Chinese bedrijfstak vertegenwoordigt, teneinde haar de beschikking te geven over alle informatie op basis waarvan de handelsbeschermingsmaatregelen worden beoogd, omdat dan aan de Commissie vereisten worden opgelegd die verder gaan dan die welke in de basisverordening zijn voorzien met betrekking tot regelingen om de vertrouwelijkheid van de informatie te eerbiedigen met het doel de rechten van verdediging van de betrokken partijen te waarborgen.

512    In dit verband moet worden opgemerkt dat de omvang van de door de CCCME gevraagde informatie in casu zodanig is dat de Commissie zou kunnen worden gehinderd in haar werkzaamheden en haar onderzoek indien zij al die informatie moest verstrekken in een vorm die enkel op de behoeften van een dergelijke entiteit is afgestemd. In dit verband zij in herinnering gebracht dat de verschillende fasen van een antidumpingprocedure aan strikte termijnen zijn onderworpen. Zo voorziet artikel 6, lid 9, van de basisverordening in een totale termijn van 15 maanden voor onderzoeken. Artikel 7, lid 1, van deze verordening bepaalt dat voorlopige rechten niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure mogen worden ingesteld en overeenkomstig artikel 9, lid 4, moet een voorstel voor definitieve rechten uiterlijk één maand voor het vervallen van voorlopige rechten zijn voorgelegd.

513    Het betoog van de CCCME ter ondersteuning van het tweede onderdeel doet derhalve niet af aan de conclusie van het Gerecht in het kader van het eerste onderdeel, die inhoudt dat de CCCME in casu beschikte over de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie beoogde definitieve maatregelen vast te stellen, en dat deze entiteit dus haar belangen als vereniging die de Chinese bedrijfstak vertegenwoordigt zinvol heeft kunnen verdedigen.

514    Het tweede onderdeel van het derde middel moet dus worden afgewezen.

–       Derde onderdeel van het derde middel, inzake overige door de CCCME gevraagde informatie

515    In het derde onderdeel, dat door de Commissie wordt bestreden, noemt de CCCME drie soorten informatie die zij van belang acht en waartoe de Commissie haar ten onrechte geen toegang heeft verleend.

516    Met haar eerste grief verwijt de CCCME de Commissie haar, wat betreft de producten van de producenten in India en de Unie die zijn vergeleken met de ingevoerde producten, geen andere informatie te hebben verstrekt dan de kenmerken in de PCN. De CCCME beweert dat zij daardoor niet heeft kunnen vaststellen of er correcties nodig waren om de vergelijkbaarheid van de prijzen te waarborgen. Deze argumentatie wordt ook in het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel door verzoeksters aangevoerd.

517    Ter ondersteuning van deze grief beroept de CCCME zich op het rapport van de beroepsinstantie van de WTO in het geschil „Europese Gemeenschappen – Definitieve antidumpingmaatregelen voor bepaalde ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China” (WT/DS 397/AB/RW, rapport van 18 januari 2016).

518    In die zaak heeft de beroepsinstantie van de WTO verklaard dat „[i]n een antidumpingonderzoek waarbij een producent van een referentieland is betrokken, de onderzochte exporteurs ook [moesten] worden geïnformeerd ‚over specifieke producten waarvoor de normale waarde [was] vastgesteld’, omdat zij anders ‚niet om de correcties [konden] verzoeken die zij nodig [achtten]’”. In die zaak was het standpunt van de beroepsinstantie gebaseerd op de omstandigheid dat de inlichtingen betreffende de normale waarde in dat type onderzoek werden verkregen bij een derde, namelijk de producent in het referentieland. Aangezien de onderzochte exporteurs geen toegang hebben tot deze inlichtingen, weten zij niet of zij om correcties kunnen vragen teneinde rekening te houden met de verschillen die afbreuk doen aan de vergelijkbaarheid van de prijzen van de uitgevoerde producten en de producten die door de producent in het referentieland op de binnenlandse markt worden verkocht. Volgens de beroepsinstantie volstaat het niet om die producenten mede te delen welke „productgroepen” als basis voor de vergelijking van de transacties hebben gediend door de PCN bekend te maken. Hun moeten alle inlichtingen worden verstrekt omtrent de kenmerken van de producten van de producenten in het referentieland die voor de prijsvergelijking zijn gebruikt.

519    Zoals in herinnering is gebracht in punt 419 hierboven, is het Gerecht volgens de rechtspraak bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden verordening niet gebonden aan de uitlegging door die beroepsinstantie van de antidumpingovereenkomst (zie in die zin arrest van 1 maart 2005, Van Parys, C‑377/02, EU:C:2005:121, punt 54).

520    Voor het overige kan de door de CCCME aangedragen uitlegging in casu niet worden gebruikt om antwoord te geven op de gerezen vragen.

521    De door de CCCME aangehaalde zaak betreft namelijk producenten-exporteurs van wie de gegevens in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de dumpingmarge. In het door de CCCME aangehaalde rapport merkt de beroepsinstantie van de WTO, ter rechtvaardiging van de mededeling van informatie over productmodellen in geval van toepassing van de referentielandmethode, op dat de normale waarde in een „gewoon” antidumpingonderzoek gewoonlijk wordt bepaald op basis van de verkopen van de betrokken exporteur op zijn binnenlandse markt. Volgens deze instantie kan dus worden verwacht dat de onderzochte exporteur over de nodige kennis beschikt van zijn eigen producten die worden gebruikt om zowel de uitvoerprijs als de normale waarde te bepalen.

522    Indien een producent-exporteur van wie de gegevens door de Commissie worden onderzocht voor de berekening van de dumpingmarge wordt geïnformeerd over de kenmerken van de producten van het referentieland, is hij dus van alle parameters op de hoogte, zodat hij in staat is om na te gaan of deze producten vergelijkbaar zijn met de producten die hij zelf naar de Unie heeft uitgevoerd.

