ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

11 november 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Begrip ‚buitengerechtelijk stuk’ – Onderhandse akte – Grensoverschrijdende gevolgen – Werking van de interne markt”

In zaak C‑223/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia n° 7 de Las Palmas de Gran Canaria (gerecht van eerste aanleg nr. 7 te Las Palmas de Gran Canaria, Spanje) bij beslissing van 28 april 2014, ingekomen bij het Hof op 7 mei 2014, in de procedure

Tecom Mican SL,

José Arias Domínguez,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend president van de Eerste kamer, F. Biltgen, A. Borg Barthet, E. Levits en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 maart 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        Tecom Mican SL, vertegenwoordigd door T. Rosales Hernández, abogado,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Fehér en G. Koós als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, A. Fonseca Santos en R. Chambel Margarido als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juni 2015,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 16 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB L 324, blz. 79).

2        Dit beroep is ingediend in het kader van een beroep dat voor de Juzgado de Primera Instancia n° 7 de Las Palmas de Gran Canaria door een handelsagent, Tecom Mican SL (hierna: „Tecom”), is ingesteld tegen de weigering van de griffier van die rechterlijke instantie, buiten een gerechtelijke procedure, aan MAN Diesel & Turbo SE (hierna: „MAN Diesel”) een aanmaning te betekenen.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        Artikel 17 van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1965”), bepaalt:

„Buitengerechtelijke stukken, afkomstig van autoriteiten en gerechtsdeurwaarders van een Verdragsluitende Staat, kunnen ter betekening of kennisgeving in een andere Verdragsluitende Staat worden toegezonden op de wijzen en onder de voorwaarden, als in dit Verdrag geregeld.”

4        De handleiding bij het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1965 (Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, manuel pratique sur le fonctionnement de la Convention Notification de La Haye, 3e druk, Bruylant, Brussel, 2006), vermeldt onder meer dat buitengerechtelijke stukken verschillen van gerechtelijke stukken doordat zij niet rechtstreeks verband houden met een gerechtelijke procedure, en van zuiver onderhandse stukken doordat zij de tussenkomst van een „autoriteit of deurwaarder” vereisen.

 Recht van de Unie

5        Bij Akte van 26 mei 1997 heeft de Raad van de Europese Unie op de grondslag van artikel K.3 VEU (de artikelen K tot en met K.9 VEU zijn vervangen door de artikelen 29 EU tot en met 42 EU) het verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB C 261, blz. 1; hierna: „verdrag van 1997”) vastgesteld.

6        Dat verdrag geeft geen definitie van het begrip „buitengerechtelijk stuk”. In het toelichtend verslag over het verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB 1997, C 261, blz. 26; hierna: „toelichtend verslag”) wordt bij artikel 1 van dat verdrag het volgende opgemerkt:

„[...] Een scherpe definitie van buitengerechtelijke stukken lijkt niet mogelijk. Te denken valt aan stukken opgesteld door een deurwaarder, zoals een notariële akte of een deurwaardersexploot of aan stukken van een officiële instantie van de lidstaat of ook aan stukken die op grond van hun inhoud en belang volgens een officiële procedure aan de geadresseerden toegezonden en ter kennis gebracht moeten worden.”

7        Genoemd verdrag is niet door alle lidstaten geratificeerd.

8        De op dat verdrag geënte verordening nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB L 160, blz. 37), bepaalde in artikel 16:

„Buitengerechtelijke stukken kunnen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat worden verzonden.”

9        Artikel 17, onder b), van deze verordening bepaalde dat een lijst van de stukken waarvan de betekening of kennisgeving op grond van deze verordening mogelijk was, zou worden opgesteld.

10      Die lijst was opgenomen in bijlage II bij beschikking 2001/781/EG van de Commissie van 25 september 2001 tot vaststelling van een handleiding van ontvangende instanties en een lijst van de stukken waarvan de betekening of kennisgeving mogelijk is op grond van verordening nr. 1348/2000 (PB L 298, blz. 1, met rectificaties in PB 2002, L 31, blz. 88, en PB 2003, L 60, blz. 3), zoals gewijzigd bij beschikking 2007/500/EG van de Commissie van 16 juli 2007 (PB L 185, blz. 24). Hij bevatte de op grond van artikel 17, onder b), van verordening nr. 1348/2000 door de lidstaten verstrekte gegevens. Voor het Koninkrijk Spanje was onder meer vermeld dat „[b]uitengerechtelijke stukken die kunnen worden betekend, [...] niet-gerechtelijke stukken [zijn] van instanties welke volgens de Spaanse wet bevoegd zijn om betekeningen te doen”.

