Beroep ingesteld op 1 februari 2021 – Europese Commissie / Koninkrijk België

(Zaak C-60/21)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: W. Roels, V. Uher, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België

Conclusies

vaststellen dat het Koninkrijk België de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 28 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), doordat het bepalingen heeft gehandhaafd volgens welke de aftrek van onderhoudsuitkeringen of vervangende kapitaalsommen en van aanvullende uitkeringen van de belastbare inkomsten wordt geweigerd aan uitkeringsdebiteuren die niet in België wonen en er minder dan 75 % van hun beroepsinkomsten ontvangen en die in hun lidstaat van woonplaats niet voor dezelfde aftrek in aanmerking komen wegens het geringe bedrag van hun belastbare inkomsten in die staat, en

het Koninkrijk België verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert de Commissie één middel aan, dat is gebaseerd op het feit dat de betrokken wettelijke regeling niet-ingezeten belastingplichtigen ervan kan weerhouden gebruik te maken van de door de Verdragen gewaarborgde vrijheden van verkeer, en meer in het bijzonder van het in artikel 45 VWEU en artikel 28 van de EER-Overeenkomst neergelegde vrije verkeer van werknemers.

Een niet-ingezeten belastingplichtige die niet ten minste 75 % van zijn belastbare beroepsinkomsten in België verkrijgt en die in de staat waar hij woont niet daadwerkelijk voor aftrek van onderhoudsuitkeringen in aanmerking kan komen omdat hij in die staat onvoldoende belastbare inkomsten heeft, heeft volgens de Belgische wetgeving immers geen recht op aftrek van dergelijke uitkeringen. Uit de rechtspraak van het Hof en met name uit zijn arrest van 10 mei 2012, Europese Commissie/Estland (C-39/10), volgt evenwel dat de staat van tewerkstelling in dat geval rekening moet houden met de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de niet-ingezeten belastingplichtige.

____________