Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 8 december 2020 – Veridos GmbH / Minister van Binnenlandse Zaken van de Republiek Bulgarije, Mühlbauer ID Services GmbH – S&T

(Zaak C-669/20)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster tot cassatie: Veridos GmbH

Verweerders in cassatie: Minister van Binnenlandse Zaken van de Republiek Bulgarije, Mühlbauer ID Services GmbH – S&T

Prejudiciële vragen

Moeten artikel 56 van richtlijn 2014/24/EU1 juncto artikel 69 ervan, alsook artikel 38 van richtlijn 2009/81/EG2 juncto artikel 49 ervan, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst, in geval dat een in de nationale wetgeving vastgesteld criterium voor de beoordeling van een abnormaal lage inschrijving objectief niet van toepassing is en bij gebreke van een ander, door de aanbestedende dienst gekozen en op voorhand bekendgemaakt criterium, niet verplicht is te onderzoeken of sprake is van een abnormaal lage inschrijving?

Moeten artikel 56 van richtlijn 2014/24/EU juncto artikel 69 ervan, alsook artikel 38 van richtlijn 2009/81/EG juncto artikel 49 ervan, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst alleen dan verplicht is te onderzoeken of sprake is van abnormaal lage inschrijvingen wanneer een dergelijk vermoeden over een bepaalde inschrijving bestaat, of is de aanbestedende dienst daarentegen verplicht zich altijd te vergewissen van de ernst van de ingediende offertes en zijn beslissingen daaromtrent naar behoren te motiveren?

Geldt een dergelijk vereiste voor de aanbestedende dienst wanneer slechts twee inschrijvingen zijn ingediend in het kader van de aanbestedingsprocedure?

Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat de beoordeling van de aanbestedende dienst van het vermoeden dat sprake is van een abnormaal lage inschrijving, dan wel de overtuiging van de aanbestedende dienst dat de inschrijving van de als eerste geplaatste inschrijver als serieus is aan te merken, onderworpen is aan rechterlijke toetsing?

Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat op een aanbestedende dienst die in een aanbestedingsprocedure niet heeft onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving, de verplichting rust de redenen te rechtvaardigen en te motiveren waarom geen sprake is van een vermoeden van een abnormaal lage inschrijving, dat wil zeggen waarom er geen gronden zijn om aan de ernst van de offerte te twijfelen?

____________

1 Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).

2 Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB 2009, L 216, blz. 76).