11      Verordening nr. 1348/2000 is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 1393/2007.

12      De overwegingen 2 en 6 van verordening nr. 1393/2007 luiden als volgt:

„(2)      Het is voor de goede werking van de interne markt nodig de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen.

[...]

(6)      Met het oog op de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures in burgerlijke zaken is het nodig dat de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken tussen de door de lidstaten aangewezen plaatselijke instanties rechtstreeks en op snelle wijze geschiedt. [...]”

13      Artikel 2, lid 1, van die verordening bepaalt het volgende:

„Elke lidstaat wijst de deurwaarders, autoriteiten of andere personen aan, hierna ‚verzendende instanties’ genoemd, die bevoegd zijn gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken te verzenden ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat.”

14      Overeenkomstig artikel 23, lid 1, van voormelde verordening heeft het Koninkrijk Spanje de Commissie meegedeeld, als „verzendende instantie” te hebben aangewezen de griffier van de nationale rechterlijke instanties (Secretario Judicial) (hierna: „griffier”).

15      De artikelen 12 tot en met 15 van verordening nr. 1393/2007 regelen de „Andere wijzen van verzending en betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken”.

16      Artikel 16 van die verordening bevat de volgende bepaling:

„Buitengerechtelijke stukken kunnen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat worden verzonden.”

 Spaans recht

17      Ley 12/1992 sobre contrato de agencia (wet 12/1992 op de agentuurovereenkomst) van 27 mei 1992 (BOE van 29 mei 1992; hierna: „wet 12/1992”) heeft in Spaans intern recht richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17) uitgevoerd.

18      Artikel 15, lid 2, van wet 12/1992 bepaalt het volgende:

„De handelsagent heeft het recht overlegging van de boekhouding van de principaal te verlangen om hem in staat te stellen alle gegevens betreffende de hem verschuldigde provisie te verifiëren volgens de in de handelswet neergelegde voorschriften. De handelsagent heeft ook recht op inzage in de gegevens waarover de principaal beschikt en die noodzakelijk mochten zijn om het bedrag van die provisie te verifiëren.”

19      Artikel 28 van genoemde wet, „Klantenvergoeding”, bepaalt het volgende:

„1.      Wanneer de – voor bepaalde of onbepaalde tijd gesloten – agentuurovereenkomst wordt beëindigd, heeft de handelsagent recht op een vergoeding voor zover hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op het bestaan van non-concurrentiebedingen, de verloren provisie en de overige omstandigheden.

[...]”

20      In artikel 31 van wet 12/1992 is het volgende bepaald:

„De vordering tot betaling van de klantenvergoeding of vergoeding van geleden schade verjaart na [een termijn van] één jaar, te rekenen vanaf de beëindiging van de overeenkomst.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21      MAN Diesel, vennootschap naar Duits recht, en Tecom, vennootschap naar Spaans recht, hebben in november 2009 een agentuurovereenkomst gesloten.

22      Op 8 maart 2012 heeft MAN Diesel die overeenkomst eenzijdig beëindigd per 31 december 2012.

23      Daarop heeft Tecom op 19 november 2013 de Juzgado de Primera Instancia n° 7 de Las Palmas de Gran Canaria verzocht MAN Diesel met tussenkomst van het bevoegde Duitse orgaan overeenkomstig wet 12/1992 aan te manen tot betaling van een bedrag waarop zij aanspraak meende te kunnen maken als klantenvergoeding en bedragen wegens verschuldigde en niet betaalde provisies, of, subsidiair, tot overlegging van boekhoudkundige gegevens. In bedoelde brief werd vermeld dat dezelfde aanmaning reeds aan MAN Diesel was gestuurd bij een andere aanmaning, die voor een Spaanse notaris was opgesteld om er kracht van authentieke notariële akte aan toe te kennen.

