ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Eerste kamer)

20 september 2011

Zaak F‑117/10

Barry Van Soest

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Aanwerving – Vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Vereist diploma – Begrip diploma van middelbaar onderwijs dat toegang geeft tot hoger onderwijs – Besluiten van jury van vergelijkend onderzoek – Aard van door tot aanstelling bevoegd gezag uitgeoefende controle”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Van Soest primair vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Commissie om hem niet aan te werven, ondanks het feit dat hij is geslaagd voor vergelijkend onderzoek EPSO/AST/41/07.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. De Commissie draagt haar eigen kosten en de kosten van verzoeker.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Jury – Onafhankelijkheid – Grenzen – Vaststelling van onwettige besluiten – Verplichtingen van tot aanstelling bevoegd gezag

2.      Procedure – Kosten – Verwijzing – Inaanmerkingneming van vereisten van billijkheid

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 88)

1.      Het tot aanstelling bevoegd gezag mag bij de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden geen onwettige besluiten nemen. Het kan dan ook niet gebonden zijn aan jurybesluiten waarvan de onwettigheid zijn eigen besluiten zou kunnen aantasten. Wanneer een jury een kandidaat ten onrechte tot een vergelijkend onderzoek heeft toegelaten en hem vervolgens op de lijst van geschikt bevonden kandidaten heeft geplaatst, dient het tot aanstelling bevoegd gezag derhalve bij een met redenen omkleed besluit, aan de hand waarvan de rechter van de Unie de gegrondheid ervan kan beoordelen, de aanstelling van deze kandidaat te weigeren.

Wanneer een jury van een vergelijkend onderzoek een kandidaat die niet het door de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste diploma bezit ten onrechte op de reservelijst heeft geplaatst, dient dat gezag de aanwervingsprocedure van de betrokkene dus te beëindigen.

(cf. punten 24 en 25)

Referentie:

Hof: 23 oktober 1986, Schwiering/Rekenkamer, 142/85, punten 19 en 20

Gerecht van eerste aanleg: 16 maart 2005, Ricci/Commissie, T‑329/03, punt 35; 15 september 2005, T‑306/04, Luxem/Commissie, punt 23

2.      Op grond van artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken kan een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten worden verwezen indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep, met name indien door haar toedoen aan de wederpartij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt.

De toepassing van dit artikel is echter niet alleen beperkt tot dit geval. In geval van een verzoeker die aanvankelijk door de jury van een vergelijkend onderzoek op de reservelijst van dat onderzoek is geplaatst alvorens hem uiteindelijk, bijna een jaar later, door het tot aanstelling bevoegd gezag wordt meegedeeld dat hij niet kon worden aangeworven, omdat hij niet voldeed aan de toelatingsvoorwaarden betreffende de door de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorgeschreven bewijsstukken of diploma’s, verklaart het feit dat de jury ervan uitging dat verzoeker aan die voorwaarden voldeed dat de betrokkene terecht twijfels heeft kunnen hebben over de wettigheid van het bestreden besluit en vervolgens beroep heeft ingesteld. Onder dergelijke omstandigheden moet de instelling, die in het gelijk is gesteld, worden verwezen in de door verzoeker gemaakte kosten.

(cf. punten 29 en 30)