ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

28 maart 2019 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt van staalgrit voor staalstralen – Besluit houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst – Prijscoördinatie in de hele EER – In de tijd gespreide ‚hybride’ procedure – Vermoeden van onschuld – Beginsel van onpartijdigheid – Handvest van de grondrechten – Bewijs van de inbreuk – Eén enkele voortdurende inbreuk – Mededingingsbeperkende strekking – Duur van de inbreuk – Geldboete – Uitzonderlijke aanpassing van het basisbedrag – Motiveringsplicht – Evenredigheid – Gelijke behandeling – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑433/16,

Pometon SpA, gevestigd te Maerne di Martellago (Italië), vertegenwoordigd door E. Fabrizi, V. Veneziano en A. Molinaro, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi en B. Mongin als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2016) 3121 final van de Commissie van 25 mei 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39792 – Staalgrit voor staalstralen),

wijst

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, V. Kreuschitz, I. S. Forrester, N. Półtorak en E. Perillo (rapporteur), rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 31 mei 2018,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Pometon SpA, is een Italiaanse onderneming die gespecialiseerd is in metaalbewerking. Zij was tot 16 mei 2007 actief op de markt van staalgrit voor staalstralen. Op die datum heeft zij haar bedrijfsactiviteit in deze sector verkocht aan een van haar concurrenten, de Franse onderneming Winoa SA, en is die activiteit overgedragen aan de vennootschap Pometon Abrasives Srl, die eigendom is van de groep Winoa.

2        Staalgrit voor staalstralen (hierna: „staalgrit”) bestaat uit losse staaldeeltjes, in ronde of hoekige vorm. De voornaamste toepassingen zijn te vinden in de staal‑ en automobielindustrie, de metaalnijverheid, de petrochemie en de steenhouwerij. Het wordt vervaardigd van residuen van staalschroot.

3        Bij besluit C(2016) 3121 final van 25 mei 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39792 – Staalgrit voor staalstralen; hierna: „bestreden besluit”) heeft de Europese Commissie vastgesteld dat verzoekster tijdens de periode van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007 ofwel rechtstreeks ofwel via haar vertegenwoordigers of de vertegenwoordigers van twee van haar dochterondernemingen, Pometon España SA en Pometon Deutschland GmbH, had deelgenomen aan een mededingingsregeling bestaande in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met vier andere ondernemingen, namelijk de Amerikaanse groep Ervin Industries Inc. (hierna: „Ervin”), de Franse onderneming Winoa SA (hierna: „Winoa”) alsook de Duitse ondernemingen MTS GmbH en Würth GmbH, die in hoofdzaak tot doel hadden de prijzen van staalgrit in de hele Europese Economische Ruimte (hierna: „EER”) te coördineren. Verzoekster en deze twee dochterondernemingen worden hierna gezamenlijk „Pometon” genoemd.

A.      Onderzoeksfase en inleiding van de procedure

4        Op 13 april 2010 heeft Ervin verzocht om immuniteit tegen geldboeten op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17).

5        Na dit verzoek heeft Ervin mondelinge verklaringen afgelegd en schriftelijke bewijsstukken overgelegd. Op 31 mei 2010 heeft de Commissie haar voorwaardelijke immuniteit verleend op grond van punt 8, onder a), van bovengenoemde mededeling.

6        Van 15 tot en met 17 juni 2010 heeft de Commissie onaangekondigde inspecties verricht in de bedrijfsruimten van verschillende staalgritproducenten, waaronder Pometon. Later heeft zij verschillende verzoeken om inlichtingen verstuurd naar de ondernemingen die volgens haar deelnamen aan de mededingingsregeling.

7        Op 16 januari 2013 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2 van haar verordening (EG) nr. 773/2004 van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18) de onderzoeksprocedure van artikel 11, lid 6, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) ingeleid tegen Pometon en de vier andere deelnemers aan de mededingingsregeling (Ervin, Winoa, MTS en Würth). Zij heeft een termijn vastgesteld waarbinnen zij schriftelijk konden aangeven dat zij bereid waren schikkingsgesprekken te voeren overeenkomstig artikel 10 bis, lid 1, van verordening nr. 773/2004.

B.      Schikkingsprocedure en keuze van Pometon om zich uit deze procedure terug te trekken

8        De vijf partijen bij de gestelde mededingingsregeling hebben zich bereid verklaard deel te nemen aan schikkingsgesprekken. Van februari tot en met december 2013 hebben aldus drie ronden van bilaterale bijeenkomsten plaatsgevonden tussen de Commissie en de partijen bij de mededingingsregeling, waarbij de grieven en het bewijsmateriaal zijn uiteengezet. De Commissie heeft elke partij bij de mededingingsregeling meegedeeld binnen welke bandbreedte aan elk van hen een geldboete kon worden opgelegd.

9        In januari 2014 hebben de betrokken ondernemingen hun schikkingsvoorstellen binnen de gestelde termijn ingediend, met uitzondering van verzoekster, die heeft besloten zich uit deze procedure terug te trekken. Bijgevolg heeft verzoekster op 10 februari 2014 de Commissie de cd‑rom terugbezorgd die haar op 21 februari 2013 in het kader van de schikkingsprocedure was toegezonden.

10      Op 13 februari 2014 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gericht aan elk van de vier andere partijen bij de gestelde mededingingsregeling en op 2 april 2014 heeft zij schikkingsbesluit C(2014) 2074 final jegens hen vastgesteld op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 (hierna: „schikkingsbesluit”).

C.      Vaststelling van het bestreden besluit volgens de gewone procedure en de inhoud van dit besluit

11      Op 3 december 2014 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gericht aan verzoekster, die daarop heeft geantwoord op 16 februari 2015, nadat zij toegang had gekregen tot het dossier. Vervolgens heeft verzoekster op 17 april 2015 deelgenomen aan een hoorzitting.

12      Op 25 mei 2016 heeft de Commissie op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 het bestreden besluit vastgesteld. Het dispositief van dit besluit luidt als volgt:

Artikel 1

Pometon SpA heeft artikel 101, lid 1, van het Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst geschonden door deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk met betrekking tot de prijzen in de sector van staalgrit voor staalstralen, waarbij deze inbreuk bestond in een coördinatie van haar prijsgedrag en de hele EER bestreek.

De inbreuk duurde van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007.

Artikel 2

Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk bedraagt de aan Pometon SpA opgelegde geldboete: 6 197 000 EUR [...].”

13      Uit het bestreden besluit als geheel volgt in wezen dat Pometon en de andere kartelleden een eenvormige berekeningswijze hadden ingevoerd (eerste onderdeel van het kartel), waarmee zij een gecoördineerde prijstoeslag voor staalgrit konden vaststellen op basis van de schrootprijsindexen (hierna: „schroottoeslag”; zie punten 132 en 136 hierna). Tegelijk waren zij overeengekomen (tweede onderdeel van het kartel) hun gedrag te coördineren met betrekking tot de verkoopprijzen van staalgrit ten aanzien van individuele afnemers door in het bijzonder zich ertoe te verbinden elkaar niet te beconcurreren door de prijzen te verlagen (overwegingen 32, 33, 37 en 57 van het bestreden besluit; zie punt 73 hierna).

14      Betreffende de kwalificatie van de aan de orde zijnde inbreuk was de Commissie van mening dat het ging om één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 EER-Overeenkomst. Niet alleen hadden alle mededingingsbeperkende afspraken van de deelnemers betrekking op de prijscoördinatie en dezelfde producten, maar bovendien waren zij ook op dezelfde manier gemaakt gedurende de hele periode van de inbreuk, van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007, de datum waarop verzoekster haar activiteit in de staalgritsector heeft verkocht aan Winoa. Ten slotte waren het in hoofdzaak dezelfde ondernemingen die aan de inbreuk deelnamen en dezelfde personen die voor hun rekening handelden (overwegingen 107 en 166 van het bestreden besluit).

15      Uiteindelijk had een dergelijk kartel volgens de Commissie tot doel de mededinging te beperken, hetgeen belangrijke gevolgen had voor de handel in het betreffende product tussen de lidstaten en de partijen bij de EER-Overeenkomst (overwegingen 142 en 154 van het bestreden besluit).

16      Wat betreft de duur van verzoeksters deelname aan de inbreuk, heeft de Commissie het begin van die deelname vastgesteld op 3 oktober 2003 en is zij, op grond van het feit dat Pometon niet formeel afstand had genomen van het kartel, ervan uitgegaan dat haar karteldeelname was blijven duren tot en met 16 mei 2007, de datum waarop verzoekster haar activiteit in de staalgritsector heeft verkocht aan Winoa (overwegingen 160 en 166 van het bestreden besluit; zie ook punt 1 hierboven).

17      Op basis van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”), heeft de Commissie het basisbedrag van de geldboete van Pometon vastgesteld op 16 % van de omzet van verzoekster op de markten van de EER-landen in 2006, het laatste volledige jaar waarin Pometon aan de betreffende inbreuk had deelgenomen, alvorens haar staalgritactiviteit aan haar Franse concurrent te verkopen.

18      Dit percentage stemt overeen met een basistarief van 15 %, dat met 1 % is verhoogd om rekening te houden met het feit dat de inbreuk zich geografisch uitstrekte over de gehele EER (overwegingen 214‑216 van het bestreden besluit). Het variabele gedeelte van het basisbedrag van de geldboete is vervolgens overeenkomstig punt 25 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten verhoogd met een extra vast bedrag van 16 % om ondernemingen te ontraden prijscoördinatieafspraken te maken (overweging 220 van het bestreden besluit).