24      De griffier heeft op 11 december 2013 geweigerd gevolg te geven aan het door Tecom ingediende verzoek met de overweging dat er geen gerechtelijke procedure aanhangig was op grond waarvan de gevraagde rechtshulp gerechtvaardigd was.

25      De dag daarop heeft Tecom tegen die weigering bezwaar aangetekend met het betoog dat volgens het arrest Roda Golf & Beach Resort (C‑14/08, EU:C:2009:395) op grond van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 geen lopende gerechtelijke procedure vereist is voor kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk zoals in het hoofdgeding.

26      Hoe dan ook heeft Tecom MAN Diesel op 13 december 2013 door tussenkomst van een Spaanse notaris een andere aanmaning gestuurd waarbij zij betaling van de vervallen en niet betaalde provisies en de klantenvergoeding vorderde, teneinde de verjaringstermijn van één jaar te rekenen vanaf de beëindiging van de overeenkomst die in artikel 31 van wet 12/1992 is vastgelegd om de vordering met betrekking tot die vergoeding geldend te maken, niet te overschrijden.

27      Bij beslissing van 20 december 2013 heeft de griffier het bezwaar afgewezen en de bestreden weigering bevestigd met de overweging dat niet iedere onderhandse akte kon worden beschouwd als een „buitengerechtelijk stuk” dat vatbaar was voor „kennisgeving” in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007. In het bijzonder heeft hij overwogen dat alleen buitengerechtelijke stukken die naar hun aard of hun formele eigenschappen bepaalde rechtsgevolgen sorteren onder de werkingssfeer van die verordening vallen.

28      Bij brief van 2 januari 2014 heeft Tecom beroep tot herziening van die beslissing ingesteld met het betoog dat ook van een zuiver onderhandse akte als „buitengerechtelijk stuk” in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 kennis kan worden gegeven.

29      De aangezochte Juzgado de Primera Instancia n° 7 de Las Palmas de Gran Canaria heeft in herinnering gebracht dat volgens het arrest Roda Golf & Beach Resort (C‑14/08, EU:C:2009:395) het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van voormeld artikel 16 weliswaar een autonoom begrip van het recht van de Unie is en dat de in dat artikel en in verordening nr. 1393/2007 bedoelde gerechtelijke samenwerking zowel in het kader van een gerechtelijke procedure als daarbuiten kan plaatsvinden, maar dat hij over geen gegeven beschikte aan de hand waarvan hij kon vaststellen of een akte die niet afkomstig is van of is opgesteld door een autoriteit of een gerechtsdeurwaarder als „buitengerechtelijk stuk” kan worden aangemerkt.

30      Daarop heeft de Juzgado de Primera Instancia n° 7 de Las Palmas de Gran Canaria besloten de behandeling van de zaak te schorsen en aan het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

„1)      Kan een zuiver onderhandse akte worden aangemerkt als een ‚buitengerechtelijk stuk’ in de zin van artikel 16 van verordening [...] nr. 1393/2007 [...], ook al komt zij niet van een niet-gerechtelijke overheidsinstantie of een deurwaarder?

2)      Zo ja, kan iedere onderhandse akte worden aangemerkt als een buitengerechtelijk stuk of moet een akte daartoe over enkele specifieke kenmerken beschikken?

3)      Kan een burger van de Unie, ook al beschikt de onderhandse akte over die kenmerken, verzoeken om kennisgeving en betekening volgens de procedure van artikel 16 van [...] verordening nr. 1393/2007, wanneer hij een dergelijke kennisgeving reeds heeft gedaan via een andere niet-gerechtelijke overheidsinstantie zoals een notaris?

4)      Moet ten slotte voor de toepassing van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 er rekening mee worden gehouden dat die samenwerking grensoverschrijdende gevolgen heeft en nodig is voor de goede werking van de interne markt? Wanneer moet de samenwerking worden geacht ‚grensoverschrijdende gevolgen te hebben en nodig te zijn voor de goede werking van de interne markt’?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

31      Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden beantwoord, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of, en in voorkomend geval onder welke voorwaarden, artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het in dat artikel bedoelde begrip „buitengerechtelijk stuk” zich mede uitstrekt tot een onderhandse akte die niet is opgesteld of gewaarmerkt door een overheidsinstantie of een deurwaarder.

