CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 2 oktober 2012 (1)

Zaak C‑399/11

Strafzaak

tegen

Stefano Melloni

[verzoek van het Tribunal Constitucional (Spanje) om een prejudiciële beslissing]

„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Procedures van overlevering tussen lidstaten – Beslissingen gegeven na een proces waarop betrokkene niet in persoon is verschenen – Uitvoering van bij verstek opgelegde straf – Mogelijkheid van herziening van vonnis – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 53”





1.        In de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt het Hof verzocht om uitlegging, en in voorkomend geval beoordeling van de geldigheid, van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(2), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009(3) tot versterking van de procedurele rechten van personen en tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces. Tevens wordt het Hof voor het eerst verzocht, de draagwijdte van artikel 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) te preciseren.

2.        De onderhavige zaak is een goed voorbeeld van de wijze waarop het naast elkaar bestaan van verschillende instrumenten ter bescherming van de grondrechten dient te worden opgevat. Zij vindt haar oorsprong in rechtspraak van het Tribunal Constitucional (Spanje) volgens welke aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een verstekvonnis steeds de voorwaarde moet worden verbonden dat de veroordeelde in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen. Artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit bepaalt echter met name dat wanneer een dergelijke persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en een advocaat heeft gemachtigd om hem op dat proces te vertegenwoordigen en te verdedigen, aan de overlevering geen dergelijke voorwaarde kan worden verbonden.

3.        Met zijn drie vragen verzoekt het Tribunal Constitucional het Hof om beoordeling van de verschillende wijzen waarop het zijn rechtspraak ook in het kader van de toepassing van het kaderbesluit zou kunnen handhaven. Daarbij dienen verschillende paden te worden bewandeld.

4.        Kan de algemene toepassing van de voorwaarde dat voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering een verstekvonnis is vereist dat de veroordeelde in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen, voortvloeien uit een uitlegging van de tekst, de opzet en de doelstellingen van artikel 4 bis van het kaderbesluit?

5.        Zo niet, is dit artikel dan verenigbaar met de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest, die de beschuldigde respectievelijk het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak en de eerbiediging van zijn rechten van verdediging waarborgen? Moet het recht van de Unie aan deze grondrechten bovendien een ruimere bescherming bieden dan het door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), gegarandeerde niveau van bescherming?

6.        Ingeval bij de behandeling van de eerste twee vragen blijkt dat artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit, in samenhang met de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat het Tribunal Constitucional zijn rechtspraak handhaaft op het gebied van het Europees aanhoudingsbevel, biedt artikel 53 van het Handvest hem dan de mogelijkheid daartoe?

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Het primaire recht van de Unie

7.        Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest bepaalt:

„Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.”

8.        Artikel 48, lid 2, van het Handvest luidt als volgt:

„Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.”

9.        In artikel 52, lid 3, van het Handvest wordt bepaald:

„Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het [EVRM], zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.”

10.      Artikel 53 van het Handvest luidt als volgt:

„Geen van de bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het [EVRM], alsmede door de grondwetten van de lidstaten.”

B –    Het afgeleide recht van de Unie

11.      Artikel 1 van het kaderbesluit bepaalt:

„[...]

2.      De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.      Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.”

12.      In artikel 5 van kaderbesluit 2002/584 werd bepaald:

„De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:

1)      indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ter uitvoering van een bij verstek opgelegde vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, dat wil zeggen dat de betrokkene niet aanwezig was omdat hij niet persoonlijk gedagvaard of anderszins in kennis gesteld is van datum en plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een voldoende garantie geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting;

[...]”

13.      In artikel 2, punt 2, van kaderbesluit 2009/299 wordt bepaald:

„In artikel 5 [van kaderbesluit 2002/584] wordt lid 1 geschrapt.”

14.      Ter vervanging van die geschrapte bepaling is bij artikel 2, punt 1, van kaderbesluit 2009/299 in kaderbesluit 2002/584 een artikel 4 bis ingevoegd.

15.      Zoals in artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2009/299 wordt bepaald, heeft dit kaderbesluit tot doel „de procedurele rechten van personen tegen wie een strafprocedure loopt, te versterken, de justitiële samenwerking in strafzaken te faciliteren [en] in het bijzonder het bevorderen van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten.”

16.      Verder wordt in artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2009/299 bepaald dat „[d]it kaderbesluit [...] niet tot gevolg [kan] hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag, inclusief de rechten van de verdediging van personen tegen wie een strafprocedure loopt, en alle verplichtingen die in dat verband op de gerechtelijke autoriteiten rusten, worden aangetast.”

17.      Artikel 4 bis van het kaderbesluit bepaalt:

„1.      De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

a)      de betrokkene tijdig

i)      persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;

en

ii)      ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

of dat

b)      de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;

of dat

c)      de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:

i)      uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;

of

ii)      niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;

of dat

d)      de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:

i)      hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;

en

ii)      dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

[...]”

II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18.      Bij beschikking van 1 oktober 1996 heeft de eerste afdeling van de Sala de lo Penal de la Audiencia Nacional (strafkamer van de Audiencia Nacional) (Spanje) geoordeeld dat S. Melloni (hierna: „verzoeker”) aan Italië mag worden uitgeleverd om er te worden berecht voor de feiten genoemd in de door het Tribunale di Ferrara (Italië) op 13 mei en 15 juni 1993 uitgevaardigde aanhoudingsbevelen nrs. 554/1993 en 444/1993. Nadat verzoeker had verkregen dat hij zou worden vrijgelaten tegen een borgtocht van 5 000 000 ESP, die hij de dag nadien heeft verstrekt, is hij verdwenen, zodat hij niet aan de Italiaanse autoriteiten kon worden overgeleverd.

19.      Bij een beslissing van 27 maart 1997 heeft het Tribunale di Ferrara vastgesteld dat verzoeker niet is verschenen en heeft het beslist dat de kennisgevingen voortaan zouden worden gedaan aan de advocaten die verzoekers vertrouwen hadden gekregen en reeds door hem waren aangewezen. Bij een vonnis van het Tribunale di Ferrara van 21 juni 2000, dat later is bevestigd door een arrest van de Corte d’appello di Bologna (Italië) van 14 maart 2003, is verzoeker bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar wegens bedrieglijke bankbreuk. Bij een beslissing van 7 juni 2004 heeft de Vijfde strafkamer van de Corte suprema di cassazione (Italië) het door verzoekers advocaten ingestelde beroep verworpen. Op 8 juni 2004 heeft de procureur-generaal van de Republiek bij de Corte d’appello di Bologna Europees aanhoudingsbevel nr. 271/2004 voor de tenuitvoerlegging van de door het Tribunale di Ferrara uitgesproken veroordeling uitgevaardigd.

20.      Nadat verzoeker door de Spaanse politie was aangehouden, heeft de Juzgado Central de Instrucción n° 6 (Spanje) bij beschikking van 2 augustus 2008 beslist, het Europees aanhoudingsbevel nr. 271/2004 aan de eerste afdeling van de Sala de lo Penal de la Audiencia Nacional voor te leggen.

21.      Verzoeker heeft zich tegen zijn overlevering aan de Italiaanse autoriteiten verzet en daartoe allereerst aangevoerd dat hij in de fase van hoger beroep een andere advocaat had aangewezen en het mandaat van de twee vorige advocaten had ingetrokken, maar dat de kennisgevingen niettemin verder aan de twee laatstgenoemde advocaten waren gedaan. Verder heeft hij verklaard dat het Italiaanse procesrecht niet voorziet in de mogelijkheid van verzet tegen bij verstek uitgesproken veroordelingen en dat het Europees aanhoudingsbevel dus, in voorkomend geval, afhankelijk diende te worden gesteld van de voorwaarde dat de Italiaanse Republiek garandeert dat hij kan opkomen tegen het arrest.

22.      Bij beschikking van 12 september 2008 heeft de eerste afdeling van de Sala de lo Penal de la Audiencia Nacional beslist, verzoeker aan de Italiaanse autoriteiten over te leveren voor de tenuitvoerlegging van de door het Tribunale di Ferrara uitgesproken veroordeling wegens bedrieglijke bankbreuk. Zij oordeelde dat niet was aangetoond dat de door verzoeker aangewezen advocaten deze laatste vanaf 2001 niet meer vertegenwoordigden, en dat verzoekers rechten van verdediging in acht waren genomen, aangezien hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, vrijwillig verstek had laten gaan en twee advocaten had aangewezen om hem te vertegenwoordigen en te verdedigen, die in die hoedanigheid waren opgetreden in eerste aanleg, in hoger beroep en in cassatie, zodat de beroepsmogelijkheden waren uitgeput.

23.      Verzoeker heeft bij het Tribunal Constitucional een „recurso de amparo”(4) ingesteld tegen de beschikking van de eerste afdeling van de Sala de lo Penal de la Audiencia Nacional van 12 september 2008. Ter ondersteuning van dit beroep stelt hij niet-inachtneming van de absolute eisen voorvloeiend uit het in artikel 24, lid 2, van de Spaanse grondwet geformuleerde recht op een eerlijk proces. Er zou namelijk op een wijze die de menselijke waardigheid aantast, afbreuk zijn gedaan aan de wezenlijke inhoud van een eerlijk proces door te aanvaarden dat veroordeelde personen aan lidstaten die in geval van een zeer zwaar misdrijf veroordeling bij verstek toestaan, worden overgeleverd zonder dat de overlevering afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de veroordeelde persoon tegen deze veroordeling kan opkomen om zijn rechten van verdediging te vrijwaren. Verder stelt verzoeker dat zijn beroep uit grondwettelijk oogpunt van bijzonder belang is omdat in de beschikking van 12 september 2008 wordt afgeweken van de vaste leer van het Tribunal Constitucional volgens welke in geval van in afwezigheid van de beschuldigde uitgesproken veroordelingen voor zeer zware misdrijven de overlevering van de veroordeelde afhankelijk moet worden gesteld van de mogelijkheid om het vonnis te doen herzien.(5)

24.      Bij beschikking van 18 september 2008 heeft de Eerste kamer van het Tribunal Constitucional het „recurso de amparo” ontvankelijk verklaard en de tenuitvoerlegging van de beschikking van 12 september 2008 opgeschort. Bij beschikking van 1 maart 2011 heeft Tribunal Constitucional in voltallige zitting op voorstel van zijn Eerste kamer beslist, het „recurso de amparo” zelf te behandelen.