19      Voorts is het aldus berekende basisbedrag van de geldboete niet verhoogd wegens verzwarende omstandigheden. Integendeel, Pometon kreeg een vermindering van dit bedrag met 10 % wegens verzachtende omstandigheden, omdat zij in mindere mate dan de andere ondernemingen aan het tweede onderdeel van het kartel had deelgenomen (overweging 225 van het bestreden besluit).

20      Overeenkomstig punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, op grond waarvan de Commissie kan afwijken van de methode in deze richtsnoeren wanneer de „bijzondere kenmerken van een gegeven zaak” dat kunnen rechtvaardigen, heeft deze instelling ten slotte het aangepaste basisbedrag van de geldboete verminderd met 60 % (overwegingen 228‑231 van het bestreden besluit).

21      Zoals volgt uit artikel 2 van het bestreden besluit, bedroeg het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete na deze berekening uiteindelijk 6 197 000 EUR (zie punt 12 hierboven).

II.    Procedure en conclusies van partijen

22      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 augustus 2016, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

23      Op 21 februari 2017 zijn de partijen in kennis gesteld van de sluiting van de schriftelijke behandeling. Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 maart 2017, heeft verzoekster een met redenen omkleed verzoek tot vaststelling van een terechtzitting ingediend overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

24      Bij besluit van 21 maart 2018 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering de zaak naar een uitgebreide kamer verwezen.

25      Bij beschikking van 22 maart 2018 heeft het Gerecht verzoeksters subsidiaire verzoek om vaststelling van een maatregel van instructie ingewilligd en de Commissie op grond van artikel 91, onder b), artikel 92, lid 1, en artikel 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering gelast om een kopie van de integrale versie van het schikkingsbesluit en een kopie van de in de documenten ID 5, ID 10, ID 136 en ID 643 van het administratief dossier vervatte verklaringen van de clementieverzoeker over te leggen en de in dat besluit in aanmerking genomen totale omzet mee te delen die de adressaten van het schikkingsbesluit in 2009 hadden behaald.

26      Bij beschikking van 4 mei 2018, Pometon/Commissie (T‑433/16), heeft het Gerecht op de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van de door de Commissie in uitvoering van die beschikking van 22 maart 2018 overgelegde documenten beslist dat de documenten ID 5, ID 10, ID 136 en ID 643 met de transcriptie van de mondelinge verklaringen van de clementieverzoeker door de advocaten van verzoekster ter griffie van het Gerecht konden worden ingezien. Het heeft voorts het verzoek afgewezen om vertrouwelijke behandeling van de respectieve omzet in 2009 van de vier adressaten van het schikkingsbesluit en de gegevens in tabellen nr. 1 (overweging 90), nr. 3 (overweging 100) en nr. 4 (overweging 103) van dat besluit.

27      Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht ten eerste verzoekster verzocht om haar schriftelijke opmerkingen in te dienen over de gevolgen van de hierboven in punt 26 bedoelde niet-vertrouwelijke gegevens voor het vijfde middel, dat betrekking heeft op de aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten. Verzoekster heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. Ten tweede heeft het Gerecht partijen verzocht ter terechtzitting mondeling een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden.

28      Voorts heeft de Commissie ter terechtzitting verzocht om een document te mogen neerleggen bestaande in een tabel met de gegevens over de vijf ondernemingen die bij het betreffende kartel betrokken waren, waarop zij zich had gebaseerd om vast te stellen in welke mate het basisbedrag van de geldboete voor elk van die ondernemingen zou worden aangepast op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten. Zij heeft verzocht om vertrouwelijke behandeling van die gegevens ten aanzien van het grote publiek.

29      Het Gerecht heeft besloten dit document aan het dossier toe te voegen, onder voorbehoud van de beoordeling van de ontvankelijkheid ervan, en heeft verzoekster overeenkomstig artikel 85, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering tot 2 juli 2018 de tijd gegeven om haar opmerkingen over dit document in te dienen. Nadat verzoekster haar opmerkingen had ingediend op 2 juli 2018, is de mondelinge behandeling op die datum gesloten.

30      Bij beschikking van 8 november 2018 heeft de president van de Derde kamer de mondelinge behandeling heropend. De Commissie is verzocht haar opmerkingen in te dienen over een nieuw gegeven in de opmerkingen van verzoekster van 2 juli 2018 en zij heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. Bij besluit van 17 januari 2019 heeft de president van de Derde kamer de mondelinge behandeling gesloten.

31      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        subsidiair, het bestreden besluit nietig te verklaren of te herzien, voor zover de Commissie stelt dat zij tot en met 16 mei 2007 aan de inbreuk heeft deelgenomen en haar een geldboete oplegt ondanks de verjaring;

–        nog meer subsidiair, de geldboete in te trekken of het bedrag ervan te verminderen;

–        de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die zij eventueel vóór de uitspraak van het te wijzen arrest heeft gedragen en van alle andere eventueel door haar gemaakte kosten tot uitvoering van dit besluit;

–        de maatregelen tot organisatie van de procesgang of, subsidiair, de instructiemaatregelen vast te stellen;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

32      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen af te wijzen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

33      Verzoekster voert vier middelen aan ter ondersteuning van haar eerste twee vorderingen. Ten eerste schendt het bestreden besluit het beginsel van procedurele onpartijdigheid, het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, doordat de Commissie reeds in het schikkingsbesluit bepaalde vermeende gedragingen van verzoekster in aanmerking had genomen, wat bepalend was voor de beschuldigingen die vervolgens tegen haar zijn geuit in het bestreden besluit.

34      Ten tweede voert verzoekster schending aan van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering, alsook schending van de rechten van de verdediging en de regels inzake de bewijslast, doordat de Commissie, zonder bewijs, haar ten laste heeft gelegd dat zij betrokken was bij een mededingingsregeling waaraan zij in werkelijkheid niet heeft deelgenomen.

35      Ten derde schendt het bestreden besluit artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, doordat de Commissie ervan uit is gegaan dat het kartel een mededingingsbeperkende strekking had.

36      Ten vierde betwist verzoekster de duur van haar deelname aan het kartel en voert zij verjaring aan.

37      Ter ondersteuning van de derde vordering, die strekt tot intrekking of herziening van het bedrag van de geldboete, voert verzoekster ten slotte aan dat de Commissie bij de uitzonderlijke aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten haar motiveringsplicht niet is nagekomen en het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.

A.      Eerste middel: niet-nakoming van de verplichting tot onpartijdigheid, schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, doordat de Commissie in het schikkingsbesluit bepaalde vermeende gedragingen van verzoekster in aanmerking had genomen, wat bepalend was voor de beoordelingen in het bestreden besluit

1.      Argumenten van partijen

38      Verzoekster merkt op dat, hoewel zij geen adressaat van het schikkingsbesluit was, zij in punt 4 van dit besluit (beschrijving van de gebeurtenissen) meermaals wordt vermeld als onderneming die in wezen actief aan het kartel heeft deelgenomen. Zij wijst meer in het bijzonder op de volgende passages van het schikkingsbesluit, waarin de Commissie uitdrukkelijk heeft verwezen naar haar gedrag:

„26. Ervin, Winoa, Pometon, MTS en Würth zijn herhaaldelijk bilaterale en multilaterale contacten aangegaan, waarbij zij de voornaamste prijscomponenten van hun verkoopactiviteiten voor staalgrit in de EER hebben besproken, namelijk de ‚schroottoeslag’ en de energietoeslag. Zij hebben ook onderzocht (hoofdzakelijk door middel van bilaterale contacten) welke parameters inzake concurrentie onderling konden worden toegepast ten aanzien van individuele afnemers. In deze algemene context had het gedrag van de partijen betrekking op de EER.

[...]

28. In oktober 2003 zijn Winoa, Ervin en Pometon bijeengekomen [...] om overeenstemming te bereiken over een eenvormig model voor de berekening van een gemeenschappelijke ‚schroottoeslag’, die al deze ondernemingen zouden toepassen [...].

29. MTS en Würth [...] hebben niet deelgenomen aan de eerste fasen van het proces, wanneer de overeenkomst tussen Winoa, Ervin en Pometon werd gesloten.

[...]

31. De contacten met Pometon zijn voortgezet tot en met 16 mei 2007, de datum waarop Pometon haar staalgritactiviteit heeft verkocht aan Winoa en de markt heeft verlaten.

[...]

38. Uit de bewijzen blijkt dat de contacten tussen Winoa, Ervin en Pometon zich vanaf oktober 2003 tot een gedragspatroon hebben ontwikkeld.”

39      Verzoekster meent dat die verwijzingen niet noodzakelijk of zelfs maar nuttig waren. Ten eerste voert zij aan dat de gegevens in overweging 31 van het schikkingsbesluit, die in wezen erop neerkomen dat zij heeft deelgenomen aan het kartel tot en met 16 mei 2007, de datum waarop zij haar activiteit aan Winoa heeft verkocht en de markt heeft verlaten, niet voorkwamen in de schikkingsvoorstellen van de vier andere betrokken ondernemingen. Ten tweede kan het definitieve besluit in een schikkingsprocedure hoe dan ook alleen betrekking hebben op de gedragingen van de bij de schikking betrokken ondernemingen en de jegens hen uitgesproken sancties.

40      Deze analyse wordt overigens bevestigd wanneer het schikkingsbesluit wordt vergeleken met besluit C(2014) 4227 final van de Commissie van 25 juni 2014 in de zaak AT.39965 – Champignons, dat ook een schikkingsprocedure betreft. Volgens verzoekster bevatte dat besluit in de omschrijving van de relevante gebeurtenissen geen enkele verwijzing naar de onderneming die geen schikking had willen treffen.

41      Bijgevolg blijkt uit de verwijzingen in het schikkingsbesluit naar vermeende gedragingen van verzoekster op ondubbelzinnige wijze dat de Commissie reeds een oordeel had geveld over haar schuld nog voordat verzoekster de mogelijkheid kreeg om zich te verdedigen. Het bestreden besluit schendt bijgevolg het beginsel van procedurele onpartijdigheid, het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging van verzoekster.