523    In casu is de situatie evenwel anders, aangezien, zoals reeds is opgemerkt in de punten 445 en 446 hierboven, de CCCME, handelend als vereniging die de gehele Chinese bedrijfstak vertegenwoordigt, degene is die om toegang tot de inlichtingen betreffende de kenmerken van de producten heeft verzocht.

524    Indien die gegevens wel aan haar bekend werden gemaakt, zouden de inlichtingen betreffende de kenmerken van de producten haar niet in staat hebben gesteld de betrokken producten op nuttige wijze te vergelijken, omdat zij in beginsel niet beschikt over modellen van de door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs op de markt gebrachte producten die met de Indiase producten zijn vergeleken.

525    Derhalve is niet aangetoond dat de bekendmaking van informatie over de kenmerken van de producten van de producenten in het referentieland de CCCME in staat zou hebben gesteld haar rechten van verdediging beter te waarborgen.

526    Hoe dan ook is die informatie, zoals de Commissie tijdens het onderzoek heeft opgemerkt, vertrouwelijk. Derhalve en om dezelfde redenen als genoemd in punt 501 hierboven, moet worden geoordeeld dat een vereniging die een bedrijfstak in zijn geheel vertegenwoordigt, zoals de CCCME, beschikt over de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan maatregelen zijn beoogd en derhalve haar standpunt zinvol kenbaar kan maken, indien zij beschikt over de productsoorten (PCN) die zijn vergeleken met het oog op de in de basisverordening vereiste berekeningen.

527    Dezelfde conclusie geldt voor de mededeling van de kenmerken van de producten van de bedrijfstak van de Unie, waarvan de prijzen worden vergeleken met die van de Chinese producten om de prijsonderbieding te berekenen, zodat de eerste grief moet worden verworpen.

528    Met haar tweede grief stelt de CCCME zich op het standpunt dat de Commissie haar de berekeningen betreffende de omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China, de Republiek India en de andere derde landen alsmede de brondocumenten had moeten verstrekken.

529    In dit verband blijkt uit het dossier dat de CCCME tijdens de antidumpingprocedure was geïnformeerd over de door de Commissie gehanteerde methode van berekening van de omvang van de invoer. Zij was met name op de hoogte van de geregistreerde percentages voor de invoer uit de Volksrepubliek China, de Republiek India en de andere derde landen, in de oude subcodes van vóór de komst – in 2014 – van de algemene GN-code ex 7325 10 00, van het vaste bedrag dat moest worden afgetrokken van GN-code ex 7325 99 10 om de invoer uit de Volksrepubliek China, de Republiek India en de derde landen te verkrijgen, alsmede van het percentage dat van de totale invoer moest worden afgetrokken om de roosters voor afwateringsgoten buiten beschouwing te laten. Aangezien de gegevens die waren gebruikt om deze invoer vast te stellen afkomstig waren van door Eurostat verstrekte statistieken, die in de openbare databank Comext beschikbaar zijn, beschikte de CCCME bovendien over alle informatie die nodig was om de berekeningen van de Commissie waarom zij had verzocht te reproduceren. In deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de Commissie op dit punt de basisverordening heeft geschonden.

530    Het is juist dat het Gerecht in punt 207 van het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), waarop de CCCME zich beroept, heeft geoordeeld dat de rechten van verdediging waren geschonden, door erop te wijzen dat de verkrijging van de door de Commissie verrichte berekening in die zaak voor de verzoekende partij een aanzienlijke hoeveelheid extra informatie zou hebben opgeleverd, die haar in staat had kunnen stellen opmerkingen in te dienen die pertinenter zouden zijn dan die welke zij tot dan toe had ingediend.

531    De zaak die heeft geleid tot het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), wijkt evenwel in twee belangrijke opzichten af van de onderhavige.

532    Ten eerste was het kennisniveau waarover de verzoekende partij beschikte veel lager dan het niveau dat in casu kan worden vastgesteld. Zo had de verzoekende partij in het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), slechts een algemene kennis van de methode die voor de berekening van de normale waarde van de productsoorten zonder overeenkomende productsoort was aangewend. Zij wist niet welke markt en welke referentieprijzen de Commissie voor de berekening van de marktwaarde van de op de normale waarde toegepaste correctie voor verschillen in fysieke kenmerken tussen deze productsoorten en de overeenkomende productsoort had gebruikt. In die omstandigheden heeft het Gerecht opgemerkt dat de verzoekende partij, indien zij over de berekening van de normale waarde per productsoort had beschikt, in staat zou zijn geweest de resultaten van de Commissie te vergelijken met haar eigen op basis van een andere methode verkregen resultaten. Die omstandigheden wijken af van die in de onderhavige zaak, waarin de door de Commissie gebruikte berekeningsmethode bij de CCCME bekend was, zoals is opgemerkt in punt 529 hierboven.

533    Ten tweede was ook de termijn waarover de partijen beschikten om hun berekeningen te verrichten wezenlijk anders, gelet op het aantal te verwerken documenten. In het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), beschikte de verzoekende partij over een zeer korte termijn (zeven dagen) om de berekeningen van de Commissie – die omvangrijk waren omdat zij op 1 645 productsoorten betrekking hadden – te reproduceren. In de onderhavige zaak hoefden er minder berekeningen te worden verricht en heeft de CCCME de vereiste informatie over de methode die was gebruikt voor de berekening van de invoer uiterlijk ontvangen bij vaststelling van de voorlopige verordening, die verwijst naar de klacht, waarin bepaalde ramingen worden verduidelijkt en waartoe de CCCME reeds toegang had.

534    Om die redenen moet de tweede grief worden verworpen

535    Met haar derde grief betwist de CCCME de weigering van de Commissie om de verzamelde cijfers voor elke macro-economische indicator die was gebruikt om de door de Unie geleden schade vast te stellen, te splitsen in twee categorieën, al naargelang zij waren gebaseerd op feitelijke gegevens of op ramingen, teneinde haar een geaggregeerde versie van die ramingen te verstrekken.