25.      De verwijzende rechter wijst erop dat hij in zijn reeds aangehaald arrest 91/2000 heeft erkend dat de dwingende inhoud van de grondrechten kleiner is wanneer deze ad extra, dit wil zeggen in een grensoverschrijdende context, worden bekeken, daar dan alleen de meest fundamentele en elementaire eisen aan artikel 24 van de Spaanse grondwet kunnen worden vastgeknoopt en een „indirecte” ongrondwettigheid aan het licht kunnen brengen. De beslissing van de Spaanse rechterlijke instanties, te aanvaarden dat veroordeelde personen aan lidstaten die in geval van een zeer zwaar misdrijf veroordeling bij verstek toestaan, worden uitgeleverd zonder dat de overlevering afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de veroordeelde persoon tegen deze veroordeling kan opkomen om zijn rechten van verdediging te vrijwaren, vormt echter, door op een wijze die de menselijke waardigheid aantast, afbreuk te doen aan de wezenlijke inhoud van een eerlijk proces, een „indirecte” inbreuk op de eisen van het recht op een dergelijk proces.

26.      Verder herinnert de verwijzende rechter eraan dat deze rechtspraak ook van toepassing is in kader van de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde procedure van overlevering en wel om twee redenen, namelijk omdat de aan de overlevering van een veroordeelde persoon verbonden voorwaarde inherent is aan de wezenlijke inhoud van het grondwettelijke recht op een eerlijk proces en omdat artikel 5 van kaderbesluit 2002/584 voorzag in de mogelijkheid dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel ter uitvoering van een veroordeling bij verstek „door het recht van de uitvoerende lidstaat” onder meer afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat „de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een voldoende garantie geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat te verzoeken om een nieuw proces waarin zijn rechten van verdediging worden gewaarborgd, en aanwezig te zijn op de terechtzitting” (arrest 177/2006 van het Tribunal Constitucional, reeds aangehaald).

27.      Ten slotte herinnert de verwijzende rechter eraan dat hij in zijn arrest 199/2009 van 28 september 2009 het „recurso de amparo” heeft toegewezen dat was ingesteld tegen een beschikking waarbij de Audiencia Nacional ermee had ingestemd dat een persoon ter uitvoering van een bij verstek opgelegde gevangenisstraf van vier jaar aan Roemenië werd overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel waarin niet was vermeld dat de betrokken veroordeling kon worden herzien. Daartoe heeft het Tribunal Constitucional afwijzend beslist op de argumenten van de Audiencia Nacional dat het eigenlijk niet ging om een veroordeling bij verstek daar de betrokkene een advocaat had aangewezen die op het proces als zijn bijzondere verdediger was opgetreden.

28.      Volgens het Tribunal Constitucional vloeit het probleem voort uit de omstandigheid dat kaderbesluit 2009/299 artikel 5, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 heeft geschrapt en een nieuw artikel 4 bis heeft ingevoerd. Dit artikel 4 bis staat echter eraan in de weg dat „de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel [wordt geweigerd], indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid”, wanneer de betrokkene „op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd.” In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de onderhavige procedure van toetsing aan de grondwet, wijst de verwijzende rechter erop dat is gebleken dat de verzoeker twee advocaten had aangewezen die zijn vertrouwen genoten, en dat het Tribunale di Ferrara deze advocaten in kennis had gesteld van het voorgenomen proces, zodat hij daarvan op de hoogte was. Gebleken is ook dat verzoeker door die twee advocaten daadwerkelijk is verdedigd op het proces in eerste aanleg en later in hoger beroep en in cassatie.

29.      De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af, of het kaderbesluit eraan in de weg staat dat de Spaanse rechterlijke instanties de overlevering van verzoeker afhankelijk stellen van de mogelijkheid dat de betrokken veroordeling wordt herzien.

30.      Terloops beslist het Tribunal Constitucional afwijzend op het argument van het Ministerio Fiscal dat een prejudiciële verwijzing overbodig is omdat kaderbesluit 2009/299 ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding. In het hoofdgeding zou het er immers niet om gaan, te bepalen of de beschikking van 12 september 2008 inbreuk heeft gemaakt op kaderbesluit 2009/299, maar of zij indirect inbreuk heeft gemaakt op het door artikel 24, lid 2, van de Spaanse grondwet beschermde recht op een eerlijk proces. Kaderbesluit 2009/299 dient echter in aanmerking te worden genomen voor het bepalen van de inhoud van dit recht, dat gevolgen ad extra sorteert, omdat dit kaderbesluit het ten tijde van de beoordeling van de grondwettigheid toepasselijke recht van de Unie is. Het dient ook in aanmerking te worden genomen op grond van het beginsel van de kaderbesluitconforme uitlegging van het nationale recht.(6)

31.      Op grond van deze overwegingen heeft het Tribunal Constitucional op 9 juni 2011, de behandeling van het „recurso de amparo” geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 4 bis, lid 1, van [het] kaderbesluit [...] aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de nationale rechterlijke autoriteiten in de in die bepaling omschreven gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de betrokken veroordeling kan worden herzien om de rechten van verdediging van de betrokken persoon te waarborgen?

2)      Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is artikel 4 bis, lid 1, van [het] kaderbesluit [...] dan verenigbaar met de eisen die voortvloeien uit het in artikel 47 van het Handvest [...] bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces en de in artikel 48, lid 2, van het Handvest gegarandeerde rechten van de verdediging?

3)      Ingeval de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan een lidstaat dan op grond van artikel 53 van het Handvest, stelselmatig uitgelegd in samenhang met de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest erkende rechten, de overlevering van een bij verstek veroordeelde persoon afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de veroordeling in de verzoekende lidstaat kan worden herzien, waardoor die rechten een hoger beschermingsniveau zouden genieten dan het uit het recht van de [...] Unie voortvloeiende beschermingsniveau, en dit om te voorkomen dat een uitlegging wordt gegeven die een beperking vormt van of afbreuk doet aan een door de grondwet van die lidstaat erkend grondrecht?”

32.      Het Ministerio Fiscal, de Spaanse, de Belgische, de Duitse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Oostenrijkse, de Poolse en de Portugese regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend in het kader van de onderhavige procedure.

33.      Verzoeker, het Ministerio Fiscal, de Spaanse, de Duitse en de Nederlandse regering, de Raad en de Commissie hebben mondelinge opmerkingen gemaakt tijdens de pleitzitting van 3 juli 2012.

III – Bespreking

34.      Alvorens deze drie vragen te behandelen, dient te worden geantwoord op de argumenten van het Ministerio Fiscal, de Belgische en de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Raad, die hebben gesteld dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

A –    De ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

35.      Ter ondersteuning van de niet-ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing worden twee hoofdargumenten aangevoerd.

36.      In de eerste plaats zou kaderbesluit 2009/299 ratione temporis niet van toepassing zijn op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure van overlevering, zodat het Hof niet bevoegd zou zijn om dit kaderbesluit in het kader van de onderhavige zaak uit te leggen en om de geldigheid ervan te beoordelen. Immers, zowel de datum waarop het Europees aanhoudingsbevel nr. 271/2004 is uitgevaardigd (8 juni 2004) als de datum waarop de Audiencia Nacional heeft beslist, verzoeker aan de Italiaanse autoriteiten over te leveren (12 september 2008), gaan vooraf aan de datum van vaststelling van kaderbesluit 2009/299.

37.      In de tweede plaats zou de omstandigheid dat de Italiaanse Republiek gebruik heeft gemaakt van de door artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2009/299 geboden mogelijkheid om de toepassing van dit kaderbesluit op de erkenning en de tenuitvoerlegging van door de bevoegde Italiaanse autoriteiten buiten de aanwezigheid van de verdachte in persoon gegeven beslissingen uit te stellen tot 1 januari 2014(7), erop wijzen dat de gestelde vragen een hypothetisch karakter hebben, daar een antwoord op deze vragen geen enkel nut heeft voor de beslechting van het hoofdgeding.

38.      Er zij aan herinnerd dat volgens het Hof het vermoeden van relevantie dat op de prejudiciële vragen van nationale rechterlijke instanties rust, slechts in uitzonderingsgevallen kan worden opgeheven, namelijk wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van de in die vragen genoemde bepalingen van het recht van de Unie geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van louter hypothetische aard is of wanneer het Hof niet over de nodige feitelijke of juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de hem gestelde vragen te kunnen geven. Behalve in deze gevallen is het Hof in beginsel verplicht, te antwoorden op de hem gestelde vragen.(8)

39.      Wij staan hier echter niet voor een van de gevallen waarin de prejudiciële verwijzing, bij wijze van uitzondering, niet-ontvankelijk is.

40.      Allereerst dient het eerste argument, namelijk dat kaderbesluit 2009/299 ratione temporis niet van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure van overlevering, van de hand te worden gewezen.

41.      Uit de tekst van artikel 8, lid 2, van kaderbesluit 2009/299 blijkt immers dat dit „met ingang van [28 maart 2011] van toepassing [is] op de erkenning en tenuitvoerlegging van buiten de aanwezigheid van de verdachte in persoon gegeven beslissingen.” Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat vanaf 28 maart 2011 de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij uitspraak doet over de erkenning en de tenuitvoerlegging van buiten de aanwezigheid van de verdachte in persoon gegeven beslissingen, ongeacht of het gaat om beslissingen van vóór of na datum, de relevante bepalingen van kaderbesluit 2009/299 moet toepassen.

42.      Die oplossing ligt in de lijn van de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke de procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot de regels van materieel recht, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties.(9)

43.      Aangezien in artikel 4 bis van het kaderbesluit alleen wordt bepaald, onder welke voorwaarden de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen, kan worden geweigerd, dienen de bepalingen van dit artikel 4 bis als procedureregels te worden beschouwd.(10)

44.      Artikel 4 bis van het kaderbesluit is dus wel degelijk van toepassing op de in het hoofdgeding aan de orde zijn procedure van overlevering, die nog steeds loopt.