42      Bovendien betwist verzoekster het betoog van de Commissie dat is gebaseerd op de uitlegging die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) geeft van artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden betreffende het vermoeden van onschuld.

43      Met betrekking tot die bepaling voert zij met name aan dat, anders dan de Commissie betoogt (zie punt 51 hierna), het EHRM in zijn arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), heeft geoordeeld dat, wanneer het in een strafprocedure waarbij meerdere personen betrokken zijn die niet tegelijkertijd kunnen worden berecht, voor de beoordeling van de schuld van de verdachten noodzakelijk is dat in een eerste uitspraak wordt vermeld dat een verdachte heeft deelgenomen aan de inbreuk, die vervolgens zal worden berecht in een tweede, latere strafprocedure, de bevoegde rechtbank moet vermijden meer informatie te verstrekken dan nodig is voor de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachten die in dat proces worden berecht (EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, punten 64 en 65).

44      Volgens verzoekster dient datzelfde criterium ook te gelden wanneer de Commissie, zoals in casu, nadat zij een inbreukprocedure heeft ingeleid ten aanzien van vijf ondernemingen die ervan worden verdacht te hebben deelgenomen aan een kartel, eerst een schikkingsbesluit vaststelt jegens vier ervan en vervolgens jegens de vijfde onderneming, die zich ondertussen uit de schikkingsprocedure heeft teruggetrokken, een inbreukbesluit vaststelt na een gewone procedure te hebben gevoerd op grond van de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004.

45      Betreffende het betoog van de Commissie dat verzoeksters naam bij vergissing is vermeld in de publicatie van de voorlopige versie van het schikkingsbesluit, preciseert verzoekster dat de schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld in casu voortvloeit uit het feit dat, los van de regels voor de publicatie van het schikkingsbesluit, in dat besluit concrete beschuldigingen zijn geuit aan het adres van Pometon over haar deelname aan het betreffende kartel. Het feit dat verzoeksters naam in de op 6 januari 2015 gepubliceerde versie van het schikkingsbesluit is vervangen door de uitdrukking „een andere onderneming” kan derhalve de schending van dat beginsel in het bestreden besluit niet ongedaan maken.

46      De Commissie betwist dit betoog.

47      Allereerst zijn de door verzoekster gelaakte verwijzingen uitsluitend erop gericht de aansprakelijkheid van de vier andere ondernemingen van het kartel aan te tonen en hebben zij voorts geen enkele invloed op de plicht van de Commissie om de contradictoire procedure ten aanzien van verzoekster te voltooien na haar terugtrekking uit de schikkingsprocedure.

48      Voorts stelt de Commissie dat alle andere oplossingen op procedureel gebied en op het gebied van de materiële bestraffing leiden tot een soort van „immuniteit tegen geldboeten” voor de ondernemingen die zich terugtrekken uit een schikkingsprocedure die zij aanvankelijk hadden aanvaard.

49      De Commissie preciseert nog dat de opeenvolging van deze twee procedures weliswaar een complexe procedure vormt, die ook wel „hybride” wordt genoemd, omdat zij wordt geregeld door verschillende wettelijke bepalingen, waarbij de schikkingsprocedure specifiek wordt geregeld door artikel 10 bis van verordening nr. 773/2004, terwijl de latere contradictoire procedure door andere bepalingen van diezelfde verordening wordt geregeld, waarvan verzoekster de wettigheid overigens nooit in twijfel heeft getrokken, maar zelfs in het kader van een hybride procedure mag de positie van een onderneming die geen schikking heeft gesloten, haar geen procedureel voordeel verlenen waardoor zij van de toepasselijke regels kan afwijken.

50      Vervolgens betoogt de Commissie dat zij hoe dan ook het beginsel van het vermoeden van onschuld en met name de vereisten die het EHRM heeft gesteld in het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), ten aanzien van verzoekster heeft geëerbiedigd. Dienaangaande verduidelijkt de Commissie dat zij uit voorzorg in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit en in de overwegingen 27 en 28 van het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft vermeld dat uit de beschrijving van de gebeurtenissen in het schikkingsbesluit geen conclusies konden worden getrokken over de schuld van Pometon met betrekking tot haar deelneming aan dit kartel, omdat deze onderneming later nog het voorwerp zou uitmaken van een contradictoire procedure tot vaststelling van een inbreuk.

51      Kortom, om uit te maken of in casu het beginsel van het vermoeden van onschuld is geschonden, moet volgens de Commissie worden nagegaan of de rechten van verdediging van Pometon zijn geëerbiedigd. Volgens haar waren deze rechten in casu gewaarborgd gedurende de volledige gewone procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid.

2.      Beoordeling door het Gerecht

a)      Rechtskader van het onderhavige geschil wat betreft de belangrijkste aspecten van het schikkingsbesluit van de Commissie

52      Alvorens het onderhavige middel te onderzoeken, moet kort worden gepreciseerd dat verzoekster de schending van haar rechten van verdediging uitsluitend aanvoert voor zover de Commissie een aantal van haar gedragingen heeft vermeld in het schikkingsbesluit, waarvan zij evenwel geen adressaat is. Derhalve verwijt zij de Commissie geenszins dat zij tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het bestreden besluit, niet alle procedurele waarborgen in verband met haar rechten van verdediging heeft geëerbiedigd, zoals die welke met name in de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004 zijn voorgeschreven.

53      Nu het voorwerp van het onderhavige middel aldus is gepreciseerd, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de partijen het met name oneens zijn over de draagwijdte van artikel 41, lid 1, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), in het bijzonder, wat deze laatste bepaling betreft, in het licht van de lezing die elk van hen geeft van het arrest van het EHRM van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), dat betrekking heeft op de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld in het kader van een complexe strafprocedure waarbij meerdere personen zijn betrokken die niet gezamenlijk kunnen worden berecht (zie punten 43 en 50 hierboven). Deze twee artikelen van het Handvest luiden als volgt:

„Artikel 41

1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.

[...]

Artikel 48

1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.”

54      Dienaangaande moet ten eerste worden herinnerd aan de vaste rechtspraak dat de Commissie in de uitoefening van haar bevoegdheden op het gebied van de bestraffing van de inbreuken op het mededingingsrecht weliswaar niet kan worden aangemerkt als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met name als een overheidsinstantie met strafrechtelijke functies, maar dat dit niet wegneemt dat zij de grondrechten van de Europese Unie, waaronder het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur, moet eerbiedigen tijdens de administratieve procedure. In het bijzonder regelt artikel 41, en niet artikel 47 van het Handvest, dat betrekking heeft op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, de administratieve procedure inzake mededingingsregelingen voor de Commissie (arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 154).

55      Ten tweede volgt uit de rechtspraak dat het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat door zijn oorsprong eigen is aan het strafrecht en dat thans door artikel 48, lid 1, van het Handvest in het Unierecht is verankerd, mutatis mutandis ook van toepassing is op de administratieve procedure betreffende de eerbiediging van de Europese mededingingsregels, gelet op de aard van de betreffende inbreuken alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties (arrest van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punt 150; zie ook in die zin arresten van 21 januari 2016, Eturas e.a., C‑74/14, EU:C:2016:42, punten 38‑40, en 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punten 93 en 94).

56      In het huidige kader van de Unierechtelijke regels inzake bestraffing van inbreuken op de mededingingsregels is de eerbiediging van de grondrechten en procedurele rechten waarover een onderneming die door de Commissie wordt beschuldigd van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU, moet kunnen beschikken, dus gewaarborgd door de plicht van deze instelling om in elke fase van een procedure inzake toepassing van de mededingingsregels volledig onpartijdig te handelen (artikel 41 van het Handvest), hetgeen ook de verplichting inhoudt tot eerbiediging van het vermoeden van onschuld van de ondernemingen waartegen het onderzoek is ingeleid (artikel 48 van het Handvest), alsook door het recht van elke adressaat van een door deze instelling krachtens artikel 101, lid 1, VWEU vastgestelde dwingende handeling om zich voor zijn verweer tot de Unierechter te wenden, eerst het Gerecht in eerste aanleg en vervolgens in voorkomend geval het Hof in het kader van een hogere voorziening.

57      Nu deze algemene premissen zijn verduidelijkt, moet in verband met de in casu relevante procedureregels eraan worden herinnerd dat artikel 2 van verordening nr. 773/2004 bepaalt dat wanneer de Commissie besluit een procedure tegen bepaalde ondernemingen in te leiden om een onderzoek in te stellen naar „gevallen van vermoedelijke inbreuk” (zie artikel 105 VWEU), zij „een mededeling van punten van bezwaar [toezendt of] een verzoek aan de partijen hun belangstelling te laten blijken om schikkingsgesprekken te voeren”.

58      Vanuit dat tweede perspectief bepaalt artikel 10 bis, lid 1, van deze verordening dat „[n]a de inleiding van de procedure [...] de Commissie een termijn [kan] vaststellen waarbinnen de partijen schriftelijk kunnen aangeven dat zij bereid zijn schikkingsgesprekken te voeren, met als doel om eventueel verklaringen met het oog op een schikking in te dienen”.

59      Dienaangaande verduidelijkt punt 11 van de mededeling van de Commissie betreffende schikkingsprocedures met het oog op de vaststelling van beschikkingen op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 in kartelzaken (PB 2008, C 167, blz. 1; hierna: „mededeling betreffende schikkingsprocedures”) dat de schriftelijke verklaringen van de ondernemingen die hun belangstelling hebben laten blijken om schikkingsgesprekken te voeren, „niet [inhouden] dat de partijen toegeven dat zij betrokken waren bij of aansprakelijk zijn voor een inbreuk”.

