ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

3 december 2019 (*)

„Dumping – Invoer van koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit China en Taiwan – Definitief antidumpingrecht – Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1429 – Artikel 2, leden 3 en 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 [thans artikel 2, leden 3 en 5, van verordening (EU) 2016/1036] – Artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 1225/2009 [thans artikel 2, leden 1 en 2, van verordening 2016/1036] – Berekening van de normale waarde – Berekening van de productiekosten – Verkoop van het voor gebruik in het binnenland bestemde soortgelijke product”

In zaak T‑607/15,

Yieh United Steel Corp., gevestigd te Kaohsiung City (Taiwan), vertegenwoordigd door D. Luff, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland en A. Demeneix als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Eurofer, Association européenne de l’acier, ASBL, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door J. Killick, G. Forwood en C. Van Haute, advocaten,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2015/1429 van de Commissie van 26 augustus 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan (PB 2015, L 224, blz. 10),

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: E. Buttigieg (rapporteur), waarnemend voor de president, B. Berke en M. J. Costeira, rechters,

griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 juni 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Yieh United Steel Corp., is een in Taiwan gevestigde vennootschap die hoofdzakelijk actief is in de vervaardiging en distributie van koudgewalste platte producten van roestvrij staal (hierna: „betrokken product”).

2        Als grondstof voor de vervaardiging van het betrokken product gebruikt verzoekster warmgewalst breedband dat zij ofwel zelf produceert ofwel koopt bij Lianzhong Stainless Steel Co. Ltd (hierna: „LISCO”), een in China gevestigde verbonden vennootschap die warmgewalst breedband produceert. Verzoekster verkoopt het betrokken product aan afnemers in de Europese Unie en aan afnemers op haar binnenlandse markt, waaronder onafhankelijke downstreamproducenten en distributeurs van het betrokken product en de verbonden downstreamproducent ervan, de vennootschap Yieh Mau.

3        Nadat Eurofer, Association européenne de l’acier, ASBL (hierna: „Eurofer”) op 13 mei 2014 een klacht had ingediend, heeft de Europese Commissie op 26 juni 2014 een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van koudgewalste producten van roestvrij staal uit de Volksrepubliek China en Taiwan (PB 2014, C 196, blz. 9) bekendgemaakt overeenkomstig verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap [(PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22), vervangen door verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21); hierna: „basisverordening”].

4        Het onderzoek naar de dumping en de schade betrof het tijdvak tussen 1 januari en 31 december 2013 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de voor de beoordeling van de schade relevante ontwikkelingen bestreek het tijdvak van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013.

5        Op 22 september 2014 hebben verzoekster en de met haar verbonden vennootschappen hun antwoorden op de antidumpingvragenlijst van de Commissie ingediend. Van 17 tot en met 20 november 2014 werd er een controlebezoek verricht in de kantoren van verzoekster in Taiwan.

6        Op 24 maart 2015 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2015/501 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan (PB 2015, L 79, blz. 23; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld. Bij de voorlopige verordening werd een voorlopig antidumpingrecht van 10,9 % ingesteld op het betrokken product van verzoekster.

7        Bij brief van 25 maart 2015 heeft de Commissie haar voorlopige bevindingen aan verzoekster meegedeeld, waarin de belangrijkste overwegingen en feiten waren opgenomen op grond waarvan was besloten een voorlopig antidumpingrecht in te stellen (hierna: „voorlopige bevindingen”).

8        In haar voorlopige bevindingen is de Commissie met name ingegaan op haar weigering het hergebruikte schroot in mindering te brengen op de productiekosten van het betrokken product en op haar weigering om bepaalde verkopen van verzoekster in het land van uitvoer in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de normale waarde.

9        Op 20 april 2015 heeft verzoekster haar opmerkingen over de voorlopige bevindingen ingediend.

10      Op 23 juni 2015 heeft de Commissie haar definitieve bevindingen aan verzoekster gezonden. Op 3 juli 2015 heeft verzoekster haar opmerkingen over die bevindingen ingediend.

11      Op 26 augustus 2015 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2015/1429 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan (PB 2015, L 224, blz. 10; hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld, waarbij de voorlopige verordening werd gewijzigd en een antidumpingrecht van 6,8 % werd ingesteld op de invoer in de Unie van het betrokken product, dat onder meer door verzoekster werd geproduceerd.

 Procedure en conclusies van partijen

12      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 oktober 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

13      Bij besluit van 23 december 2015 is de zaak toegewezen aan de Eerste kamer van het Gerecht.

14      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 maart 2016, heeft Eurofer verzocht in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.

15      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 april 2016, heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in het verzoekschrift, het verweerschrift en de repliek ten aanzien van Eurofer vertrouwelijk te behandelen indien zij tot interventie werd toegelaten. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van die stukken bij haar verzoek gevoegd.

16      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 mei 2016, heeft de Commissie verzocht om bepaalde gegevens in de dupliek vertrouwelijk te behandelen. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van de dupliek bij haar verzoek gevoegd.

17      Bij beschikking van 20 juli 2016 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht Eurofer toegelaten tot interventie. Aangezien verzoekster en de Commissie overeenkomstig artikel 144, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hebben verzocht om bepaalde gegevens in de in de punten 15 en 16 hierboven genoemde stukken vertrouwelijk te behandelen, is de mededeling van die stukken aan interveniënte bij die beschikking voorlopig beperkt tot de door verzoekster en de Commissie overgelegde niet-vertrouwelijke versies, in afwachting van eventuele opmerkingen van interveniënte over het verzoek om vertrouwelijke behandeling.

18      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 augustus 2016, heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in de dupliek ten aanzien van interveniënte vertrouwelijk te behandelen. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van de dupliek bij haar verzoek gevoegd.

19      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 september 2016, heeft interveniënte het verzoek om vertrouwelijke behandeling van het verzoekschrift, het verweerschrift en de repliek gedeeltelijk betwist.

20      Bij besluit van 6 oktober 2016 is de zaak overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering toegewezen aan de Tweede kamer van het Gerecht.

21      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 januari 2017, heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in haar opmerkingen over de memorie in interventie ten aanzien van interveniënte vertrouwelijk te behandelen. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van die opmerkingen bij haar verzoek gevoegd.

22      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 april 2017, heeft interveniënte het verzoek om vertrouwelijke behandeling van verzoeksters opmerkingen over de memorie in interventie gedeeltelijk betwist.

23      Bij beschikking van 27 september 2017, Yieh United Steel/Commissie (T‑607/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:698), heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht de verzoeken van verzoekster en de Commissie om vertrouwelijke behandeling gedeeltelijk ingewilligd.

24      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 maart 2018, heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in haar opmerkingen over de aanvullende memorie in interventie ten aanzien van interveniënte vertrouwelijk te behandelen. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van die opmerkingen bij haar verzoek gevoegd.

25      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 mei 2018, heeft verzoekster verzocht in haar mondelinge opmerkingen te worden gehoord.

26      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de artikelen 1 en 2 van de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover die op haar betrekking hebben;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

27      De Commissie en interveniënte verzoeken het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

28      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan, die zijn ontleend aan schending van artikel 2, leden 3 en 5, van de basisverordening (thans artikel 2, leden 3 en 5, van verordening 2016/1036) en aan schending van artikel 2, leden 1 en 2, van de basisverordening (thans artikel 2, leden 1 en 2, van verordening 2016/1036).

 Eerste middel: schending van artikel 2, leden 3 en 5, van de basisverordening en aan misbruik van bevoegdheid

29      Verzoekster stelt dat de Commissie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt doordat zij heeft geweigerd haar verzoek te aanvaarden om de waarde van het hergebruikte schroot in mindering te brengen op de productiekosten van het betrokken product. Zij stelt dat de Commissie ten onrechte heeft geweigerd haar boekhouding en haar methode van kostenallocatie in aanmerking te nemen en dat de berekeningsfout die zij heeft gemaakt niet onder de beoordelingsvrijheid valt waarover zij beschikt. Door deze weigering zijn haar productiekosten alsook het aandeel productsoorten waarvoor de normale waarde is vastgesteld wegens de verkoop tegen prijzen beneden de productiekosten, gestegen, wat heeft geleid tot een algemene hogere normale waarde.

30      In de eerste plaats stelt verzoekster dat de Commissie artikel 2, lid 5, van de basisverordening heeft geschonden door te weigeren rekening te houden met verzoeksters boekhouding en de methode van kostenallocatie die zij voor de tijdens de productie van het betrokken product ontstane verliezen van warmgewalst breedband heeft gebruikt.

31      Verzoekster voert in dit verband aan dat zij het opbrengstverlies, anders dan de Commissie stelt, in de aan de Commissie overgelegde berekening van de productiekosten van het betrokken product heeft opgenomen.  Verzoekster geeft aan dat zij in haar opmerkingen over de voorlopige bevindingen van 20 april 2015 op basis van de boekhouding die zij in antwoord op de vragenlijst heeft overgelegd, heeft uitgelegd dat zij alle opbrengstverliezen in alle productiestadia adequaat heeft weergegeven in haar productiekostentabel, zowel met betrekking tot het door haarzelf geproduceerde breedband als tot het van de met haar verbonden onderneming, LISCO, gekochte breedband. De gebruikte methode was bedoeld om een „opbrengstverlies per eenheid” – uitgedrukt als een ratio – voor de in elk productiestadium gebruikte grondstoffen vast te stellen, dat niet werd toegerekend aan de grondstofkosten maar aan de productiekosten van het volgende productiestadium, de zogenoemde „conversiekosten”. Het opbrengstverlies werd dus niet geboekt als materiaalkosten, maar als conversiekosten. Deze methode van allocatie van de productiekosten, genaamd „kostprijssysteem”, is een bekende en algemeen aanvaarde boekhoudingstechniek in de wereld en in Taiwan in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening, waarover verzoekster zowel tijdens het controlebezoek als in haar opmerkingen over de voorlopige bevindingen aan de Commissie toelichtingen heeft verschaft.

32      Door verzoeksters geverifieerde gegevens en methode van kostenallocatie buiten beschouwing te laten, en te weigeren om rekening te houden met de wijze waarop verzoekster het opbrengstverlies in haar productiekosten heeft verrekend, is de Commissie volgens verzoekster ten aanzien van het opbrengstverlies tot een kennelijk onjuiste conclusie gekomen.

33      Verzoekster stelt dat er sprake moet zijn van een evenwicht tussen de verplichting van de Commissie om binnen de beschikbare tijd een onderzoek uit te voeren en de legitieme rechten van de marktdeelnemers dat hun werkelijke gegevens in een neutraal en objectief onderzoek in aanmerking worden genomen, en dat de onderzoekende autoriteit gebruik moet maken van het kostenberekeningssysteem van de betrokken producent wanneer dit de productiekosten van het onderzochte product „voldoende en adequaat” weergeeft.

34      Voorts stelt verzoekster dat de Commissie niet betwist dat de door haar aangevoerde boekhoudkundige documenten zijn gecontroleerd en dat zij de methode van kostenallocatie genaamd „kostprijssysteem” gewoonlijk gebruikt. Volgens verzoekster toont de Commissie niet aan op welke wijze de boekhouding geen redelijk beeld geeft van de kosten van de productie en de verkoop van het betrokken product, maar uit zij enkel twijfels over het feit dat die methode in casu wellicht geen beeld geeft van de werkelijke waarde van elke kostenpost. Deze twijfels zijn ontstaan doordat de Commissie een onjuiste berekeningsmethode gebruikt en op tegenstrijdige wijze gebruikmaakt van verzoeksters boekhouding, zonder dat zij aantoont waarom de alternatieve methode die zij gebruikt betrouwbaarder is en een beter beeld geeft van de werkelijke waarde van elke kostenpost. Hierdoor schendt zij artikel 2, lid 5, van de basisverordening.