45.      De verklaring waarbij de Italiaanse Republiek gebruik heeft gemaakt van de door artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2009/299 geboden mogelijkheid om de toepassing van dit kaderbesluit op de erkenning en de tenuitvoerlegging van door de bevoegde Italiaanse autoriteiten buiten de aanwezigheid van de verdachte in persoon gegeven beslissingen uit te stellen tot uiterlijk 1 januari 2014, kan mijns inziens evenmin leiden tot niet-ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek op grond van de overweging dat zij an sich een antwoord van het Hof elk nut voor de beslechting van het hoofdgeding ontneemt.

46.      Niet betwist wordt immers dat artikel 4 bis van het kaderbesluit inhoudelijk situaties als die in het hoofdgeding beoogt te regelen. De datum van 1 januari 2014 is overigens een uiterste datum. Niets belet de Italiaanse Republiek voor een eerdere datum te kiezen of zelfs terug te komen van haar verklaring.

47.      Vaststaat dus dat een antwoord van het Hof op de vragen van het Tribunal Constitucional uiterlijk op 1 januari 2014 niet alleen nuttig zal zijn om het Tribunal Constitucional in staat te stellen uitspraak te doen op het bij hem aanhangige „recurso de amparo”, maar ook om de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen te beslissen op de procedure van overlevering.

48.      De bijzondere aard van het bij Tribunal Constitucional aanhangige „recurso de amparo” pleit eveneens voor de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing. In het kader van dat beroep moet deze rechterlijke instantie immers een grondwettigheidstoetsing verrichten en daarbij moet het overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de Spaanse grondwet ook rekening houden met het recht van de Unie en in het bijzonder met het Handvest. Zoals het Tribunal Constitucional in de verwijzingsbeslissing heeft verklaard, is de inaanmerkingneming van het recht van de Unie absoluut noodzakelijk om de grondwettelijk beschermde inhoud van het recht op een eerlijk proces te bepalen.(11)

49.      De toetsing die het Tribunal Constitucional moet verrichten, is vergelijkbaar met die welke een grondwettelijk hof kan verrichten in het kader van een voorafgaande toetsing van de grondwettigheid van een wet waarbij kaderbesluit 2009/299 in nationaal recht wordt omgezet. Indien dit grondwettelijk hof, om een dergelijke toetsing te kunnen verrichten, het Hof een vraag zou stellen over de uitlegging of de geldigheid van dit kaderbesluit, zou het Hof waarschijnlijk bereid zijn daarop te antwoorden, zelfs al is de termijn voor de omzetting van dat kaderbesluit in het nationale recht nog niet verstreken.(12)

50.      Aangezien het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing mijns inziens ontvankelijk moet worden geacht, zal ik hieronder achtereenvolgens de drie vragen van het Tribunal Constitucional behandelen.

B –    De eerste vraag

51.      Met zijn eerste vraag wenst het Tribunal Constitucional in wezen te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, sub a en b, van het kaderbesluit aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de in die bepaling bedoelde gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de degene tegen wie dit bevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen.

52.      Het Tribunal Constitucional verwoordt zijn twijfel omtrent het op deze vraag te geven antwoord als volgt. In de eerste plaats zou artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit volgens hem letterlijk kunnen worden uitgelegd, namelijk aldus dat het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigert, maar niet noodzakelijk aldus dat het eraan in de weg staat dat deze autoriteit de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stelt van voorwaarden, zoals de mogelijkheid om in verzet te komen. In de tweede plaats zou, zelfs indien een dergelijke letterlijke uitlegging dient te worden afgewezen, artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit tot een dergelijk resultaat kunnen leiden.

53.      Ik deel de door het Tribunal Constitucional verwoorde twijfel omtrent de betekenis van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit niet. Uit het onderzoek van de bewoordingen, de opzet en het doel van deze bepaling blijkt immers dat in de aldaar bedoelde gevallen de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel niet algemeen afhankelijk kan stellen van de voorwaarde dat de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen.

54.      Uit de bewoordingen van artikel 4 bis van het kaderbesluit blijkt dat dit artikel voorziet in een facultatieve grond voor het niet ten uitvoer leggen van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Op die mogelijkheid worden vier uitzonderingen gemaakt, namelijk gevallen waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het betrokken Europees aanhoudingsbevel niet kan weigeren.

55.      Zoals in punt 6 van de considerans van het kaderbesluit 2009/299 wordt verklaard, heeft de wetgever van de Unie willen „vast[leggen] onder welke voorwaarden de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet behoort te worden geweigerd. Het gaat om alternatieve voorwaarden. Indien aan één van de voorwaarden is voldaan, geeft de uitvaardigende autoriteit door de desbetreffende rubriek van het Europees aanhoudingsbevel [...] in te vullen, de garantie dat aan de voorschriften is of zal worden voldaan, hetgeen voldoende zou moeten zijn voor de tenuitvoerlegging van de beslissing op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning.”

56.      De in artikel 4 bis, lid 1, sub a tot en met d, van het kaderbesluit bedoelde gevallen kunnen in twee categorieën worden ingedeeld.

57.      De eerste categorie omvat de punten a en b van deze bepaling. Hieruit blijkt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel niet kan weigeren wanneer de betrokkene persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van zijn proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt, en wanneer de betrokkene, die op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelfgekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd.

58.      Gelet op de in de verwijzingsbeslissing gegeven uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, komt de situatie van verzoeker met name overeen met het in artikel 4 bis, lid 1, sub b, van het kaderbesluit bedoelde geval. Verzoeker had immers twee advocaten aangewezen die zijn vertrouwen genoten, en het Tribunale di Ferrara heeft hen officieel in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats waarop het proces zou plaatsvinden, zodat hij daarvan op de hoogte was. Verder is aangetoond dat verzoeker op dat proces in eerste aanleg, alsmede bij het latere hogere beroep en het cassatieberoep, ook werkelijk door die twee advocaten is verdedigd.

59.      Bij lezing van artikel 4 bis, lid 1, sub a en b, van het kaderbesluit kan alleen maar worden vastgesteld dat in de tekst van die twee punten geen sprake is van het vereiste dat de betrokkene in die gevallen in de uitvaardigende lidstaat in verzet moet kunnen komen.

60.      Uit een onderzoek van alle bepalingen van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit blijkt dat de sub c en d van deze bepaling bedoelde gevallen, die de tweede categorie vormen, in feite de enige gevallen zijn waarin de betrokkene recht heeft om in verzet te komen.

61.      De wijze waarop de wetgever van de Unie deze gevallen heeft willen regelen, verschilt aanzienlijk van de wijze van redeneren die ten grondslag lag aan artikel 5, punt 1, van kaderbesluit 2002/584. Volgens deze bepaling kon de uitvoerende rechterlijke autoriteit, onder bepaalde voorwaarden, de overlevering afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit voldoende garanties geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting. Het stond aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, te beoordelen of die garanties volstonden.

62.      Volgens artikel 4 bis, lid 1, sub c en d, van het kaderbesluit heeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit echter geen beoordelingsmarge meer en moet zij afgaan op de in het Europees aanhoudingsbevel verstrekte gegevens. Aldus is de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht, het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wanneer daarin, zakelijk weergeven, wordt vermeld dat hetzij de betrokkene, nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist of niet binnen de voorgeschreven termijn verzet heeft aangetekend, hetzij de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure en over de termijn waarover hij beschikt om verzet aan te tekenen.

63.      Uit de structuur van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit blijkt aldus dat alleen in de punten c en d van deze bepaling de gevallen worden behandeld waarin de betrokkene recht heeft op een verzetprocedure, en dat omgekeerd in de punten a en b van die bepaling de gevallen worden genoemd waarin de betrokkene een dergelijk recht niet heeft. Opgemerkt zij dat, wat deze laatste twee punten betreft, de opvatting van de wetgever van de Unie nauwkeuriger is, maar niet fundamenteel verschilt van wat onder vigeur van artikel 5, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 gold. Bij een lezing a contrario van deze bepaling blijkt immers dat deze de mogelijkheid om de overlevering afhankelijk te stellen van het bestaan van een verzetprocedure reeds uitsloot ingeval de betrokkene persoonlijk was gedagvaard of anderszins in kennis was gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid.

64.      In de punten a en b van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit heeft de wetgever van de Unie, zakelijk weergegeven, bevestigd dat de betrokkene, wanneer hij kennis heeft gehad van het voorgenomen proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt, of wanneer hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en een raadsman heeft gemachtigd om hem te verdedigen, moet worden geacht ervan te hebben afgezien op het proces te verschijnen, zodat hij geen aanspraak kan maken op een verzetprocedure.

65.      Op algemene wijze toestaan dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in dergelijke gevallen de overlevering van de betrokkene afhankelijk stelt van de mogelijkheid om in verzet te komen, zou erop neerkomen dat een extra grond voor weigering van tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt ingevoerd. Dit zou ingaan tegen de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever van de Unie, om redenen van rechtszekerheid op uitputtende wijze te bepalen in welke gevallen de procedurele rechten van iemand die niet in persoon is verschenen op zijn proces, moeten worden geacht niet te zijn geschonden, zodat het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd.

66.      De doelstellingen die de wetgever van de Unie bij de vaststelling van artikel 4 bis van het kaderbesluit heeft nagestreefd, bevestigen dat hij de uitvoerende rechterlijke autoriteiten niet de mogelijkheid heeft willen geven, de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen.

67.      De wetgever van de Unie heeft door middel van kaderbesluit 2009/299 de gebreken van de regeling van artikel 5, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 willen opheffen en deze regeling willen verbeteren om te komen tot een beter evenwicht tussen de versterking van de procedurele rechten van de personen tegen wie een strafprocedure loopt, en de facilitering van de justitiële samenwerking in strafzaken, in het bijzonder het bevorderen van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten.(13)

68.      Zoals in punt 3 van de considerans van kaderbesluit 2009/299 wordt verklaard, is de wetgever van de Unie uitgegaan van de vaststelling dat volgens kaderbesluit 2002/584, in zijn eerdere versie, „de uitvoerende autoriteit [mocht] eisen dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een voldoende garantie geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.” De wetgever van de Unie wijst erop dat in het kader van die regeling „[o]ver de vraag of die garantie voldoende is, wordt beslist door de uitvoerende autoriteit, en [het] daardoor [...] moeilijk [is] om exact vast te stellen wanneer de tenuitvoerlegging kan worden geweigerd.”