32      Voor een nuttig antwoord op die vragen moet allereerst in herinnering worden gebracht dat het Hof met betrekking tot het begrip „buitengerechtelijk stuk” in artikel 16 van verordening nr. 1348/2000 – deze verordening is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 1393/2007 – reeds heeft verklaard dat dit als een autonoom begrip van het recht van de Unie moet worden beschouwd (arrest Roda Golf & Beach Resort, C‑14/08, EU:C:2009:395, punten 49 en 50). Zoals de advocaat-generaal voorts in punt 46 van zijn conclusie beklemtoont, is er geen enkele reden om hetzelfde begrip „buitengerechtelijk stuk” bedoeld in artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 niet analoog uit te leggen.

33      In dit verband zij eveneens opgemerkt dat, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, bedoeld begrip „buitengerechtelijk stuk” ruim moet worden uitgelegd en zich niet enkel uitstrekt tot handelingen in het kader van een gerechtelijke procedure, maar ook door een notaris opgestelde documenten kan omvatten (zie in die zin arrest Roda Golf & Beach Resort, C‑14/08, EU:C:2009:395, punten 56‑59).

34      Met deze constatering kan echter nog niet worden uitgemaakt of bedoeld begrip zich enkel uitstrekt tot stukken die, buiten een gerechtelijke procedure, zijn opgesteld of gewaarmerkt door een overheidsinstantie of een deurwaarder of dat het mede onderhandse akten omvat.

35      Bij gebreke van een nadere precisering in de bewoordingen van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 moet in dat verband voor de bepaling van de draagwijdte van bedoeld begrip volgens vaste rechtspraak rekening worden gehouden met de context van genoemd artikel 16 en met de doelstellingen van die verordening, alsook, in voorkomend geval, met de ontstaansgeschiedenis van deze laatste (zie arresten Drukarnia Multipress, C‑357/13, EU:C:2015:253, punt 22, en Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, C‑461/13, EU:C:2015:433, punt 30).

36      Aangaande om te beginnen de context, zij in herinnering gebracht dat verordening nr. 1393/2007, die is vastgesteld op basis van artikel 61, onder c), EG, overeenkomstig overweging 1 ervan een mechanisme voor de intracommunautaire betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken invoert teneinde geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand te brengen.

37      In dit verband zij er voorts op gewezen dat voormelde verordening volgens overweging 2 tot doel heeft verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken te verbeteren en te versnellen teneinde de goede werking van de interne markt te bevorderen (zie in die zin arresten Alder, C‑325/11, EU:C:2012:824, punten 29 en 34, en Roda Golf & Beach Resort, C‑14/08, EU:C:2009:395, punt 54).

38      Daar die preciseringen echter geen aanwijzing bevatten die beslissend is voor de draagwijdte van het begrip „buitengerechtelijk stuk”, moet voor andere nuttige aanwijzingen mede worden gekeken naar de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 1393/2007, meer in het bijzonder in de context van de ontwikkeling op het gebied van de gerechtelijke samenwerking in burgerlijke zaken waarvan deze verordening een exponent vormt (zie in die zin arrest Weiss und Partner, C‑14/07, EU:C:2008:264, punt 50).

39      Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat de Raad bij handeling van 26 mei 1997, nog vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1348/2000, het verdrag van 1997 had vastgesteld.

40      Dat verdrag gaf geen definitie van het begrip „buitengerechtelijk stuk”. In het in punt 6 van het onderhavige arrest vermelde toelichtend verslag over dit verdrag werd echter bij artikel 1 opgemerkt dat dat begrip niet alleen stukken kon omvatten als een notariële akte of een deurwaardersexploot of stukken van een officiële instantie van de lidstaat, maar ook onderhandse stukken „die op grond van hun inhoud en belang volgens een officiële procedure aan de geadresseerden toegezonden en ter kennis gebracht moeten worden”.

41      Ofschoon voormeld verdrag door de lidstaten niet is geratificeerd, was het niettemin een inspiratiebron bij de opstelling van verordening nr. 1348/2000, die juist werd vastgesteld om de continuïteit van de in het kader van de sluiting van datzelfde verdrag verkregen resultaten te waarborgen.