536    In dit verband moet worden opgemerkt dat de CCCME tijdens het onderzoek voor elke door de Commissie gebruikte macro-economische indicator toegang heeft gehad tot de geaggregeerde cijfers, per jaar, voor de gehele bedrijfstak van de Unie. Zoals in het tweede onderdeel van het eerste middel is opgemerkt, zijn deze geaggregeerde cijfers het resultaat van een compilatie van door de klagers en door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte gegevens en van door de klagers gemaakte ramingen wat betreft de resterende producenten.

537    De CCCME meent dat haar rechten van verdediging zijn geschonden door de weigering van de Commissie om in de verkregen cijfers onderscheid te maken tussen enerzijds de cijfers die afkomstig waren van feitelijke gegevens en anderzijds die welke voortvloeiden uit ramingen.

538    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie, zoals zij heeft opgemerkt, een dergelijk onderscheid niet hoeft te maken bij het beoordelen van de schade van de Unie, die in haar geheel wordt beoordeeld. Zoals in punt 510 hierboven is opgemerkt, kan de Commissie evenwel verplicht zijn een document op te stellen wanneer de rechten van verdediging van de belanghebbenden in het kader van een antidumpingonderzoek moeten gewaarborgd en dient zij, overeenkomstig de rechtspraak, voor zover de inachtneming van de zakengeheimen dit toelaat, de voor de behartiging van de belangen van de belanghebbenden dienstige gegevens mee te delen in een door haar – eventueel ambtshalve – te bepalen passende vorm (zie in die zin arrest van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, EU:C:1985:119, punt 30).

539    In casu moet evenwel worden opgemerkt dat de feitelijke gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten en de andere klagers enerzijds en de ramingen voor de resterende producenten anderzijds vertrouwelijk van aard zijn, zelfs in geaggregeerde vorm.

540    In die zin heeft het Gerecht, zoals is opgemerkt in punt 507 hierboven, in het arrest van 25 oktober 2011, CHEMK en KF/Raad (T‑190/08, EU:T:2011:618, punt 231), geoordeeld dat de geschatte productie van de betrokken producenten in de Unie, waarop de Commissie zich had gebaseerd voor de berekening van de consumptie, terecht als vertrouwelijk was beschouwd aangezien zij deze had gebaseerd op de marktkennis waarover de klagers beschikten. Het Gerecht heeft dus geoordeeld dat de Commissie, door zich te beperken tot verstrekking van het totale productiecijfer, in overeenstemming met de basisverordening had gehandeld.

541    Wanneer er, zoals in de onderhavige zaak, sprake is van een verzoek betreffende commercieel gevoelige gegevens van een deel van de bedrijfstak van de Unie, dat afkomstig is van een vereniging die zowel alle in de sector actieve Chinese producenten-exporteurs als degenen die er in de toekomst toe kunnen worden gebracht de betrokken producten naar de Unie te exporteren, vertegenwoordigt, zoals is opgemerkt in de punten 445 en 446 hierboven, moet worden vastgesteld dat de kennis van die vereniging van geaggregeerde cijfers betreffende de totale bedrijfstak van de Unie voor elk van de macro-economische indicatoren die door de Commissie zijn gebruikt, volstaat om haar in staat te stellen haar belangen te verdedigen.

542    Derhalve moet het derde onderdeel, en bijgevolg het derde middel in zijn geheel, worden afgewezen.

 Vierde middel, inzake de vergelijkbaarheid van de prijzen die zijn gebruikt voor de berekening van de dumpingmarge en de analyse van de schade

543    Het vierde middel steunt op drie onderdelen, die door de Commissie worden betwist.

–       Eerste onderdeel van het vierde middel, inzake de PCN-methode per PCN

544    In het eerste onderdeel betwisten verzoeksters de vereenvoudiging die de Commissie tijdens het onderzoek heeft toegepast op de kenmerken die worden geassocieerd met de voor de berekening van de dumpingmarge en de analyse van de schade gebruikte PCN.

545    In dit verband moet vooraf in herinnering worden gebracht dat de PCN codes zijn die in antidumpingonderzoeken worden gebruikt om overeenkomsten tussen productsoorten vast te stellen. Tijdens een onderzoek wordt de gecontacteerde ondernemingen verzocht hun producten onder te brengen in categorieën waarmee deze codes corresponderen. Aan die codes worden kenmerken gekoppeld aan de hand waarvan de betrokken producten kunnen worden beschreven.

546    In casu heeft de Commissie tijdens het onderzoek bepaalde kenmerken, die haar niet relevant leken, in de betrokken codes buiten beschouwing gelaten, hoewel deze oorspronkelijk wel aan die codes waren gekoppeld. Zo bevatte het PCN dat aan de Indiase producenten was medegedeeld zodat zij hun producten konden indelen, oorspronkelijk vijftien kenmerken. Tijdens het onderzoek zijn voor de vergelijking slechts enkele van die kenmerken gebruikt: één kenmerk (grondstof) ingeval het betrokken product niet door een in de steekproef opgenomen Indiase producent werd vervaardigd of verkocht en drie kenmerken (grondstoffen, belastingklasse en productsoort) in de andere gevallen.

547    Volgens de Commissie is het in geval van complexe productsoorten gebruikelijk om bepaalde kenmerken bij de vergelijking buiten beschouwing te laten, omdat het op die manier mogelijk is een bepaalde overeenkomst op het spoor te komen tussen productsoorten die anders niet zouden kunnen worden vergeleken.

548    In hun argumentatie voeren verzoeksters tegen deze benadering twee grieven aan, die door de Commissie worden betwist.

549    Met hun eerste grief betogen verzoeksters dat de 15 kenmerken die aanvankelijk aan het relevante PCN waren gekoppeld, belangrijk waren en tijdens het gehele onderzoek behouden hadden moeten blijven, en dat de Commissie de in punt 546 hierboven genoemde vereenvoudiging niet had mogen toepassen.