35      Verzoekster stelt in het bijzonder dat de Commissie in haar voorlopige bevindingen, haar definitieve bevindingen en in de bestreden verordening heeft aangevoerd dat verzoekster het opbrengstverlies van bij LISCO aangeschaft warmgewalst breedband niet in de productiekosten van het betrokken product had verrekend, hetgeen reeds op zichzelf een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten vormt. Bovendien geven de toelichtingen die de Commissie in haar voorlopige bevindingen, haar definitieve bevindingen en in de bestreden verordening heeft gegeven, eveneens blijk van kennelijke vooringenomenheid en zijn zij kennelijk onjuist.

36      In dit verband merkt verzoekster allereerst op dat de berekeningsmethode die de Commissie in haar voorlopige bevindingen heeft gebruikt om de voor de productie van het betrokken product gebruikte hoeveelheid warmgewalst breedband te berekenen – volgens welke die hoeveelheid gelijk is aan de totale grondstofkosten per aangeschaft warmgewalst breedband gedeeld door de aanschafkosten van warmgewalst breedband – gelet op haar kostenberekeningsmethode niet adequaat is. Deze vaststelling ondergraaft de onjuiste conclusie van de Commissie volgens welke de hoeveelheid gebruikt warmgewalst breedband gelijk is aan het productievolume van het betrokken product, terwijl de hoeveelheid gebruikte grondstoffen groter zou zijn geweest dan het productievolume van het betrokken product indien het opbrengstverlies correct was berekend.

37      Voorts stelt verzoekster dat de door de Commissie in haar definitieve bevindingen aangevoerde redenen eveneens onjuist zijn. Ten eerste waren de gegevens aan de hand waarvan verzoekster haar kostenberekeningsmethode heeft toegelicht op het moment van de mededeling van de voorlopige bevindingen niet nieuw voor de Commissie, aangezien elke kostentoerekening, met inbegrip van die met betrekking tot het opbrengstverlies, duidelijk was weergegeven in de door verzoekster in haar antwoord op de antidumpingvragenlijst overgelegde productiekostentabel, te weten bijlage 54 bij die vragenlijst. In haar antwoord op de voorlopige bevindingen heeft verzoekster eveneens een nieuw werkblad met de conversiekosten overgelegd om het opbrengstverlies in beeld te brengen. Dit werkblad was uitsluitend op basis van de gegevens in de voorlopige bevindingen opgesteld.

38      Ten tweede heeft verzoekster het opbrengstverlies per eenheid dat zij gebruikte om de conversiekosten te berekenen als waarde, toegepast op alle conversiekostenposten, met inbegrip van de algemene kosten. Hierdoor heeft verzoekster op adequate wijze verzekerd dat alle aan het opbrengstverlies gelieerde kosten, waaronder de algemene kosten vanwege de productie van „verloren” materiaal, correct waren opgenomen in haar kostenberekeningsmethode.

39      Ten derde stelt verzoekster dat de in het opbrengstverlies opgenomen materiaalkosten, anders dan de Commissie stelt, niet lager zijn dan het bedrag dat als aftrek voor schroot was gevorderd, wat blijkt uit de in punt 37 hierboven genoemde toelichtende spreadsheet van verzoekster. De Commissie heeft de werkelijke gegevens en de kostenberekeningsmethode van verzoekster met betrekking tot het opbrengstverlies dus kennelijk buiten beschouwing gelaten. Bovendien had de Commissie, indien zij de overgelegde gegevens op correcte wijze in aanmerking had genomen en de methode had gevolgd die zij zelf in haar voorlopige bevindingen voor de berekening van het grondstoffengebruik heeft gebruikt, de werkelijke „hoeveelheid” voor de productie van het betrokken product gebruikte grondstoffen kunnen vaststellen.

40      Ten slotte stelt verzoekster dat de Commissie in de bestreden verordening de werkelijke „hoeveelheid” voor de productie van het betrokken product gebruikt warmgewalst breedband gemakkelijk had kunnen berekenen op basis van de beschikbare gegevens door de methode te gebruiken die zij zelf in het voorlopige stadium had toegepast, anders dan de Commissie in overweging 61 van de bestreden verordening stelt.

41      Ook verwerpt verzoekster het verwijt van de Commissie dat zij gedurende het onderzoektijdvak en na het controlebezoek „versnipperde en wisselende” informatie heeft verstrekt over de productiekosten. Verzoekster geeft dienaangaande aan dat zij in haar antwoord op de vragenlijst op alle punten antwoord heeft gegeven, dat zij vervolgens zowel voor, tijdens als na de controle ter plaatse tijdig aan alle verzoeken van de Commissie heeft voldaan, dat zij heeft toegelicht waarom de productiekosten waren gewijzigd toen zij op verzoek van de Commissie de tweede productiekostentabel heeft toegezonden, dat zij de op 9 februari 2015 na het controlebezoek verstuurde aanvullende vragenlijst van de Commissie volledig heeft beantwoord en dat zij haar methode van kostenallocatie nogmaals heeft toegelicht in haar opmerkingen over de voorlopige bevindingen, waarin voor de eerste keer melding werd gemaakt van de weigering om de aftrek van het schroot te aanvaarden. Door deze methode is informatie over de hoeveelheden warmgewalst breedband overbodig. Nochtans beschikte de Commissie over deze informatie.

42      Voorts stelt verzoekster dat de stelling van de Commissie dat zij onvoldoende gegevens had over de „hoeveelheden” voor de productie van het betrokken product gebruikt warmgewalst breedband, „die nodig zijn om de juistheid van de beweringen [van verzoekster] te controleren”, dan ook eveneens onjuist is.

43      Ten eerste stelt verzoekster dat zij in bijlage 56 bij het antwoord op de vragenlijst informatie heeft verstrekt over de hoeveelheden „zwart” breedband, dat is gekocht en gebruikt voor de productie van het betrokken product, en dat zij in de na de controle opgestelde tabel in bijlage 6, „Afstemming van de verkopen” (blad genaamd „Afstemming per productsoort”), de hoeveelheid verkocht „zwart” breedband heeft vermeld, dat volledig intern was geproduceerd, zodat de Commissie de hoeveelheid voor de productie van het betrokken product aangeschaft en verbruikt „zwart” breedband door middel van een betrekkelijk eenvoudige berekening had kunnen achterhalen en dat de gevraagde informatie over de hoeveelheid derhalve gedurende de administratieve procedure is verstrekt. Ook heeft verzoekster een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het gekochte en verkochte „zwart” en „wit” (of „nr. 1”) warmband. Ten tweede stelt verzoekster dat zij gedurende het onderzoek alle vragen van de Commissie heeft beantwoord en dat in de vragenlijst niet is gevraagd om specifieke informatie over de hoeveelheden voor de productie van het betrokken product aangeschaft en verbruikt warmgewalst breedband, hoewel bijlage 56 bij het antwoord op de vragenlijst informatie bevatte over de hoeveelheid „zwart” warmband. Ook heeft verzoekster gedurende de controle informatie verstrekt over de hoeveelheid na aanvullende behandeling verkocht „zwart” warmband (tabel in bijlage 6 „Afstemming van de verkopen”), op basis waarvan de hoeveelheid voor de downstreamproductie gebruikt „zwart” warmband kon worden vastgesteld. Na de controle heeft de Commissie een aanvullende vragenlijst verstuurd waarin zij niet vroeg om aanvullende informatie over de hoeveelheden aangeschaft of verbruikt warmgewalst breedband. Ten derde was de informatie over het volume aangeschaft warmgewalst breedband in casu niet relevant aangezien de Commissie hoe dan ook had besloten de aanschafkosten buiten beschouwing te laten en te vervangen door de kosten van het intern geproduceerde warmgewalst breedband.

44      Verzoekster voegt hieraan toe dat alle informatie en documenten die zij na de controle ter plaatse op verzoek van de Commissie heeft verstrekt, en die in haar opmerkingen over de bevindingen van de Commissie waren opgenomen, gebaseerd waren op gegevens en tabellen die de Commissie voorafgaand aan de controle ter plaatse had ontvangen of die zij zelf had opgesteld en waarvoor die controle niet was vereist.

45      Volgens verzoekster kan de Commissie geen document laten zien waaruit blijkt dat zij verzoekster duidelijk heeft verzocht om de beweerdelijk ontbrekende gegevens over de hoeveelheden aangeschaft en verbruikt warmgewalst breedband over te leggen en dat verzoekster had geweigerd om die gegevens over te leggen. Verzoekster heeft namelijk in het document met de definitieve bevindingen voor het eerst vernomen dat de Commissie kritiek had op de werkelijke hoeveelheid voor de productie van het betrokken product gebruikte grondstoffen.

46      Meer in het algemeen geeft verzoekster aan dat de Commissie nooit formeel heeft verzocht om informatie over de hoeveelheden, dat die vraag noch in de standaardvragenlijst noch in de aanvullende vragenlijst was opgenomen, dat de Commissie dit slechts een keer – tijdens de controle – heeft gevraagd, dat verzoekster de informatie over de hoeveelheden waarnaar in bijlage 56 bij de vragenlijst wordt verwezen, heeft verstrekt, dat de Commissie echter nooit op deze vraag is teruggekomen toen zij gedurende de controle het idee ventileerde, waaraan zij uiteindelijk heeft vastgehouden, om de kosten van het aangeschaft warmgewalst breedband te vervangen door de kosten van het intern geproduceerde warmgewalst breedband, en dat de Commissie na de controle enkel heeft gevraagd om haar een nieuwe productiekostentabel te verstrekken waarin de kosten van het aangeschaft warmband waren vervangen door de kosten van het intern geproduceerde warmband.

47      Concluderend kan volgens verzoekster worden gesteld dat de beweringen van de Commissie dat verzoekster onvoldoende gegevens heeft verstrekt of haar samenwerkingsverplichting niet is nagekomen, ongegrond zijn en geen rechtvaardiging kunnen vormen voor de weigering van de Commissie om verzoeksters boekhoudbescheiden en de door haar toegepaste gebruikelijke methode van kostenallocatie te aanvaarden, hetgeen kennelijk in strijd is met artikel 2, lid 5, van de basisverordening.

48      In de tweede plaats stelt verzoekster dat de Commissie vanwege deze schending tot de kennelijk onjuiste conclusie is gekomen dat verzoekster het opbrengstverlies van aangeschaft warmgewalst breedband niet volledig in de productiekosten van het betrokken product had opgenomen, waardoor de Commissie tevens ten onrechte heeft geweigerd het hergebruikte schroot op de productiekosten van het betrokken product in mindering te brengen, en daardoor de normale waarde in strijd met artikel 2, lid 3, van de basisverordening kunstmatig heeft opgedreven.

49      In dit verband merkt verzoekster op dat indien, zoals de Commissie stelt, de situatie in kwestie onder artikel 2, lid 4, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 4, van verordening 2016/1036) – waarin toelichtingen staan over lid 3 van dat artikel – valt, dit laatste lid per definitie relevant is. Aangezien dit lid de nadruk legt op „kunstmatig lage” prijzen, is het bovendien duidelijk dat het ziet op verlieslatende verkopen. Ten slotte voorziet uitsluitend artikel 2, lid 3, van de basisverordening in een berekening van de normale waarde. De berekeningsfout van de Commissie, waardoor de normale waarde kunstmatig wordt opgedreven, is derhalve in strijd met dit artikel.

50      In de derde plaats stelt verzoekster dat de Commissie door haar weigering het hergebruikte schroot in mindering te brengen tevens haar bevoegdheid heeft misbruikt aangezien zij de antidumpingregels heeft gebruikt om de bedrijfstak van de Unie op een wijze te beschermen die voorbijgaat aan het door onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) voor het betrokken product tot stand gebrachte evenwicht.

