ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

9 september 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikelen 1, lid 2, en 49 – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Uitgesloten gebieden – Familierecht –Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikel 47, lid 1 – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid – Beslissing betreffende het omgangsrecht waarbij een dwangsom is opgelegd – Tenuitvoerlegging van de dwangsom”

In zaak C‑4/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Korkein oikeus (Finland) bij beslissing van 31 december 2013, ingekomen bij het Hof op 6 januari 2014, in de procedure

Christophe Bohez

tegen

Ingrid Wiertz,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, S. Rodin, E. Levits, M. Berger (rapporteur) en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 januari 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        Bohez, vertegenwoordigd door L. Koskenvuo, asianajaja,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Banciella Rodríguez‑Miñón als gemachtigde,

–        de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas en R. Dzikovič als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud‑Joët en E. Paasivirta als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 april 2015,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, lid 2, en 49 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1), alsmede van artikel 47, lid 1, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bohez en Wiertz over de tenuitvoerlegging in Finland van een dwangsom die is opgelegd bij een beslissing van een Belgische rechter om de naleving van het aan Bohez toegekende omgangsrecht ten aanzien van zijn kinderen te waarborgen.

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

 Verordening nr. 44/2001

3        Artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 44/2001, inzake het toepassingsgebied ervan, bepaalt:

„1.       Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. [...]

2.       Zij is niet van toepassing op:

a)      de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen;

[...]”

4        Artikel 45, lid 2, van deze verordening, dat is opgenomen in hoofdstuk III, getiteld „Erkenning en tenuitvoerlegging”, luidt:

„In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”

5        Artikel 49 van deze verordening, dat ook in hoofdstuk III staat, bepaalt:

„In den vreemde gegeven beslissingen die een veroordeling tot een dwangsom inhouden, kunnen in de aangezochte lidstaat slechts ten uitvoer worden gelegd indien het bedrag ervan door de gerechten van de lidstaat van herkomst definitief is bepaald.”

 Verordening nr. 2201/2003

6        Verordening nr. 2201/2003 heeft verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB L 160, blz. 19), ingetrokken en vervangen.

7        Overweging 2 van verordening nr. 2201/2003 herinnert eraan dat het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen de hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte vormt, en dat het omgangsrecht in dat verband wordt aangemerkt als een prioriteit.

8        In artikel 1 van deze verordening wordt het toepassingsgebied ervan omschreven als volgt:

„1.       Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

[...]

b)      de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

2.       De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:

a)      het gezagsrecht en het omgangsrecht;

[...]”

9        Volgens artikel 26 van deze verordening wordt „in geen geval [...] de juistheid van een beslissing onderzocht”.

10      Artikel 28, lid 1, van deze verordening bepaalt wat de uitvoerbaarheid van beslissingen inzake het omgangsrecht betreft:

„Beslissingen betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, die in een lidstaat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, en die betekend zijn, zijn in een andere lidstaat uitvoerbaar nadat zij aldaar op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard.”

11      Onder bepaalde voorwaarden kunnen beslissingen inzake het omgangrecht automatisch worden uitgevoerd. Artikel 41, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2201/2003 bepaalt in dat verband:

„Het [...] omgangsrecht, wordt wanneer het is toegekend bij een in een lidstaat gegeven uitvoerbare beslissing, in een andere lidstaat erkend en is aldaar uitvoerbaar zonder dat een uitvoerbaarverklaring behoeft te worden verkregen en zonder dat men zich tegen de erkenning kan verzetten, indien met betrekking tot die beslissing in de lidstaat van herkomst overeenkomstig lid 2 van dit artikel een certificaat is afgegeven.”

12      In artikel 47, lid 1, van deze verordening wordt gepreciseerd dat de procedure van tenuitvoerlegging wordt beheerst door de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

 Nationaal recht

 Belgisch recht

13      In het Belgische recht wordt de dwangsom beheerst door de artikelen 1385 bis tot en met 1385 nonies van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1385 bis van dit wetboek luidt:

„De rechter kan op vordering van een der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn. [...]”

14      Artikel 1385 ter van dat wetboek bepaalt:

„De rechter kan de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen kan de rechter eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.”

