BESCHIKKING VAN HET HOF (Grote kamer)

17 maart 2005 (*)

„Interventie”

In zaak C‑317/04,

betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 27 juli 2004,

Europees Parlement, vertegenwoordigd door R. Passos en N. Lorenz als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bishop en M. Giorgi Fort als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door:

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Kuijper, A. van Solinge en C. Docksey, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door M. Bethell als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënten,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas en A. Borg Barthet, kamerpresidenten, R. Schintgen, N. Colneric (rapporteur), S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues, M. Ilešič, J. Malenovský, J. Klučka en U. Lõhmus, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: R. Grass,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1       Het Europees Parlement verzoekt om nietigverklaring van besluit 2004/496/EG van de Raad van 17 mei 2004 betreffende de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en overdracht van PNR-gegevens door luchtvaartmaatschappijen aan het Bureau of Customs and Border Protection van het ministerie van Binnenlandse Veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (PB L 183, blz. 83).

2       Bij op 21 oktober 2004 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (hierna: „toezichthouder”), vertegenwoordigd door H. Hijmans als gemachtigde, verzocht om toelating tot interventie in zaak C‑317/04 ter ondersteuning van de conclusies van het Parlement.

3       Dit verzoekschrift is ingediend op basis van artikel 47, lid 1, sub i, van verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001 L 8, blz. 1) alsook van artikel 93 van het Reglement voor de procesvoering.

4       Artikel 47, lid 1, van verordening nr. 45/2001 luidt:

„De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming kan:

[...]

h)      het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen adiëren onder de in het Verdrag bedoelde voorwaarden;

i)      tussenkomen in vorderingen die bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aanhangig zijn gemaakt.”

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

5       De toezichthouder stelt dat artikel 286, lid 2, EG, volgens hetwelk de Raad van de Europese Unie een onafhankelijk controleorgaan instelt dat belast is met het toezicht op de toepassing van de besluiten van de Gemeenschap inzake de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, is uitgevoerd bij verordening nr. 45/2001.

6       Volgens de toezichthouder omvat de krachtens deze verordening verleende opdracht mede de taak, erop toe te zien dat bij de verwerking van persoonsgegevens de fundamentele rechten en vrijheden op alle beleidsgebieden van de Gemeenschap worden geëerbiedigd.

7       Aangezien de toezichthouder niet als instelling van de Gemeenschap is vermeld in de lijst van artikel 7, lid 1, EG, zodat deze bepaling alsook artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie niet als rechtsgrondslag voor zijn verzoek kunnen dienen, is zijn verzoek tot interventie gebaseerd op artikel 47, lid 1, sub i, van verordening nr. 45/2001.

8       Iedere andere uitlegging van deze laatste bepaling zou leiden tot ongeldigheid ervan wegens strijd met het Statuut van het Hof van Justitie, althans tot ontneming van alle materiële inhoud aan het aan de toezichthouder verleende recht.

9       De enige beperking van het recht van de toezichthouder om tussen te komen vloeit voort uit de hem opgedragen taak. Zijns inziens betreft het onderhavige geschil een gemeenschapsoptreden op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens. De Raad heeft gehandeld in het kader van het buitenlands beleid van de Gemeenschap. Bovendien blijkt uit de door het Parlement aangevoerde middelen dat het optreden van de betrokken instellingen een reële of op zijn minst waarschijnlijke invloed op de toepassing van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31) heeft.

10     Op 24 november 2004 heeft de Raad schriftelijke opmerkingen over het interventieverzoek van de toezichthouder ingediend, waarin hij concludeert tot afwijzing van het verzoek als niet-ontvankelijk, of subsidiair, als ongerechtvaardigd.

11     Zijns inziens kan artikel 47, lid 1, sub i, van verordening nr. 45/2001, die een regeling van afgeleid recht is, niet afwijken van artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie, dat net als het EG-Verdrag zelf primair recht is.

12     Subsidiair stelt de Raad dat de toezichthouder geen voldoende belang bij de beslissing van het geding aannemelijk heeft gemaakt in de zin van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie. Deze toezichthouder heeft namelijk tot taak de verwerking van gegevens door een gemeenschapsinstelling of ‑orgaan te controleren, terwijl de onderhavige zaak de toegang van de Amerikaanse autoriteiten tot de PNR-gegevens betreft, die in de boekingsystemen van de luchtvaartmaatschappijen zijn opgeslagen en in geen geval door een gemeenschapsinstelling of ‑orgaan worden verwerkt.

13     Op 24 november 2004 heeft ook het Parlement schriftelijke opmerkingen over het interventieverzoek van de toezichthouder ingediend. Het concludeert dat dit verzoek, gelet op de met name in artikel 41, lid 2, van verordening nr. 45/2001 beschreven taak van de toezichthouder, rechtmatig lijkt.

 Het interventieverzoek

14     Het interventieverzoek is ingediend op basis van artikel 47, lid 1, sub i, van verordening nr. 45/2001, volgens hetwelk de toezichthouder kan tussenkomen in vorderingen die bij het Hof aanhangig zijn gemaakt.

15     Deze regeling is vastgesteld krachtens artikel 286, lid 2, EG, dat bepaalt dat de Raad een onafhankelijk controleorgaan instelt dat belast is met het toezicht op de toepassing op de gemeenschapsinstellingen en ‑organen van de besluiten van de Gemeenschap inzake de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens alsook het vrije verkeer van deze gegevens, en dat hij zo nodig andere bepalingen terzake aanneemt. Met de vaststelling van artikel 47, lid 1, sub i, van verordening nr. 45/2001 is de Raad de hem krachtens artikel 286, lid 2, EG verleende bevoegdheden niet te buiten gegaan, aangezien deze maatregel ertoe strekt de nuttige werking van deze verdragsbepaling te verzekeren.

16     Zoals de toezichthouder zelf opmerkt, wordt zijn recht tot interventie beperkt door de grenzen die voortvloeien uit de hem opgedragen taak.

17     Dat de onderhavige zaak een wetgevende maatregel inzake de verwerking van persoonsgegevens door luchtvaartmaatschappijen betreft, heeft evenwel niet tot gevolg dat zij een situatie betreft die buiten de taak van de toezichthouder valt.

18     Artikel 41, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 45/2001 belast de toezichthouder namelijk niet alleen met het toezicht op en het verzekeren van de toepassing van deze verordening en van elk ander communautair besluit betreffende de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door een gemeenschapsinstelling of ‑orgaan, maar ook met het verstrekken van advies aan de gemeenschapsinstellingen en ‑organen over alle vragen inzake de verwerking van persoonsgegevens. Deze adviserende taak betreft niet alleen de verwerking van persoonsgegevens door deze instellingen of organen. Daartoe vervult de toezichthouder de bij artikel 46 van deze verordening opgedragen taken en oefent hij de bij artikel 47 van deze verordening verleende bevoegdheden uit.

19     Derhalve moet het interventieverzoek van de toezichthouder worden toegewezen.

 Kosten

20     Aangezien het interventieverzoek van de toezichthouder wordt toegestaan, moet de beslissing over de kosten van deze interventie worden aangehouden.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) beschikt:

1)      De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming wordt toegelaten tot interventie in zaak C‑317/04 ter ondersteuning van de conclusies van het Europees Parlement.

2)      De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming zal een termijn worden gesteld voor de indiening van de middelen ter ondersteuning van zijn conclusie.

3)      De griffier zal een kopie van alle processtukken betekenen aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

4)      De beslissing over de kosten van de interventie van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming wordt aangehouden.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.