550    In dit verband moet worden opgemerkt dat het, wanneer het betrokken product een ruim assortiment goederen met zeer verschillende kenmerken en prijzen omvat, onontbeerlijk kan blijken om deze goederen in min of meer homogene categorieën in te delen (arrest van 4 maart 2010, Sun Sang Kong Yuen Shoes Factory/Raad, T‑409/06, EU:T:2010:69, punt 172; zie in die zin ook arrest van 18 november 2015, Einhell Germany e.a./Commissie, T‑73/12, EU:T:2015:865, punt 76).

551    Volgens de rechtspraak strekt deze verrichting ertoe tot een billijke vergelijking tussen vergelijkbare producten te komen, en aldus te voorkomen dat enerzijds de dumpingmarge en anderzijds de schademarge onjuist worden berekend doordat geen passende vergelijking wordt verricht (arrest van 4 maart 2010, Sun Sang Kong Yuen Shoes Factory/Raad, T‑409/06, EU:T:2010:69, punt 172).

552    Indien zij de door de Commissie in dit kader gehanteerde benadering naar behoren ter discussie willen stellen, dienen verzoeksters aan te tonen dat de door die instelling voorgestelde codificatie kennelijk ongeschikt is (zie in die zin arrest van 4 maart 2010, Sun Sang Kong Yuen Shoes Factory/Raad, T‑409/06, EU:T:2010:69, punt 180).

553    In casu hebben verzoeksters evenwel geen enkel gegeven overgelegd waaruit concreet blijkt hoe deze codificatie in kennelijk ongeschikte productcategorieën heeft geresulteerd.

554    Bij gebreke van dergelijke gegevens kan niet worden geoordeeld dat verzoeksters hebben aangetoond dat de door de Commissie gehanteerde codificatie kennelijk ongeschikt is en moet de eerste grief bijgevolg worden verworpen.

555    Met hun tweede grief verwijten verzoeksters de Commissie niet dezelfde aan de PCN gekoppelde kenmerken te hebben gebruikt voor het vaststellen van de dumping en voorts de analyse van de schade.

556    In dit verband zij opgemerkt dat de PCN-nomenclatuur, zoals in de punten 550 en 551 hierboven is opgemerkt, wordt gebruikt om de soorten kenmerken te identificeren die het, binnen de door het betrokken product gevormde categorie, mogelijk maken in het kader van het onderzoek de prijzen en de waarden te vergelijken.

557    Zoals de Commissie opmerkt, heeft het gebruik van deze nomenclatuur in een context met een land zonder markteconomie tot gevolg dat de kenmerken van deze nomenclatuur bij het analyseren van de schade niet noodzakelijkerwijs hetzelfde zijn als bij het vaststellen van de dumpingmarge.

558    Voor de analyse van de schade worden de producten uit de Volksrepubliek China vergeleken met die uit de Unie. Omdat het doel is het effect van de invoer van de Chinese producten op de prijs van de producten uit de Unie te onderzoeken, moet er een overeenkomst bestaan tussen de feitelijk vergeleken soorten om die vergelijking te kunnen verrichten.

559    In het kader van het vaststellen van de dumping heeft de vergelijking betrekking op de verkoopprijzen van de producenten-exporteurs op hun binnenlandse markt en die van de door diezelfde producenten-exporteurs naar de Unie uitgevoerde producten. In casu moest bij die vaststelling rekening worden gehouden met het feit dat de Volksrepubliek China niet werd beschouwd als een land met een markteconomie. Op grond van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening maakt die omstandigheid het onmogelijk om voor de vergelijking gebruik te maken van de prijzen die op de Chinese binnenlandse markt worden gehanteerd.

560    In die context wordt de normale waarde berekend. Om die normale waarde te berekenen, zoekt de Commissie naar het land dat, van alle landen met een markteconomie, zich op economisch vlak het dichtst bij de Volksrepubliek China bevindt. In casu is de Republiek India als zodanig gekozen.

561    Voor de hierboven beschreven vergelijking moet de Commissie vervolgens de producten identificeren die, gelet op de aan de PCN gekoppelde kenmerken, de door de Chinese producenten-exporteurs naar de Unie uitgevoerde producten het meest benaderen. Daartoe laten de diensten van de Commissie geleidelijk de kenmerken buiten beschouwing die het onmogelijk maken een overeenkomst op het spoor te komen tussen de betrokken producten, totdat zij de kenmerken hebben geïdentificeerd die een vergelijking mogelijk maken.

562    In deze omstandigheden kan het verschil tussen de PCN die zijn gebruikt voor het vaststellen van de dumping en die welke zijn gebruikt voor de analyse van de schade worden verklaard door het verschil tussen de producten die moeten worden vergeleken om in elk van beide contexten de noodzakelijke berekeningen te verrichten.

563    Om die redenen moet de tweede grief worden verworpen, omdat de Commissie niet kan worden verweten niet dezelfde aan de PCN gekoppelde kenmerken te hebben gebruikt voor enerzijds het vaststellen van de dumping en anderzijds de analyse van de schade.

564    Aangezien beide grieven zijn verworpen, moet het eerste onderdeel van het vierde middel in zijn geheel worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het vierde middel, inzake het ontbreken van informatie over de kenmerken van de vergeleken producten

565    In het tweede onderdeel stellen verzoeksters dat de Commissie, hoewel zij de gebruikte PCN heeft bekendgemaakt, geen informatie heeft verstrekt over de productmodellen die voor de vergelijking zijn gebruikt, met als gevolg dat zij niet hebben kunnen vaststellen of er correcties nodig waren om ervoor te zorgen dat de prijzen vergelijkbaar waren.

566    In dit verband moet worden opgemerkt dat de leden van de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I, niet hebben aangetoond dat zij hebben deelgenomen aan het onderzoek of dat zij de Commissie hebben verzocht de betrokken informatie te verstrekken.