15      Overeenkomstig artikel 1385 quater van dit wetboek, behoeft de begunstigde, daar de rechterlijke beslissing waarbij de dwangsom wordt opgelegd de executoriale titel vormt voor de invordering ervan, de dwangsom voorafgaand aan de tenuitvoerlegging niet definitief laten bepalen.

16      Op de begunstigde van de dwangsom rust het bewijs dat alle voorwaarden voor opeisbaarheid ervan zijn vervuld. In geval van betwisting door de schuldenaar dient deze begunstigde het bewijs te leveren van de gestelde niet-nakomingen. De executierechter moet vervolgens toetsen of de voorwaarden van de dwangsom zijn vervuld.

 Fins recht

17      In Finland is de dwangsom die tot verzekering van de naleving van het omgangsrecht wordt opgelegd, geregeld in de wet inzake de tenuitvoerlegging van beslissingen betreffende het gezagsrecht en het omgangsrecht (lapsen huoltoa ja tapaamisoikeutta koskevan päätöksen täytäntöönpanosta annettu laki; hierna: „TpL”), alsmede in de dwangsomwet (uhkasakkolaki).

18      Ingevolge § 16, lid 2, TpL, kan het gerecht waarbij, nadat een beslissing is gegeven betreffende het omgangsrecht, een verzoek tot tenuitvoerlegging van dit recht wordt ingediend, de geëxecuteerde dwingen aan de beslissing te voldoen op straffe van een dwangsom.

19      Volgens § 18, leden 1 en 2, TpL, wordt de dwangsom in beginsel forfaitair vastgesteld. De dwangsom kan echter, indien zulks in de omstandigheden is gerechtvaardigd, cumulatief zijn.

20      De dwangsom wordt niet voldaan aan de begunstigde, maar altijd aan de Staat.

21      Ingevolge § 19, leden 1 en 2, TpL, kan de rechter, op herhaald verzoek, de betaling van de vastgestelde dwangsom bevelen, indien hij dit gerechtvaardigd acht. Betaling van de dwangsom kan niet worden bevolen indien de schuldenaar aantoont dat hij een geldige reden had om niet aan de verplichting te voldoen of wanneer ondertussen aan de verplichting is voldaan.

22      De rechter kan krachtens artikel 11 van de wet, het bedrag van de dwangsom verlagen ten opzichte van het oorspronkelijk vastgestelde bedrag indien de hoofdverplichting voor een substantieel deel is vervuld of de draagkracht van de schuldenaar aanzienlijk is verminderd, dan wel indien er sprake is van een andere gerechtvaardigde grond.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

23      C. Bohez en I. Wiertz zijn in de loop van 1997 in België getrouwd en hebben tijdens hun huwelijk twee kinderen gekregen. Het echtpaar is in 2005 gescheiden en Wiertz is in Finland gaan wonen.

24      Op 28 maart 2007 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België) een beslissing gegeven betreffende het gezagsrecht, de verblijfplaats, het omgangsrecht en de alimentatie met betrekking tot deze kinderen (hierna: „beslissing van 28 maart 2007”). Ter garantie van de naleving van het aan Bohez toekende omgangsrecht werd bij deze beslissing tevens een dwangsom vastgesteld van 1 000 EUR per kind per dag voor elke dag dat het kind niet was afgegeven. Het maximumbedrag van de dwangsom werd bepaald op 25 000 EUR.

25      Bohez heeft de Finse rechter verzocht Wiertz ertoe te veroordelen hem de in de beslissing van 28 maart 2007 vastgestelde dwangsom te betalen, of deze beslissing in Finland uitvoerbaar te verklaren. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft hij voor de Itä-Uudenmaan käräjäoikeus (rechtbank van eerste aanleg te Itä Uusimaa, Finland) aangevoerd dat hij meermalen niet van zijn omgangsrecht gebruik had kunnen maken, zodat het maximumbedrag van de in deze beslissing vastgestelde dwangsom was bereikt. Bohez was op basis van het feit dat naar Belgisch recht de dwangsom rechtstreeks door met de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen belaste autoriteiten wordt ingevorderd zonder dat hiertoe een nieuwe gerechtelijke procedure is vereist, van mening dat zijn verzoek moest worden beschouwd als een verzoek tot invordering van een opeisbare geldvordering en derhalve binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 viel.