60      Om meer in concreto vooruitgang in de beoogde onderhandelingen mogelijk te maken, bepaalt lid 2 van artikel 10 bis van verordening nr. 773/2004:

„Partijen die aan schikkingsgesprekken deelnemen, kunnen door de Commissie in kennis worden gesteld van:

a)      de bezwaren die zij voornemens is jegens hen aan te voeren;

b)      het bewijsmateriaal waarvan wordt gebruikgemaakt om de beoogde bezwaren vast te stellen;

c)      niet-vertrouwelijke versies van ieder specifiek, toegankelijk document dat op dat tijdstip in het dossier van de zaak is opgenomen;

d)      de bandbreedte van mogelijke geldboeten.”

61      In casu blijkt uit het dossier dat elk van de vijf bij het vermeende staalgritkartel betrokken ondernemingen, ook Pometon, na haar schriftelijke verklaring alle in artikel 10 bis, lid 2, van verordening nr. 773/2004 voorgeschreven informatie heeft ontvangen (zie punten 8 en 60 hierboven).

62      Tegen deze juridische en feitelijke achtergrond moet het onderhavige middel ten gronde worden beoordeeld.

b)      Draagwijdte van de verplichting tot onpartijdigheid van de Commissie en van het beginsel van het vermoeden van onschuld, met name in het specifieke geval van een in de tijd gespreide hybride procedure

63      Om in de eerste plaats te beoordelen of de Commissie haar plicht tot onpartijdigheid ten aanzien van Pometon is nagekomen, met name in het kader van de schikkingsprocedure waaruit deze laatste zich heeft teruggetrokken, moet worden opgemerkt dat het door de Commissie jegens de vier andere bij het kartel betrokken ondernemingen vastgestelde schikkingsbesluit ongetwijfeld een einde heeft gemaakt aan de inbreuk waarvan zij door deze instelling waren beschuldigd en bijgevolg ook aan het betreffende kartel en zijn negatieve gevolgen op de betreffende markt, omdat vier van de vijf betrokken ondernemingen hadden toegegeven hun staalgritprijzen op elkaar te hebben afgestemd en zich bereid hadden verklaard deze praktijk onmiddellijk te beëindigen.

64      Dit schikkingsbesluit heeft daarentegen geen einde gemaakt aan het optreden van de Commissie voor zover het gaat om de op 16 januari 2013 tegen Pometon ingeleide inbreukprocedure (zie punt 7 hierboven), aangezien Pometon zich had teruggetrokken uit de schikkingsprocedure waarvoor zij aanvankelijk een zekere belangstelling had laten blijken, en het onderzoek van haar zaak bijgevolg op tegenspraak moest worden voortgezet in het kader van een aldus hybride geworden inbreukprocedure. Zoals in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit wordt gepreciseerd, liep immers na de terugtrekking van Pometon uit de schikkingsprocedure „[nog] de administratieve procedure op grond van artikel 7 van verordening nr. 1/2003 tegen [Pometon]”.

65      In deze context is de door verzoekster voorgestelde lezing dat de verwijzingen naar bepaalde van haar gedragingen in het schikkingsbesluit haar recht op het vermoeden van onschuld hebben geschonden, waardoor de onpartijdigheid van de Commissie jegens haar wordt ondermijnd, objectief in strijd met het feit dat de Commissie, met name in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit, de schuld van Pometon in dit stadium van de procedure uitdrukkelijk heeft uitgesloten, juist omdat het onderzoek van haar dossier op tegenspraak moest worden voortgezet op grond van een specifieke akte van beschuldiging, namelijk de mededeling van punten van bezwaar die de Commissie op 3 december 2014 daadwerkelijk zou aannemen.

66      In het bijzonder kan de verwijzing naar het gedrag van Pometon in overweging 38 van het schikkingsbesluit niet afdoen aan deze vaststelling. Daarin stelt de Commissie dat uit de bewijzen waarover zij beschikt, „blijkt dat de contacten tussen Winoa, Ervin [de clementieverzoeker] en Pometon zich vanaf oktober 2003 tot een gedragspatroon hebben ontwikkeld” (zie punt 38 hierboven).

67      Allereerst bevatten deze bewoordingen geen enkele juridische kwalificatie van de betreffende feiten, noch maken zij het mogelijk objectief vast te stellen dat de Commissie in het stadium van het schikkingsbesluit reeds de schuld van Pometon had aangetoond, aangezien zij in dit inleidende deel van dit schikkingsbesluit evenmin de schuld had bewezen van de vier andere partijen bij het kartel, die de enige adressaten van dit besluit zijn.

68      Vervolgens kan de omstandigheid dat dit schikkingsbesluit in het volgende punt betreffende de juridische kwalificatie van de aan deze vier andere ondernemingen verweten feiten (Legal Assessment) vermeldt dat deze ondernemingen hun deelneming aan de inbreuk en derhalve hun schuld hebben erkend, de verwijzingen naar sommige gedragingen van verzoekster in de beschrijving van de gebeurtenissen niet automatisch de facto en de jure veranderen in een soort van „verkapt verdict” van de Commissie, dat ook betrekking heeft op de schuld van Pometon.

69      Bij de opstelling van een schikkingsbesluit dat, zoals in casu, is vastgesteld in het kader van een hybride geworden procedure, moeten de uiteenzetting van de feiten met betrekking tot het kartel in zijn geheel en de juridische kwalificatie van de feiten die specifiek worden toegerekend aan de ondernemingen die hun schuld hebben erkend, zo helder en duidelijk mogelijk van elkaar gescheiden blijven, juist om in het kader van hetzelfde administratieve dossier, in casu dat van het staalgritkartel (zie punt 3 hierboven), de definitieve rechtspositie van de ondernemingen die hebben geschikt, niet gelijk te stellen met die van de onderneming die gebruik heeft gemaakt van haar recht om zich uit de schikkingsprocedure terug te trekken en waarvoor de administratieve procedure nog loopt (zie punt 64 hierboven).

70      Om die reden moet de Commissie zich in de eerste plaats laten leiden door de fundamentele verplichting tot onpartijdigheid, die elke instelling van de Unie moet eerbiedigen op grond van artikel 41 van het Handvest, zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in zijn arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie (C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 154), wanneer zij een schikkingsbesluit opstelt in de specifieke context van een hybride geworden procedure ten aanzien van een onderneming die zich uit die procedure heeft teruggetrokken (zie punt 54 hierboven).

71      Het is immers niet zo dat de onderneming die uiteindelijk heeft beslist om af te zien van de schikking, daardoor haar recht om op onpartijdige wijze te worden behandeld, of haar recht op het vermoeden van onschuld ten aanzien van de betreffende inbreuk heeft verloren, ook al zal formeel pas een akte van beschuldiging tegen haar worden uitgebracht bij de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar die de contradictoire procedure inleidt, waarvan verzoekster in casu op 3 december 2014 kennis is gegeven.

72      De in artikel 41 van het Handvest neergelegde verplichting tot onpartijdigheid impliceert dat de Commissie in het kader van een hybride geworden procedure het schikkingsbesluit opstelt en motiveert, en daarbij alle noodzakelijke redactionele voorzorgsmaatregelen neemt zodat dit besluit, hoewel het niet gericht is aan de onderneming die zich heeft teruggetrokken uit de schikkingsprocedure, geen afbreuk doet aan het geheel van procedurele waarborgen die deze onderneming moet genieten in het kader van de latere contradictoire procedure. De Commissie moet weliswaar via deze redactionele voorzorgsmaatregelen in de mate van het mogelijke vermijden de niet-schikkende onderneming in het schikkingsbesluit te vernoemen, maar deze maatregelen kunnen niet leiden tot een verbod op iedere – rechtstreekse of indirecte – vermelding van deze onderneming.

73      Het oordeel van het EHRM in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310; zie punt 53 hierboven), kan immers verzoeksters stelling niet rechtvaardigen dat de Commissie op grond van haar verplichting tot onpartijdigheid en het beginsel van eerbiediging van het vermoeden van onschuld, zoals die van toepassing zijn op een administratieve procedure tot vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU, had moeten vermijden te verwijzen naar bepaalde van haar gedragingen.

74      In het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), heeft het EHRM erkend dat in het geval van een complexe strafprocedure met meerdere medeverdachten, aparte en in de tijd gespreide processen in overeenstemming zijn met het strafrechtelijke vermoeden van onschuld, op voorwaarde althans dat de betrokken rechterlijke instantie enige voorzichtigheid aan de dag legt bij de opstelling van de eerste van de twee strafrechtelijke beslissingen, die juist nodig zijn en juist in de tijd worden gespreid om de procedure ten aanzien van een groot aantal medeverdachten beter te voeren.

75      Dat heeft de Commissie in casu jegens verzoekster mutatis mutandis gedaan bij de opstelling van het schikkingsbesluit dat aan de vier andere bij hetzelfde kartel betrokken ondernemingen is gericht, zoals volgt uit de vaststellingen in de punten 63 tot en met 68 hierboven.

76      Bij de lezing van het schikkingsbesluit kan het eventueel belangstellende publiek uit de verwijzingen naar bepaalde gedragingen van Pometon in het voorlopige schikkingsbesluit (zie punt 45 hierboven) niet objectief afleiden dat die onderneming definitief schuldig is bevonden, omdat dit besluit op ondubbelzinnige wijze benadrukt dat het uitsluitend is bestemd voor de vier andere ondernemingen die een schikking hebben willen sluiten voor hun inbreuk, en dat het dossier over Pometon later zal worden behandeld in een afzonderlijke procedure op tegenspraak.