51      De Commissie en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.

52      Vooraf zij eraan herinnerd dat, zoals het Hof heeft benadrukt, de bepaling van de normale waarde van een product een van de essentiële stappen is om het bestaan van eventuele dumping te kunnen vaststellen. In dit verband blijkt aangaande de bepaling van de normale waarde uit zowel de bewoordingen als de systematiek van artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 1, eerste alinea, van verordening 2016/1036) dat voor het vaststellen van de normale waarde in beginsel als eerste de prijs in aanmerking moet worden genomen die in het kader van normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald. Krachtens artikel 2, lid 3, eerste alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 3, eerste alinea, van verordening 2016/1036), mag van dat beginsel slechts worden afgeweken wanneer geen verkoop van een soortgelijk product in het kader van „normale handelstransacties” plaatsvindt, wanneer er niet voldoende dergelijke verkopen zijn of wanneer dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken. Deze afwijkingen van de methode voor de vaststelling van de normale waarde aan de hand van de werkelijke prijzen zijn uitputtend (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punten 20 en 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Het Hof heeft tevens opgemerkt dat het begrip „normale handelstransacties” ertoe strekt te verzekeren dat de normale waarde van een product zo veel mogelijk overeenstemt met de normale prijs van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van de exporteur. Aldus vormt een verkoop die is gesloten volgens voorwaarden die niet overeenstemmen met de handelspraktijk voor de verkoop van het soortgelijke product op die markt op het voor de vaststelling van dumping relevante tijdstip, geen geschikte basis om de normale waarde van het soortgelijke product op die markt vast te stellen (arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 28).

54      Evenwel bevat noch de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), noch de basisverordening een definitie van het begrip „normale handelstransacties”. Het is juist dat artikel 2 van de basisverordening uitdrukkelijk twee verkooptypes noemt die, onder bepaalde voorwaarden, geen normale handelstransacties kunnen vormen. In de eerste plaats preciseert artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 1, derde alinea, van verordening 2016/1036) dat de prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, niet mogen worden geacht in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast en niet mogen worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde, tenzij bij wijze van uitzondering is vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de tweede plaats mag krachtens artikel 2, lid 4, eerste alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 4, eerste alinea, van verordening 2016/1036) de verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of de verkoop bij uitvoer naar een derde land tegen lagere prijzen dan de productiekosten per eenheid, slechts worden beschouwd als verkoop die niet in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden indien is vastgesteld dat deze verkoop over een langere periode en in aanzienlijke hoeveelheden heeft plaatsgevonden tegen prijzen die het niet mogelijk maken binnen een redelijke termijn alle kosten terug te verdienen (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Artikel 2 van de basisverordening bevat geen uitputtende lijst van methoden op grond waarvan kan worden bepaald of de prijzen in het kader van normale handelstransacties zijn toegepast. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip normale handelstransacties betrekking heeft op de aard van de verkopen als zodanig. Het begrip strekt ertoe om bij de vaststelling van de normale waarde die situaties buiten beschouwing te laten waarin de verkopen op de binnenlandse markt niet tot stand komen in het kader van normale handelstransacties, met name wanneer een product wordt verkocht tegen prijzen beneden de productiekosten of wanneer transacties plaatsvinden tussen partijen die geassocieerd zijn of een comepensatieregeling toepassen (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      In casu staat vast dat de Commissie voor de vergelijking van de normale waarde van het betrokken product met de uitvoerprijs ervan tijdens het onderzoek gebruik heeft gemaakt van 784 door verzoekster geproduceerde soorten van het betrokken product, aangeduid met productcontrolenummers. De Commissie heeft erop gewezen dat voor 21 productsoorten de verkoophoeveelheid op de binnenlandse markt minder dan 5 % van de naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid bedroeg, zodat de betrokken binnenlandse verkopen niet representatief waren in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. Bovendien vloeit de conclusie dat de Commissie ten aanzien van een minderheid van de binnenlandse verkopen van verzoekster heeft geoordeeld dat, anders dan verzoekster stelt, de verkoopprijs lager was dan de productiekosten in de zin van artikel 2, lid 4, van die verordening, voort uit de afwijzing door de Commissie van verzoeksters verzoek in de tabel in bijlage 54 bij het antwoord op de antidumpingvragenlijst om het hergebruikte schroot in mindering te brengen op de betrokken productiekosten.

57      Zoals blijkt uit de punten 30, 48 en 50 hierboven, stelt verzoekster ter ondersteuning van het onderhavige middel dat de Commissie, door haar weigering om het hergebruikte schroot op de productiekosten van het betrokken product in mindering te brengen, artikel 2, leden 3 en 5, van de basisverordening heeft geschonden en haar bevoegdheid heeft misbruikt.

58      Wat in de eerste plaats de gestelde schending van artikel 2, lid 3, van de basisverordening betreft, zij eraan herinnerd dat dit artikel bepaalt dat wanneer het soortgelijke product niet of niet in voldoende hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties is verkocht of indien, wegens de bijzondere marktsituatie, deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt, de normale waarde van het soortgelijke product wordt berekend aan de hand van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst, of aan de hand van de prijzen bij uitvoer naar een geschikt derde land in het kader van normale handelstransacties, mits deze prijzen representatief zijn. Diezelfde bepaling preciseert dat een bijzondere marktsituatie voor het betrokken product, als bedoeld in de voorgaande zin, onder meer wordt geacht aanwezig te zijn wanneer de prijzen kunstmatig laag zijn, wanneer er een aanzienlijke ruilhandel is of wanneer er niet-commerciële regelingen zijn voor de be- of verwerking van goederen (arrest van 15 september 2016, PT Musim Mas/Raad, T‑80/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:504, punt 64).

59      Voorts strekt het in artikel 2, lid 3, van de basisverordening genoemde begrip „normale handelstransacties”, zoals in de punten 52 tot en met 55 hierboven is opgemerkt, ertoe om bij de vaststelling van de normale waarde die situaties buiten beschouwing te laten waarin de verkopen op de binnenlandse markt niet tot stand komen in het kader van normale handelstransacties, met name wanneer een product wordt verkocht tegen prijzen beneden de productiekosten in de zin van artikel 2, lid 4, eerste alinea, van die verordening.

60      Het feit dat de normale waarde in casu voor een aantal door verzoekster gemelde handelstransacties is vastgesteld vloeit, anders dan verzoekster suggereert, niet voort uit de vaststelling dat sprake is van een „bijzondere marktsituatie voor het betrokken product” in de zin van artikel 2, lid 3, van de basisverordening, maar is het directe gevolg van de conclusie van de Commissie – na de afwijzing van verzoeksters verzoek om aftrek van het schroot – dat het betrokken product is verkocht tegen prijzen die lager zijn dan de productiekosten per eenheid (vaste en variabele), vermeerderd met verkoopkosten, administratiekosten en algemene kosten in de zin van artikel 2, lid 4, eerste alinea, van de basisverordening.

61      Derhalve kan een schending van artikel 2, lid 3, van de basisverordening, aangezien in dit artikel de verschillende situaties worden genoemd waarin de onderzoekende autoriteit verplicht is de normale waarde van het betrokken product van de producent-exporteur vast te stellen, in ieder geval met het oog op de nietigverklaring van de bestreden verordening niet los van de vaststelling van een schending van artikel 2, lid 4, van die verordening worden vastgesteld. Zoals in het bijzonder, in punt 60 hierboven, is opgemerkt, sluit de bestreden verordening bepaalde binnenlandse verkopen immers uit van de vaststelling van de normale waarde omdat die niet winstgevend waren in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening, terwijl verzoekster voor het overige in het kader van het onderhavige beroep geen bezwaar heeft tegen de door de Commissie gehanteerde methode voor de vaststelling van de normale waarde, zoals die in artikel 2, lid 3, van de basisverordening is uiteengezet.

62      Wat in de tweede plaats de gestelde schending van artikel 2, lid 5, van de basisverordening betreft, zij eraan herinnerd dat de conclusie van de Commissie dat de verkopen van het betrokken product niet winstgevend waren in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening, het gevolg was van haar weigering om, bij gebreke van voldoende bewijs, het verzoek te aanvaarden om de waarde van het schroot dat is gerecycled uit het verlies van warmgewalst breedband – dat optreedt op het moment van de productie van het betrokken product – in mindering te brengen op de productiekosten van het betrokken product. Volgens verzoekster is die weigering niet alleen in strijd met artikel 2, lid 3, van de basisverordening, maar ook met artikel 2, lid 5, van die verordening, aangezien de Commissie ten onrechte heeft geweigerd haar boekhouding en haar op het opbrengstverlies toegepaste methode van kostenallocatie in aanmerking te nemen.

63      Uit artikel 2, lid 5, eerste alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 5, eerste alinea, van verordening 2016/1036) blijkt dat de productiekosten normaal worden berekend aan de hand van de administratie van diegene waarop het onderzoek betrekking heeft, mits deze wordt gevoerd overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van het betrokken land en wordt aangetoond dat deze een redelijk beeld geeft van de aan de vervaardiging en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten.

64      Overeenkomstig artikel 2, lid 5, tweede alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 5, tweede alinea, van verordening 2016/1036) worden, indien de administratie van de betrokkene geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie en de verkoop van het onderzochte product, deze gecorrigeerd of vastgesteld aan de hand van de kosten van producenten of exporteurs in hetzelfde land of, wanneer dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn of niet kunnen worden gebruikt, op een andere redelijke basis, zoals aan de hand van gegevens over andere representatieve markten.

65      Artikel 2, lid 5, derde alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 5, derde alinea, van verordening 2016/1036) voegt hieraan toe dat al het voorgelegde bewijsmateriaal betreffende de correcte kostenallocatie in aanmerking wordt genomen, op voorwaarde dat wordt aangetoond dat deze methode van kostenallocatie ook in het verleden is gebruikt.

66      Derhalve volgt uit artikel 2, lid 5, eerste alinea, van de basisverordening dat de administratie van de partij waarop het onderzoek betrekking heeft, de bevoorrechte bron van informatie vormt voor de vaststelling van de productiekosten van het betrokken product en dat het gebruik van de in die administratie opgenomen gegevens de regel vormt en de correctie of vervanging daarvan door een andere redelijke basis de uitzondering. Gelet op het beginsel dat een afwijking van of uitzondering op een algemene regel restrictief dient te worden uitgelegd, moet worden geoordeeld dat de uit artikel 2, lid 5, van de basisverordening voortvloeiende uitzonderingsregeling restrictief moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 15 september 2016, PT Musim Mas/Raad, T‑80/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:504, punten 68, 69 en 83).

67      Wat voorts de bewijslast betreft voor het bestaan van elementen die de toepassing van artikel 2, lid 5, eerste alinea, van de basisverordening rechtvaardigen, moeten de instellingen – wanneer zij menen te moeten afwijken van de productiekosten die zijn vermeld in de administratie van de partij waarop het onderzoek betrekking heeft, teneinde deze te vervangen door een andere, redelijk geachte prijs – zich op bewijzen baseren, of althans op aanwijzingen, waarmee het bestaan van een grond voor de correctie kan worden aangetoond (arrest van 15 september 2016, PT Musim Mas/Raad, T‑80/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:504, punt 82).

68      Ten slotte zij er ook aan herinnerd dat de instellingen ter zake van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (zie arrest van 23 september 2009, Dongguan Nanzha Leco Stationery/Raad, T‑296/06, niet gepubliceerd, EU:T:2009:347, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarom is het toezicht van de Unierechter op de beoordelingen van de instellingen ertoe beperkt na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arresten van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad, T‑35/01, EU:T:2004:317, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2006, Moser Baer India/Raad, T‑300/03, EU:T:2006:289, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze beperkte rechterlijke toetsing geldt in het bijzonder voor de keuze tussen verschillende methoden voor de berekening van de dumpingmarge en voor de beoordeling van de normale waarde van een product (zie arrest van 23 september 2009, Dongguan Nanzha Leco Stationery/Raad, T‑296/06, niet gepubliceerd, EU:T:2009:347, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69      In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of de weigering van de Commissie om verzoeksters verzoek te aanvaarden om het hergebruikte schroot in mindering te brengen op de productiekosten van het betrokken product in strijd is met artikel 2, lid 5, van de basisverordening.