26      Wiertz heeft daartegen opgeworpen dat haar veroordeling tot de betaling van de dwangsom niet definitief door de Belgische rechter was bevestigd en dat de beslissing van 28 maart 2007 derhalve niet uitvoerbaar was. De tekortkomingen die konden leiden tot de verplichting tot betaling van de dwangsom waren door geen enkele autoriteit vastgesteld.

27      Bij beslissing van 8 maart 2012 heeft de Itä-Uudenmaan käräjäoikeus vastgesteld dat het verzoek van Bohez geen betrekking had op de tenuitvoerlegging van een beslissing betreffende het omgangsrecht, maar enkel op de tenuitvoerlegging van een dwangsom die was opgelegd ter verzekering van de naleving van deze beslissing. Deze rechter heeft hieruit afgeleid dat het verzoek, voor zover het betrekking had op de tenuitvoerlegging van een beslissing waarbij een geldelijke verplichting werd vastgesteld, binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 viel. Hij merkte echter op dat bij de beslissing van 28 maart 2007, in strijd met het vereiste van artikel 49 van verordening nr. 44/2001, enkel een dwangsom per tijdseenheid was opgelegd en de hoogte ervan niet definitief was bepaald, en verklaarde het verzoek van Bohez derhalve niet-ontvankelijk.

28      In het door Bohez ingestelde hoger beroep heeft de Helsingin hovioikeus (hof van beroep te Helsinki) in zijn beslissing van 16 augustus 2012 bevestigd dat het verzoek niet-ontvankelijk was. De motivering van deze beslissing berustte echter op een andere analyse dan die van de rechter in eerste aanleg. De Helsingin hovioikeus was namelijk van oordeel dat het verzoek van Bohez binnen het kader van de tenuitvoerlegging van een beslissing betreffende het omgangsrecht viel, en oordeelde dat dit verzoek, gelet op artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001, niet onder deze verordening viel, maar onder verordening nr. 2201/2003. De procedure van tenuitvoerlegging zou derhalve in het dit geval overeenkomstig artikel 47, lid 1, van deze verordening worden bepaald door het Finse recht, dat wil zeggen de TpL.

29      Bohez heeft cassatieberoep ingesteld bij de Korkein oikeus (hooggerechtshof) en, onder herhaling van zijn conclusie in eerste aanleg, geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de Helsingin hovioikeus van 16 augustus 2012.

30      Daarop heeft de Korkein oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)       Moet artikel 1, lid 2, van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat zaken betreffende de tenuitvoerlegging van een dwangsom die in een beslissing betreffende het gezagsrecht of het omgangsrecht is opgelegd ter verzekering van de nakoming van de hoofdverplichting, niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen?

2)      Indien de in de vorige vraag bedoelde zaken binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 vallen, moet artikel 49 van deze verordening dan aldus worden uitgelegd dat een per dag vastgestelde dwangsom die in de lidstaat van herkomst als zodanig rechtstreeks uitvoerbaar is tot het beloop van het vastgestelde bedrag, maar waarvan het definitieve bedrag nog kan worden gewijzigd naar aanleiding van een verzoek of verweer van de schuldenaar van de dwangsom, pas dan in een [andere] lidstaat uitvoerbaar is wanneer het bedrag ervan apart en definitief is bepaald in de lidstaat van herkomst?

3)      Indien voornoemde zaken niet binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 vallen, moet artikel 47, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 dan aldus worden uitgelegd, dat de maatregelen ter verzekering van de naleving van beslissingen betreffende het gezagsrecht en het omgangsrecht onder de procedure van tenuitvoerlegging als bedoeld in deze bepaling vallen, dat wil zeggen een procedure van tenuitvoerlegging die door de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging wordt beheerst, of kunnen zij worden beschouwd als integrerend deel van de beslissing betreffende het gezagsrecht en het omgangsrecht, die ingevolge verordening nr. 2201/2003 rechtstreeks in de andere lidstaat ten uitvoer moet worden gelegd?

4)      Wanneer in een andere lidstaat om de tenuitvoerlegging van een dwangsom wordt verzocht, moet dan als voorwaarde worden gesteld dat het bedrag van deze dwangsom apart en definitief is bepaald in de lidstaat van herkomst, ook indien bij de tenuitvoerlegging verordening nr. 44/2001 niet van toepassing is?