77      Op basis van de voorgaande overwegingen hoeft dan volledigheidshalve alleen nog te worden onderzocht of de verwijzingen naar de naam en bepaalde gedragingen van verzoekster in de „beschrijving van de gebeurtenissen” van het schikkingsbesluit daadwerkelijk konden worden beschouwd als noodzakelijk voor een zo volledig mogelijke beschrijving van de feiten die aan het betreffende kartel ten grondslag liggen.

78      In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat, wanneer meerdere partijen bij hetzelfde kartel betrokken zijn, een dergelijk onderzoek niet alleen moet worden verricht in het licht van de feitelijke en juridische context waarin de vier ondernemingen waaraan het schikkingsbesluit is gericht, zich bevinden, maar ook in het ruimere kader van een onderzoeksprocedure die hybride is geworden en derhalve onvermijdelijk ook de situatie van verzoekster moet omvatten als partij bij de vermeende inbreuk, ten aanzien waarvan de Commissie immers op 16 januari 2013 het besluit tot inleiding van het onderzoek naar het kartel inzake staalgrit heeft vastgesteld (zie punt 7 hierboven).

79      Gelet op de continuïteit van het optreden van de Commissie tussen de schikkingsprocedure die in casu ten aanzien van de vier andere ondernemingen is doorgevoerd, en de gewone procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het bestreden besluit tegen verzoekster (zie punt 64 hierboven), kunnen de litigieuze verwijzingen naar bepaalde gedragingen van verzoekster in het schikkingsbesluit objectief nuttig blijken voor de beschrijving van de oorsprong van het kartel in zijn geheel.

80      Om te beoordelen of de Commissie in casu haar verplichting tot onpartijdigheid is nagekomen tijdens de hele hybride procedure, moet worden uitgegaan van de uitleggingscriteria die het EHRM heeft ontwikkeld in het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), zoals de partijen overigens doen. Deze criteria kunnen hier uiteraard slechts mutatis mutandis in aanmerking worden genomen, omdat deze parameters in de zaak Karaman betrekking hadden op een in tijd gespreide procedure die van uitsluitend strafrechtelijke aard was (zie punt 74 hierboven), hetgeen niet het geval is voor de hybride administratieve procedure die in casu is gevoerd.

81      Wat ten eerste de door de Commissie in het schikkingsbesluit getroffen voorzorgsmaatregelen betreft, moet nogmaals worden opgemerkt dat de door verzoekster betwiste verwijzingen, die uitsluitend voorkomen in punt 4 van het schikkingsbesluit, met als opschrift „Beschrijving van de gebeurtenissen”, geen enkele juridische kwalificatie van het gedrag van deze onderneming bevatten.

82      Voorts wijst de Commissie in punt 2 van het schikkingsbesluit, meer bepaald in punt 2.25, meteen na de opsomming in punt 1 van de vier ondernemingen tot wie het schikkingsbesluit is gericht, verzoekster uitdrukkelijk aan als onderneming die het voorwerp uitmaakt van de onderzoeksprocedure die is ingeleid tegen de leden van het betreffende kartel, en niet als partij bij de schikkingsprocedure. Om elk risico op dubbelzinnigheid te mijden, merkt de Commissie overigens opnieuw op dat verzoekster geen adressaat is van dit besluit.

83      Zoals reeds is opgemerkt in de punten 64 en 65 hierboven, preciseert de Commissie in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit dat zij zich baseert op de feiten die de vier schikkende ondernemingen hebben toegegeven en dat de verwijzingen naar het gedrag van Pometon alleen ertoe strekken de aansprakelijkheid van deze vier ondernemingen voor de inbreuk vast te stellen, aangezien de procedure tegen Pometon nog moet worden voortgezet.

84      Hieruit volgt dat de Commissie op basis van deze verwijzingen naar Pometon objectief gezien niet ervan kan worden verdacht, reeds in het stadium van het schikkingsbesluit dat tot de vier andere bij het betreffende kartel betrokken ondernemingen is gericht, bewust te zijn vooruitgelopen op de vraag naar de schuld en de aansprakelijkheid van deze onderneming in het kader van dit kartel.

85      Wat ten tweede de vraag betreft of de verwijzingen in het schikkingsbesluit naar verzoeksters gedrag noodzakelijk waren om de aansprakelijkheid van de adressaten van dit besluit vast te stellen, moet om te beginnen de vergelijking van de hand worden gewezen die verzoekster heeft gemaakt met het schikkingsbesluit van de Commissie in de zaak die heeft geleid tot haar besluit C(2014) 4227 final, waarin een van de aan het kartel deelnemende ondernemingen ook van een schikking had afgezien (zie punt 40 hierboven).

86      De omstandigheden in deze twee zaken zijn immers niet dezelfde. In elk geval maakt verzoekster niet aannemelijk dat het kartel dat in casu aan de orde is gelijkt op het kartel in die zaak.

87      Vervolgens zij eraan herinnerd dat de bewoordingen van overweging 38 van het schikkingsbesluit, volgens welke uit de verwijzingen naar verzoeksters situatie in de voorgaande overwegingen „blijkt dat de contacten tussen Winoa, Ervin en Pometon zich vanaf oktober 2003” – het begin van de inbreuk – „tot een gedragspatroon hebben ontwikkeld”, niet betekenen dat de Commissie in dit stadium van de motivering van het schikkingsbesluit reeds alle feitelijke en juridische omstandigheden had vastgesteld die bewijzen dat Pometon zich, net zoals de vier andere ondernemingen die hun schuld hadden toegegeven, schuldig had gemaakt aan deelneming aan de betreffende inbreuk (zie punten 66 en 67 hierboven).

88      Wat voorts overweging 37 van het schikkingsbesluit betreft, dat betrekking heeft op de geografische reikwijdte van de mededingingsregeling, die voor de vijf betrokken ondernemingen de hele EER bestrijkt, moet worden opgemerkt dat het noodzakelijk was de territoriale reikwijdte van het kartel in zijn geheel te preciseren, aangezien de Commissie heeft aangenomen dat er één enkele voortdurende inbreuk bestond (zie punt 259 hierna).

89      Ten slotte dient te worden opgemerkt dat overweging 31 van het schikkingsbesluit, die luidt dat „[d]e contacten met Pometon zijn voortgezet tot en met 16 mei 2007, de datum waarop Pometon haar staalgritactiviteit heeft verkocht aan Winoa en de markt heeft verlaten”, niet ertoe strekt te concluderen dat verzoekster aansprakelijk is voor de betreffende inbreuk, maar wel te preciseren hoe het kartel, waaraan de vier adressaten van het schikkingsbesluit – zoals ze zelf hebben toegegeven – hebben deelgenomen, in de tijd is geëvolueerd, juist omdat Winoa op die datum de activiteit van Pometon heeft gekocht (overwegingen 32‑35 van het schikkingsbesluit).

90      Verzoekster kan dus, gelet op de in casu toepasselijke bepalingen, die hierboven in de punten 57 tot en met 60 in herinnering zijn gebracht en waarvan verzoekster de wettigheid niet heeft betwist, de Commissie niet met succes verwijten dat zij, door in het schikkingsbesluit bepaalde van haar gedragingen te vermelden die in verband staan met die van de vier andere betrokken ondernemingen, haar fundamentele plicht tot onpartijdigheid bij de latere behandeling van haar nog aanhangige dossier over staalgrit niet is nagekomen, noch dat zij het vermoeden van onschuld van verzoekster als onderneming die ervoor heeft gekozen de schikkingsprocedure niet te volgen – terwijl de vier andere concurrerende ondernemingen daarmee wel hadden ingestemd – heeft geschonden.

91      Verzoekster betoogt niettemin dat de schending van het vermoeden van onschuld in casu voortvloeit uit het feit dat de twee procedures inzake het staalgritkartel waarbij zij betrokken was, namelijk de schikkingsprocedure en de daaropvolgende contradictoire procedure, niet tegelijkertijd hebben plaatsgevonden, zodat de Commissie in het schikkingsbesluit alle verwijzingen naar haar specifieke situatie had moeten weglaten (zie punten 7, 10 en 11 hierboven).

92      Het spreekt inderdaad vanzelf dat in casu het feit dat vier van de vijf bij het betreffende kartel betrokken ondernemingen hun schuld hebben toegegeven, een omstandigheid is die onvermijdelijk een sterke invloed kan hebben op de feiten in verband met de deelneming van de vijfde onderneming die ervan wordt verdacht bij datzelfde kartel betrokken te zijn geweest, namelijk Pometon.

93      Wanneer echter een onderneming vrij kiest voor de hybride procedure in plaats van bij de Commissie een verklaring met het oog op een schikking in te dienen, kan zij niet op grond van het beginsel van het vermoeden van onschuld verlangen dat de Commissie, als autoriteit belast met de naleving van de mededingingsregels, bepaalde feiten in het schikkingsbesluit die de andere – schikkende – ondernemingen hebben toegegeven en die relevant zijn om het bestaan van dit kartel in zijn geheel te beoordelen, ook al verwijzen zij naar gedragingen van verzoekster, die de schikkingsprocedure niet heeft gevolgd, volledig buiten beschouwing laat.

94      Het argument van de Commissie dat de stelling van verzoekster nagenoeg erop neerkomt dat de ondernemingen die zich uit een schikkingsprocedure terugtrekken, een soort van „immuniteit tegen geldboeten” genieten, kan evenmin worden aanvaard.

95      De dienaangaande door verzoekster aangevoerde rechtsvraag is immers niet erop gericht de bevoegdheid van de Commissie te betwisten om haar een geldboete op te leggen, maar betreft de nakoming van haar plicht tot onpartijdigheid bij de behandeling van haar dossier over staalgrit en bijgevolg ook de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld in het kader van een in de tijd gespreide hybride procedure.