70      Zoals blijkt uit de in de punten 66 en 67 hierboven aangehaalde rechtspraak, is het om te beginnen duidelijk dat artikel 2, lid 5, van de basisverordening de Commissie niet verplichtte om de informatie in verzoeksters boekhouding over de productiekosten en de schrootaftrek onvoorwaardelijk en zonder de noodzakelijke controle te aanvaarden.

71      Deze vaststelling wordt bevestigd door artikel 6, lid 8, van de basisverordening (thans artikel 6, lid 8, van verordening 2016/1036), dat bepaalt dat behoudens in de in artikel 18 van de basisverordening (thans artikel 18 van verordening 2016/1036) bedoelde omstandigheden, voor zover mogelijk wordt gecontroleerd of de door de belanghebbenden verstrekte inlichtingen waarop de bevindingen worden gebaseerd, juist zijn (zie naar analogie arrest van 15 juni 2017, T.KUP, C‑349/16, EU:C:2017:469, punt 32), en dit niettegenstaande verzoeksters stelling dat, ten eerste, de methode van kostenallocatie die zij heeft gebruikt voor de berekening van de productiekosten van het betrokken product, genaamd „kostprijssysteem”, een bekende en aanvaarde methode is en, ten tweede, de administratie is gevoerd overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen in Taiwan. Evenzo bepaalt artikel 6.6 van de antidumpingovereenkomst dat de autoriteiten, behoudens in de in artikel 6.8 bedoelde omstandigheden, in de loop van het onderzoek controleren of „de inlichtingen die belanghebbenden hebben verstrekt en waarop zij hun bevindingen baseren, juist zijn”. Deze controleverplichting vormt in de context van antidumpingmaatregelen de uitdrukking van een algemeen beginsel volgens hetwelk de instellingen ondanks hun ruime beoordelingsbevoegdheid een nauwkeurig onderzoek dienen te verrichten en hun beoordeling dienen te baseren op bewijsmateriaal dat van voldoende kwaliteit is [zie naar analogie arrest van 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 101 (niet gepubliceerd)].

72      In dit kader zij er in het bijzonder aan herinnerd dat uit artikel 6, lid 2, van de basisverordening (thans artikel 6, lid 2, van verordening 2016/1036) volgt dat de diensten van de Commissie een vragenlijst opstellen en aan de belanghebbenden toezenden om de voor het antidumpingonderzoek noodzakelijke gegevens te verkrijgen en dat die belanghebbenden verplicht zijn die diensten de gegevens te verstrekken die de Commissie in staat stellen het antidumpingonderzoek uit te voeren [arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punten 50 en 51].

73      Deze conclusie wordt nog bevestigd door artikel 16, leden 1 en 3, van de basisverordening (thans artikel 16, leden 1 en 3, van verordening 2016/1036), waarin is bepaald dat de Commissie bezoeken mag afleggen om onder meer de ingewonnen inlichtingen over dumping en schade te controleren en dat de betrokken ondernemingen in kennis worden gesteld van de aard van de tijdens het bezoek te controleren inlichtingen en van alle tijdens het bezoek te verstrekken aanvullende gegevens, hetgeen echter niet belet dat ter plaatse in het licht van de verkregen inlichtingen nadere bijzonderheden kunnen worden gevraagd. Hieruit volgt met name dat de gegevens in de administratie van de betrokken onderneming aan een kruiscontrole moeten kunnen worden onderworpen.

74      Een van de instrumenten waarover de onderzoekende autoriteit beschikt om aan haar verplichting krachtens artikel 6, lid 8, van de basisverordening te voldoen is een controle ter plaatse overeenkomstig artikel 16 van die verordening indien die autoriteit dat nuttig oordeelt. Artikel 6.7 van de antidumpingovereenkomst bepaalt dat, „[de autoriteiten, teneinde] de ontvangen inlichtingen te verifiëren of nadere inlichtingen in te winnen[, zo nodig een onderzoek kunnen] instellen op het grondgebied van andere [lidstaten], mits de betrokken ondernemingen hiermee instemmen en de vertegenwoordigers van de overheid van [de] betrokken [lidstaat] van dit onderzoek in kennis worden gesteld en [die lidstaat] hiertegen geen bezwaar [maakt]”.

75      Zoals het Gerecht heeft geoordeeld, zijn de antwoorden van de partijen op de in artikel 6, lid 2, van de basisverordening bedoelde vragenlijst en de in artikel 16 van dezelfde verordening bedoelde verificatie ter plaatse waartoe de Commissie nadien kan overgaan, van wezenlijk belang voor het verloop van de antidumpingprocedure (zie arrest van 30 april 2015, VTZ e.a./Raad, T‑432/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:248, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76      Er zij eveneens aan herinnerd dat artikel 18, lid 3, van de basisverordening (thans artikel 18, lid 3, van verordening 2016/1036) bepaalt dat, „[w]anneer de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen niet in alle opzichten toereikend zijn, […] zij niet buiten beschouwing [worden] gelaten, mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld”. Bovendien volgt uit artikel 18, leden 3 en 6, van de basisverordening (thans artikel 18, leden 3 en 6, van verordening 2016/1036) dat de inlichtingen die de belanghebbenden aan de Commissie moeten verstrekken, door de instellingen van de Unie moeten worden gebruikt om de conclusies van het antidumpingonderzoek op te stellen en dat die belanghebbenden geen relevante inlichtingen mogen achterhouden. Per geval moet worden beoordeeld of een bepaald gegeven nodig is [arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punt 52].

77      Zoals de Unierechter heeft geoordeeld, is het voorts inderdaad de taak van de Commissie, als onderzoeksautoriteit, om uit te maken of er sprake is van dumping, schade en van een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade. Aangezien de basisverordening evenwel geen bepaling bevat die de Commissie de bevoegdheid verleent om de belanghebbenden te verplichten aan het onderzoek deel te nemen of inlichtingen te verstrekken, is deze instelling voor de verstrekking van de nodige inlichtingen afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de belanghebbenden (zie naar analogie arrest van 30 april 2015, VTZ e.a./Raad, T‑432/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:248, punt 29).

78      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de controle ertoe strekt de Commissie in staat te stellen haar taak te vervullen en met name de methoden die voor de totstandkoming van de gegevens zijn gebruikt, te begrijpen en te controleren en meer in het algemeen zich te vergewissen van de „juistheid” van de door de onderzochte onderneming verstrekte inlichtingen, welke onderneming de door de Commissie gestelde vragen naar beste vermogen en volledig moet beantwoorden en alle nuttige gegevens en toelichtingen dient te verschaffen zodat de Commissie de nodige kruiscontroles kan verrichten om de juistheid van de verschafte gegevens te verifiëren en binnen de gestelde termijnen en in ieder geval voor het einde van de controle tot redelijk betrouwbare conclusies kan komen, waarmee anders geen rekening mag worden gehouden. Zoals interveniënte terecht heeft opgemerkt, is dit in het bijzonder het geval wanneer het, zoals in casu, gaat om cijfers die op basis van verschillende scenario's kunnen zijn samengesteld en waarvan de controle van wezenlijk belang is om de integriteit van het proces te waarborgen, met name omdat vaststaat dat verzoekster een licht voordeel van [vertrouwelijk](1) op binnenlandse verkopen van het betrokken product heeft gemeld.

79      Wat dit laatste betreft, zij er meer in het bijzonder aan herinnerd dat, zoals onder meer in de punten 54 en 55 hierboven is uiteengezet, artikel 2, lid 4, eerste alinea, van de basisverordening bepaalt dat de verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt van het land van uitvoer tegen prijzen die lager zijn dan de (vaste en variabele) productiekosten per eenheid, vermeerderd met verkoopkosten, administratiekosten en algemene kosten, onder bepaalde voorwaarden kan worden beschouwd als verkoop die niet in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden. Het begrip „normale handelstransactie” strekt ertoe, bij de vaststelling van de normale waarde die situaties buiten beschouwing te laten waarin de verkopen op de binnenlandse markt niet tot stand komen in het kader van normale handelstransacties, met name wanneer een product wordt verkocht tegen prijzen beneden de productiekosten (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80      De toetsing van de winstgevendheid van verkopen op de binnenlandse markt is dus een belangrijk aspect van het antidumpingonderzoek. Hiertoe bevat de antidumpingvragenlijst in het bijzonder twee rubrieken, „Productiekosten” (rubriek F) en „Winstgevendheid” (rubriek G). De controle ter plaatse stelt de Commissie in staat andere controles te verrichten naar aanleiding van de in de tussentijd ontvangen antwoorden van de onderzochte onderneming.

81      De Commissie stelt dat uit het onderzoek is gebleken dat verzoekster door middel van de boekhoudkundige techniek die zij voor de boeking van de aftrek van het betrokken schroot heeft gebruikt, het tijdens het productieproces opgetreden materiaalverlies alsook het verlies van in schroot geconverteerd materiaal in mindering heeft kunnen brengen, waardoor dat materiaal uiteindelijk twee keer op de productiekosten in mindering is gebracht. Hoewel verzoekster tijdens de controle ter plaatse heeft verzocht haar kostenberekeningsmethode toe te lichten, heeft zij pas na de vaststelling van de voorlopige verordening, in haar opmerkingen over de voorlopige bevindingen van 20 april 2015, uitgelegd dat het materiaalverlies aan schroot in haar kostenberekeningsmethode was opgenomen in de algemene productiekosten, zodat die niet bij de productiekosten waren vermeld.

82      De Commissie stelt dienaangaande dat de door verzoekster gebruikte zeer specifieke methode van kostenallocatie – die is gebaseerd „op de kostprijs”, aangezien deze volgens verzoeksters eigen uitleg het opbrengstverlies per eenheid toerekent aan de verschillende posten van de conversiekosten, zoals arbeidskosten, afschrijvingen, elektriciteitskosten of andere conversiekosten – tot gevolg heeft dat de duidelijk omschreven productiekostengegevens en de gegevens inzake de algemene kosten worden vermengd, met het risico van dubbele aftrek van het opbrengstverlies en kunstmatige kostenverlaging, en dat aan de hand van deze methode niet nauwkeurig kan worden gecontroleerd of de administratie een redelijk beeld geeft van de productie- en verkoopkosten.

83      Bovendien merkt de Commissie op dat zij bij de controle van de juistheid van verzoeksters stelling dat de productiekosten vanwege de gevraagde aftrek voor het schroot naar beneden moesten worden bijgesteld, met andere problemen werd geconfronteerd. Zoals ook staat te lezen in overweging 76 van de voorlopige verordening, waarvan de conclusies in overweging 62 van de bestreden verordening worden bevestigd, wijst de Commissie erop dat zij de gegevens inzake de aankoopprijzen van de aanzienlijke hoeveelheid warmgewalst breedband die verzoekster van de aan haar verbonden leverancier LISCO heeft gekocht, niet in aanmerking kon nemen, aangezien die prijzen niet volgens het zakelijkheidsbeginsel waren vastgesteld, hetgeen niet door verzoekster wordt tegengesproken.  Bovendien heeft verzoekster, zoals in overweging 61 van de bestreden verordening staat vermeld, op geen enkel moment tijdens de administratieve procedure betrouwbare en nauwkeurige informatie verstrekt over de feitelijke hoeveelheid aangekocht warmgewalst breedband die specifiek is verbruikt tijdens het productieproces van het betrokken product. Zij heeft daarentegen verwezen naar haar berekeningsmethoden, terwijl vaststaat dat zij ook warmgewalst breedband verkoopt, dat dus niet volledig werd gebruikt tijdens het productieproces.

84      Dienaangaande stelt de Commissie in de eerste plaats dat de productiekostentabel, die is opgenomen in het door verzoekster in antwoord op de antidumpingvragenlijst overgelegde document 54, geen melding maakt van de totale „hoeveelheid” tijdens het productieproces van het betrokken product „aangekocht en verbruikt” warmgewalst breedband, terwijl zij ook warmgewalst breedband verkoopt.