567    Aangezien de leden van de CCCME en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in bijlage I de Commissie dus niet in staat hebben gesteld de moeilijkheden te beoordelen die zij konden ondervinden door het ontbreken van deze elementen in de informatie die hun is verstrekt, is het tweede onderdeel van het vierde middel, overeenkomstig de in punt 437 hierboven genoemde rechtspraak, ter ondersteuning van hun beroep niet ontvankelijk.

568    Wat betreft het deel van dit onderdeel dat door de CCCME is aangevoerd, moet worden opgemerkt dat hetzelfde betoog, dat door de CCCME is aangevoerd in het kader van het derde onderdeel van het derde middel, in de punten 519 tot en met 527 hierboven is afgewezen.

569    Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.

–       Derde onderdeel van het vierde middel, inzake de correctie voor de productiekosten van nodulair gietijzer

570    In het kader van het derde onderdeel betogen verzoeksters dat de Commissie de Indiase prijzen had moeten corrigeren om ervoor te zorgen dat zij vergelijkbaar waren met de Chinese prijzen. Het feit dat de Indiase producenten niet zijn gespecialiseerd in de vervaardiging van producten van nodulair gietijzer is van invloed op de door de Commissie in het kader van haar analyse gebruikte productiekosten. Deze kosten liggen significant hoger dan de door de Chinese producenten-exporteurs gemaakte kosten, omdat schaalvoordelen en knowhow bij de Indiase producenten ontbreken.

571    In dit verband voeren verzoeksters twee grieven aan, die door de Commissie worden betwist.

572    Met hun eerste grief betogen verzoeksters dat het verzoek om correctie niet kon worden afgewezen om de door de Commissie aangevoerde reden dat zij had gecontroleerd dat de Indiase verkoop representatief was.

573    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie, zoals zij in overweging 89 van de bestreden verordening heeft opgemerkt, heeft gecontroleerd of de binnenlandse verkoop van producten van nodulair gietijzer door de enige in de steekproef opgenomen Indiase producent die dergelijke producten vervaardigde en van wie de prijzen werden gebruikt representatief was in de zin van de basisverordening, dat wil zeggen of zij overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening ten minste 5 % bedroeg van de totale naar de Unie verkochte hoeveelheid, of deze verkoop niet met verlies had plaatsgevonden en of zij normale handelstransacties vertegenwoordigde.

574    Anders dan verzoeksters betogen, kan op grond van dit onderzoek worden geoordeeld dat de Indiase producent van wie de gegevens zijn gebruikt over een bepaalde knowhow en een bepaalde productiecapaciteit beschikt, aangezien zijn binnenlandse verkoop van producten van nodulair gietijzer ten minste 5 % van de totale naar de Unie verkochte hoeveelheid bedroeg, hetgeen indruist tegen het bezwaar dat is ontleend aan een gebrek aan kennis en schaalvoordelen van de Indiase bedrijfstak voor de productie van nodulair gietijzer wegens de geringe geproduceerde hoeveelheid.

575    Derhalve moet de eerste grief worden verworpen.

576    Met hun tweede grief merken verzoeksters op dat het onmogelijk was een verzoek om correctie te staven zonder toegang tot de gegevens betreffende de productiekosten van de Indiase producenten of een samenvatting daarvan. De Commissie is derhalve voorbijgegaan aan de rechtspraak die is ontwikkeld in het arrest van 8 juli 2008, Huvis/Raad (T‑221/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:258, punten 77 en 78), die verbiedt om aan een persoon die om correctie verzoekt een onredelijke bewijslast op te leggen.

577    In dat verband zij eraan herinnerd dat de uitvoerprijs op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening op billijke wijze met de normale waarde moet worden vergeleken, waarbij, in voorkomend geval door middel van correcties, rekening wordt gehouden met vastgestelde verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan.

578    Volgens de rechtspraak staat het aan de partij die het verzoek indient om aan te tonen dat de gevraagde correctie noodzakelijk is om de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken met het oog op de bepaling van de dumpingmarge (zie arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

579    Derhalve staat het op grond van die rechtspraak aan verzoeksters om in casu de noodzaak van een correctie aan te tonen.

580    Het is juist dat uit de in punt 576 hierboven genoemde rechtspraak, waarop verzoeksters zich beroepen, kan worden afgeleid dat een persoon die op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening om een correctie verzoekt en die moet aantonen dat de gevraagde correctie noodzakelijk is, niet met een onredelijke bewijslast mag worden geconfronteerd en dat het aan de instellingen staat om aan die persoon aan te geven welke inlichtingen noodzakelijk zijn.

581    In casu hadden verzoeksters hun verzoek evenwel op basis van hun kennis van de sector, althans de Chinese sector, kunnen onderbouwen met productiemodellen en -ratio’s die niet tot onredelijke productiekosten per stuk leidden.

582    In haar contacten met de Commissie heeft de CCCME evenwel louter opgemerkt dat de Indiase producenten over het algemeen een beperkte hoeveelheid nodulair gietijzer produceerden, en daaruit afgeleid dat hun productiekosten per stuk wel onredelijk moesten zijn en dat hun prijzen derhalve niet representatief konden zijn.

583    In die omstandigheden, die tevens worden gekenmerkt door de vertrouwelijkheid van de betrokken informatie, was het niet misplaatst dat de Commissie van de CCCME eiste dat zij eerst aantoonde dat het verzoek in bepaalde mate geloofwaardig was en niet enkel op algemene veronderstellingen was gebaseerd.

584    Gelet op deze overwegingen moet de tweede grief worden verworpen en moet bijgevolg het derde onderdeel van het vierde middel in zijn geheel worden afgewezen.

585    Hieruit volgt dat het vierde middel moet worden afgewezen.

 Vijfde middel, inzake de correctie voor btw

586    Met hun vijfde middel betwisten verzoeksters de door de Commissie verrichte correctie van de normale waarde voor btw.