5)      Wanneer een tot naleving van het omgangsrecht vastgestelde dwangsom in een andere lidstaat uitvoerbaar is zonder dat het bedrag van de in te vorderen dwangsom in de lidstaat van herkomst apart en definitief is bepaald,

a)      vereist de tenuitvoerlegging van de dwangsom dan toch dat wordt nagegaan of de uitoefening van het omgangsrecht is verhinderd om redenen die ten behoeve van de bescherming van de rechten van het kind absoluut in aanmerking moesten worden genomen, en

b)      welke rechter is dan voor de toetsing van deze omstandigheden bevoegd, en meer bepaald,

i)      is de bevoegdheid van de rechter van de staat van tenuitvoerlegging steeds uitsluitend beperkt tot de vraag of de beweerde verhindering van de omgang berust op een grond die uitdrukkelijk is voorzien in de beslissing in de hoofdzaak, of

ii)      vloeit uit de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’) gewaarborgde rechten van het kind voort dat de rechter van de staat van tenuitvoerlegging een ruimere bevoegdheid of verplichting heeft, na te gaan of de uitoefening van het omgangsrecht is verhinderd om redenen die ten behoeve van de bescherming van de rechten van het kind absoluut in aanmerking moesten worden genomen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

31      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een dwangsom die is opgelegd bij een in een andere lidstaat gegeven beslissing betreffende het gezagsrecht en het omgangsrecht, ter verzekering van de naleving van dit omgangsrecht door degene aan wie het gezagsrecht is toegekend.

32      In dit verband zij eraan herinnerd dat het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 is beperkt tot „burgerlijke en handelszaken”. Dit toepassingsgebied wordt overwegend bepaald door factoren die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen de procespartijen bestaande rechtsbetrekkingen of het voorwerp van het geding (zie arrest Realchemie Nederland, C‑406/09, EU:C:2011:668, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Meer in het bijzonder wat voorlopige maatregelen betreft, is het Hof van oordeel dat de vraag of verordening nr. 44/2001 daarop kan worden toegepast niet wordt beantwoord door de aard van die maatregelen, maar door de aard van de rechten die worden gewaarborgd (zie arrest Realchemie Nederland, C‑406/09, EU:C:2011:668, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Zo heeft het Hof met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot de betaling van een geldboete, die was opgelegd door een rechterlijke instantie in een andere lidstaat teneinde een verbod te doen nakomen dat was opgelegd in een in deze lidstaat gegeven beslissing in burgerlijke en handelszaken, gepreciseerd dat de aard van dat recht tot tenuitvoerlegging afhankelijk is van de aard van het subjectieve recht waarvan de schending de grond voor het gelasten van de tenuitvoerlegging vormt (zie in die zin arrest Realchemie Nederland, C‑406/09, EU:C:2011:668, punt 42).

35      In dit geval komt uit artikel 1385 bis van het Belgische Gerechtelijk Wetboek, op grond waarvan de rechter in de lidstaat van herkomst de dwangsom die in het hoofdgeding aan de orde is heeft opgelegd, naar voren dat deze maatregel moet worden beschouwd als de veroordeling van een partij, op vordering van de wederpartij, tot de betaling van een geldsom voor het geval de eerstgenoemde niet aan de op hem rustende hoofdverplichting voldoet. Hieruit volgt dat de dwangsom bijkomend is ten opzichte van de hoofdverplichting.

36      Voorts komt uit de stukken die aan het Hof zijn overgelegd naar voren dat de dwangsom die in het hoofdgeding aan de orde is, tot doel heeft de doeltreffendheid van een omgangsrecht dat in dezelfde beslissing is toegekend door de rechter in de lidstaat van herkomst, te garanderen. Deze dwangsom heeft namelijk tot doel financiële druk uit te oefenen op degene met het gezagsrecht over het kind, zodat hij zijn medewerking verleent aan de uitvoering van een dergelijk omgangsrecht.

37      Artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001, sluit de staat van natuurlijke personen, een begrip dat de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid over een kind omvat, echter uitdrukkelijk uit van het toepassingsgebied van deze verordening.