96      Het recht van een onderneming om zich uit een schikkingsprocedure terug te trekken impliceert echter niet dat zij ook aanspraak kan maken op een onweerlegbaar vermoeden van onschuld, dat wil zeggen een vermoeden dat niet kan worden weerlegd door het bewijs van het tegendeel, dat in casu juist in het kader van een contradictoire procedure ten aanzien van de betrokken onderneming door de Commissie moet worden geleverd.

97      Hoewel een dergelijke procedure hybride is en in de tijd is gespreid, stelt zij dus niettemin de Commissie in staat haar controlerende en bestraffende taak naar behoren te vervullen voor alle gedragingen die de mededinging binnen de eenheidsmarkt kunnen verhinderen, beperken of vervalsen (artikel 101, lid 1, VWEU), en stelt zij tegelijk de betrokken ondernemingen in staat om ten volle hun rechten van verdediging uit te oefenen in het kader van een rechtstreekse confrontatie op tegenspraak met de Commissie.

98      Verzoekster stelt overigens niet dat een dergelijke spreiding in de tijd bij de toepassing van deze twee procedures als zodanig in strijd is met de relevante bepalingen van de toepasselijke verordeningen ter zake, noch met die van artikel 41 van het Handvest over de verplichting tot onpartijdigheid van de instellingen van de Unie. Zij is daarentegen van mening dat in casu een dergelijk tijdsverloop tussen het schikkingsbesluit en het bestreden besluit in strijd is met het vermoeden van onschuld dat zij moet genieten totdat haar schuld in rechte is komen vast te staan.

99      In dit verband moet evenwel worden opgemerkt dat het besluit om een contradictoire procedure in te leiden jegens een onderneming die zich heeft teruggetrokken uit een schikkingsprocedure, de Commissie niet ertoe dwingt de vaststelling van „passende” maatregelen „om [...] een eind te maken” aan het betreffende kartel, te vertragen of op te schorten (artikel 105 VWEU), met name de vaststelling van maatregelen met betrekking tot de andere ondernemingen die hun aansprakelijkheid hebben toegegeven en daartoe een definitieve verklaring met het oog op een schikking hebben ingediend. De vaststelling van een schikkingsbesluit, wanneer alle omstandigheden rechtens dit toestaan, beantwoordt in feite aan het algemene en hogere belang van bescherming van de mededinging ten voordele van de consumenten. Zoals ook in overweging 3 van verordening (EG) nr. 2015/1348 van de Commissie van 3 augustus 2015 tot wijziging van verordening nr. 773/2004 (PB 2015, L 208, blz. 3) wordt verklaard, „[wegen de] belangen van consumenten dat geheime kartels worden opgespoord en bestraft, [...] immers zwaarder dan het belang dat aan ondernemingen die de Commissie in staat hebben gesteld deze praktijken op te sporen en te verbieden, boeten worden opgelegd [...]”.

100    Zo verplicht ten eerste geen enkele in casu toepasselijke bepaling van het Unierecht de Commissie om het schikkingsbesluit op hetzelfde ogenblik vast te stellen als het inbreuk‑ en sanctiebesluit tegen een onderneming die zich uit de schikkingsprocedure heeft teruggetrokken of die zelfs vanaf het begin heeft geweigerd om aan een dergelijke procedure deel te nemen. In deze context volgt een mogelijk tijdsverschil uitdrukkelijk uit punt 19 van de mededeling betreffende schikkingsprocedures, dat het volgende preciseert:

„Ingeval de partijen geen verklaring met het oog op een schikking indienen, verloopt de procedure die resulteert in de eindbeschikking ten aanzien van hen volgens de algemene bepalingen, en met name artikel 10, lid 2, artikel 12, lid 1 en artikel 15, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 – in plaats van volgens de bepalingen betreffende de schikkingsprocedure.”

101    Ten tweede kan de Commissie dus, zelfs in de bijzondere context van een in de tijd gespreide hybride procedure, krachtens de ter zake toepasselijke bepalingen van het Unierecht haar taak vervullen om op doeltreffende wijze toezicht te houden en kartels te bestraffen, op voorwaarde althans dat zij ten volle haar plicht tot onpartijdigheid nakomt en het vermoeden van onschuld eerbiedigt ten aanzien van de partij die van de schikking heeft afgezien en ervoor heeft gekozen haar dossier door deze instelling te laten behandelen in het kader van een specifieke contradictoire procedure.

102    Tijdens een dergelijke contradictoire procedure kan de betrokken onderneming immers, door zich met name te beroepen op alle haar door het Unierecht toegekende prerogatieven die verbonden zijn aan de rechten van de verdediging, alle door de Commissie tegen haar aangevoerde bewijzen à charge betwisten en tegelijkertijd alle argumenten aanvoeren die nuttig zijn voor haar verdediging.

103    Om al deze redenen moet worden vastgesteld dat de litigieuze verklaringen betreffende verzoekster in het schikkingsbesluit zowel door de redactionele voorzorgsmaatregelen van de Commissie bij de vaststelling van dit besluit als door de wezenlijke inhoud ervan niet kunnen worden beschouwd als een aanwijzing dat deze instelling zich partijdig heeft opgesteld jegens verzoekster en dus het vermoeden van haar onschuld in het bestreden besluit heeft geschonden.

104    Om al deze redenen moet het eerste middel worden afgewezen.

B.      Tweede middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering en schending van de rechten van de verdediging en de regels inzake de bewijslast, doordat de Commissie verzoekster heeft verweten aan het kartel te hebben deelgenomen

105    Dit middel bestaat uit drie onderdelen. In het kader van de eerste twee onderdelen betwist verzoekster haar deelneming aan de vermeende mededelingsregeling met betrekking tot de berekeningswijze van de schroottoeslag (eerste onderdeel van de mededelingsregeling) en de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers (tweede onderdeel van de mededelingsregeling). In het kader van het derde onderdeel van dit middel betoogt zij dat zij niet heeft deelgenomen aan een enkele voortdurende inbreuk. Ter ondersteuning van deze drie onderdelen voert verzoekster in wezen aan dat de bewijzen waarop de Commissie zich in het bestreden besluit baseert, ontoereikend zijn, omdat zij onnauwkeurig, incoherent en tegenstrijdig zijn.

106    Voordat elk van de drie onderdelen van het onderhavige middel wordt onderzocht, moet vooraf worden herinnerd aan de regels betreffende de bewijslast en de bewijsvoering.

1.      Voorafgaande opmerkingen betreffende de bewijslast en de bewijsvoering

107    Artikel 2 van verordening nr. 1/2003 bepaalt uitdrukkelijk dat „de partij of autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel [101, lid 1, of artikel 102 VWEU] is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk [dient] te dragen”. Derhalve staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk rechtens genoegzaam aan te tonen (zie in die zin arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

108    Overeenkomstig het beginsel van het vermoeden van onschuld dient het bestaan van twijfel bij de rechter, wanneer hij dient te beoordelen of de Commissie de schuld van een onderneming inzake een inbreuk op artikel 101 VWEU rechtens genoegzaam heeft bewezen, dus in het voordeel te spelen van de onderneming die adressaat is van het besluit waarbij een dergelijke inbreuk is vastgesteld (zie in die zin arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109    Derhalve is het in deze context noodzakelijk dat de Commissie een geheel van nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aandraagt op grond waarvan kan worden aangenomen dat de betreffende inbreuk en sanctie wettig zijn vastgesteld, namelijk met eerbiediging van de toepasselijke rechtsregels en met name de rechten van de verdediging. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, kan hier aanspraak op maken. Niettemin hoeft niet elk door de Commissie aangedragen bewijs noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het volstaat dat het door deze instelling aangevoerde samenstel van aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie in die zin arresten van 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 52, en 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punten 96 en 97).

110    Aangezien het verbod om aan mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten deel te nemen en de sancties die overtreders kunnen worden opgelegd, algemeen bekend zijn, is het namelijk gebruikelijk dat de kartelactiviteiten almaar vaker clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten tussen de vertegenwoordigers van de ondernemingen in het geheim worden gehouden, meestal in een derde staat, en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt, juist om te voorkomen dat het kartel wordt opgespoord en terecht strenge sancties te ontlopen.

111    Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen de betrokken marktdeelnemers blijkt, zoals verslagen van een bijeenkomst, zullen deze stukken dus doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, gevoegde zaken C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 55 en 56, en 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 50).

112    In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arresten van 17 september 2015, Total Marketing Services/Commissie, C‑634/13 P, EU:C:2015:614, punt 26, en 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 51).

113    Aangezien het steeds moeilijker wordt om deze mededingingsverstorende gedragingen te doorgronden, kan de Commissie met name rekening houden met vastgestelde feiten die buiten de inbreukperiode hebben plaatsgevonden, indien deze deel uitmaken van de verzameling aanwijzingen die zij aanvoert om de inbreuk aan te tonen. Zij kan zich aldus beroepen op feitelijke omstandigheden die dateren van vóór een mededingingsverstorende gedraging, om de inhoud van een objectief bewijselement te bevestigen (zie in die zin arrest van 2 februari 2012, Denki Kagaku Kogyo en Denka Chemicals/Commissie, T‑83/08, niet gepubliceerd, EU:T:2012:48, punt 188), of zelfs op omstandigheden die na deze gedraging hebben plaatsgevonden (arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 178).

114    Indien de Commissie zich in het kader van de vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht op schriftelijk bewijs baseert, moeten de betrokken ondernemingen niet slechts een aannemelijk alternatief voor de opvatting van de Commissie bieden, maar bovendien aantonen dat de bewijzen waarop zij zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd om de vermeende inbreuk vast te stellen, ontoereikend zijn (zie arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 181 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

115    Wat de bewijsmiddelen betreft die kunnen worden aangevoerd om een inbreuk op artikel 101 VWEU te bewijzen, primeert in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering, waaruit ten eerste volgt dat, wanneer bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen, de ontvankelijkheid ervan niet voor het Gerecht kan worden betwist en ten tweede dat het enige relevante criterium ter beoordeling van de bewijskracht van het rechtmatig aangevoerde bewijs de geloofwaardigheid ervan is (arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, gevoegde zaken C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 128).