69.      In die situatie van onzekerheid, die de doeltreffendheid van het mechanisme van wederzijdse erkenning van bij verstek gegeven rechterlijke beslissingen kan verminderen, heeft de wetgever van de Unie geoordeeld dat „duidelijke, gemeenschappelijke gronden [moeten] worden bepaald voor het niet erkennen van beslissingen die zijn gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen.”(14) Kaderbesluit 2009/299 strekt er dan ook toe, „zulke gemeenschappelijke gronden nauwkeuriger te omschrijven, waardoor de uitvoerende autoriteit de beslissing met volledige inachtneming van het recht van verdediging van de betrokkene ten uitvoer kan leggen ondanks de afwezigheid van de betrokkene tijdens het proces.”(15)

70.      Dit wijst er allemaal op dat de wetgever van de Unie, door de in artikel 5, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 bepaalde mogelijkheid van overlevering onder voorwaarde af te schaffen, de wederzijdse erkenning van bij verstek gegeven rechterlijke beslissingen heeft willen verbeteren en tegelijkertijd de procedurele rechten van de betrokkenen heeft willen versterken. De door hem gekozen oplossing, namelijk op exhaustieve wijze bepalen in welke gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een bij verstek gegeven beslissing moet worden geacht geen afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging, is onverenigbaar met de handhaving van de mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om deze tenuitvoerlegging afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de betrokken veroordeling kan worden herzien teneinde de rechten van verdediging van de betrokkene te waarborgen.

71.      In zijn verwijzingsbeslissing oppert het Tribunal Constitucional de idee dat artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 en artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2009/299 die mogelijkheid zouden kunnen handhaven.

72.      Er zij aan herinnerd dat uit deze twee artikelen, waarvan de inhoud grotendeels identiek is, volgt dat deze kaderbesluiten geen wijziging tot gevolg hebben van de verplichting tot inachtneming van de in artikel 6 VEU neergelegde grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen, waaronder de rechten van verdediging van personen tegen wie een strafprocedure loopt. De stelling van de verwijzende rechter komt erop neer dat de verplichting om de grondrechten in acht te nemen de uitvoerende rechterlijke autoriteiten zou kunnen toestaan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren, zelfs in de in artikel 4 bis, lid 1, sub a tot en met d, van het kaderbesluit bedoelde gevallen waarin de betrokken persoon niet in verzet kan komen. Deze stelling leidt in feite tot de vraag of deze bepaling geldig is, gelet op de in de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten, daar zij onvoldoende bescherming van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging zou opleveren. Dit is het onderwerp van de tweede vraag.

C –    De tweede vraag

73.      Met zijn tweede vraag wenst het Tribunal Constitucional van het Hof te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit verenigbaar is met de eisen van de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest.

74.      Volgens de toelichtingen bij deze laatste twee bepalingen(16) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM en correspondeert artikel 48, lid 2, van het Handvest in het bijzonder met artikel 6, lid 3, EVRM. In artikel 52, lid 3, van het Handvest wordt bepaald dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend, en dat deze bepaling niet verhindert dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. Ik zal dan ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de garanties die verstekvonnissen dienen te bevatten, onderzoeken alvorens na te gaan of het recht van de Unie een ruimere bescherming op dit gebied dient te verlenen.

75.      De algemene beginselen inzake verstekvonnissen zijn door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens samengevat in zijn arrest Sejdovic/Italië van 1 maart 2006(17) en onlangs bevestigd in zijn arrest Haralampiev/Bulgarije van 24 april 2012 en Idalov/Rusland van 22 mei 2012.

76.      Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens „vloeit de mogelijkheid voor de ‚beschuldigde’ om deel te nemen aan de terechtzitting, voort uit het voorwerp en het doel van artikel 6 [EVRM] in zijn geheel.”(18) Het is van mening dat, „[o]ok al is een procedure in afwezigheid van de verdachte an sich niet onverenigbaar met artikel 6 [EVRM], er niettemin sprake is van rechtsweigering wanneer een in absentia veroordeelde persoon niet kan verkrijgen dat een rechterlijke instantie, na hem te hebben gehoord, opnieuw uitspraak doet over de gegrondheid, feitelijk en rechtens, van de beschuldiging, tenzij is aangetoond dat deze persoon afstand heeft gedaan van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen [...] of van plan is geweest uit handen van justitie te blijven.”(19)

77.      Bovendien is dit Hof van mening dat „de verplichting, ervoor te zorgen dat de beschuldigde – hetzij tijdens de eerste tegen hem gevoerde procedure, hetzij tijdens een nieuw proces – in de rechtszaal aanwezig kan zijn, een wezenlijk bestanddeel van artikel 6 [EVRM] is [...]. De weigering om een procedure die bij verstek is gevoerd zonder dat er aanwijzingen waren dat de beschuldigde afstand heeft gedaan van zijn recht om te verschijnen, is dan ook aangemerkt als een ‚flagrante rechtsweigering’, hetgeen overeenkomt met het begrip procedure die ‚kennelijk in strijd is met de bepalingen van artikel 6 [EVRM] of met de daarin verankerde beginselen’.”(20)

78.      Verder blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat „[d]e letter noch de geest van artikel 6 [EVRM] eraan in de weg staat dat een persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend vrijwillig afstand doet van de garanties van een eerlijk proces [...]. Om uit het oogpunt van het [EVRM] in aanmerking te kunnen worden genomen, moet de afstand van het recht om deel te nemen aan de terechtzitting ondubbelzinnig zijn aangetoond en gepaard gaan met een minimum aan garanties naargelang van de ernst ervan [...]. Bovendien mag de afstand niet in strijd zijn met een belangrijk openbaar belang.”(21) Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft ook geoordeeld dat „een beschuldigde slechts kan worden geacht door zijn gedrag stilzwijgend afstand te hebben gedaan van een belangrijk aan artikel 6 [EVRM] ontleend recht, indien is aangetoond dat hij de gevolgen van zijn gedrag dienaangaande redelijkerwijze kon voorzien.”(22)

79.      Wanneer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beoordeelt of de betrokken nationale procedure voldoet aan de eisen van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, hecht het er veel belang aan dat de afwezigheid van de beschuldigde op zijn proces niet wordt bestraft door af te wijken van het recht op bijstand door een advocaat.(23) Het is immers zo dat, „ofschoon het recht van iedere beschuldigde om daadwerkelijk te worden verdedigd door een advocaat, indien nodig door een ambtshalve toegevoegde advocaat, niet absoluut is, het toch een van de fundamentele elementen van een eerlijk proces is. Een beschuldigde verliest dit recht niet door het enkele feit dat hij niet aanwezig is op de terechtzitting.”(24) Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens „[i]s het [...] voor de billijkheid van het strafrechtstelsel van cruciaal belang dat de beschuldigde zowel in eerste aanleg als in hoger beroep passend wordt verdedigd.”(25) Bijgevolg „[...] mag de wetgever, ook al moet hij ongerechtvaardigde afwezigheden kunnen tegengaan, deze niet bestraffen door af te wijken van het recht op bijstand door een advocaat”(26), en „[s]taat het aan de rechterlijke instanties te zorgen voor een eerlijk proces en er dus op toe te zien dat een advocaat, die overduidelijk ter terechtzitting aanwezig is om zijn afwezige cliënt te verdedigen, de gelegenheid krijgt om dit doen.”(27)

80.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit niet alleen voldoet aan eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aldus heeft geformuleerd, maar deze eisen ook codificeert voor de toepassing ervan bij de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel ter uitvoering van een beslissing gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen.

81.      Zo wordt in de punten a en b van deze bepaling vastgelegd onder welke voorwaarden de betrokkene moet worden geacht vrijwillig en ondubbelzinnig te hebben afgezien van aanwezigheid op zijn proces, zodat hij geen aanspraak meer kan maken op een verzetprocedure. Artikel 4 bis, lid 1, sub b, van het kaderbesluit is een afgeleide van artikel 4 bis, lid 1, sub a, van dit kaderbesluit dat ziet op het geval dat de betrokkene, die op de hoogte was van het voorgenomen proces, weloverwogen ervoor heeft geopteerd, zich te laten vertegenwoordigen door een juridisch raadman in de plaats van in persoon te verschijnen op zijn proces(28), wat aantoont dat deze persoon ervan heeft afgezien in persoon aan zijn proces deel te nemen, doch gebruik heeft gemaakt van zijn recht van verdediging. De punten c en d van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit ten slotte dekken de niet onder de punten a of b van deze bepaling ressorterende gevallen waarin de betrokken persoon recht heeft op een verzetprocedure of op een procedure van hoger beroep.

82.      Overeenkomstig de in artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2009/299 bepaalde doelstellingen versterkt artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit dus de procedurele rechten van personen tegen wie een strafprocedure loopt, door het recht van de Unie in overeenstemming te brengen met het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn rechtspraak bepaalde beschermingsniveau, en faciliteert het tegelijkertijd de justitiële samenwerking in strafzaken, in het bijzonder door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten te bevorderen.

83.      Ik ben van mening dat de door de wetgever van de Unie gekozen maatstaf van bescherming volstaat en geschikt is om bovengenoemde doelstellingen te bereiken, en dat de inachtneming van de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest niet vereiste dat de wetgever zou opteren voor een ruimere bescherming van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging, bijvoorbeeld door van het recht om in verzet te komen een absoluut vereiste te maken dat losstaat van het gedrag van de betrokken persoon.

84.      Bovendien is er mijns inziens geen enkele reden om verder te gaan dan het evenwichtige standpunt van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof kan zich in casu immers niet baseren op de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, om een ruimere bescherming te bieden. Uit de omstandigheid dat kaderbesluit 2009/299 een initiatief was van zeven lidstaten en dat het door alle lidstaten is goedgekeurd, kan immers met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de grote meerderheid van de lidstaten niet dezelfde opvatting heeft als die welke het Tribunal Constitucional in zijn rechtspraak heeft geformuleerd.(29)

85.      Mijns inziens is er dus niets dat de geldigheid van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit ten aanzien van de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest zou kunnen aantasten.

86.      Verder wijs ik erop dat, voor zover artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit een uitputtende en uit het oogpunt van de bescherming van de grondrechten toereikende regeling bevat van de kwestie van het recht om in verzet te komen in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel ter uitvoering van een beslissing gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen, artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 en artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2009/299 de uitvoerende rechterlijke autoriteiten niet zouden mogen toestaan, de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit opzij te zetten voor een striktere opvatting van het recht op een eerlijk proces, door stelselmatig te eisen dat de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen wanneer deze zich in een van de sub a tot en met d van deze bepalingen bedoelde gevallen bevindt.