85      In de tweede plaats stelt de Commissie dat de aangepaste productiekostentabel van het betrokken product, die verzoekster na het controlebezoek ter plaatse op 17 november 2014 in antwoord op een verzoek aan het begin van dat bezoek om informatie over de hoeveelheid van LISCO aangekocht warmgewalst breedband heeft overgelegd, louter betrekking had op de „aankoopwaarde” van het aangekochte warmband en niet op de hoeveelheid daarvan zoals was gevraagd, met name aangezien, ten eerste, in de oorspronkelijke tabel met productiekosten van het betrokken product geen onderscheid werd gemaakt tussen de productiekosten van het product dat uit het van LISCO aangekocht warmband is geproduceerd en de productiekosten van het uit intern vervaardigd warmband geproduceerde product, en, ten tweede, verzoekster de productiekosten van het warmgewalst breedband en de productiekosten van het daarvan geproduceerde betrokken product niet afzonderlijk had gemeld.

86      In de derde plaats stelt de Commissie dat in de tweede aangepaste productiekostentabel die verzoekster op 21 november 2014 had overgelegd, na het controlebezoek ter plaatse – waarbij de Commissie verzoekster had verzocht om in de tabel in het in antwoord op de antidumpingvragenlijst toegezonden document 54 aan te geven waar de informatie stond over de werkelijke hoeveelheid „bij de vervaardiging van het betrokken product aangekocht en verbruikt” warmgewalst breedband en daarbij aangaf dat zij de gegevens inzake de aankoop van warmgewalst breedband moest vervangen door de gegevens inzake de interne productie –, de productiekosten per eenheid lager waren dan die welke in de antidumpingvragenlijst waren opgenomen en ter plaatse waren gecontroleerd en derhalve niet konden worden gebruikt aangezien die niet meer konden worden gecontroleerd.

87      In dit verband moet worden vastgesteld dat verzoekster niet betwist dat zij op geen enkel moment heeft aangegeven wat de exacte hoeveelheid was van het bij de aan haar verbonden leverancier LISCO aangekochte warmgewalst breedband, dat specifiek is gebruikt voor de vervaardiging van het betrokken product.

88      Zoals in punt 78 hierboven is opgemerkt, en gesteld al dat verzoekster binnen de gestelde termijnen alle noodzakelijke toelichtingen over de door haar gebruikte methode van kostenallocatie heeft verschaft en dat die methode als algemeen aanvaard en bekend kan worden beschouwd, had de Commissie in ieder geval het recht om verzoekster te verzoeken haar alle wezenlijke informatie te verschaffen die zij noodzakelijk achtte om de methoden voor de totstandkoming van de betrokken gegevens te begrijpen en de juistheid van de gevraagde aftrek voor het schroot te controleren, en meer in het bijzonder de informatie over alle hoeveelheden warmgewalst breedband die specifiek voor de vervaardiging van het betrokken product waren gebruikt en die het belangrijkste onderdeel vormden van de productiekosten van het betrokken product, zonder welke op de in waarde uitgedrukte informatie geen kruiscontrole kon worden uitgevoerd en de verkopen niet naar behoren met elkaar konden worden vergeleken. Zoals de Commissie en interveniënte terecht stellen, en zoals volgt uit overweging 61 van de bestreden verordening, moet de in waarde uitgedrukte informatie in de administratie immers zo veel mogelijk aan de hand van betrouwbare kwantitatieve gegevens kunnen worden gecontroleerd om te waarborgen dat de administratie een waarheidsgetrouw beeld geeft van de situatie van de onderneming en om in casu de validiteit van de door verzoekster gebruikte methode van kostenallocatie te kunnen controleren.

89      De argumenten die verzoekster heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van het feit dat geen informatie is verstrekt over de exacte omvang van de aankoop van warmgewalst breedband dat specifiek voor de productie van het betrokken product is gebruikt, kunnen niet worden aanvaard.

90      Allereerst werd, anders dan verzoekster stelt, in rubriek F, „Productiekosten”, punt 2, „Productieproces en productiekosten van het onderzochte product”, alinea 6, van de antidumpingvragenlijst gevraagd om informatie te verstrekken over de omvang van de „totale aankoop van voor de vervaardiging van het onderzochte product gebruikte grondstoffen” terwijl verzoekster, zoals volgt uit punt 102 hierna, hiertoe document 56 over de omvang van het verbruik van warmgewalst breedband voor alle van dat breedband vervaardigde producten heeft verstrekt, en zij dat document niet heeft beperkt tot het voor de vervaardiging van louter het betrokken product verbruikte breedband.

91      Aangezien, zoals in punt 85 hierboven is opgemerkt, verzoekster in dezelfde tabel in het in antwoord op de antidumpingvragenlijst verstrekte document 54 de productiekosten van het betrokken product dat zij vervaardigde uit „intern” geproduceerd warmgewalst breedband en de productiekosten van het betrokken product dat zij vervaardigde uit „aangekocht” warmgewalst breedband had samengevoegd en zij de productiekosten van warmgewalst breedband en de productiekosten van het daaruit vervaardigde betrokken product niet afzonderlijk had vermeld, kon de Commissie bovendien zonder een kennelijke fout te maken oordelen dat zij niet kon controleren of alle kosten correct in de gemelde productiekosten waren weergegeven en of bijzondere aandacht moest worden besteed aan de exacte allocatie van de kosten aan de hand van de informatie over de verbruikte hoeveelheden.  

92      Anders dan verzoekster stelt, heeft de in de voorlopige bevindingen en in overweging 76 van de voorlopige verordening genoemde omstandigheid dat de Commissie, gelet op de banden tussen verzoekster en haar leverancier LISCO, voor de vaststelling van de productiekosten van het betrokken product de aankoopkosten van het van LISCO gekochte warmgewalst breedband heeft moeten vervangen door de productiekosten van het intern vervaardigde warmgewalst breedband, er niet toe geleid dat verzoekster werd vrijgesteld van de verplichting om op uitdrukkelijk verzoek van de Commissie alle noodzakelijke en betrouwbare informatie te verstrekken over de hoeveelheid voor de vervaardiging van het betrokken product aangekocht en verbruikt warmgewalst breedband.

93      Bij het ontbreken van deze informatie moest de Commissie zich namelijk baseren op een verhouding van de hoeveelheden warmgewalst breedband, ongeacht de manier waarop dat werd gebruikt, om de gevraagde aftrek voor het schroot te beoordelen en de onbekende bij LISCO aangekochte hoeveelheden die specifiek voor de vervaardiging van het betrokken product waren bestemd, te vervangen. Bovendien moest voor de vervanging van de kosten van het bij LISCO gekochte warmgewalst breedband de exacte hoeveelheid van het betrokken breedband bekend zijn, omdat de kosten van de interne productie op deze hoeveelheid werden toegepast. Aangezien het productieproces waarbij een koudgewalst plat product wordt gemaakt van warmgewalst breedband hetzelfde is, ongeacht of dat breedband aangekocht of intern geproduceerd is, en de kosten/schrootverhouding in beide gevallen dus ook hetzelfde zou moeten zijn, is het ten slotte, zoals de Commissie verder terecht heeft opgemerkt, van wezenlijk belang te beschikken over de gegevens over de hoeveelheid aangekocht warmband om na te gaan of de twee productieprocessen tot hetzelfde resultaat leiden en zodoende de validiteit van de gegevens over de hoeveelheid intern geproduceerd warmgewalst breedband te bevestigen.

94      Voorts moet het door verzoekster in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht en ter terechtzitting aangevoerde argument dat het zoeken naar de informatie over de exacte hoeveelheid specifiek ten behoeve van de productie van het betrokken product aangekocht warmgewalst breedband, nu de Commissie er niet op heeft aangedrongen, een onevenredige werklast zou hebben meegebracht, en dat zij terecht van mening kon zijn dat deze informatie niet langer noodzakelijk was, worden afgewezen, al was het maar aangezien de Commissie op geen enkel moment enig voornemen heeft geuit om af te zien van haar verzoek om die informatie en verzoekster niet de zorgvuldigheid heeft betracht om bij de Commissie na te vragen of van het verzoek om informatie inderdaad was afgezien, zoals werd verondersteld. Zoals de Commissie voorts terecht heeft opgemerkt, is zij in haar na het controlebezoek op 9 februari 2015 opgestelde aanvullende vragenlijst niet teruggekomen op dat verzoek om informatie, louter omdat deze vragenlijst uitsluitend betrekking had op de uitvoer en niet van invloed was op het betrokken verzoek.

95      De Commissie voert aan dat zij, aangezien zij derhalve bij gebreke van de door haar gevraagde volledige en betrouwbare informatie over de hoeveelheden de juistheid van de gevraagde aftrek voor het schroot niet kon controleren, en om een correcte invulling te geven aan haar taak om de juistheid van de door verzoekster verstrekte gegevens overeenkomstig de met name uit artikel 6, lid 8, van de basisverordening voortvloeiende vereisten te controleren, aan de hand van de door verzoekster verschafte gegevens en toelichtingen meer in het bijzonder de hoeveelheid bij de vervaardiging van het betrokken product gegenereerd recycleerbaar schroot heeft berekend door eerst de totale uit aangekocht of intern geproduceerd warmgewalst breedband vervaardigde hoeveelheid van het betrokken product te berekenen voor drie categorieën van het betrokken product die samen 87,5 % van het totale productievolume uitmaken. Uit de toelichtingen van de Commissie blijkt dat de daadwerkelijk tijdens het productieproces van het betrokken product verbruikte hoeveelheid warmgewalst breedband is berekend door de totale waarde van het tijdens het productieproces van het betrokken product aangekocht en verbruikt warmgewalst breedband, zoals die door verzoekster zelf in document 54 in antwoord op de antidumpingvragenlijst is aangegeven, te delen door de gewogen gemiddelde prijs daarvan in het onderzoektijdvak. Uit de vergelijking tussen de twee cijfers bleek volgens de Commissie dat de hoeveelheid verbruikt warmgewalst breedband vrijwel gelijk was aan de geproduceerde hoeveelheid van het betrokken product, hetgeen zowel voor het aangekocht als voor het intern geproduceerde breedband gold. De conclusie dat gelet op de verstrekte gegevens de gevraagde aftrek voor het schroot reeds was doorgevoerd en dat zij die aftrek dus niet een tweede maal kon toekennen omdat het bedrag in kwestie anders dubbel in mindering zou worden gebracht op de productiekosten van de verschillende soorten van het betrokken product, is toegelicht in overweging 77 van de voorlopige verordening en in bijlage 2 bij de voorlopige bevindingen.

96      In haar opmerkingen over de voorlopige bevindingen heeft verzoekster deze laatste conclusies betwist door – voor het eerst – uit te leggen dat de verliezen aan schroot, te weten de waarde van het tot schroot verwerkte warmgewalst breedband, als onderdeel van de algemene productiekosten waren geboekt en door een derde versie van de productiekostentabel te verstrekken, waarin de verliezen aan schroot in een aparte kolom waren opgenomen doordat bepaalde algemene kosten naar die kolom waren overgebracht. Zoals blijkt uit overweging 60 van de bestreden verordening, is het productieverlies volgens verzoekster dus gelijk aan het totaal van de kosten van grondstoffen die niet in eindproduct zijn omgezet, plus de aan het productieverlies toe te rekenen fabricagekosten.

97      Dienaangaande zij opgemerkt dat deze toelichtingen over verzoeksters methode voor de allocatie van de productiekosten pas voor het eerst zijn verschaft in antwoord op de voorlopige bevindingen, zelfs los van de vraag of die methode, zoals verzoekster stelt, „bekend en algemeen aanvaard” is en of de betrokken administratie wordt gevoerd „overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van het betrokken land” in de zin van artikel 2, lid 5, eerste alinea, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 5, eerste alinea, van verordening 2016/1036). Het stond aan verzoekster om de Commissie vanaf het begin van de procedure en naar beste vermogen alle informatie te verschaffen die nodig was voor een goed begrip van deze methode om te voorkomen dat het goede verloop van de antidumpingprocedure zou worden belemmerd en om de Commissie in staat te stellen tijdig de nodige controles uit te voeren.