38      De verordeningen nr. 1347/2000 en nr. 2201/2003, waarvan de respectieve toepassingsgebieden met name de kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid omvatten, zijn nu juist vastgesteld vanwege deze uitsluiting en ter opvulling van deze lacune. Artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 2201/2003 benadrukt dat het gezagsrecht en het omgangsrecht onder deze kwesties vallen.

39      Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de dwangsom waarvan in het hoofdgeding de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, een bijkomende maatregel is die tot doel heeft een recht te waarborgen dat niet binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 valt, maar binnen dat van verordening nr. 2201/2003.

40      De eerste vraag moet dan ook in die zin worden beantwoord dat artikel 1 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat deze verordening niet van toepassing is op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een dwangsom die is opgelegd bij een in een andere lidstaat gegeven beslissing inzake het gezagsrecht en het omgangsrecht teneinde de eerbiediging van dit omgangsrecht door degene aan wie het gezagsrecht is toegekend, te verzekeren.

 Tweede vraag

41      Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

 Derde vraag

42      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de invordering van een dwangsom, die door de rechter in de lidstaat van herkomst, die in de hoofdzaak uitspraak heeft gedaan over het omgangsrecht, is opgelegd teneinde de doeltreffendheid van dit recht te waarborgen, moet worden geacht te vallen onder de procedure van tenuitvoerlegging van het omgangsrecht, die volgens artikel 47, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 wordt beheerst door het nationale recht, dan wel onder dezelfde regeling als het omgangsrecht dat hij moet waarborgen en derhalve uit deze hoofde uitvoerbaar moet worden verklaard volgens de in verordening nr. 2201/2003 vastgestelde regels.

43      Zoals wordt benadrukt in overweging 2 van verordening nr. 2201/2003, is de wederzijdse erkenning van beslissingen inzake het omgangsrecht aangeduid als een prioriteit in het kader van de justitiële ruimte van de Europese Unie. Deze beslissingen worden als bijzonder belangrijk beschouwd en vallen onder een specifieke regeling. Verordening nr. 2201/2003 voorziet in de artikelen 28, lid 1, en 41, lid 1, ervan namelijk in een vereenvoudigde, of zelfs automatische uitvoeringsregeling die is gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen.

44      De juistheid van deze beslissingen mag vanwege dit wederzijdse vertrouwen en overeenkomstig artikel 26 van deze verordening, niet worden onderzocht.

45      In het onderhavige geval is de dwangsom waarvan in het kader van het hoofdgeding om de tenuitvoerlegging wordt verzocht, opgelegd door de rechter die krachtens verordening nr. 2201/2003 bevoegd was ten gronde uitspraak te doen over het omgangsrecht.

46      In tegenstelling tot verordening nr. 44/2001, bevat verordening nr. 2201/2003, net als verordening nr. 1347/2000, die eraan voorafging, geen regel inzake de dwangsom. Zoals de Europese Commissie heeft betoogd, kan echter uit het feit dat deze vraag bij de opstelling van deze verordeningen niet aan bod is gekomen niet worden afgeleid, dat de wetgever van de Unie de tenuitvoerlegging van de dwangsom van het toepassingsgebied ervan heeft willen uitsluiten. Aangezien een dergelijke maatregel bijdraagt aan de naleving van de ingevolge deze verordeningen gegeven beslissingen op het gebied van het omgangsrecht, past hij binnen de door verordening nr. 2201/2003 nagestreefde doelstelling van doelmatigheid.

47      Zoals is opgemerkt in punt 35 van dit arrest, is de dwangsom die in het hoofdgeding aan de orde is, bijkomend van aard ten opzichte van de hoofdverplichting die hij waarborgt, namelijk de verplichting voor de ouder aan wie het gezagsrecht is toegewezen, mee te werken aan de uitvoering van het omgangsrecht volgens de regels die zijn vastgesteld door de rechter in de lidstaat van herkomst, die bevoegd was om van de zaak ten gronde kennis te nemen.

48      De tenuitvoerlegging van deze dwangsom houdt derhalve rechtstreeks verband met het bestaan van zowel deze hoofdverplichting, als van een niet-nakoming ervan.