587    Vooraf moet worden opgemerkt dat de Commissie, om te bepalen of er sprake was van dumping, de uitvoerprijs heeft vergeleken met de normale waarde. De normale waarde wordt in principe berekend op basis van de prijzen die in het land van uitvoer, in casu de Volksrepubliek China, in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald. Aangezien de Volksrepubliek China niet wordt beschouwd als land met een markteconomie, is de normale waarde in casu evenwel berekend aan de hand van de binnenlandse verkoopprijs in India, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

588    Uit de overwegingen 79 tot en met 81 van de bestreden verordening blijkt dat de Commissie in casu op grond van artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening een correctie voor btw heeft toegepast om te zorgen voor vergelijkbaarheid tussen de prijs bij uitvoer uit de Volksrepubliek China en de Indiase normale waarde. Voor de uitvoerprijs is de Commissie, aangezien op de uitvoer uit de Volksrepubliek China 17 % btw werd geheven waarvan 5 % weer werd terugbetaald, uitgegaan van een prijs inclusief 12 % btw. Voor de normale waarde heeft de Commissie, aangezien de Indiase prijzen exclusief btw waren, op deze prijzen de Chinese btw van 17 % toegepast en daarvan 5 % afgetrokken, gelet op artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening.

589    Het vijfde middel bestaat uit twee grieven, die door de Commissie worden betwist.

590    Met hun eerste grief betogen verzoeksters dat artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening de beschreven correctie niet rechtvaardigt. Volgens verzoeksters blijkt uit de bewoordingen van die bepaling namelijk dat zij een correctie enkel toestaat wanneer de kosten van de normale waarde bij uitvoer niet worden geïnd of worden terugbetaald. In casu is er echter geen sprake van „indirecte belastingen die […] worden geheven” op een product dat in India wordt verkocht, noch van „indirecte belastingen die […] worden geheven” op een product dat in de Volksrepubliek China wordt verkocht. In feite werd met de correctie door de Commissie beoogd een situatie te corrigeren waarin enkel sprake is van indirecte belastingen op de exportverkoop uit de Volksrepubliek China naar de Unie, die niet worden terugbetaald. De bewoordingen van artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening staan een correctie om met die situatie rekening te houden echter niet toe.

591    In dit verband moet worden opgemerkt dat de vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde volgens artikel 2, lid 10, van de basisverordening billijk moet zijn. Daartoe geschiedt deze vergelijking, in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen.

592    Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs zo niet kunnen worden vergeleken, wordt in elke zaak door middel van correcties rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan.

593    Wanneer de correctie wordt toegepast, heeft deze tot doel de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van een product te herstellen. Die symmetrie is dus van wezenlijk belang voor de noodzakelijke vaststelling of de prijzen vergelijkbaar zijn in de zin van artikel 1, lid 2, van de basisverordening (arrest van 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, T‑423/09, EU:T:2011:764, punten 42 en 43).

594    In artikel 2, lid 10, van de basisverordening worden factoren opgesomd op grond waarvan correcties kunnen worden toegepast, waaronder invoerheffingen en indirecte belastingen. Zo bepaalt artikel 2, lid 10, onder b), van die verordening dat „de normale waarde wordt gecorrigeerd voor een bedrag dat overeenkomt met alle invoerheffingen of indirecte belastingen die op een soortgelijk product en de fysiek daarin verwerkte materialen worden geheven, wanneer dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer, en die voor het naar de Unie uitgevoerde product niet worden geïnd of worden terugbetaald”.

595    Artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening preciseert dat er ook correcties kunnen worden toegepast voor verschillen voor andere factoren dan vermeld in artikel 2, lid 10, onder a) tot en met j), indien wordt aangetoond dat die van invloed zijn op de prijsvergelijking als bedoeld in dat lid, met name wanneer klanten bij voortduring verschillende prijzen op de binnenlandse markt betalen ten gevolge van deze factoren.

596    Bovendien moet worden opgemerkt dat de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen op antidumpinggebied beschikken volgens de rechtspraak van toepassing is op feiten die rechtvaardigen dat de toegepaste vergelijkingsmethode billijk is, waarbij het begrip billijkheid door de instellingen per geval concreet moet worden aangepast aan de relevante economische context (zie in die zin arrest van 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, T‑423/09, EU:T:2011:764, punt 41).

597    In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening niet uitdrukkelijk beoogt de normale waarde van het referentieland te corrigeren voor de btw op de uitvoer in het land waar de invoer met dumping vandaan komt. Hoewel de Commissie bij de toepassing van deze bepaling het recht verkeerd heeft toegepast, heeft dit in de omstandigheden van het geval geen beslissende invloed gehad op het resultaat van haar beoordeling van de aan haar voorgelegde zaak, aangezien artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening de Commissie toestaat een dergelijke correctie aan te brengen teneinde de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van het betrokken product te herstellen en een billijke vergelijking tussen deze twee waarden te waarborgen.

598    In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat de in casu door de Commissie gemaakte keuze om de normale waarde en de uitvoerprijs „inclusief btw” te vergelijken niet kan worden bekritiseerd, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikt wat betreft de toegepaste vergelijkingsmethode.

599    In het arrest van 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad (T‑423/09, EU:T:2011:764), heeft het Gerecht erkend dat een dergelijke methode voor de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs van bepaalde magnesiabriketten uit de Volksrepubliek China billijk is. Zo werd geoordeeld dat de Raad zonder kennelijke beoordelingsfout de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs op een „inclusief btw”-basis in casu kon beschouwen als een billijke vergelijkingsmethode, daar daarbij was vergeleken met inachtneming van de eis van symmetrie van de normale waarde en de uitvoerprijs in hetzelfde handelsstadium voor gelijktijdige verkopen zowel in het binnenland als bij uitvoer, die alle aan 17 % btw waren onderworpen.

600    Aangezien de Commissie in casu het recht heeft een uitvoerprijs inclusief btw te gebruiken en aangezien de Volksrepubliek China op de uitvoer 17 % btw heft, waarvan 5 % wordt terugbetaald, heeft zij het recht de normale waarde te corrigeren door er een „netto” btw-percentage van 12 % bij op te tellen, teneinde de symmetrie tussen beide waarden te herstellen.