116    Volgens de algemeen toepasselijke bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en derhalve de bewijswaarde van een document af van de oorsprong ervan, de omstandigheden waarin het is opgesteld en degene tot wie het gericht is alsook van de vraag of de inhoud ervan zinnig en betrouwbaar is.

117    Aldus moet groot belang worden gehecht aan het feit dat een document in rechtstreeks verband met de feiten of door een rechtstreekse getuige van die feiten is opgesteld. Dat is in het bijzonder het geval voor documenten die rechtstreeks verband houden met bijeenkomsten waarop de planning of de uitvoering van het kartel is besproken en die duidelijk zijn opgesteld zonder dat daarbij ooit de gedachte opkwam dat zij in handen van derden zouden komen (zie in die zin arresten van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie, T‑343/06, EU:T:2012:478, punt 207, en 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 109).

118    Vanuit die optiek kunnen de verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen significant zijn om het bestaan van een kartel vast te stellen. In het bijzonder hebben de verklaringen in het kader van een verzoek tot toepassing van de clementieregeling van de Commissie (zie overweging 3 van verordening nr. 2015/1348, aangehaald in punt 99 hierboven) een grote bewijskracht (zie in die zin arresten van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, gevoegde zaken T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, EU:T:2004:221, punten 205, 211 en 212, en 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punt 115). Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van een clementieverzoeker, waardoor hij het risico loopt geen profijt uit deze medewerking te halen (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, gevoegde zaken C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 138).

119    De verklaring van een onderneming die van deelname aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan echter niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat door hen een inbreuk is gepleegd, tenzij zij door ander bewijs wordt gestaafd, al kan de mate waarin nader bewijs vereist is, geringer zijn naargelang van de geloofwaardigheid van deze verklaringen (arresten van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, gevoegde zaken C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 135, en 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 28).

120    Om het door de Commissie aangevoerde bewijs van de inbreuk in aanmerking te kunnen nemen, is uiteindelijk niet vereist dat elk door deze instelling overgelegd element noodzakelijkerwijs nauwkeurig is en op zich een zelfstandig bewijs van de inbreuk vormt, maar volstaat het dat het accusatoire kader in zijn geheel en de verzameling van de door de Commissie aangedragen aanwijzingen en elementen, in hun geheel beschouwd, beantwoorden aan de fundamentele vereisten inzake het bewijs van de schuld, zodat de Unierechter die vervolgens eventueel wordt aangezocht om het inbreukbesluit te toetsen, kan oordelen dat deze schuld in rechte is komen vast te staan (zie punt 109 hierboven).

2.      Eerste onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet deelgenomen aan het eerste onderdeel van het kartel, dat betrekking had op de berekeningswijze van de „schroottoeslag”

a)      Argumenten van partijen

121    Verzoekster stelt dat de conclusie van de Commissie dat zij heeft deelgenomen aan de mededingingsregeling met betrekking tot de berekeningswijze van de schroottoeslag, onjuist is en op geen enkel bewijs berust. Zij voert aan dat de schroottoeslag niet automatisch kon worden toegepast, maar dat daarvoor regelmatig informatie tussen de betrokken ondernemingen moest worden uitgewisseld en bijeenkomsten en diverse contacten moesten plaatsvinden, die de essentie zelf van het kartel vormden.

122    Dienaangaande stelt verzoekster in de eerste plaats dat het niet voldoende was dat elke producent de prijsindexen van schroot raadpleegde, namelijk de CAEF 225-index voor Italië en de Eurofer-index voor de andere EER-landen, en vervolgens autonoom het bedrag van de schroottoeslag berekende aan de hand van de voorheen afgesproken formule. Uit de vaststellingen van de Commissie in het bestreden besluit (overwegingen 40, 121, 124 en 125) volgt daarentegen dat de producenten voor de berekening van de schroottoeslag de informatie moesten ontvangen die Winoa elke maand per e‑mail aan alle kartelleden moest verzenden (hierna: „spreadsheet”) of anders de website van Winoa moesten raadplegen, waarop Winoa vanaf mei 2004 de informatie over de schroottoeslag publiceerde, welke publicatie zij ook ter kennis bracht van de andere partijen.

123    Verzoekster heeft naar eigen zeggen sowieso van Winoa nooit de spreadsheets, noch de kennisgeving van de publicatie betreffende de schroottoeslag op haar website ontvangen. Zij betwist bovendien dat een dergelijke publicatie de verzending van de spreadsheets kon vervangen (overweging 127 van het bestreden besluit).

124    Wat in de tweede plaats de deelname aan sommige bijeenkomsten betreft, voert verzoekster aan dat zij slechts twee van de 27 bijeenkomsten van de andere betrokken ondernemingen heeft bijgewoond die in de periode tot 16 mei 2007 hebben plaatsgevonden, de eerste op 28 september 2004 en de tweede op 9 juni 2005 (overweging 69 van het bestreden besluit).

125    In het bijzonder heeft geen enkele bijeenkomst plaatsgevonden op 16 mei 2007. De in de overwegingen 52 tot en met 56 van het bestreden besluit vermelde ontmoeting in Milaan (Italië) heeft in werkelijkheid plaatsgevonden op 17 mei 2017, te weten de dag na de datum waarop verzoekster haar activiteit in de staalgritsector had verkocht aan Winoa en aldus deze markt definitief had verlaten (overwegingen 11, 129 en 166 van het bestreden besluit).

126    Wat in de derde plaats de andere contacten betreft, betoogt verzoekster dat uit de in het bestreden besluit aangevoerde documenten (overwegingen 48‑55) niet blijkt dat haar contacten met de andere deelnemers aan het kartel konden bewijzen dat zij in 2004 en daarna de in oktober 2003 overeengekomen schroottoeslag is blijven toepassen.

127    De Commissie heeft de feiten dus verdraaid en niet bewezen dat verzoekster betrokken was bij heimelijke contacten.

128    De Commissie is het met deze argumenten niet eens.

b)      Beoordeling door het Gerecht

1)      Aanvankelijke rol van verzoekster bij de invoering van de schroottoeslag in 2003

129    Verzoekster trekt niet in twijfel dat zij aanvankelijk, vanaf 3 oktober 2003, aansprakelijk was voor het eerste onderdeel van het kartel. Zij heeft deze aansprakelijkheid overigens evenmin betwist in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar van 3 december 2004 (overwegingen 114 en 160 van het bestreden besluit). Het staat dus vast dat verzoekster niet alleen de overeenkomst over de berekeningswijze van de schroottoeslag met Winoa en Ervin heeft gesloten op de bijeenkomst van de vertegenwoordigers van deze drie ondernemingen die op 3 oktober 2003 in een restaurant aan het Gardameer (Italië) heeft plaatsgevonden, maar in 2003 ook een belangrijke rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van deze bijeenkomst en bij de keuze van het nieuwe eenvormige berekeningssysteem.

130    Bovendien blijkt uit de dossierstukken dat verzoekster na de sluiting van de overeenkomst van 3 oktober 2003 betrokken was bij de coördinatie en de effectieve uitvoering van het nieuwe systeem voor de berekening van de schroottoeslag. Deze betrokkenheid blijkt namelijk uit een reeks e‑mails die zij in oktober 2003 met Winoa heeft uitgewisseld (overwegingen 42‑45 van het bestreden besluit) en die zij niet heeft betwist, alsook uit de e‑mail van 1 december 2003 van de „general manager” van Pometon Deutschland aan de algemeen directeur van verzoekster (overweging 46). Dit document in het bijzonder toont duidelijk aan dat verzoekster haar Duitse dochteronderneming heeft verzocht de schroottoeslag toe te passen, een instructie die volledig in overeenstemming is met de strategie van het betreffende kartel. Ten slotte blijkt uit de interne e‑mail van Winoa van 9 december 2003 dat de invoering van deze toeslag door de Spaanse dochterondernemingen van Winoa en verzoekster ook onderling is afgestemd tussen deze ondernemingen (overweging 47 van het bestreden besluit).

131    Deze feiten worden evenmin betwist.

2)      Automatische toepassing van de schroottoeslag na 1 februari 2004

132    De eenvormige formule voor de berekening van de schroottoeslag, zoals die was overeengekomen op de bijeenkomst van 3 oktober 2003 en volgens de Commissie door alle kartelleden was toegepast vanaf februari 2004, is beschreven in overweging 37 van het bestreden besluit.

133    Deze formule was voor de hele EER, behalve de Italiaanse markt, gebaseerd op de Eurofer-index van de schrootprijs. Deze index werd tot 2 maart 2016 maandelijks gepubliceerd op de website van Eurofer, de Europese vereniging van ijzer‑ en staalproducenten. Hij werd berekend aan de hand van de gemiddelde prijs in euro per ton op basis van de vraag‑ en aanbodprijzen van de belangrijkste marktdeelnemers uit Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk (overweging 7 van het bestreden besluit).

134    Voor Italië, waar de schrootprijzen aanzienlijk hoger lagen dan in de meeste andere Europese landen, was deze formule gebaseerd op de CAEF 225-index, te weten een nationale index opgesteld door de kamer van koophandel van Milaan en gepubliceerd op de website van Assofermet, de Italiaanse vereniging van ondernemingen die actief zijn in de sector van staalproducten.

