ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Enkelvoudige kamer)

10 juli 2014

Gevoegde zaken F‑95/11 en F‑36/12

CG

tegen

Europese Investeringsbank (EIB)

„Openbare dienst – Personeel van de EIB – Reorganisatie van een directoraat – Vorming van een nieuwe afdeling – Overdracht van bevoegdheden van een hoofd van een afdeling – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Bezwarend besluit – Gelijkwaardigheid van ambten – Verkapte sanctie – Misbruik van bevoegdheid – Beroep tot schadevergoeding – Litispendentie”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, waarmee CG het Gerecht vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van de Europese Investeringsbank (EIB of hierna: „Bank”) tot wijziging van de voorwaarden voor de uitoefening alsmede de aard van haar functie, vaststelling dat de Bank dienstfouten heeft gemaakt waarvoor zij jegens haar aansprakelijk is en veroordeling van de Bank tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden.

Beslissing:      De beroepen in de gevoegde zaken F‑95/11 en F‑36/12 worden verworpen. Elke partij zal de eigen kosten dragen in de gevoegde zaken F‑95/11 en F‑36/12.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Personeelsleden van de Europese Investeringsbank – Termijnen – Vereiste van een redelijke termijn – Aanvang van de termijn

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; personeelsreglement van de Europese Investeringsbank, art. 41)

2.      Ambtenaren – Personeelsleden van de Europese Investeringsbank – Organisatie van diensten – Tewerkstelling van personeel – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Grenzen – Dienstbelang – Eerbiediging van de gelijkwaardigheid van ambten – Wijziging van functie die geen tuchtmaatregel vormt

(Ambtenarenstatuut, art. 7, lid 1; bijlage IX)

3.      Ambtenaren – Personeelsleden van de Europese Investeringsbank – Rechten en verplichtingen – Verplichting van de Bank om kennis te geven van een individueel besluit – Omvang

(Personeelsreglement van de Europese Investeringsbank, art. 42)

1.      Er bestaat een ernstige lacune in de contentieuze regeling van de Europese Investeringsbank, aangezien deze niet voorziet in een beroepstermijn. Geschillen tussen de Bank en haar personeelsleden moeten dus binnen een redelijke termijn voor de rechter van de Unie worden gebracht en bovengenoemde lacune moet worden aangevuld naar het voorbeeld van de voorwaarden voor de beroepstermijn zoals opgenomen in de artikelen 90 en 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.

Wat de aanvang van de beroepstermijn betreft, wanneer een personeelslid vraagt om toepassing van de verzoeningsprocedure voorzien in artikel 41 van het personeelsreglement van de Bank, die facultatief is, gaat de termijn voor de instelling van een beroep bij de Unierechter slechts in vanaf het tijdstip waarop de verzoeningsprocedure is beëindigd, op voorwaarde evenwel dat het personeelslid binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de hem bezwarende handeling om verzoening heeft verzocht en dat de duur van de verzoeningsprocedure zelf redelijk is.

(cf. punten 79 en 80)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: 6 maart 2001, Dunnett e.a./EIB, T‑192/99, punten 51‑54 en 56; 27 april 2012, De Nicola/EIB, T‑37/10 P, punt 75

2.      De instellingen hebben een ruime beoordelingsbevoegdheid om hun diensten in overeenstemming met de hun opgedragen taken te organiseren en om het hun daarvoor ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, mits deze tewerkstelling in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten plaatsvindt. Deze rechtspraak geldt eveneens voor de Europese Investeringsbank.

Met betrekking tot een ambtenaar die met andere werkzaamheden wordt belast, houdt het beginsel van overeenstemming tussen ambt en rang niet in dat een vergelijking wordt gemaakt tussen zijn huidige en zijn vroegere werkzaamheden, maar tussen zijn huidige werkzaamheden en zijn rang in de hiërarchie. Niets verhindert derhalve dat een besluit de toewijzing van nieuwe werkzaamheden meebrengt die, ook al verschillen zij van de voorheen uitgeoefende werkzaamheden en worden zij door de betrokkene als een vermindering van zijn verantwoordelijkheden ervaren, niettemin in overeenstemming zijn met het bij zijn rang behorende ambt. Een daadwerkelijke vermindering van de verantwoordelijkheden van een ambtenaar is dus alleen in strijd met de regel van overeenstemming tussen rang en ambt indien zijn taken, globaal gezien, qua aard, belang en omvang duidelijk onder het niveau blijven van die welke met zijn rang en ambt overeenkomen.

Wanneer niet is aangetoond dat een besluit tot wijziging van de aan een ambtenaar toegewezen werkzaamheden in strijd is met de gelijkwaardigheid van ambten, kan er dus geen sprake zijn van een verkapte tuchtmaatregel of misbruik van bevoegdheid.

(cf. punten 90, 92 en 105)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 16 december 2004, De Nicola/EIB, T‑120/01 en T‑300/01, punt 84; 7 februari 2007, Clotuche/Commissie, T‑339/03, punten 47 en 91

Gerecht voor ambtenarenzaken: 8 mei 2008, Kerstens/Commissie, F‑119/06, punten 82 en 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak

3.      Artikel 42 van het personeelsreglement van de Europese Investeringsbank bevat slechts een vormvoorschrift, dat wil zeggen de verplichting van de Bank om individuele besluiten kenbaar te maken aan het betrokken personeelslid. Daarnaast moet er echter ook sprake zijn van een individueel besluit.

Wanneer een functionaris, voorafgaande aan de vaststelling van een besluit van de Bank om de aard van zijn werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitoefening ervan te wijzigen, door zijn hiërarchieke meerderen mondeling op de hoogte wordt gesteld van de organisatorische wijzigingen die binnen zijn directoraat-generaal zullen plaatsvinden en die geen overplaatsing van die functionaris noch een wijziging van de bestaande hiërarchieke betrekkingen tussen de directeur-generaal van dat directoraat en de functionaris meebrengen, is de Bank niet verplicht om een individueel besluit jegens de functionaris te nemen noch om hem dit krachtens artikel 42 mee te delen.

(cf. punten 142 en 145)