601    Om die redenen moet de eerste grief worden verworpen.

602    Met hun tweede grief betogen verzoeksters dat de betrokken correctie niet kan worden toegepast wanneer de Commissie gebruikmaakt van de referentielandmethode. Deze methode heeft namelijk tot doel te voorkomen dat rekening wordt gehouden met prijzen en kosten in landen zonder markteconomie, omdat deze parameters aldaar niet het normale eindresultaat van marktwerking zijn. Omdat het stelsel van btw-teruggave door de Commissie wordt beschouwd als een algemene verstoring van de Chinese economie, die verhindert dat aan het land de status van markteconomie wordt toegekend, is het juist een factor die die instelling niet in aanmerking zou moeten willen nemen. Verzoeksters betogen met andere woorden dat de vermeende verstoring van het btw-stelsel al is verholpen door toepassing van de referentielandmethode.

603    In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening bij invoer uit landen zonder markteconomie, zoals de Volksrepubliek China, de normale waarde in beginsel wordt vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie, in casu de Republiek India.

604    Volgens de rechtspraak heeft artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening tot doel te voorkomen dat rekening wordt gehouden met prijzen en kosten in landen zonder markteconomie, omdat deze parameters aldaar niet het normale eindresultaat van marktwerking zijn [zie arrest van 28 februari 2018, Commissie/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings, C‑301/16 P, EU:C:2018:132, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

605    Dat betekent evenwel niet dat de aldus bepaalde normale waarde in het geheel niet gecorrigeerd kan worden. Niets in de basisverordening wijst er immers op dat artikel 2, lid 7, onder a), van die verordening een algemene uitzondering bevat op de eis om op grond van artikel 2, lid 10, van die verordening correcties toe te passen met het oog op vergelijkbaarheid.

606    Zo zullen de instellingen in een geval zoals het onderhavige, waarin zij de normale waarde vaststellen met behulp van de referentielandmethode overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, in de vorm van correcties rekening moeten houden met verschillen in factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan.

607    Ingeval evenwel correctie van de normale waarde wordt beoogd, is het noodzakelijk om artikel 2, lid 10, van de basisverordening uit te leggen in het licht van en in samenhang met artikel 2, lid 7, onder a), van die verordening. Teneinde te voorkomen dat laatstgenoemde bepaling haar nuttige werking verliest, mogen de aangebrachte correcties in de analyse van de instellingen niet tot gevolg hebben dat er weer factoren worden opgenomen die in dat land, in casu de Volksrepubliek China, niet het normale resultaat van marktwerking zijn (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad, C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2016:928, punt 102).

608    In casu betekent toepassing van het in de Volksrepubliek China geldende btw-percentage op de normale waarde niet dat er (opnieuw) een verstorend element van het Chinese regime wordt opgenomen in de berekening van de normale waarde, die wordt bepaald met de referentielandmethode.

609    Hoewel de Commissie in de door verzoeksters overgelegde documenten heeft kunnen vaststellen dat het Chinese btw-stelsel verstoringen veroorzaakte, was dat namelijk uitsluitend, zoals zij stelt, wegens de manier waarop de Volksrepubliek China de btw toepaste op de uitvoer, waarbij voor bepaalde producten wel en voor andere niet in terugbetaling van die btw werd voorzien.

610    Om al deze redenen moet de tweede grief worden verworpen en moet bijgevolg het vijfde middel worden afgewezen.

 Zesde middel, inzake de VAA-kosten en de winst

611    Met het zesde middel betogen verzoeksters dat de Commissie de normale waarde van de productsoorten die niet door de drie in de steekproef opgenomen Indiase producenten werden verkocht, maar wel door ten minste een van hen werden vervaardigd, niet kon bepalen met gebruikmaking van de VAA-kosten en de winst van de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties door die producent.

612    Volgens verzoeksters kan de Commissie haar standpunt niet rechtvaardigen met een beroep op artikel 2, lid 6, van de basisverordening, zoals zij in overweging 71 van de bestreden verordening heeft gedaan. Die bepaling is immers enkel van toepassing op ondernemingen waaraan op grond van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening een behandeling als marktgerichte onderneming wordt toegekend.

613    De Commissie concludeert tot afwijzing van dit middel. Zij preciseert dat dit middel van verzoeksters, aangezien het een nieuw middel betreft, dat is ontleend aan schending van artikel 2, lid 6, van de basisverordening, niet-ontvankelijk moet worden geacht, omdat het niet in het stadium van de repliek is opgeworpen.

614    In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de Commissie een onjuiste voorstelling geeft van de door verzoeksters aangevoerde argumenten. Verzoeksters verwijten de Commissie namelijk schending van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, waarin wordt bepaald hoe de normale waarde bij toepassing van de referentielandmethode moet worden berekend. Volgens verzoeksters sluit artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening uit dat de Commissie zich kan baseren op artikel 2, lid 6, van die verordening, waarin wordt bepaald hoe de VAA-kosten en de winst kunnen worden berekend, omdat die bepaling enkel van toepassing is in geval van invoer uit een land met een markteconomie of op ondernemingen van een land zonder markteconomie waaraan op grond van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening een behandeling als marktgerichte onderneming is toegekend. Dit argument is reeds in het verzoekschrift aangevoerd en derhalve ontvankelijk.

615    Vervolgens moet in herinnering worden gebracht dat de Commissie, zoals zij in overweging 67 van de bestreden verordening heeft opgemerkt, wanneer een productsoort niet werd verkocht door de drie in de steekproef opgenomen Indiase producenten maar wel door ten minste een van hen werd vervaardigd, een berekende waarde heeft gebruikt voor de berekening van de normale waarde. Die waarde is berekend aan de hand van de productiekosten van die Indiase producent, vermeerderd met de VAA-kosten en winst van de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties door die producent.