42      Het is juist dat verordening nr. 1348/2000 evenmin een nauwkeurige en uniforme definitie gaf van het begrip „buitengerechtelijk stuk”, en dat krachtens artikel 17, onder b), ervan de Commissie eenvoudig werd belast met de taak een lijst op te stellen waarin de stukken werden genoemd waarvan de betekening of kennisgeving mogelijk was, waarvan de door genoemde lidstaten meegedeelde gegevens overigens slechts zuiver indicatieve waarde hadden (zie arrest Roda Golf & Beach Resort, C‑14/08, EU:C:2009:395, punten 46 en 47).

43      Bij lezing van die lijst blijkt evenwel dat de lidstaten, onder het toezicht van de Commissie, de stukken waarvan zij kennisgeving of betekening op grond van deze verordening mogelijk achtten, op uiteenlopende wijzen hadden omschreven (zie arrest Roda Golf & Beach Resort, C‑14/08, EU:C:2009:395, punt 47) en onder de categorie buitengerechtelijke stukken, zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie uiteenzet, niet alleen van een overheidsinstantie of een deurwaarder afkomstige stukken lieten vallen, maar ook onderhandse akten die in de betrokken rechtsorde een specifieke betekenis hadden.

44      Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, overeenkomstig de lijn in de in punt 33 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak en zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie opmerkt, het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden opgevat dat daaronder zowel vallen stukken die zijn opgesteld of gewaarmerkt door een overheidsinstantie of een deurwaarder als onderhandse akten waarvan de formele verzending aan de in het buitenland verblijvende geadresseerde noodzakelijk is voor het uitoefenen, het aantonen of het behouden van een recht of een aanspraak in burgerlijke of handelszaken.

45      De grensoverschrijdende verzending van dergelijke stukken met gebruikmaking van het mechanisme van betekening en kennisgeving van verordening nr. 1393/2007 draagt er immers ook toe bij dat op het gebied van de samenwerking in burgerlijke of handelszaken de goede werking van de interne markt wordt versterkt en geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie tot stand wordt gebracht.

46      Gelet op een en ander moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van dat artikel niet alleen stukken omvat die zijn opgesteld of gewaarmerkt door een overheidsinstantie of een deurwaarder, maar ook onderhandse akten waarvan de formele verzending aan de in het buitenland verblijvende geadresseerde noodzakelijk is voor het uitoefenen, het aantonen of het behouden van een recht of een aanspraak in burgerlijke of handelszaken.

 Derde vraag

47      Met haar derde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat de betekening of de kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk op de in die verordening bepaalde wijze toelaatbaar is ook indien een eerste betekening of een eerste kennisgeving van dat stuk reeds heeft plaatsgevonden door een andere wijze van verzending.

48      Allereerst moet worden opgemerkt dat noch uit het dossier noch uit de door partijen ter terechtzitting verstrekte preciseringen duidelijk blijkt of de met deze vraag bedoelde eerste betekening of eerste kennisgeving heeft plaatsgevonden door een wijze van verzending die in verordening nr. 1393/2007 niet is neergelegd of door een in deze laatste geregelde andere wijze van verzending.

49      Teneinde de verwijzende rechterlijke instantie een nuttig antwoord te verschaffen moet dan ook in de eerste plaats het geval worden onderzocht waarin een verzoeker de eerste betekening of de eerste kennisgeving heeft gedaan op een wijze die in verordening nr. 1393/2007 niet is voorzien.

50      Dienaangaande kan ermee worden volstaan in herinnering te brengen dat volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van die verordening deze laatste van toepassing is in burgerlijke en handelszaken „waarin een [...] buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar” (arrest Alder, C‑325/11, EU:C:2012:824, punt 20).

51      In dat verband vermeldt genoemde verordening, zoals het Hof reeds heeft verklaard, slechts twee omstandigheden waarin de betekening en kennisgeving van een gerechtelijk stuk tussen de lidstaten aan de werkingssfeer van de verordening onttrokken zijn en niet op de wijzen als daarin voorzien kunnen plaatsvinden, te weten wanneer de woonplaats of gewone verblijfplaats van degene voor wie het stuk bestemd is onbekend is, en wanneer deze laatste een gevolmachtigde vertegenwoordiger heeft in de staat waar de gerechtelijke procedure plaatsvindt (zie arrest Alder, C‑325/11, EU:C:2012:824, punt 24).