87.      Thans dient te worden uitgemaakt of artikel 53 van het Handvest het Tribunal Constitucional toestaat, in het kader van de toepassing van het kaderbesluit vast te houden aan zijn uitlegging van artikel 24, lid 2, van de Spaanse grondwet, volgens welke de overlevering van een bij verstek veroordeelde persoon afhankelijk moet worden gesteld van de mogelijkheid dat de veroordeling in de uitvaardigende lidstaat kan worden herzien.

D –    De derde vraag

88.      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof in wezen te vernemen of artikel 53 van het Handvest een uitvoerende rechterlijke autoriteit toestaat om op grond van zijn nationaal grondwettelijk recht de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen, ofschoon artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit een dergelijke voorwaarde niet toestaat.

89.      Met de onderhavige vraag wordt het Hof dus verzocht de juridische inhoud en draagwijdte van artikel 53 van het Handvest te preciseren.

90.      In zijn verwijzingsbeslissing geeft het Tribunal Constitucional drie mogelijke interpretaties van dit artikel.

91.      De eerste interpretatie bestaat erin, artikel 53 van het Handvest gelijk te stellen met een clausule die voorziet in een minimummaatstaf van bescherming, een kenmerk van de internationale rechtsinstrumenten ter bescherming van de rechten van de mens, zoals de clausule die is opgenomen in artikel 53 EVRM(30). Het Handvest zou aldus een minimummaatstaf opleggen en de lidstaten toestaan, de uit hun grondwet voortvloeiende hogere beschermingmaatstaf toe te passen, en op die manier een daling van het niveau van bescherming van de grondrechten te vermijden.

92.      In die hypothese zou artikel 53 van het Handvest een lidstaat toestaan, de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel ter uitvoering van een verstekvonnis afhankelijk te stellen van voorwaarden die tot doel hebben te voorkomen dat een uitlegging wordt gegeven die de door zijn grondwet erkende grondrechten beperkt of daaraan afbreuk doet, zonder dat dit binnen deze lidstaat geldende hogere beschermingsniveau noodzakelijkerwijze tot de andere lidstaten moet worden uitgebreid via het Hof, dat dit niveau zou overnemen. Dit standpunt komt erop neer dat in een situatie waarin het Hof oordeelt dat het recht van de Unie aan een grondrecht geen ruimere bescherming hoeft te verlenen dan de uit het EVRM voortvloeiende maatstaf, artikel 53 van het Handvest een lidstaat zou toestaan, krachtens zijn grondwet een dergelijk hoger niveau van bescherming van dit grondrecht te verzekeren.(31)

93.      De tweede uitlegging van artikel 53 van het Handvest bestaat hierin, te oordelen dat dit artikel het respectieve toepassingsgebied van het Handvest en, met name, de grondwetten van de lidstaten beoogt af te bakenen door er, net als in artikel 51 van het Handvest, aan te herinneren dat binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie de toe te passen maatstaf van bescherming van de grondrechten die is welke voortvloeit uit het Handvest. Buiten het toepassingsgebied van het recht van de Unie zou het Handvest echter niet eraan in de weg staan dat de door de grondwet van een lidstaat bepaalde maatstaf van bescherming van de grondrechten wordt toegepast. Volgens het Tribunal Constitucional zou deze lezing van het Handvest, die haar verklaring vindt in het vereiste van eenvormige toepassing van het recht van de Unie, als nadeel hebben dat, enerzijds, aan dit artikel elke specifieke juridische inhoud wordt ontnomen, zodat het overbodig wordt ten opzichte van artikel 51 van het Handvest, en dat, anderzijds, wordt erkend dat het Handvest tot gevolg kan hebben dat in de lidstaten het uit hun grondwettelijke bepalingen voortvloeiende niveau van bescherming van de grondrechten kan worden verlaagd.

94.      Die lezing van artikel 53 van het Handvest zou impliceren dat het Tribunal Constitucional zijn rechtspraak betreffende de uitlegging van artikel 24 van de Spaanse grondwet in het kader van de toepassing van artikel 4 bis van het kaderbesluit dient aan te passen. Buiten de werkingssfeer van het kaderbesluit zou het deze rechterlijke instantie echter vrij staan, een hoger niveau van bescherming van de grondrechten te bieden.

95.      De derde door het Tribunal Constitucional voorgestelde uitlegging van artikel 53 van het Handvest bestaat erin, de ene of de andere van de eerste twee uitleggingen te kiezen naargelang van de kenmerken van het aan de orde zijnde concrete probleem van bescherming van de grondrechten en de context waarin wordt beoordeeld welk beschermingsniveau dient te gelden.(32)

96.      Mijns inziens dient de eerste door het Tribunal Constitucional voorgestelde uitlegging nadrukkelijk te worden afgewezen.

97.      Deze uitlegging doet immers afbreuk aan het beginsel van de voorrang van het recht van de Unie doordat zij ertoe leidt dat in elk concreet geval de voorrang wordt gegeven aan de rechtsnorm die de hoogste mate van bescherming verleent aan het betrokken grondrecht. In bepaalde gevallen zou aldus worden erkend dat nationale grondwetten voorrang hebben op het recht van de Unie.

98.      Het is echter vaste rechtspraak dat een beroep op nationale bepalingen, ook al zijn deze van grondwettelijke aard, om de draagwijdte van bepalingen van het recht van de Unie te beperken, de eenheid en doeltreffendheid van dit recht kan aantasten en dus niet kan worden aanvaard.(33)

99.      Volgens mij mag artikel 53 van het Handvest niet worden begrepen als een clausule ter regeling van een conflict tussen enerzijds een bepaling van afgeleid recht die, uitgelegd tegen de achtergrond van het Handvest, een bepaalde maatstaf van bescherming van een grondrecht zou vaststellen, en anderzijds een bepaling van een nationale grondwet die voorziet in een hoger niveau van bescherming van datzelfde grondrecht. In een dergelijk geval heeft dit artikel tot doel noch tot gevolg dat voorrang wordt gegeven aan de bepaling die de hoogste bescherming biedt en aan een nationale grondwet is ontleend. Door het omgekeerde te aanvaarden zou worden voorbijgegaan aan de vaste rechtspraak van Hof inzake de voorrang van het recht van de Unie.

100. In dit verband wijs ik erop dat de tekst van artikel 53 van het Handvest geen enkele aanwijzing bevat dat dit artikel als een uitzondering op het beginsel van de voorrang van het recht van de Unie moet worden opgevat. Integendeel, aangevoerd kan worden dat de opstellers van het Handvest de termen „binnen hun respectieve toepassingsgebieden” hebben gekozen om geen afbreuk te doen aan dit beginsel.(34) Dit uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende beginsel is overigens bevestigd in de verklaringen gehecht aan de slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, ondertekend op 13 december 2007.(35)

101. De eerste door het Tribunal Constitucional voorgestelde uitlegging zou ook afbreuk doen aan een eenvormige en doeltreffende toepassing van het recht van de Unie binnen de lidstaten.

102. In de onderhavige zaak zou zij in het bijzonder de eenvormigheid van de in artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit bepaalde maatstaf van bescherming ernstig in gevaar kunnen brengen en in de weg kunnen staat aan de tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen ter uitvoering van bij verstek gewezen vonnissen.

103. Deze uitlegging zou immers tot gevolg hebben dat aan de lidstaten een aanzienlijke beoordelingsmarge wordt gelaten om de overlevering te weigeren in geval van bij verstek gewezen vonnissen. Gelet op de uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeiende maatstaf van bescherming van het recht op een eerlijk proces in geval van een bij verstek gewezen vonnis en op de vaststelling zelf van kaderbesluit 2009/299, verlenen de meeste lidstaten een bij verstek veroordeelde persoon waarschijnlijk niet het recht om in verzet te komen wanneer die persoon ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om op zijn proces te verschijnen. De voorgestelde uitlegging zou er dus op uitlopen dat de Spaanse rechterlijke autoriteiten de Europese aanhoudingsbevelen ter uitvoering van bij verstek gewezen vonnissen niet ten uitvoer kunnen leggen omdat de uitvaardigende lidstaten niet kunnen garanderen dat de betrokken personen in verzet kunnen komen. Bovendien zou de invoering van een dergelijke variabele regeling de delinquenten ertoe aanzetten, de wijk te nemen naar lidstaten wier grondwettelijke bepalingen een hogere bescherming bieden dan die van de andere lidstaten, en daardoor afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het kaderbesluit.(36)

104. Deze eerste uitlegging van artikel 53 van het Handvest zou ook het rechtszekerheidsbeginsel in gevaar brengen, aangezien een bepaling van afgeleid recht die nochtans in overeenstemming is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, door een lidstaat opzij zou kunnen worden gezet op grond dat zij in strijd is met een bepaling van zijn grondwet.

105. Meer algemeen is de eerste door het Tribunal Constitucional gesuggereerde uitlegging in tegenspraak met de traditionele technieken van beoordeling van de mate waarin de grondrechten binnen de Unie moeten worden beschermd.

106. Gepreciseerd dient immers te worden dat, ofschoon bij de uitlegging van de door het Handvest beschermde rechten naar een hoog niveau van bescherming dient te worden gestreefd, zoals uit artikel 52, lid 3, van het Handvest en uit de toelichtingen bij artikel 52, lid 4, van het Handvest kan worden afgeleid, het moet gaan om een niveau van bescherming dat strookt met het recht van de Unie, zoals in diezelfde toelichtingen wordt verklaard.

107. Dit verwijst naar een beginsel dat reeds lang als richtsnoer bij de uitlegging van de grondrechten binnen de Unie wordt gebruikt, te weten dat de handhaving van de grondrechten binnen de Unie in het kader van het bestel en de doelstellingen van de Unie moet worden verzekerd.(37) Het is in dit verband niet zonder belang dat in de preambule van het Handvest melding wordt gemaakt van de belangrijkste doelstellingen van de Unie, waaronder de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

108. Bijgevolg kan niet alleen in termen van hoger of lager niveau van bescherming van de grondrechten worden geredeneerd, maar moet ook rekening worden gehouden met de dwingende eisen in verband met het optreden van de Unie en het specifieke karakter van het recht van de Unie.

