ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

14 november 2012

Zaak F‑75/11

Vincent Bouillez

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2007 – Weigering van bevordering – Nietigverklaring – Uitvoeringsmaatregelen – Nieuwe vergelijking van verdiensten – Vergelijking van verdiensten van ambtenaren van functiegroep AST aan de hand van hun loopbaan”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Bouillez vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit om hem in het kader van de bevorderingsronde 2007 niet naar de rang AST 7 te bevorderen, dat de Raad op 1 oktober 2010 heeft vastgesteld na een nieuwe vergelijking van verdiensten ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van 5 mei 2010, Bouillez e.a./Raad, F‑53/08 (hierna: „arrest van 5 mei 2010”).

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. De Raad draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in één vierde van de kosten van Bouillez. Verzoeker draagt drie vierde van zijn eigen kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Modaliteiten – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Grenzen – Eerbiediging van gelijkheidsbeginsel – Noodzaak van onderzoek dat betrekking heeft op alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren door het tot aanstelling bevoegd gezag

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

2.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Modaliteiten – Ambtenaren van functiegroep AST – Afzonderlijk onderzoek naargelang loopbaan

(Ambtenarenstatuut, art. 45; bijlage XIII, art. 10)

3.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Elementen die in aanmerking kunnen worden genomen

(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)

4.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

1.      Artikel 45 van het Statuut, dat het tot aanstelling bevoegd gezag voorschrijft om de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te vergelijken, veronderstelt dat die vergelijking alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren betreft, ongeacht de uitgeoefende werkzaamheden. Dat vereiste geeft immers uitdrukking aan het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren alsmede aan het beginsel van loopbaanontwikkeling.

Daar de statutaire wetgever alle administrateurs in één functiegroep heeft willen samenbrengen, of zij nu taalkundige of andere werkzaamheden uitoefenen, dient dat gezag één vergelijking van de verdiensten van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren van dezelfde rang te verrichten.

(cf. punten 33 en 34)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 15 december 2010, Almeida Campos e.a./Raad, F‑14/09, punten 31 en 35, en aangehaalde rechtspraak

2.      Voor ambtenaren van de functiegroep AST voorziet artikel 10 van bijlage XIII bij het Statuut, teneinde het aantal vacante ambten voor elke rang te bepalen, in verschillende vermenigvuldigingsfactoren naargelang de loopbanen.

Daar de administratie zich aan die factoren moet houden, is het terecht dat het tot aanstelling bevoegd gezag de verdiensten van ambtenaren van de functiegroep AST naargelang de loopbaan afzonderlijk vergelijkt.

Het is niet in strijd met artikel 45 van het Statuut om de verdiensten van ambtenaren van de functiegroep AST in het kader van een bevorderingsronde aan de hand van de loopbaan te vergelijken, aangezien artikel 10 van bijlage XIII bij het Statuut als lex specialis afwijkt van de algemene bepalingen van het Statuut.

(cf. punten 35‑37)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 10 november 2011, Juvyns/Raad, F‑20/09, punten 42 en 43

3.      Bij de vergelijking van de verdiensten waarmee in het kader van een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut rekening moet worden gehouden, beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid.

Artikel 45, lid 1, van het Statuut geeft de instellingen een bepaalde vrijheid ten aanzien van de feitelijke elementen waarmee bij de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren rekening moet worden gehouden, aangezien het op dit punt geen uitputtende lijst geeft. Door het gebruik (in het Frans) van de uitdrukking „met name”, preciseert artikel 45, lid 1, van het Statuut immers de drie belangrijkste feitelijke elementen die bij de vergelijking van de verdiensten verplicht in aanmerking moeten worden genomen. Het sluit echter niet uit dat rekening wordt gehouden met andere feitelijke elementen die eveneens iets kunnen zeggen over de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag op het gebied van bevordering slechts subsidiair, dat wil zeggen wanneer de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren met betrekking tot de drie in artikel 45, lid 1, van het Statuut uitdrukkelijk genoemde elementen over gelijke verdiensten beschikken, rekening kan houden met de leeftijd van de kandidaten en met hun anciënniteit in de rang of dienst. Noch de leeftijd noch de anciënniteit kan op zich immers iets zeggen over de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten. Om die reden kunnen zij slechts in aanmerking worden genomen om een keuze te maken tussen kandidaten die over gelijke verdiensten beschikken.

Voorts beschikt de administratie over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het respectieve belang dat zij toekent aan elk van de drie in artikel 45, lid 1, van het Statuut genoemde criteria, daar de bepalingen van dat artikel niet uitsluiten dat er een afweging tussen die criteria kan plaatsvinden.

(cf. punten 56‑58)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 15 september 2005, Casini/Commissie, T‑132/03, punt 52, en aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: 24 maart 2011, Canga Fano/Raad, F‑104/09, punt 68, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑281/11 P; 28 september 2011, AC/Raad, F‑9/10, punt 25, en aangehaalde rechtspraak

4.      De aan het tot aanstelling bevoegd gezag toegekende beoordelingsbevoegdheid wordt beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de ambtenaren zorgvuldig en onpartijdig, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling moet geschieden. In de praktijk moet deze vergelijking op voet van gelijkheid en op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen plaatsvinden.

Het toezicht van de rechter moet zich op dat gebied beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen indiscutabele grenzen is gebleven en haar bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.

Het staat dus niet aan het Gerecht om alle dossiers van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten uitvoerig te heronderzoeken teneinde zich ervan te vergewissen dat het het eens is met de conclusie van het tot aanstelling bevoegd gezag, aangezien het daarmee buiten het kader van zijn wettigheidscontrole zou treden door zijn eigen oordeel over de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren in de plaats te stellen van dat van dat gezag.

Bovendien kan het Gerecht zijn oordeel over de kwalificaties en de verdiensten van ambtenaren niet in de plaats stellen van dat van het tot aanstelling bevoegd gezag en is een nietigverklaring wegens een kennelijke beoordelingsfout alleen mogelijk indien uit de stukken van het dossier blijkt dat dat gezag de grenzen van zijn beoordelingsmarge heeft overschreden.

(cf. punten 59‑62)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: Casini/Commissie, reeds aangehaald, punt 52, en aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: AC/Raad, reeds aangehaald, punten 14 en 23; 13 december 2011, Stols/Raad, F‑51/08 RENV, punten 37 en 38