52      Vast staat, zoals de advocaat-generaal in punt 75 van zijn conclusie heeft beklemtoond, dat verordening nr. 1393/2007 niet voorziet in een andere uitzondering op het gebruik van de middelen waarin voor de verzending tussen lidstaten van een buitengerechtelijk stuk is voorzien, ingeval een verzoeker datzelfde stuk reeds eerder heeft betekend of er kennis van heeft gegeven met behulp van een andere wijze van verzending dan die voorzien in die verordening.

53      In dat geval blijft grensoverschrijdende betekening of kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk volgens de in verordening nr. 1393/2007 vastgelegde wijzen van verzending bijgevolg toelaatbaar.

54      Aangaande in de tweede plaats de gevolgen die ontstaan ingeval een verzoeker een eerste betekening of een eerste kennisgeving mocht hebben verricht overeenkomstig de voorschriften van verordening nr. 1393/2007, moet worden opgemerkt dat in deze verordening – uitputtend – verschillende wijzen van verzending zijn opgesomd (zie arrest Alder, C‑325/11, EU:C:2012:824, punt 32) voor de betekening en kennisgeving van buitengerechtelijke stukken krachtens artikel 16.

55      Inzonderheid bepaalt artikel 2 van deze verordening dat de verzending van stukken in beginsel plaatsvindt tussen de door de lidstaten aangewezen verzendende instanties en ontvangende instanties (arrest Alder, C‑325/11, EU:C:2012:824, punt 30).

56      Bovendien bepaalt dezelfde verordening in afdeling 2 welke andere wijzen van verzending mogelijk zijn, zoals toezending langs consulaire of diplomatieke weg, betekening of kennisgeving door de zorg van diplomatieke of consulaire ambtenaren, betekening of kennisgeving per post of, op verzoek van iedere belanghebbende, betekening of kennisgeving rechtstreeks door de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen in de aangezochte lidstaat (arrest Alder, C‑325/11, EU:C:2012:824, punt 31).

57      In dit verband moet niettemin worden gepreciseerd, in de eerste plaats, dat verordening nr. 1393/2007 geen hiërarchie vastlegt tussen de verschillende wijzen van verzending (arresten Alder, C‑325/11, EU:C:2012:824, punt 31, en Plumex, C‑473/04, EU:C:2006:96, punt 20).

58      In de tweede plaats zij opgemerkt dat het ingevolge die verordening, zoals de advocaat-generaal in de punten 78 en 79 van zijn conclusie naar voren brengt, teneinde de snelle afwikkeling van de grensoverschrijdende verzending van de betrokken stukken te waarborgen noch aan de verzendende noch aan de ontvangende instanties en evenmin aan de diplomatieke of consulaire ambtenaren of de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen in de aangezochte staat is om na te gaan of de redenen waarom een verzoeker besluit een handeling op de vastgelegde wijzen van verzending te betekenen of er kennis van te geven, opportuun of relevant zijn.

59      Uit bovenstaande overwegingen volgt dat voor de betekening of kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk de verzoeker niet alleen kan kiezen tussen een van de in verordening nr. 1393/2007 vastgelegde wijzen van verzending, maar ook, tegelijkertijd of achtereenvolgens, gebruik kan maken van twee of van meer wijzen van verzending die hij gelet op de omstandigheden van het geval het meest passend of het meest geschikt acht (zie in die zin arrest Plumex, C‑473/04, EU:C:2006:96, punten 21, 22 en 31).

60      Hieruit volgt dat de betekening of de kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk op een van de in verordening nr. 1393/2007 vastgelegde wijzen geldig blijft, ook indien dat stuk reeds een eerste keer is verzonden op een andere wijze dan op de aldus voorziene wijzen.

61      Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat de betekening of kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk op de in die verordening bepaalde wijze toelaatbaar is, ook indien de verzoeker dat stuk reeds een eerste keer heeft betekend of er een eerste keer kennis van heeft gegeven door een wijze van verzending die in verordening nr. 1393/2007 niet is neergelegd of door een in deze laatste geregelde andere wijze van verzending.