109. De te beschermen grondrechten en het niveau van de aan deze rechten te verlenen bescherming weerspiegelen de keuzen van een bepaalde samenleving ter zake van het evenwicht dat dient te worden bereikt tussen de belangen van de particulieren en die van de gemeenschap waartoe deze behoren. Het bepalen daarvan hangt nauw samen met voor een bepaalde rechtsorde specifieke beoordelingen, met name met de sociale, culturele en historische context van die rechtsorde, en kan dus niet automatisch worden overgebracht naar een andere context.(38)

110. Artikel 53 van het Handvest aldus uitleggen dat het de lidstaten is toegestaan om binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie toepassing te maken van hun grondwettelijke regel die een hoger niveau van bescherming van het aan de orde zijnde grondrecht waarborgt, zou er dus op neerkomen dat wordt voorbijgegaan aan het feit dat het bepalen van het te bereiken niveau van bescherming van de grondrechten nauw verbonden is met de context waarin dit gebeurt.

111. Aldus impliceert het specifieke karakter van het recht van de Unie, ook al wordt daarin gestreefd naar een hoog niveau van bescherming van de grondrechten, dat het uit de uitlegging van een nationale grondwet voortvloeiende niveau van bescherming niet automatisch kan worden overgebracht naar de Unie en evenmin kan worden tegengeworpen in het kader van de toepassing van het recht van de Unie.

112. Bij de beoordeling van het binnen de rechtsorde van de Unie te waarborgen niveau van bescherming van de grondrechten moet rekening worden gehouden met de specifieke belangen die een rol spelen bij het optreden van de Unie, met name met de noodzaak van een eenvormige toepassing van het recht van de Unie en met de eisen in verband met de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Deze specifieke belangen eisen een aanpassing van het niveau van bescherming van de grondrechten aan de verschillende in het spel zijnde belangen.

113. Kaderbesluit 2009/299 toont juist aan dat het niveau van bescherming van de grondrechten niet in abstracto mag worden vastgesteld, maar dat daarbij rekening moet worden gehouden met de eisen in verband met de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

114. Dienaangaande is er een overduidelijke band tussen de harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten op het gebied van de rechten van personen in strafprocedures en de versterking van het wederzijdse vertrouwen tussen deze staten.

115. Zoals in punt 10 van de considerans van het kaderbesluit wordt verklaard, „[berust] [d]e regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel [...] op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten.” Bovendien heeft het Hof reeds gepreciseerd dat het kaderbesluit de justitiële samenwerking beoogt te vergemakkelijken en te bespoedigen en aldus beoogt bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan.(39)

116. Tegen de achtergrond daarvan kan het bepalen van een gemeenschappelijke en hoge maatstaf van bescherming van de rechten van de verdediging op het niveau van de Unie het vertrouwen versterken dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de kwaliteit van de in de uitvaardigende lidstaat geldende procedure stelt.

117. Zoals de Spaanse regering terecht verklaart, beoogt kaderbesluit 2009/299 een oplossing te geven voor het probleem dat voortvloeit uit het bestaan van uiteenlopende beschermingsniveaus in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel ter uitvoering van een veroordeling bij verstek. Dit kaderbesluit maakt deel uit van de maatregelen die tot doel hebben een Europees samenstel van procedureregels te creëren, dat absoluut noodzakelijk is om de mechanismen van justitiële samenwerking binnen de Unie doeltreffender te maken. Zonder harmonisatie van de procedurele waarborgen kan de Unie immers moeilijk vooruitgang boeken bij de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning en bij de totstandbrenging van een echte ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Het is overigens om die reden dat in artikel 82, lid 2, VWEU wordt bepaald dat „[v]oor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, [...] het Europees Parlement en de Raad [...] minimumvoorschriften [kunnen] vaststellen”, die met name betrekking kunnen hebben op de rechten van personen in de strafprocedure.

118. Kaderbesluit 2009/299 past in deze logica doordat het niet alleen de tenuitvoerlegging van de Europese aanhoudingsbevelen in het kader van veroordelingen bij verstek beoogt te waarborgen, maar ook beoogt te verzekeren dat de grondrechten van de betrokken personen, zoals het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging, afdoende worden beschermd.

119. Om deze doelstellingen met elkaar te verzoenen heeft de wetgever van de Unie het niveau van bescherming van de aan de orde zijnde grondrechten aldus vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel.

120. Ik ben het in dit verband eens met de Spaanse regering, die aanvoert dat weliswaar moet worden gewaarborgd dat de door de lidstaten gegeven rechterlijke beslissingen ten uitvoer worden gelegd met volledige en onverkorte inachtneming van de grondrechten van de verdachten in de strafprocedure, doch dat de procedurele waarborgen waarover laatstgenoemden beschikken, niet uitsluitend mogen worden gebruikt om zich aan het optreden van de rechterlijke instanties te onttrekken. De grondrechten moeten in acht worden genomen, maar tegelijkertijd moet ervoor worden gezorgd dat in de grensoverschrijdende dimensie van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht de procedurele waarborgen niet worden gebruikt om de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen te belemmeren.

121. Artikel 4 bis van het kaderbesluit beantwoordt juist aan dit doel, een betere tenuitvoerlegging van de Europese aanhoudingsbevelen ter uitvoering van verstekvonnissen te verzekeren, en tegelijkertijd de procedurele rechten van de betrokkenen te versterken op een wijze die aan dit doel is aangepast.

122. Een uitlegging van artikel 53 van het Handvest die een uitvoerende rechterlijke autoriteit zou toestaan om op grond van een bepaling van zijn nationale grondwet de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een verstekvonnis algemeen afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dit aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de lidstaat van uitvaardiging in verzet kan komen, zou het door artikel 4 bis van het kaderbesluit gecreëerde evenwicht verstoren en kan dus niet worden aanvaard.

123. Verder wijs ik erop dat punt 12 van de considerans van het kaderbesluit niet als een bevestiging van de eerste door het Tribunal Constitucional voorgestelde uitlegging kan worden opgevat. Volgens dit punt van de considerans laat dit kaderbesluit „de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende het recht op een eerlijke rechtsgang [...] onverlet.” Dit punt van de considerans moet mijns inziens in samenhang met artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit worden gelezen. Zoals hierboven is uiteengezet, is aan deze bepaling echter een groot deel van haar nuttig effect ontnomen nu voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een verstekvonnis binnen de Unie een gemeenschappelijke definitie van de maatstaf van bescherming van het recht op een eerlijk proces is gegeven bij wege van de vaststelling van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit.

124. Met zijn derde vraag verzoekt het Tribunal Constitucional niet alleen om uitlegging van artikel 53 van het Handvest, maar wil het in feite ook vernemen, welke speelruimte de lidstaten hebben voor het bepalen van het niveau van bescherming van de grondrechten dat zij in het kader van de toepassing van het recht van de Unie willen waarborgen. In dit verband dient een onderscheid te worden gemaakt tussen situaties waarin op het niveau van de Unie is bepaald welke mate van bescherming van een grondrecht in het kader van de toepassing van een optreden van de Unie moet worden gewaarborgd, en situaties waarin er geen gemeenschappelijke bepaling van dit niveau van bescherming heeft plaatsgevonden.

125. In het eerste geval houdt de vaststelling van het niveau van bescherming, zoals hierboven is uiteengezet, nauw verband met de doelstellingen van het betrokken optreden van de Unie. Zij weerspiegelt een evenwicht tussen de noodzaak om de doeltreffendheid van het optreden van de Unie te verzekeren en de noodzaak om de grondrechten afdoende te beschermen. In die situatie is het duidelijk, dat wanneer een lidstaat zich achteraf op de handhaving van zijn eigen, hoger niveau van bescherming zou kunnen beroepen, het door de wetgever van de Unie gecreëerde evenwicht zou worden verbroken en de toepassing van het recht van de Unie in gevaar zou worden gebracht.

126. In de context van het kaderbesluit is artikel 4 bis, lid 1, daarvan de uitdrukking van een overeenstemming tussen alle lidstaten over de gevallen waarin een bij verstek veroordeelde persoon moet worden overgeleverd zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan diens recht op een eerlijk proces en aan diens rechten van verdediging. Deze consensus tussen de lidstaten laat geen ruimte voor de toepassing van daarvan afwijkende nationale maatstaven van bescherming.

127. In het tweede geval hebben de lidstaten daarentegen een grotere speelruimte voor de toepassing, binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie, van het niveau van bescherming van de grondrechten dat zij binnen hun nationale rechtsorde willen waarborgen, mits dit niveau van bescherming verenigbaar is met de goede toepassing van het recht van de Unie en geen afbreuk doet aan andere krachtens het recht van de Unie beschermde grondrechten.(40)

128. Tegen die achtergrond dient thans te worden nagegaan welke functie artikel 53 van het Handvest binnen dit Handvest vervult.

129. Daarbij mag mijns inziens de politieke en symbolische waarde van dit artikel niet worden onderschat.(41) Verder moet dit artikel mijns inziens worden gelezen in nauwe samenhang met de artikelen 51 en 52 van het Handvest, waarvan het een verlengstuk is.

130. Volgens de toelichtingen bij artikel 53 van het Handvest „[beoogt] [d]eze bepaling [...] de handhaving van het beschermingsniveau dat momenteel, binnen hun respectieve werkingssferen, wordt geboden door het recht van de Unie, het recht van de lidstaten en het internationale recht. Gezien het belang ervan wordt het EVRM genoemd.”

131. De opstellers van het Handvest konden niet buiten beschouwing laten dat er voor de lidstaten tal van bronnen van bescherming van de grondrechten golden, en dienden dus te bepalen op welke wijze het Handvest met die andere bronnen dient te co-existeren. Dit is het hoofddoel van titel VII van het Handvest, dat de algemene bepalingen betreffende de uitlegging en de toepassing van dit Handvest bevat. Tegen deze achtergrond vult artikel 53 van het Handvest de in de artikelen 51 en 52 daarvan geformuleerde beginselen aan door eraan te herinneren dat, enerzijds, in een stelsel dat wordt gekenmerkt door verschillende bronnen van bescherming van de grondrechten, het Handvest niet bestemd is om het uitsluitende instrument van bescherming van deze rechten te worden, en anderzijds, het Handvest als zodanig niet tot gevolg kan hebben dat het uit deze verschillende bronnen binnen hun respectief toepassingsgebied voortvloeiende niveau van bescherming wordt aangetast of verlaagd.