616    Op grond van artikel 2, lid 6, van de basisverordening „[worden] de bedragen voor [VAA-kosten] […] gebaseerd op feitelijke gegevens over de productie en de verkoop van het soortgelijke product, in het kader van normale handelstransacties, door de exporteur of de producent op wie het onderzoek betrekking heeft”. Vervolgens worden in die bepalingen andere methoden opgesomd, voor situaties waarin die bedragen niet op die grondslag kunnen worden vastgesteld.

617    Verzoeksters betwisten niet dat de Commissie de VAA-kosten en de winst van de enige Indiase producent die de betrokken productsoorten vervaardigde kon gebruiken overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening, als dat van toepassing was geweest. Zij voeren aan dat in een situatie als de onderhavige, waarin de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt bepaald met de referentielandmethode, de leden 1 tot en met 6 van dat artikel niet van toepassing zijn.

618    In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals verzoeksters ter ondersteuning van hun argumentatie hebben aangevoerd, uit de rechtspraak blijkt dat artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening bepaalt dat, in afwijking van de leden 1 tot en met 6 van dat artikel, bij invoer uit landen zonder markteconomie de normale waarde in beginsel aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie wordt vastgesteld (arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 66).

619    Zo is blijkens de bewoordingen en de structuur van artikel 2, lid 7, van de basisverordening de vaststelling van de normale waarde van producten uit de Volksrepubliek China volgens de regels neergelegd in artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening, beperkt tot specifieke individuele gevallen, die zich in casu niet voordoen, waarin de betrokken producenten elk voor zich een met bewijsmateriaal gestaafd verzoek overeenkomstig de criteria en de procedures van artikel 2, lid 7, onder c), van die verordening hebben ingediend (arrest van 23 oktober 2003, Changzhou Hailong Electronics & Light Fixtures en Zhejiang Yankon/Raad, T‑255/01, EU:T:2003:282, punt 40).

620    Het doel is te voorkomen dat rekening wordt gehouden met prijzen en kosten in landen zonder markteconomie, omdat deze parameters niet het normale eindresultaat van marktwerking zijn (arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 66).

621    Hieruit vloeit voort dat de Commissie niet kan afwijken van de voorschriften in artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening voor de berekening van de normale waarde, hetgeen inhoudt dat zij de normale waarde overeenkomstig die bepaling moet vaststellen „aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie of aan de hand van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de Unie of, indien dit niet mogelijk is, op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Unie, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge”.

622    Na deze verduidelijking moet worden opgemerkt dat artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening – afgezien van de bron van de te gebruiken prijzen of kosten, die overeenkomt met het door de Commissie gekozen derde land met markteconomie, in casu de Republiek India, en de volgorde van de opgesomde methoden die door de Commissie moet worden aangehouden, zoals de rechtspraak in herinnering heeft gebracht (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punten 24‑26) – geen aanwijzingen geeft over de wijzen van berekening van de prijs of de berekende waarde in het referentieland, met name wat betreft de VAA-kosten en de winst.

623    In dat kader wordt niet uitgesloten dat de Commissie bepaalde methodologische elementen uit artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening kan overnemen, op voorwaarde dat zij niet kennelijk ongeschikt zijn en niet tot gevolg hebben dat er parameters uit het oorspronkelijke land worden opgenomen die niet het normale eindresultaat van marktwerking zijn.

624    In casu zijn de VAA-kosten en de winst die bij de berekening van de berekende normale waarde zijn gebruikt voor een productsoort van nodulair gietijzer en twee productsoorten van grijs gietijzer, de VAA-kosten en de winst van de enige Indiase producent die de betrokken producten vervaardigde en van wie bijgevolg de productiekosten waren gebruikt.

625    Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie op antidumpinggebied, kan niet worden geoordeeld dat het vermeerderen van de productiekosten van die producent met de VAA-kosten en de winst van zijn verkopen kennelijk ongeschikt was. Bovendien heeft het in aanmerking nemen van enkel de VAA-kosten en de winst van die Indiase producent niet tot gevolg gehad dat er opnieuw parameters van de Volksrepubliek China werden opgenomen die niet het normale eindresultaat van marktwerking waren.

626    Het zesde middel moet derhalve worden afgewezen.

 Verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang

627    Aan het einde van hun eerste middel verzoeken verzoeksters het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten dat de Commissie informatie overlegt die reeds tijdens het onderzoek aan die instelling was gevraagd, te weten de berekeningen en de brongegevens betreffende de omvang van de invoer met dumping, de schade en de dumpingmarge van de Chinese en Indiase producenten-exporteurs.

628    In dit verband moet worden opgemerkt dat het volgens de rechtspraak aan het Gerecht staat om het nut van maatregelen tot organisatie van de procesgang te beoordelen (zie arrest van 9 maart 2015, Deutsche Börse/Commissie, T‑175/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:148, punt 417 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

629    In casu heeft het Gerecht genoeg aan de gegevens in het dossier, te weten de conclusies, de middelen en de argumenten die in de loop van de procedure zijn aangedragen, en de door de partijen overgelegde documenten om zich te kunnen uitspreken.

630    Hieruit volgt dat het verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang moet worden afgewezen en dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid of gegrondheid van alle door de Commissie betwiste grieven die ten gronde zijn verworpen.

 Kosten

631    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vorderingen van de Commissie en interveniëntes in hun eigen kosten en in die van de Commissie en van interveniëntes te worden verwezen.

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      De China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products en de andere verzoekende partijen waarvan de namen zijn opgenomen in de bijlage worden verwezen in de kosten.

Gervasoni

Madise

Nihoul

Frendo

 

Martín y Pérez de Nanclares

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 mei 2021.

ondertekeningen


Inhoud



*      Procestaal: Engels.


1      De lijst van de andere verzoekende partijen is alleen bij de aan partijen betekende versie gevoegd.


2      De lijst van de andere interveniërende partijen is alleen bij de aan partijen betekende versie gevoegd.