98      Voorts heeft de Commissie bij de analyse van de gegevens die naar aanleiding van de voorlopige bevindingen zijn verstrekt, opgemerkt dat, naast het feit dat het bedrag van de verlagingen van de algemene productiekosten dat in de nieuwe tabel was opgegeven, gelijk was aan het totale bedrag van de gemelde verliezen, de waarde van het schroot die voor de aftrek van de kosten was opgegeven, te weten een bedrag van [vertrouwelijk] nieuwe Taiwanese dollar (TWD), in feite hoger was dan de waarde van de grondstoffen die was opgenomen in het productieverlies, te weten de verliezen aan schroot, met een bedrag van [vertrouwelijk] TWD.

99      Gelet op de gegevens en toelichtingen waarover de Commissie beschikt, moet worden geoordeeld dat niet blijkt dat de in de punten 95 tot en met 98 hierboven samengevatte beoordelingen van de Commissie kennelijk fout zijn, zodat de Commissie zonder een kennelijke fout te maken kon oordelen dat de in de opmerkingen over de voorlopige bevindingen verstrekte informatie zowel laattijdig als onbetrouwbaar was.

100    Bovendien heeft verzoekster, zoals met name in de punten 83 tot en met 87 hierboven is opgemerkt, hoe dan ook noch in de opmerkingen over de voorlopige bevindingen noch in de opmerkingen over de definitieve bevindingen de gevraagde nauwkeurige informatie over de werkelijke hoeveelheden warmgewalst breedband die voor de productie van het betrokken product zijn aangekocht en gebruikt rechtstreeks verstrekt, ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe van de Commissie aan het begin van het controlebezoek en ondanks het feit dat de Commissie haar, anders dan verzoekster stelt, op de eerste dag van het controlebezoek had gewezen op de gevolgen van het ontbreken van die informatie.

101    Daarnaast faalt ook verzoeksters argument dat zij alle gegevens heeft verstrekt die de Commissie nodig had om zelf de hoeveelheid warmgewalst breedband die specifiek voor de productie van het betrokken product is aangekocht en gebruikt, te bepalen.

102    Anders dan in de repliek is gesteld, is namelijk noch in bijlage 56 bij het antwoord op de vragenlijst, die informatie bevat over de totale hoeveelheid aangekocht warmgewalst breedband, noch in de tabel in bijlage 6, „Afstemming van de verkopen”, die na de controle is opgesteld, informatie opgenomen over de hoeveelheid warmgewalst breedband die is „verbruikt voor de vervaardiging van het betrokken product”, terwijl met name vaststaat dat verzoekster ook andere producten dan het betrokken product produceert en, met name, warmgewalst breedband (19 000 ton op de binnenlandse markt) en „zwart” warmgewalst breedband gebruikt om „wit” warmgewalst breedband te produceren, te weten „zwart” breedband dat is gegloeid en gestript. Dienaangaande merkt interveniënte terecht op dat uit de door verzoekster verstrekte informatie – met name de na de controle opgestelde bijlage 10 – blijkt dat verzoekster gedurende het onderzoektijdvak 200 000 ton „wit” warmgewalst breedband heeft geproduceerd, wat een aanzienlijke hoeveelheid is in verhouding tot de hoeveelheden koudgewalst breedband van roestvrij staal die zijn geproduceerd (550 000 ton) of verkocht.

103    De voor de eerste maal in de repliek verschafte toelichting dat het bij LISCO aangekochte warmgewalst breedband „zwart breedband” is, zoals is aangegeven in bijlage 56 bij het antwoord op de antidumpingvragenlijst, te weten halffabricaten, waarvan de weinige producten die bij de productie van het betrokken product zijn verkocht en niet zijn verbruikt, zijn opgenomen in de tabel in bijlage 6, „Afstemming van de verkopen”, die na de controle is opgesteld, zodat al het andere „zwarte breedband” bij de productie van het betrokken product is verbruikt, moet hoe dan ook van de hand worden gewezen omdat die te laat is verschaft, aangezien de Commissie niet langer in staat was de juistheid van de daarin vervatte gegevens te controleren, terwijl niets verzoekster had belet om deze toelichtingen met name in antwoord op de voorlopige bevindingen of definitieve bevindingen en op de herhaalde verzoeken van de Commissie om nauwkeurige informatie over de verschillende soorten bij de productie van het betrokken product verbruikt warmgewalst breedband, te verschaffen. De Commissie voegt hieraan toe dat de tabellen in bijlage 56 bij het antwoord op de antidumpingvragenlijst geen melding maken van verkoop van „zwart breedband”, aangezien in de regels „Verkopen” het cijfer 0 staat voor de vier kwartalen van 2013, welke conclusie niet kan worden gewijzigd louter door de indiening van de tabel in de bovengenoemde bijlage 6 tijdens de controle, en dat, door de gegevens over verzoeksters totale verbruik van warmgewalst breedband gedurende het onderzoektijdvak die in de tabellen in de hierboven genoemde bijlage 56 zijn opgenomen ([vertrouwelijk] TWD) en de gegevens over het in de hierboven genoemde bijlage 54 gemelde verbruik van warmgewalst breedband ([vertrouwelijk] TWD) met elkaar te vergelijken, het in de eerste tabel opgenomen verbruik aanzienlijk hoger blijkt te zijn dan het in de tweede tabel opgenomen verbruik, wat erop duidt dat het verbruik van warmgewalst breedband niet uitsluitend betrekking had op de productie van het betrokken product en des te meer rechtvaardiging biedt voor het feit dat de Commissie om informatie verzocht over de verbruikte hoeveelheden om de juistheid van de door verzoekster verstrekte informatie te controleren.

104    Vastgesteld moet worden dat niet blijkt dat de Commissie een kennelijke fout heeft gemaakt door deze beoordelingen te formuleren in het licht van de toelichtingen waarover zij beschikte.

105    Hoe dan ook volgt uit de voorgaande overwegingen dat verzoekster weliswaar – zelfs na het controlebezoek ter plaatse – aanvullende informatie heeft verstrekt, alsook andere aanvullende informatie na de vaststelling van de voorlopige verordening, maar dat zij op geen enkel moment de exacte hoeveelheid bij de productie van het betrokken product verbruikt warmgewalst breedband heeft gemeld, die de Commissie voor de vervulling van haar controletaak onontbeerlijk achtte, onder meer omdat de gevraagde aftrek voor het schroot verband houdt met de bij de productie van het betrokken product verbruikte hoeveelheid warmgewalst breedband. Met betrekking tot haar weigering de betrokken informatie te verstrekken, stelt verzoekster enkel dat die informatie niet noodzakelijk was en dat de Commissie deze hoeveelheid zelf had kunnen berekenen aan de hand van de beschikbare gegevens.

106    Artikel 6, lid 2, van de basisverordening kan echter niet aldus worden uitgelegd dat het belanghebbenden toestaat om niet onmiddellijk in hun antwoorden op de antidumpingvragenlijsten alle informatie en alle noodzakelijke toelichtingen te verschaffen die de Commissie in staat stellen invulling te geven aan haar taak om de juistheid van de verstrekte gegevens met betrekking tot zowel de hoeveelheden van de verbruikte producten als de gebruikte methoden voor de kostenallocatie in waarden, te controleren, en die onontbeerlijke informatie of toelichtingen pas bekend te maken in het licht van de voortgang van het onderzoek (zie in die zin arrest van 22 mei 2014, Guangdong Kito Ceramics e.a./Raad, T‑633/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:271, punt 61).

107    Uit de in punt 77 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt dat het in het kader van de basisverordening weliswaar de taak is van de Commissie, als onderzoeksautoriteit, om uit te maken of bij het product waarop de antidumpingprocedure betrekking heeft, sprake is van dumping en of het feit dat dit product in de Unie in het vrije verkeer wordt gebracht, schade veroorzaakt, en dat deze instelling in dat kader de bewijslast die in dit opzicht op haar rust dus niet bij een partij kan leggen, doch dat neemt niet weg dat de Commissie aan de basisverordening geen onderzoeksbevoegdheid ontleent op grond waarvan zij producenten of exporteurs tegen wie een klacht is ingediend, zou kunnen dwingen informatie te verstrekken. De Commissie is derhalve afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de partijen om binnen de gestelde termijnen de benodigde informatie te verstrekken. In die context zijn de antwoorden van die partijen op de in artikel 6, lid 2, van de basisverordening bedoelde vragenlijst en de in artikel 16 van dezelfde verordening bedoelde verificatie ter plaatse waartoe de Commissie nadien kan overgaan, van wezenlijk belang voor het verloop van de antidumpingprocedure. Het risico dat de instellingen met andere dan de in antwoord op de vragenlijst verstrekte gegevens rekening houden wanneer de ondernemingen waarop het onderzoek betrekking heeft, niet meewerken, is inherent aan de antidumpingprocedure en strekt ertoe de loyale en zorgvuldige medewerking van die ondernemingen te bevorderen (arrest van 30 april 2015, VTZ e.a./Raad,T‑432/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:248, punt 29).

108    Het staat ongetwijfeld aan de Unierechter om na te gaan of de instellingen alle relevante omstandigheden in aanmerking hebben genomen en de elementen van het dossier met de nodige zorgvuldigheid hebben onderzocht, opdat kan worden gesteld dat de normale waarde op redelijke wijze is vastgesteld (zie arrest van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad, T‑249/06, EU:T:2009:62, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109    In casu heeft de Commissie echter artikel 18, lid 1, van de basisverordening (thans artikel 18, lid 1, van verordening 2016/1036) niet toegepast, maar de delen van verzoeksters antwoord op de antidumpingvragenlijst waarvan zij de juistheid in het licht van de door verzoekster verstrekte toelichtingen niet tijdig kon controleren, eenvoudigweg van de hand gewezen. Derhalve kon de Commissie, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, tot de slotsom komen dat de betrokken gegevens tegenstrijdigheden en lacunes bevatten en dat zij, ondanks de zorgvuldigheid die zij bij het onderzoek van deze gegevens heeft betracht, twijfels behield over de betrouwbaarheid ervan, zodat zij in de onderhavige omstandigheden terecht kon weigeren het verzoek om het schroot in mindering te brengen op de productiekosten van het betrokken product te aanvaarden.

110    Ten slotte zij hieraan toegevoegd dat, zoals volgt uit de voorgaande overwegingen, verzoekster niet voldoende elementen heeft aangedragen die kunnen afdoen aan de plausibiliteit van de feitelijke beoordelingen in de bestreden verordening met betrekking tot de weigering om de schrootwaarde op de productiekosten van het betrokken product in mindering te brengen. Dergelijk bewijs is echter vereist om vast te stellen dat een instelling van de Unie een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan die de nietigverklaring van een handeling rechtvaardigt (zie naar analogie arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑444/11, EU:T:2014:773, punt 62).

111    Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat de Commissie het verzoek om het hergebruikte schroot in mindering te brengen op de productiekosten van het betrokken product, zonder een kennelijke beoordelingsfout noch een fout bij de uitlegging van artikel 2, lid 5, van de basisverordening te maken, heeft kunnen afwijzen omdat zij niet nauwkeurig kon nagaan of de administratie een redelijk beeld gaf van de kosten in verband met de productie en de verkoop van het betrokken product. Voor zover verzoekster stelt dat de schending van artikel 2, lid 5, van de basisverordening leidt tot een schending van artikel 2, lid 3, van de basisverordening, moet deze klacht derhalve eveneens worden afgewezen.

112    Wat in de derde plaats het verwijt van verzoekster betreft dat de Commissie misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door te weigeren de waarde van het hergebruikte schroot in mindering te brengen op de productiekosten van het betrokken product, zij eraan herinnerd dat bij een handeling slechts kan worden gesproken van misbruik van bevoegdheid wanneer op grond van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de handeling uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (arrest van 14 juli 2006, Endesa/Commissie, T‑417/05, EU:T:2006:219, punt 258). Uit de voorgaande overwegingen volgt niet alleen dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten door te weigeren de gevraagde aftrek te aanvaarden, maar ook dat verzoekster heeft nagelaten haar bewering dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid toe te lichten en te staven met enig specifiek bewijs.