132. Het Handvest is geen op zichzelf staand instrument dat losstaat van de andere bronnen van bescherming van de grondrechten. Het bepaalt zelf dat bij de uitlegging van zijn bepalingen naar behoren rekening moet worden gehouden met andere, nationale of internationale, rechtsbronnen. Zo maakt artikel 52, lid 3, van het Handvest van het EVRM een minimummaatstaf die het recht van de Unie niet mag onderschrijden, en wordt in artikel 52, lid 4, van het Handvest bepaald dat, voor zover dit Handvest grondrechten erkent die voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, die rechten in overeenstemming met die tradities moeten worden uitgelegd.(42)

133. In artikel 53 van het Handvest, dat deze bepalingen aanvult, wordt gepreciseerd dat in het kader van het naast elkaar bestaan van de verschillende bronnen van bescherming van de grondrechten, het Handvest als zodanig niet mag leiden tot een verlaging van het in de verschillende rechtsorden verleende niveau van bescherming. Dit artikel bevestigt aldus dat het Handvest slechts binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie een niveau van bescherming van de grondrechten oplegt.

134. Het Handvest kan aldus niet tot gevolg hebben dat de lidstaten worden verplicht, het door hun nationale grondwet gewaarborgde niveau van bescherming van de grondrechten te verlagen in gevallen die buiten het toepassingsgebied van het recht van de Unie vallen. Artikel 53 van het Handvest geeft ook uitdrukking aan de opvatting dat de vaststelling van het Handvest voor een lidstaat geen voorwendsel mag zijn om de bescherming van de grondrechten binnen het toepassingsgebied van zijn nationale recht te beperken.

135. In dit verband is de uitdrukking „binnen hun respectieve toepassingsgebieden” met name bedoeld om de lidstaten gerust te stellen dat het Handvest niet in de plaats van hun nationale grondwet komt ter zake van het niveau van bescherming dat deze binnen het toepassingsgebied van het nationale recht waarborgt.(43) Tegelijkertijd betekent deze uitdrukking dat artikel 53 van het Handvest geen afbreuk doet aan de voorrang van het recht van de Unie wanneer de beoordeling van het te bereiken niveau van bescherming van de grondrechten, in het kader van de toepassing van het recht van de Unie gebeurt.

136. Gelet op mijn lezing van artikel 53 van het Handvest, geef ik het Hof dan ook in overweging, voor recht te verklaren dat dit artikel aldus moet worden uitgelegd dat het de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toestaat, op grond van zijn nationaal grondwettelijk recht de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen, nu artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit de toepassing van een dergelijke voorwaarde niet toestaat.

137. Gepreciseerd zij dat de opvatting die ik het Hof in de onderhavige zaak in overweging geef, niet neerkomt op een ontkenning van de noodzaak om rekening te houden met de nationale identiteit van de lidstaten, waarvan de grondwettelijke identiteit deel uitmaakt.(44)

138. Ik ben mij ervan bewust dat de Unie, zoals in artikel 4, lid 2, VEU wordt bepaald, verplicht is de nationale identiteit van de lidstaten, „die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren”(45), te eerbiedigen. Ik wijs er ook op dat in de preambule van het Handvest eraan wordt herinnerd dat de Unie in haar optreden de nationale identiteit van de lidstaten dient te eerbiedigen.

139. Een lidstaat die van oordeel is dat een bepaling van afgeleid recht afbreuk doet aan zijn nationale identiteit, kan daar dus tegen opkomen met een beroep op artikel 4, lid 2, VEU.(46)

140. In het onderhavige geval is er echter geen sprake van een dergelijke situatie. Zowel de discussie die voor het Tribunal Constitucional heeft plaatsgevonden, als die welke voor het Hof is gevoerd, overtuigt mij in dit verband dat de vaststelling van de draagwijdte van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging in geval van verstekvonnissen niet van dien aard is dat de nationale identiteit van het Koninkrijk Spanje daardoor wordt aangetast.

141. Immers, niet alleen blijft de vaststelling van de „absolute inhoud” van de rechten van verdediging een voorwerp van discussie binnen het Tribunal Constitucional zelf, ter terechtzitting heeft het Koninkrijk Spanje zelf, met name onder verwijzing naar de uitzonderingen die in Spaanse recht bestaan op de mogelijkheid van verzet na een verstekvonnis, ook verklaard dat de deelneming van de beschuldigde aan zijn proces niet tot de grondwettelijke identiteit van het Koninkrijk Spanje behoort.

142. Verder mag mijns inziens het gevolg van een veeleisende opvatting van de bescherming van een grondrecht niet worden verward met een aantasting van de nationale identiteit of, meer bepaald, van de grondwettelijke identiteit van een lidstaat. Het gaat in het onderhavige geval weliswaar om een door de Spaanse grondwet beschermd grondrecht waarvan het belang niet mag worden onderschat, maar dit betekent nog niet dat hier de toepassing van artikel 4, lid 2, VEU dient te worden overwogen.

143. Verder dient te worden gepreciseerd dat de inaanmerkingneming van onderscheidende kenmerken van de nationale rechtsorden deel uitmaakt van de beginselen die in acht moeten worden genomen bij de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

144. Artikel 67, lid 1, VWEU bepaalt immers dat „[d]e Unie [...] een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht [is], waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd.” Bovendien bepaalt artikel 82, lid 2, VWEU dat de minimumvoorschriften die het Parlement en de Raad met name ter zake van de rechten van personen in de strafvordering kunnen vaststellen, rekening moeten houden met „de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten.” Verder wijs ik erop dat in artikel 82, lid 3, VWEU wordt bepaald dat „[w]anneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in lid 2 bedoelde ontwerp-richtlijn afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, [...] hij [kan] verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd”, in welk geval de wetgevingsprocedure wordt geschorst en, in geval van blijvend verschil van mening, kan uitlopen op toepassing van de bepalingen betreffende nauwere samenwerking.

145. Dat de wetgever van de Unie artikel 4 bis van het kaderbesluit heeft vastgesteld, toont aan dat de lidstaten een gemeenschappelijke aanpak van de tenuitvoerlegging van de Europese aanhoudingsbevelen ter uitvoering van verstekvonnissen hebben gewenst, en dat deze gemeenschappelijke aanpak verenigbaar was met de diversiteit van de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten.

IV – Conclusie

146. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de vragen van het Tribunal Constitucional te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 4 bis, lid 1, sub a en b, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de in die bepaling bedoelde gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dit bevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen.

2)      Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, is verenigbaar met de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

3)      Artikel 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toe, op grond van zijn nationaal grondwettelijk recht, de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon tegen wie dat bevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat in verzet kan komen, nu artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, de toepassing van een dergelijke voorwaarde niet toestaat.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 –      PB L 190, blz. 1.


3 –      PB L 81, blz. 24; hierna: „kaderbesluit”.


4 – Dit is een beroep ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden. Dit beroep strekt met name tot bescherming van de in de afdelingen I en II van hoofdstuk II van titel I van de Spaanse grondwet geformuleerde rechten, zoals het recht op gelijke behandeling (artikel 14), de grondrechten en fundamentele vrijheden genoemd in de artikelen 15 tot en met 29 van die grondwet en het recht om zich tegenover de overheid te beroepen op gemoedsbezwaren (artikelen 30, lid 2, en 53, lid 2).


5 – Verzoeker verwijst daartoe naar de arresten van het Tribunal Constitucional 91/2000 van 30 maart 2000 en 177/2006 van 5 juni 2006.


6 –      Zie arrest van 16 juni 2005, Pupino (C‑105/03, Jurispr. blz. I‑5285, punt 43).


7 – Verklaring betreffende artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2009/299 (PB 2009, L 97, blz. 26).


8 – Zie met name arrest van 28 juni 2007, Dell’Orto (C‑467/05, Jurispr. blz. I‑5557, punt 40), en, met betrekking tot de beoordeling van de geldigheid van een rechtsregel van de Unie, arrest van 8 juli 2010, Afton Chemical (C‑343/09, Jurispr. blz. I‑7027, punten 13 en 14).


9 –      Zie met arrest van 12 augustus 2008, Santesteban Goicoechea (C‑296/08 PPU, Jurispr. blz. I‑6307, punt 80 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).


10 – Zie naar analogie arrest van 1 juli 2004, Tsapalos en Diamantakis (C‑361/02 en C‑362/02, Jurispr. blz. I‑6405, punt 20). Zoals door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is verklaard, heeft het Europees aanhoudingsbevel „niet betrekking op de gegrondheid van een strafrechtelijke beschuldiging” en „is de overlevering van de verzoeker aan de [bevoegde] autoriteiten geen straf die aan de betrokkene wordt opgelegd voor een misdrijf dat deze heeft begaan, maar een procedure om de tenuitvoerlegging van een vonnis mogelijk te maken” (zie beslissing van het EHRM van 7 oktober 2008 in de zaak Monedero Angora/Spanje). Met andere woorden, de procedure van het Europees aanhoudingsbevel heeft geen weerslag op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkene, maar beoogt de tenuitvoerlegging van een veroordeling te vergemakkelijken.


11 – Zie hierover Guillén López, E., „The impact of the European Convention of Human Rights and the Charter of Fundamental Rights of the European Union on Spanish Constitutional law: make a virtue of necessity”, Human rights protection in the European legal order: the interaction between the European and the national courts, Intersentia, 2011, blz. 309, waarin met name wordt verklaard dat „with the authorisation for the ratification of the Lisbon Treaty, organic law 1/2008 [...] states in Article 2 that: ‚Under the provisions of paragraph 2 of Article 10 of the Spanish constitution and paragraph 8 of Article 1 of the Treaty of Lisbon, the rules relating to fundamental rights and freedoms recognized by the constitution shall be interpreted in accordance with the provisions of the Charter of Fundamental Rights’” (blz. 334).