49      Gelet op dit verband kan de dwangsom die is opgelegd in een beslissing inzake het omgangsrecht niet op zichzelf worden beoordeeld als een autonome verplichting, maar moet zij onlosmakelijk met het omgangsrecht dat erdoor moeten worden gewaarborgd, worden beoordeeld.

50      Derhalve moet de invordering van deze dwangsom onder hetzelfde stelsel van tenuitvoerlegging vallen als het omgangsrecht dat moet worden gewaarborgd, namelijk de regels die zijn neergelegd in de artikelen 28, lid 1, en 41, lid 1, van verordening nr. 2201/2003.

51      Het losmaken van het stelsel van tenuitvoerlegging van de dwangsom van het stelsel dat van toepassing is op het omgangsrecht om het, zoals door de regeringen van Finland en Litouwen is voorgesteld, te laten afhangen van de procedure van tenuitvoerlegging zelf, die volgens artikel 47, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 wordt bepaald door het nationale recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, zou erop neerkomen dat de rechter van deze staat zelf kan nagaan of dit omgangsrecht niet is nagekomen.

52      Een dergelijke controle, die zou worden uitgevoerd volgens de regels van de lidstaat van tenuitvoerlegging en inhouden dat de omstandigheden van het geval worden getoetst door de rechter van deze staat, zou indruisen tegen de wil van de wetgever van de Unie om voor de op dit gebied gegeven beslissingen een eenvormige en lichtere regeling in te stellen, die iedere inmenging ten gronde van de executierechter verbiedt en berust op het vertrouwen in de rechter in de lidstaat van herkomst, die als bevoegde rechter is aangewezen om te beslissen over het omgangsrecht.

53      Onder deze omstandigheden moet op de derde vraag worden geantwoord dat de invordering van een dwangsom die door de rechter in de lidstaat van herkomst die ten gronde uitspraak heeft gedaan over het omgangsrecht, is opgelegd om de doeltreffendheid van dit recht te verzekeren, valt onder hetzelfde stelsel van tenuitvoerlegging als de beslissing over het omgangsrecht dat door deze dwangsom wordt verzekerd, en dat deze dwangsom derhalve uitvoerbaar moet worden verklaard volgens de regels die zijn vastgesteld in verordening nr. 2201/2003.

 Vierde vraag

54      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, in het kader van verordening nr. 2201/2003, de buitenlandse beslissingen waarbij een dwangsom is opgelegd in de aangezochte lidstaat enkel uitvoerbaar zijn indien het bedrag ervan door de gerechten van de lidstaat van herkomst definitief is bepaald.

55      Uit de stukken die aan het Hof zijn overgelegd komt naar voren dat de dwangsom waarvan in het hoofdgeding de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, door de rechter in de lidstaat van herkomst is vastgesteld op een bedrag van 1 000 EUR voor iedere keer dat het omgangsrecht niet was nagekomen, met een maximumbedrag van 25 000 EUR. Uit de stukken komt ook naar voren dat de begunstigde van de dwangsom, overeenkomstig artikel 1385 quater van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek, de rechter niet hoeft te verzoeken het definitieve bedrag ervan voorafgaand aan de tenuitvoerlegging ervan vast te stellen. Het Belgische recht verschilt op dit punt van de regels die gelden in andere lidstaten, met name van het Finse recht, waarin bij artikel 19, leden 1 en 2, TpL, is bepaald dat de begunstigde de rechter moet verzoeken het bedrag van de dwangsom definitief vast te stellen voordat hij de tenuitvoerlegging ervan kan eisen.

56      Om de moeilijkheden te ondervangen die zouden kunnen voortvloeien uit de verschillen die op dit punt tussen de wetgevingen van de lidstaten bestaan, is in artikel 43 van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32) de regel opgenomen dat in den vreemde gegeven beslissingen die een veroordeling tot een dwangsom inhouden, in de aangezochte lidstaat slechts ten uitvoer kunnen worden gelegd indien het bedrag ervan door de gerechten van de lidstaat van herkomst definitief is bepaald [zie rapport van P. Schlosser over het verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71, punt 213)]. Deze regel is in dezelfde bewoordingen overgenomen in artikel 49 van verordening nr. 44/2001.