113    Gelet op alle bovenstaande overwegingen moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.

 Tweede middel: schending van artikel 2, leden 1 en 2, van de basisverordening

114    Verzoekster stelt dat de verkoop van het betrokken product aan haar onafhankelijke afnemer, [vertrouwelijk], die tevens distributeur is van het betrokken product, van 120 000 ton gedurende het onderzoektijdvak, die zij niet voor uitvoer bestemde en waarvan zij de eindbestemming niet kende, binnenlandse verkoop was waarmee de Commissie rekening had moeten houden bij de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 2, van de basisverordening.

115    Volgens verzoekster heeft de Commissie artikel 2, lid 1, van de basisverordening geschonden door zonder voldoende rechtvaardiging te weigeren bij de vaststelling van de normale waarde rekening te houden met de in het kader van normale handelstransacties verrichte verkopen van het betrokken product aan haar onafhankelijke afnemer in Taiwan.

116    Ook stelt verzoekster dat de Commissie artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft geschonden door bij haar weigering om de betrokken verkopen in aanmerking te nemen, geen rekening te houden met de bewoordingen van deze bepaling op de enkele grond dat die producten na de verkoop door de onafhankelijke afnemer zijn uitgevoerd.  Aangenomen dat overweging 59 van de bestreden verordening aldus kan worden begrepen dat de weigering om deze verkopen aan haar onafhankelijke binnenlandse afnemer in aanmerking te nemen uitsluitend is gebaseerd op de vaststelling dat de betrokken producten later zijn uitgevoerd, is een dergelijk criterium namelijk in strijd met artikel 2, lid 2, van de basisverordening, volgens hetwelk de Commissie had moeten aantonen dat verzoekster de „bedoeling” had de verkopen niet te bestemmen voor binnenlands verbruik. Volgens verzoekster waren de betrokken verkopen bestemd voor gebruik door een onafhankelijke binnenlandse handelaar en kon zij niet nagaan of deze verkopen in de toekomst zouden worden uitgevoerd.

117    Dienaangaande stelt verzoekster dat de term „intended” in de Engelse versie van artikel 2, lid 2, van de basisverordening verwijst naar de bedoeling van de verkoper op het moment dat hij de verkoop sluit en onderhandelt over de verkoopprijs en deze vaststelt op basis van de bestemming van het product. Volgens verzoekster kan de bedoeling om de verkoop voor gebruik op de binnenlandse markt te bestemmen worden aangenomen wanneer het product aan een onafhankelijke afnemer op de binnenlandse markt wordt verkocht zonder dat de verkoper een specifieke bedoeling heeft of zonder dat er een uitvoerperspectief is, of wanneer de verkoper niet weet dat het verkochte product wordt uitgevoerd. De bedoeling of althans de subjectieve kennis van de verkoper op het tijdstip van de verkoop met betrekking tot de latere uitvoer is ook het relevante criterium in de WTO-rechtspraak.  

118    Deze uitlegging, die volgens verzoekster is gebaseerd op objectief verifieerbare indicatoren, is volgens haar ook in overeenstemming met de logica die inherent is aan de werking van de basisverordening, die erop gericht is de werkelijke prijsverschillen tussen de binnenlandse verkopen en de exportverkopen te bepalen.

119    Wat meer in het bijzonder het „perspectief”- of „anticipatie”-criterium betreft, stelt verzoekster dat dit laatste criterium zowel in het WTO-recht als in het Unierecht onder meer wordt gebruikt om het bestaan van uitvoersubsidies te beoordelen. Voor de vaststelling of de verkoop van een product al dan niet een exportverkoop is, wordt een soortgelijke logica gevolgd, die objectief kan worden gecontroleerd, met name aan de hand van de vraag of de verkoop aan een onafhankelijke afnemer op de binnenlandse markt verband houdt met een feitelijke of verwachte uitvoer. In dit verband kan uit verzoeksters beleid inzake uitvoerkortingen niet worden afgeleid dat zij verwachtte dat de omstreden verkopen aan [vertrouwelijk] voorwerp van wederuitvoer zouden zijn, omdat dit beleid inzake uitvoerkortingen, genaamd „korting voor latere productie/uitvoer”, niet van toepassing is op het betrokken product, aangezien het geen betrekking had op de enkele wederverkoop van het betrokken product en derhalve in casu niet relevant was, maar de uitvoer van het betrokken product na de verwerking ervan aanmoedigt. Bovendien stelt verzoekster dat zij niet weet of en hoe de verkopen waarop dit soort kortingen van toepassing is, op enige markt worden doorverkocht. De omstandigheden van het geval betekenen niet dat verzoekster vooruit had moeten lopen op het feit dat haar uitvoerkorting zou worden gebruikt voor de aankoop van producten die uiteindelijk als zodanig zouden worden uitgevoerd, hetgeen in strijd is met haar eigen kortingsbeleid.

120    Wat het criterium „kennis” betreft, stelt verzoekster dat uit de praktijk van de Commissie blijkt dat zij dit criterium gebruikt om vast te stellen of er sprake is van exportverkoop in de zin van artikel 2, lid 8, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 8, van verordening 2016/1036), ook al komt het woord „intended” in deze bepaling niet voor, zodat dit criterium a fortiori relevant kan zijn in het geval van verkoop voor binnenlands verbruik. Deze kennis kan worden vastgesteld aan de hand van objectieve bewijzen, op basis van de feiten van de zaak. In de onderhavige zaak wordt niet betwist dat verzoekster er niet van op de hoogte was dat de producten die zij aan de betrokken afnemer verkocht zouden worden wederuitgevoerd, wat ook verklaart waarom zij de verkopen aan [vertrouwelijk] heeft gefactureerd met een tarief voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) van 5 %, in tegenstelling tot het btw-tarief van 0 % dat van toepassing is op de exportverkoop.

121    Ten slotte maakt de uitlegging van de Commissie het volgens verzoekster mogelijk om onvoorzienbare antidumpingrechten op te leggen aan een producent, ongeacht diens prijsbeleid, hetgeen in strijd is met de algemene doelstelling van voorzienbaarheid die door de basisverordening en het WTO-recht wordt nagestreefd.

122    Derhalve stelt verzoekster dat de Commissie, door in overweging 56 van de bestreden verordening te verklaren dat „een gebrek aan kennis omtrent de eindbestemming van de verkoop niet doorslaggevend is” en niet te betwisten dat verzoekster op het moment van de verkoop niet op de hoogte was van de eindbestemming van het door haar onafhankelijke afnemer verkochte product, artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft geschonden met haar weigering om de betrokken verkopen in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de normale waarde.

123    De Commissie en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.

124    Allereerst zij opgemerkt dat de normale waarde van het betrokken product overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening normaal is gebaseerd op de „prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald” en dat de normale waarde overeenkomstig lid 2 van dit artikel normaal wordt vastgesteld op basis van de verkoop van het „voor gebruik in het binnenland bestemde” soortgelijke product indien de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % bedraagt van de naar de Unie verkochte hoeveelheid van het betrokken product.

125    Zoals in punt 53 hierboven is opgemerkt, strekt het begrip normale handelstransacties er voorts toe te verzekeren dat de normale waarde van een product zo veel mogelijk overeenstemt met de normale prijs van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van de exporteur. Indien een verkoop is gesloten tegen voorwaarden die niet overeenstemmen met de handelspraktijk voor de verkoop van het soortgelijke product op die markt op het voor de vaststelling van dumping relevante tijdstip, is die verkoop geen geschikte basis om de normale waarde van het soortgelijke product op die markt vast te stellen (arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 28).

126    Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie artikel 2, leden 1 en 2, van de basisverordening heeft geschonden door zonder voldoende rechtvaardiging te oordelen dat bepaalde verkopen van het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in het kader van normale handelstransacties in het land van uitvoer bij de vaststelling van de normale waarde buiten beschouwing moesten worden gelaten, op de enkele grond dat de betrokken producten nadien zijn uitgevoerd. Met name gelet op de bewoordingen van artikel 2, lid 2, van de basisverordening, volgens welke de normale waarde normaal wordt vastgesteld op basis van de verkoop van het „voor gebruik in het binnenland bestemde” betrokken product, kon de Commissie deze verkoop pas op geldige wijze bij de berekening van de normale waarde buiten beschouwing laten na te hebben vastgesteld dat de verkoper op het tijdstip van de verkoop op de hoogte was van de uitvoer van de betrokken producten of verwachtte dat de koper deze producten met het oog op uitvoer zou wederverkopen.

127    Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient voor de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen niet enkel rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaken, nastreeft (arresten van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, EU:C:2000:467, punt 50; 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 54, en 26 juli 2017, Jafari, C‑646/16, EU:C:2017:586, punt 73).

128    Wat meer in het bijzonder de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling betreft, volgt eveneens uit vaste rechtspraak dat de in een van de taalversies gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling kan dienen of in zoverre voorrang kan hebben boven de andere taalversies. Unierechtelijke bepalingen moeten immers uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een Unierechtelijke bepaling, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie arrest van 1 maart 2016, Alo en Osso, C‑443/14 en C‑444/14, EU:C:2016:127, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

129    In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat er verschillen zijn tussen de taalversies van de betrokken bepaling. Hoewel in de Engelse taalversie van artikel 2, lid 2, van de basisverordening de verkoop van het betrokken product die bij de vaststelling van de normale waarde in aanmerking moet worden genomen als binnenlandse verkoop, immers de verkoop is waarbij het betrokken product is „intended” voor gebruik in het binnenland, wat aldus kan worden gelezen dat de bedoeling van de verkoper het relevante criterium is, wordt in andere taalversies van deze bepaling, zoals de Franse, de Duitse, de Nederlandse, de Spaanse, de Italiaanse, de Deense, de Finse of Tsjechische, respectievelijk het woord „destiné”, „zum Verbrauch”, „bestemde”, „destinado”, „destinato”, „bestemt”, „tarkoitetun” en „ke” gebruikt, dat verwijst naar de bestemming van het betrokken product zonder dat wordt verwezen naar de bedoeling van de producent ten aanzien van die bestemming op het tijdstip van de verkoop.

130    In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat, net als in de in punt 129 hierboven genoemde taalversies van artikel 2, lid 2, van de basisverordening, die verwijzen naar de bestemming van de verkoop en niet naar de bedoeling van de verkoper ten aanzien van de bestemming ervan, in de drie officiële talen van artikel 2.1. van de antidumpingovereenkomst wordt gebruikgemaakt van de uitdrukking „destined for consumption” in het Engels, „destiné à la consommation” in het Frans en „destinado al consumo” in het Spaans. Uit de rechtspraak blijkt dat de bepalingen van de basisverordening zo veel mogelijk moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van de overeenkomstige bepalingen van de antidumpingovereenkomst (arrest van 22 mei 2014, Guangdong Kito Ceramics e.a./Raad, T‑633/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:271, punt 38; zie in die zin ook arrest van 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, EU:C:2003:4, punt 57).