12 – Zie naar analogie, met betrekking tot een bij de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court) (Verenigd Koninkrijk) ingesteld beroep tot toetsing van de rechtmatigheid van de omzetting van een richtlijn in nationaal recht, waarbij op de datum van instelling van dat beroep de termijn voor omzetting van die richtlijn in nationaal recht nog niet was verstreken en nog geen enkele nationale maatregel tot omzetting van die richtlijn in het nationale recht was vastgesteld, arresten van 3 juni 2008, Intertanko e.a. (C‑308/06, Jurispr. blz. I‑4057, punten 33‑35), alsmede Afton Chemical, reeds aangehaald (punten 15‑17).


13 –      Zie artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2009/299.


14 –      Zie punt 4 van de considerans van kaderbesluit 2009/299.


15 –      Idem.


16 –      Zie Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17).


17 –      Recueil des arrêts et décisions 2006-II.


18 – Zie reeds aangehaalde EHRM-arresten Sejdovic/Italië (§ 81) en Haralampiev/Bulgarije (§ 30).


19 – Zie het reeds aangehaalde EHRM-arrest Sejdovic/Italië (§ 82).


20 – Zie de reeds aangehaalde EHRM-arresten Sejdovic/Italië (§ 84) en Haralampiev/Bulgarije (§ 31).


21 – Zie de reeds aangehaalde EHRM-arresten Sejdovic/Italië (§ 86) en Haralampiev/Bulgarije (§ 32). Zie ook het reeds aangehaalde EHRM-arrest Idalov/Rusland (§ 172).


22 – Zie het reeds aangehaalde EHRM-arrest Idalov/Rusland (§ 173). Zie ook, in dezelfde zin, de reeds aangehaalde EHRM-arresten Sejdovic/Italië (§ 87) en Haralampiev/Bulgarije (§ 33).


23 – Zie het met name het EHRM-arrest Medenica/Zwitserland van 14 juni 2001, Recueil des arrêts et décisions 2001-VI, waarin dit hof aangaande de betrokkene, die tijdig op de hoogte was gebracht van de tegen hem ingestelde vervolging en van de datum van zijn proces, heeft opgemerkt dat „ter terechtzitting [zijn] verdediging was waargenomen door twee advocaten van zijn keuze” (§ 56).


24 – Zie met name het EHRM-arrest Krombach/Frankrijk van 13 februari 2001, Recueil des arrêts et décisions 2001-II, § 89. Zie ook het reeds aangehaalde EHRM-arrest Sejdovic/Italië (§ 91).


25 – Zie met name het reeds aangehaalde EHRM-arrest Sejdovic/Italië (§ 91).


26 – Zie met name het EHRM-arrest Van Geyseghem/België van 21 januari 1999, Recueil des arrêts et décisions 1999-I, § 34, en het reeds aangehaalde EHRM-arrest Krombach/Frankrijk (§ 89), alsmede, in dezelfde zin, het reeds aangehaalde EHRM-arrest Sejdovic/Italië (§ 92).


27 – Zie met name het reeds aangehaalde EHRM-arrest Sejdovic/Italië (§ 93).


28 –      Zie punt 10 van de considerans van kaderbesluit 2009/299.


29 – Met andere woorden, uit de behandeling van de onderhavige zaak voor het Hof is niet gebleken dat, in de bewoordingen die het Hof in punt 74 van zijn arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (C‑550/07 P, Jurispr. blz. I‑8301) heeft gebruikt, uit de rechtsorden van de 27 lidstaten van de Europese Unie „een overheersende tendens” naar de door het Tribunal Constitucional gekozen interpretatie kan worden afgeleid.


30 –      Volgens artikel 53 EVRM wordt „geen bepaling van dit verdrag [...] uitgelegd als beperkingen op te leggen of inbreuk te maken op de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden die verzekerd kunnen worden ingevolge de wetten van enige Hoge Verdragsluitende Partij of ingevolge enig ander verdrag waarbij de Hoge Verdragsluitende Partij partij is.”


31 – Het Tribunal Constitucional verwijst in dit verband naar de arresten van 12 juni 2003, Schmidberger (C‑112/00, Jurispr. blz. I‑5659, punt 74); 11 december 2007, International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union (C‑438/05, Jurispr. blz. I‑10779, punt 45), en 18 december 2007, Laval un Partneri (C‑341/05, Jurispr. blz. I‑11767, punt 93). Uit de genoemde punten van deze arresten blijkt dat de bescherming van de grondrechten een rechtmatig belang vormt, dat in beginsel een rechtvaardiging kan vormen voor een beperking van door het recht van de Unie opgelegde verplichtingen, zelfs verplichtingen uit hoofde van een door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheid, zoals het vrije verkeer van goederen of het vrij verrichten van diensten.


32 – Het Tribunal Constitucional noemt in dit verband de arresten van 14 oktober 2004, Omega (C‑36/02, Jurispr. blz. I‑9609, punten 37 en 38), alsmede het reeds aangehaalde arrest Pupino (punt 60).


33 – Zie met name arresten van 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft (11/70, Jurispr. blz. 1125, punt 3); 2 juli 1996, Commissie/Luxemburg (C‑473/93, Jurispr. blz. I‑3207, punt 38), en 8 september 2010, Winner Wetten (C‑409/06, Jurispr. blz. I‑8015, punt 61).


34 – Zie in die zin Ladenburger, C., „European Union Institutional Report”, The Protection of Fundamental Rights Post-Lisbon: The Interaction between the Charter of Fundamental Rights of the European Union, the European Convention on Human Rights and National Constitutions, Tartu University Press, Rapporten van het XXVe FIDE-congres te Tallinn 2012, deel 1, blz. 141, in het bijzonder blz. 175 en voetnoot 124.


35 –      Zie verklaring nr. 17 betreffende de voorrang.


36 – Zie Tinsley, A., „Note on the reference in case C‑399/11 Melloni”, New Journal of European Criminal Law, deel 3, aflevering 1, 2012, blz. 19, in het bijzonder blz. 28. De auteur verwijst naar het artikel van M. Arroyo Jiménez met als titel „Sobre la primera cuestión prejudicial planteada por el Tribunal Constitucional – Bases, contenido y consecuencias”, Revista Para el Análisis del Derecho, Barcelona, oktober 2011.


37 –      Zie arrest Internationale Handelsgesellschaft, reeds aangehaald (punt 4).


38 – Zie Widmann, A.‑M., „Article 53: undermining the impact of the Charter of Fundamental Rights”, Columbia journal of European law, deel 8, 2002, nr. 2, blz. 342, met name blz. 353, alsmede Van De Heyning, C., „No place like home – Discretionary space for the domestic protection of fundamental rights”, Human rights protection in the European legal order: the interaction between the European and the national courts, op. cit., blz. 65, met name blz. 81.


39 –      Zie met name arrest van 28 juni 2012, West (C‑192/12 PPU, punt 53 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).


40 – Voor voorbeelden van grondrechten die in bepaalde lidstaten een hogere bescherming genieten dan de bescherming verleend door het EVRM en het recht van de Unie, zie Besselink, L. F. M., „General Report”, The Protection of Fundamental Rights Post-Lisbon: The Interaction between the Charter of Fundamental Rights of the European Union, the European Convention on Human Rights and National Constitutions, op. cit., blz. 63, met name blz. 70. Zie ook, in hetzelfde werk, Ladenburger, C., op. cit., die van mening is dat, „where Union law leaves several ways of implementation without its effectiveness being undermined, then it is hard to see why the national authority should not be authorised to select only such modes of implementation that respect its own constitution” (blz. 173).


41 – Zie Bering Liisberg, J., „Does the EU Charter of Fundamental Rights Threaten the Supremacy of Community Law? – Article 53 of the Charter: a fountain of law or just an inkblot?”, Jean Monnet Working Paper nr. 4/01, blz. 18 en 50.


42 – De boodschap van artikel 52, lid 4, van het Handvest wordt door C. Ladenburger, op. cit., blz. 179, als volgt verwoord:


      „[T]he step of incorporating a written catalogue into primary law should not lead to construing Union fundamental rights in complete abstraction from the Member States’ constitutional traditions and laws.”


Artikel 52, lid 6, van het Handvest, waarin wordt bepaald dat „[m]et de nationale wetgevingen en praktijken [...] ten volle rekening [moet] worden gehouden, zoals bepaald in dit Handvest”, vloeit voort uit dezelfde redenering.


43 – Zie Bering Liisberg, J., op. cit., blz. 16 en 35. Binnen de lidstaten kunnen de nationale rechterlijke instanties naargelang van de zaken waarin zij uitspraak moeten doen en van het toepasselijke recht bepalen welke beschermingsmaatstaf moet worden toegepast. Zie in dit verband Besselink, L. F. M., op. cit., die erop wijst dat „in federal states courts are acquainted with the distinction between areas of competence and the differentiated standards which accompany each. At the same time there is little doubt that the various ‚layers’ overlap” (blz. 77).


44 – Zie dienaangaande met name Simon, D., „L’identité constitutionnelle dans la jurisprudence de l’Union européenne”, L’identité constitutionnelle saisie par les juges en Europe, Éditions A. Pedone, Paris, 2011, blz. 27; Constantinesco, V., „La confrontation entre identité constitutionnelle européenne et identités constitutionnelles nationales, convergence ou contradiction? Contrepoint ou hiérarchie?”, L’Union européenne: Union de droit, Union des droits – Mélanges en l’honneur de Philippe Manin, Éditions A. Pedone, Paris, 2010, blz. 79, en, in hetzelfde werk, Mouton, J.‑D., „Réflexions sur la prise en considération de l’identité constitutionnelle des États membres de l’Union européenne”, blz. 145.


45 – Het Hof heeft naar deze bepaling verwezen in zijn arresten van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C‑208/09, Jurispr. blz. I‑13693, punt 92); 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn (C‑391/09, Jurispr. blz. I-3787, punt 86), en 24 mei 2011, Commissie/Luxemburg (C‑51/08, Jurispr. blz. I-4231, punt 124). Zie ook punt 59 van de conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Las (C‑202/11, nog hangende voor het Hof), en de punten 60 e.v. van het verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak JS (C‑253/12, nog hangende voor het Hof).


46 – Zie Besselink, L. F. M., op. cit., die verklaart dat „divergent fundamental rights standards may not be resolved explicitly via provisions like Article 53 of the Charter and of the ECHR, but by reference to Article 4(2) EU. Reliance on divergent fundamental rights standards is then made dependent on whether it forms part of the constitutional identity of a Member State” (blz. 136).