57      Een soortgelijke regel is echter niet te vinden in verordening nr. 2201/2003 en, daarvoor, verordening nr. 1437/2000. Zoals niettemin is opgemerkt door de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie, gaat het vereiste dat de dwangsom definitief is bepaald, in het kader van verordening nr. 2201/2003 goed samen met een gevoelig onderwerp als het omgangsrecht.

58      Zoals in punt 40 van dit arrest in herinnering is gebracht, heeft het belang van dit recht, dat essentieel is ter bescherming van het recht van het kind uit artikel 24, lid 3, van het Handvest, persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, de wetgever van de Unie ertoe gebracht een bijzondere regeling vast te stellen om de tenuitvoerlegging van beslissingen die hierop betrekking hebben, te vergemakkelijken. Deze regeling is gebaseerd op het beginsel dat de lidstaten er wederzijds op mogen vertrouwen dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn om een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten, erkende grondrechten (arrest Aguirre Zarraga, C‑491/10 PPU, EU:C:2010:828, punt 70), en sluit iedere vorm van onderzoek naar de juistheid van de beslissing van de rechter in de lidstaat van herkomst uit.

59      In het geval dat degene die in een lidstaat een omgangsrecht is toegekend met een beroep op de niet-naleving van dit recht, in een andere lidstaat verzoekt om de tenuitvoerlegging van een dwangsom waarvan het bedrag niet is bepaald door de rechter in de lidstaat van herkomst, zou het strijdig zijn met de door verordening nr. 2201/2003 opgezette regeling, de rechter in de lidstaat van tenuitvoerlegging de mogelijkheid te geven op te treden bij de vaststelling van het uiteindelijke bedrag dat moet worden betaald door de ouder met het gezag over het kind, die verplicht was mee te werken aan de uitoefening van het omgangsrecht. Deze vaststelling houdt namelijk in dat toezicht wordt uitgeoefend op de door de ouder met het omgangsrecht gestelde gebreken in de nakoming. Een dergelijk toezicht, dat zeer grote gevolgen heeft voor het belang van het kind, houdt niet enkel in dat wordt vastgesteld hoe vaak het kind niet is overgedragen, maar tevens dat de redenen die aan deze gebreken in de nakoming ten grondslag liggen, worden beoordeeld. De rechter van de lidstaat van herkomst is, als rechter die bevoegd is ten gronde te beslissen, echter als enige bevoegd dergelijke beoordelingen te maken.

60      Derhalve is het in een dergelijk geval aan de begunstigde van de dwangsom, gebruik te maken van de procedurele middelen in de lidstaat van herkomst om een titel te verkrijgen waarbij de hoogte van de dwangsom definitief wordt bepaald.

61      Uit het voorgaande vloeit voort dat de vierde vraag aldus moet worden beantwoord dat, in het kader van verordening nr. 2201/2003, in den vreemde gegeven beslissingen waarbij een dwangsom is opgelegd, in de aangezochte lidstaat enkel uitvoerbaar zijn indien het bedrag ervan door de gerechten in de lidstaat van herkomst definitief is bepaald.

 Vijfde vraag

62      Gelet op het antwoord op de vierde vraag, behoeft deze vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

63      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat deze verordening niet van toepassing is op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een dwangsom die is opgelegd bij een in een andere lidstaat gegeven beslissing inzake het gezagsrecht en het omgangsrecht teneinde de eerbiediging van dit omgangsrecht door degene aan wie het gezagsrecht is toegekend, te verzekeren.

2)      De invordering van een dwangsom die door de rechter in de lidstaat van herkomst die ten gronde uitspraak heeft gedaan over het omgangsrecht, is opgelegd teneinde de doeltreffendheid van dit recht te verzekeren, valt onder hetzelfde stelsel van tenuitvoerlegging als de beslissing over het omgangsrecht dat door deze dwangsom wordt verzekerd. Deze dwangsom moet derhalve uitvoerbaar worden verklaard volgens de regels die zijn vastgesteld in verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000.

3)      In het kader van verordening nr. 2201/2003 zijn in den vreemde gegeven beslissingen waarbij een dwangsom is opgelegd, in de aangezochte lidstaat enkel uitvoerbaar indien het bedrag ervan door de gerechten in de lidstaat van herkomst definitief is bepaald.

ondertekeningen


* Procestaal: Fins.