131    Zoals verzoekster opmerkt, is het juist dat de speciale groep van de WTO in voetnoot nr. 339 van haar rapport van 16 november 2007 in het geschil „Europese Gemeenschappen – Antidumpingmaatregel voor gekweekte zalm uit Noorwegen” (WT/DS 337/R) heeft aangegeven dat „wanneer een producent een product aan een onafhankelijke exporteur (of een handelaar) verkoopt in de wetenschap dat dit product zal worden uitgevoerd, deze verkoop niet kan worden aangemerkt als voor binnenlands verbruik bestemde verkoop”. Uit deze opmerking alleen kan echter niet worden afgeleid dat, zoals verzoekster stelt, het ontbreken van daadwerkelijke kennis dat de eindbestemming van het betrokken product de uitvoer ervan is, er noodzakelijkerwijs toe zou hebben geleid dat de betrokken verkoop als bestemd voor binnenlands verbruik wordt beschouwd, terwijl het betrokken product, zoals in het onderhavige geval, is uitgevoerd. Dezelfde overwegingen zijn overigens van toepassing op het argument dat verzoekster ontleent aan overweging 20 van verordening (EG) nr. 1023/97 van de Commissie van 6 juni 1997 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van vlakke houten laadborden van oorsprong uit Polen en tot aanvaarding van in verband met deze invoer door bepaalde exporteurs aangeboden verbintenissen (PB 1997, L 150, blz. 4), waarin met betrekking tot de vaststelling van de uitvoerprijs wordt gesteld dat „[o]mdat de producent van de uiteindelijke bestemming van de [betrokken] laadborden op de hoogte was, […] de Commissie ervan uit[ging] dat de producent de laadborden voor uitvoer naar de Gemeenschap had verkocht”.

132    In de derde plaats wordt de uitlegging dat er niet hoeft te worden gezocht naar een specifieke bedoeling of specifieke kennis van de verkoper ten aanzien van de eindbestemming van het betrokken product bevestigd door een analyse van de context van de betrokken bepaling. Noch het begrip „dumping” in de zin van artikel 2 van de basisverordening, noch het in artikel 3 van deze verordening (thans artikel 3 van verordening 2016/1036) bedoelde begrip „schade”, noch het begrip „ontwijking” in artikel 13 van deze verordening (thans artikel 13 van verordening 2016/1036), stelt immers als voorwaarde voor de toepassing ervan dat wordt vastgesteld dat de betrokkene een bepaalde bedoeling heeft gehad, maar die begrippen vereisen dat objectieve voorwaarden zijn vervuld, onafhankelijk van een specifieke bedoeling of kennis van de betrokkene. Bovendien bevat artikel 2, lid 2, van de basisverordening, net als trouwens artikel 2, lid 8, van deze verordening, betreffende de vaststelling van de uitvoerprijs, geen enkele verwijzing naar het criterium „kennis” van de betrokkene, in tegenstelling tot artikel 10, lid 4, van de basisverordening (thans artikel 10, lid 4, van verordening 2016/1036), dat voor de toepassing met terugwerkende kracht van een antidumpingrecht uitdrukkelijk bepaalt dat „de importeur van de dumping op de hoogte was of had moeten zijn gezien de omvang van de dumping en de gestelde of vastgestelde schade”.

133    In de vierde plaats moet worden vastgesteld dat deze uitlegging tevens in overeenstemming is met het doel van het antidumpingonderzoek, namelijk de instellingen van de Unie in staat te stellen objectief bewijsmateriaal te verzamelen door gebruik te maken van de instrumenten die hun door de basisverordening ter beschikking worden gesteld en op basis van vrijwillige medewerking van de marktdeelnemers, met name de antwoorden op de antidumpingvragenlijst, eventuele controles ter plaatse en opmerkingen van betrokkenen over de informatiedocumenten, zoals in punt 107 hierboven is vermeld, om het bestaan van mogelijke dumping vast te stellen, nadat zij de normale waarde van het betrokken product overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening hebben vastgesteld.

134    Indien in dit verband de verkoop van producten die zijn uitgevoerd enkel van de vaststelling van de normale waarde van het betrokken product kan worden uitgesloten indien er bewijs is van de bedoeling of de daadwerkelijke kennis van de verkoper op het tijdstip van de verkoop met betrekking tot de eindbestemming van het betrokken product, zou dit er uiteindelijk op neerkomen, aangezien het risico bestaat dat dit bewijs in de praktijk vaak niet kan worden geleverd, dat voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening prijzen van de uitgevoerde producten in aanmerking kunnen worden genomen die de correcte vaststelling van de normale waarde kunnen verstoren en ondermijnen.

135    In de vijfde plaats moet hieraan worden toegevoegd dat deze uitlegging ook verenigbaar is met de door verzoekster aangevoerde beginselen van voorzienbaarheid en rechtszekerheid, terwijl de toepassing van een criterium dat is gebaseerd op de specifieke bedoeling of specifieke kennis van de verkoper, de inaanmerkingneming van de verkoopprijs van de uitgevoerde producten bij de vaststelling van de normale waarde afhankelijk zou maken van een subjectief element waarvan het bestaan in de praktijk op toeval is gebaseerd of dat, zoals zojuist is opgemerkt, onmogelijk kan worden aangetoond.

136    In het onderhavige geval zij er met name op gewezen dat de Commissie in het stadium van de voorlopige verordening bepaalde als binnenlandse verkoop opgegeven verkopen van de berekening van de normale waarde had uitgesloten op basis van de uitlegging dat een specifieke bedoeling of kennis van de verkoper ten aanzien van de eindbestemming van het betrokken product niet hoefde te worden aangetoond, nadat zij, met name in overweging 63 van deze verordening, had opgemerkt dat een berekening op basis van de productiegegevens van de vijf medewerkende ondernemingen en statistische informatie over de in- en uitvoer van het betrokken product in Taiwan gedurende het onderzoektijdvak, had bevestigd dat ongeveer 50 % van de binnenlandse verkoop die door de medewerkende producenten-exporteurs was gemeld, in feite indirecte uitvoer was die niet voor binnenlands verbruik was bestemd. Uit de gegevens in de voorlopige bevindingen bleek met name dat het door de vijf medewerkende producenten-exporteurs gemelde productieniveau tijdens het onderzoektijdvak weliswaar [vertrouwelijk] ton van het betrokken product bedroeg en dat de officiële uitvoerstatistieken een hoeveelheid van 717 671 ton van dat product aangaven, maar dat de hoeveelheid van de door deze producenten-exporteurs gemelde binnenlandse verkoop [vertrouwelijk] ton bedroeg, te weten meer dan het dubbele van het verschil tussen de eerste twee cijfers. Om ervoor te zorgen dat de normale waarde uitsluitend was gebaseerd op de prijzen die voor het binnenlandse verbruik waren vastgesteld, had de Commissie in het stadium van de voorlopige verordening verklaard dat zij voorzichtig te werk ging door bij de berekening van de normale waarde alle verkopen van het betrokken product aan „distributeurs” in Taiwan, ter hoogte van [vertrouwelijk] ton, derhalve buiten beschouwing te laten, in tegenstelling tot de verkoop aan „eindgebruikers in Taiwan” die wel in aanmerking zijn genomen.

137    Vervolgens heeft de Commissie de algemene, op risicoanalyse gebaseerde aanpak, waarbij rekening werd gehouden met grote categorieën afnemers van het betrokken product, vervangen door een aanpak die gebaseerd is op het bestaan van objectieve bewijzen van de uitvoer van het betrokken product door de betrokken distributeur. Volgens overweging 59 van de bestreden verordening besloot de Commissie namelijk, in plaats van alle verkoop aan distributeurs uit te sluiten, alleen die binnenlandse verkoop van de berekening van de normale waarde uit te sluiten waarvan de feitelijke uitvoer genoegzaam kon worden bewezen. Volgens dezelfde overweging heeft de Commissie de gemelde verkoop in kwestie dus onderzocht en ingedeeld als binnenlands op basis van de specifieke situatie en gegevens van elk van de betrokken producenten-exporteurs. Ten slotte volgt uit deze overweging dat subjectieve aspecten zoals voornemen of kennis, of het gebrek daaraan, in de onderhavige zaak geen enkele rol speelden in de objectieve beoordeling door de Commissie, in tegenstelling tot het bestaan van uitvoergerichte kortingen, dat een voorbeeld was van relevant bewijsmateriaal.

138    In dit verband moet ten eerste worden geconstateerd dat uit het onderzoek onder meer is gebleken dat voor een aantal van de door verzoekster als binnenlands gemelde verkopen een uitvoerkorting is gegeven krachtens een systeem dat gedurende het onderzoektijdvak enkele maanden is toegepast en dat was opgezet als stimulans voor plaatselijke servicebedrijven (distributeurs) die hun staalproducten uitvoerden, zoals de Commissie in overweging 64 van de voorlopige verordening heeft aangegeven.

139    Verzoeksters argument dat deze korting, genaamd „Andere invoer-/uitvoerkorting”, geen relevant bewijsmateriaal is, met name omdat die geen uitvoerkorting voor het betrokken product is maar wordt toegepast op de verkoop van halffabricaten die moeten worden verwerkt voordat zij als verwerkte producten worden uitgevoerd, kan niet worden aanvaard.

140    In navolging van de Commissie en zoals met name blijkt uit verzoeksters brief van 9 februari 2015 in antwoord op een vraag van de Commissie tijdens het onderzoek, moet namelijk worden vastgesteld dat die korting betrekking heeft op de verkochte hoeveelheden van het betrokken product dat is bestemd voor uitvoer na verwerking overeenkomstig het doel van het betrokken kortingssysteem en dat die korting derhalve geen betrekking heeft op de hoeveelheden van het betrokken product dat is bestemd voor binnenlands verbruik in Taiwan. Bovendien gaat die verwerking hand in hand met de uitvoer van het betrokken product en omvat zij, zoals ook blijkt uit overweging 14 van de voorlopige verordening, [vertrouwelijk] hooguit kleine bewerkingen van die producten zoals het polijsten of het slitten, zonder dat het resulterende product dermate wordt gewijzigd dat het niet langer onder de definitie van het betrokken product valt.

141    Ten tweede heeft verzoekster in haar antwoord op de antidumpingvragenlijst aangegeven dat zij een dergelijke uitvoerkorting toepaste en werd tijdens het controlebezoek ter plaatse in verzoeksters binnenlandse verkoopregister bewijsmateriaal gevonden voor de toepassing van een dergelijke korting. Zoals verzoekster zelf in haar brief van 9 februari 2015 in antwoord op een vraag van de Commissie tijdens het onderzoek heeft aangegeven, had deze korting voorts bijvoorbeeld betrekking op 40 % van de verkoop van verzoekster aan haar grootste afnemer in Taiwan, de distributeur [vertrouwelijk], in december 2013.

142    Ten derde en bovenal is, zoals eveneens blijkt uit overweging 59 van de bestreden verordening, ander objectief bewijsmateriaal verzameld met betrekking tot de feitelijke uitvoer van de als binnenlandse verkoop opgegeven producten. In dit verband heeft de Commissie opgemerkt dat dit het geval was voor de verkoop aan [vertrouwelijk], die ook distributeur van het betrokken product is, zodat zij uiteindelijk van de binnenlandse verkoop alleen de 120 000 ton heeft uitgesloten die verzoekster in het onderzoektijdvak aan haar afnemer [vertrouwelijk] heeft verkocht, die volgens het onderzoek slechts een verwaarloosbare hoeveelheid van het betrokken product op de binnenlandse markt had verkocht.

143    Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld door te weigeren om verzoeksters verkopen aan haar afnemer [vertrouwelijk] voor de vaststelling van de normale waarde in aanmerking te nemen op grond van het feit dat er objectief bewijs was dat deze verkopen in werkelijkheid exportverkopen waren – in het bijzonder wanneer bovendien is vastgesteld dat op een deel van de betrokken verkopen een systeem van uitvoerkortingen werd toegepast, zoals het systeem dat verzoekster heeft toegepast – en derhalve hebben plaatsgevonden tegen prijzen beneden de prijs van het voor binnenlands verbruik bestemde betrokken product, in de wetenschap dat deze prijzen de uitvoer van het betrokken product stimuleerden.

144    Bijgevolg kon de Commissie de betrokken verkopen rechtmatig en zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken uitsluiten van de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 2, van de basisverordening.

145    Gelet op een en ander moet het tweede middel worden afgewezen en bijgevolg het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

146    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van de Commissie en interveniënte te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie en van interveniënte.

HET GERECHT (Tweede kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Yieh United Steel Corp. wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie en Eurofer, Association européenne de l’acier, ASBL.

Buttigieg

Berke

Costeira

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 december 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.


1      Vertrouwelijke gegevens weggelaten