 Vierde vraag

62      Met haar vierde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat voor de toepassing van dat artikel van geval tot geval moet worden geverifieerd dat de betekening of kennisgeving van een „buitengerechtelijk stuk” grensoverschrijdende gevolgen heeft en noodzakelijk is voor de goede werking van de interne markt.

63      Aangaande in de eerste plaats de grensoverschrijdende gevolgen kan worden volstaan met eraan te herinneren dat verordening nr. 1393/2007 een maatregel is die luidens de artikelen 61, onder c), EG en 65 EG behoort tot het gebied van gerechtelijke samenwerking in burgerlijke zaken met juist dergelijke gevolgen (zie in die zin arrest Roda Golf & Beach Resort, C‑14/08, EU:C:2009:395, punt 53).

64      Zo bepaalt artikel 1, lid 1, van genoemde verordening uitdrukkelijk dat deze laatste, behoudens de uitgesloten sectoren, van toepassing is in burgerlijke en in handelszaken waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar.

65      Aangezien de grensoverschrijdende gevolgen van de toezending van een gerechtelijk of een – zoals in casu – buitengerechtelijk stuk een objectieve voorwaarde voor de toepasselijkheid van verordening nr. 1393/2007 zijn, moeten zij dan ook worden geacht steeds aanwezig te zijn wanneer de betekening of de kennisgeving van een dergelijk stuk onder het toepassingsgebied van die verordening valt en dus overeenkomstig het bij deze laatste ingevoerde stelsel dient te geschieden.

66      Aangaande in de tweede plaats de goede werking van de interne markt, staat vast dat deze, zoals volgt uit overweging 2 van verordening nr. 1393/2007, het voornaamste doel van het in deze verordening neergelegde stelsel van betekening of kennisgeving vormt (zie in die zin arrest Roda Golf & Beach Resort, C‑14/08, EU:C:2009:395, punt 55).

67      Aangezien alle in genoemde verordening voorziene middelen van verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijk stukken uitdrukkelijk zijn vastgelegd ter bereiking van voormeld doel, is de conclusie gewettigd dat wanneer de voorwaarden voor toepassing van die middelen vervuld zijn, de betekening of de kennisgeving van dergelijke stukken noodzakelijkerwijs bijdraagt tot de goede werking van de interne markt.

68      Zoals de advocaat-generaal ook in punt 71 van zijn conclusie opmerkt, kan de goede werking van de interne markt bijgevolg niet worden beschouwd als een gegeven dat moet worden onderzocht vóór iedere betekening of kennisgeving op een wijze als voorzien in verordening nr. 1393/2007, meer in het bijzonder in artikel 16 van die verordening.

69      Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer aan de voorwaarden voor toepassing van dat artikel is voldaan, niet van geval tot geval hoeft te worden geverifieerd dat de betekening of kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk grensoverschrijdende gevolgen heeft en noodzakelijk is voor de goede werking van de interne markt.

 Kosten

70      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 16 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van dat artikel niet alleen stukken omvat die zijn opgesteld of gewaarmerkt door een overheidsinstantie of een deurwaarder, maar ook onderhandse akten waarvan de formele verzending aan de in het buitenland verblijvende geadresseerde noodzakelijk is voor het uitoefenen, het aantonen of het behouden van een recht of een aanspraak in burgerlijke of handelszaken.

2)      Verordening nr. 1393/2007 moet aldus worden uitgelegd dat de betekening of kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk op de in die verordening bepaalde wijze toelaatbaar is, ook indien de verzoeker dat stuk reeds een eerste keer heeft betekend of er een eerste keer kennis van heeft gegeven door een wijze van verzending die in voormelde verordening niet is neergelegd of door een in deze laatste geregelde andere wijze van verzending.

3)      Artikel 16 van verordening nr. 1393/2007 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer aan de voorwaarden voor toepassing van dat artikel is voldaan, niet van geval tot geval hoeft te worden geverifieerd dat de betekening of kennisgeving van een buitengerechtelijk stuk grensoverschrijdende gevolgen heeft en noodzakelijk is voor de goede werking van de interne markt.

ondertekeningen


* Procestaal: Spaans.