135    Anders dan de Eurofer-index, was de CAEF 225-index geen maandelijkse waarde, te weten één enkele indicator, maar wel een bandbreedte van minimum‑ en maximumprijzen, die Assofermet tweewekelijks publiceerde (overwegingen 37 en 126 van het bestreden besluit).

136    Op basis van deze gegevens werd de schroottoeslag volgens de bepalingen van de overeenkomst berekend door aftrekking van het cijfer 68 van de Eurofer-index en het cijfer 62 van de CAEF 225-index als „compensatie”. Om de voor de afnemers toepasselijke basisprijs van staalgrit te verkrijgen, werd het aldus berekende bedrag opgeteld bij de andere kosten, met name de effectieve aankoopprijs van het schroot.

137    Verzoekster betwist deze berekeningswijze niet in haar memories, maar stelt dat de betrokken producenten de schroottoeslag niet automatisch, enkel op basis van deze twee indexen, konden toepassen.

138    Om deze toeslag toe te passen, moest elke producent volgens verzoekster elke maand de spreadsheet ontvangen, namelijk de maandelijkse e‑mail over de schroottoeslag die Winoa tot medio 2007 verstuurde naar de kartelleden, of vanaf mei 2004 de op de website van Winoa gepubliceerde informatie over de schroottoeslag raadplegen.

139    In antwoord op een vraag van het Gerecht heeft verzoekster ter terechtzitting betoogd dat het in het bijzonder in Italië heel moeilijk was om zonder de gegevens van de spreadsheets de schroottoeslag toe te passen, want de CAEF 225-index bestond in een bandbreedte die om de twee weken werd gepubliceerd. Dit komt in concreto neer op vier indicatoren per maand (zie punt 135 hierboven). Ter terechtzitting heeft verzoekster dienaangaande ook gepreciseerd dat Winoa deze vier indicatoren verwerkte tot één bedrag in de spreadsheets, die overigens niet alleen dat ene bedrag maar ook het werkelijke bedrag van de schroottoeslag vermeldden.

140    Volgens verzoekster is de stelling van de Commissie dat zij aan dit eerste onderdeel van de mededingingsregeling heeft deelgenomen dus onjuist en is er daarvoor geen enkel toereikend bewijs, aangezien zij nooit de maandelijkse spreadsheets heeft ontvangen, die volgens haar noodzakelijk waren om dat onderdeel van de mededingingsregeling uit te voeren, en zelfs niet de e‑mail van Winoa waarin de andere kartelleden op de hoogte werden gebracht van het feit dat de informatie over de schroottoeslag vanaf mei 2004 op haar website werd gepubliceerd en de link naar die website werd vermeld (zie punt 122 hierboven).

141    Deze argumenten van verzoekster, waarmee zij in wezen betoogt dat het in de praktijk onhaalbaar of zelfs onmogelijk was om de overeenkomst over de schroottoeslag automatisch toe te passen, met name in Italië, kunnen niet worden aanvaard.

142    Wat allereerst de toepassing van de overeenkomst over de schroottoeslag in Italië betreft, moet worden opgemerkt dat, aangezien verzoekster niet betwist dat zij heeft meegewerkt aan de ontwikkeling en de invoering van deze overeenkomst, het onwaarschijnlijk is dat Pometon, die in wezen een van de architecten van het kartel is geweest, bij de effectieve uitvoering van dit mededingingsverstorende actieplan redelijkerwijs kon afzien van de toepassing van deze toeslag, zonder dat dit enige reactie van haar kartelpartners uitlokte, op de enkele grond dat zij over onvoldoende informatie van Winoa beschikte. Deze toeslag was immers bedacht door Pometon en overeengekomen met de andere betrokken ondernemingen, juist om automatisch en zelfstandig door elke kartelpartij te worden toegepast, ook op de Italiaanse markt, waarop in de eerste plaats Pometon actief is.

143    In dat verband blijkt uitdrukkelijk uit de door de Commissie overgelegde bewijsstukken, zoals de e‑mail van 5 september 2003 van de algemeen directeur van verzoekster aan Winoa, dat het systeem van de schroottoeslag de facto was bestemd om automatisch te worden toegepast en dat de indexen waarop dit systeem was gebaseerd, overigens juist om die reden waren gekozen. Dit bevestigt dat de toezending van maandelijkse informatie aan de kartelleden niet absoluut noodzakelijk was voor de toepassing van de schroottoeslag.

144    Wat vervolgens de berekening zelf van de schroottoeslag in Italië betreft, kan evenmin verzoeksters argument worden aanvaard dat zij het bedrag van die toeslag bijna onmogelijk kon berekenen, omdat zij de door Winoa opgestelde spreadsheet niet had ontvangen (zie punt 139 hierboven). Uit de door verzoekster ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht aangevoerde interne e‑mails van Winoa van 31 mei 2007 blijkt immers overduidelijk dat de werknemers van Winoa alleen maar de door de kamer van koophandel van Milaan twee keer per maand vastgestelde bandbreedte bij deze instelling hoefden op te vragen en het gemiddelde van deze vier bedragen hoefden uit te rekenen om te bepalen welk niveau van de CAEF 225-index in aanmerking moest worden genomen bij de berekening van deze toeslag. Onbetwist is dat deze werkwijze niet is veranderd sinds de overeenkomst van 3 oktober 2003 over het nieuwe systeem voor de berekening van de betreffende schroottoeslag (zie punt 129 hierboven). Bijgevolg is er geen enkele reden om aan te nemen dat de andere kartelpartijen niet in staat waren om in voorkomend geval deze berekening uit te voeren.

145    Ten slotte blijkt uit de door de Commissie in overweging 125 van het bestreden besluit aangevoerde en door de partijen overgelegde documenten dat Winoa reeds vóór de invoering van het nieuwe systeem voor de berekening van de schroottoeslag verzoekster elke maand een spreadsheet bezorgde met de oude index waarop de schroottoeslag was gebaseerd, alsook het bedrag van deze toeslag. Dat blijkt namelijk uit de door de algemeen directeur van verzoekster aan Winoa toegezonden fax van 14 februari 2003 en uit een aantal van deze bij het dossier van de Commissie gevoegde spreadsheets. Gelet op de betrokkenheid van verzoekster bij de invoering van het nieuwe systeem (zie punten 129 en 130 hierboven) is het weinig waarschijnlijk dat Winoa verzoekster vanaf 1 februari 2004 geen spreadsheets meer zou hebben verzonden, terwijl was overeengekomen dat zij de kartelleden maandelijks over de schroottoeslag zou inlichten (overweging 38 van het bestreden besluit).

146    Kortom, uit al het hierboven in de punten 141 tot en met 144 onderzochte bewijsmateriaal volgt dat de automatische toepassing van het eerste onderdeel van de mededingingsregeling niet in twijfel kan worden getrokken op de enkele grond dat de invoering van de berekeningswijze van de schroottoeslag gepaard ging met de invoering van een systeem waarbij maandelijks informatie werd verstrekt door Winoa of waarbij deze zelfs de coördinatie op zich nam.

147    Om al deze redenen heeft de Commissie rechtens genoegzaam bewezen dat de schroottoeslag hoe dan ook automatisch van toepassing was, waardoor verzoeksters stelling dat schriftelijk bewijs ontbreekt dat Winoa Pometon spreadsheets heeft toegezonden tijdens de periode van haar deelname aan de inbreuk, geen twijfels kan doen rijzen over het feit dat deze onderneming na 1 februari 2004 bij het eerste onderdeel van het kartel betrokken was.

3)      Contacten tussen verzoekster en de andere deelnemers aan het kartel vanaf 2004

148    Gelet op de automatische toepassing van de schroottoeslag kan verzoeksters betoog dat Pometon aan bijeenkomsten diende deel te nemen en andere contacten diende te onderhouden om vanaf 2004 het eerste onderdeel van de mededingingsregeling te kunnen uitvoeren, evenmin slagen.

149    Wat ten eerste de bijeenkomsten betreft, betwist verzoekster de stelling van de Commissie in overweging 111 van het bestreden besluit dat „[t]ijdens de periode na de invoering van het eenvormige model voor een ‚schroottoeslag’ in het najaar van 2003, en tot de herziening van de ‚schroottoeslag’ in de zomer van 2007 de contacten minder intens waren”, en voert zij aan dat zij volgens de Commissie slechts aanwezig was op 2 van de 27 bijeenkomsten die in de betreffende periode hebben plaatsgevonden.

150    Zelfs indien de andere kartelleden of sommigen onder hen daadwerkelijk met een zekere regelmaat zijn bijeengekomen om de toepassing van de schroottoeslag op te volgen, kan, gelet op de automatische toepassing van het systeem, uit de niet-deelname van verzoekster aan dergelijke bijeenkomsten niet worden afgeleid dat zij dit systeem niet langer toepaste.

151    Wat ten tweede de andere contacten betreft, kunnen verzoeksters argumenten evenmin twijfel doen rijzen over de bewijswaarde van de elementen die de Commissie in dat verband aanvoert om haar vaststellingen over de deelname van Pometon aan het eerste onderdeel van de mededingingsregeling te ondersteunen.

152    Allereerst merkt de Commissie terecht op dat de interne e‑mail van Winoa van 24 maart 2004 over een gesprek met de algemeen directeur van Pometon España, waarnaar in overweging 48 van het bestreden besluit wordt verwezen, juist tot doel had de uitvoering van de schroottoeslag op te volgen, hetgeen aldus de deelname van Pometon aan het eerste onderdeel bevestigt. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat deze bespreking meer bepaald betrekking had op de naleving door Pometon van de overeenkomst over de schroottoeslag ten opzichte van een van haar afnemers in Spanje, de onderneming Acerinox, kan niets afdoen aan deze vaststelling.

153    Vervolgens hadden de in overweging 50 van het bestreden besluit aangevoerde e‑mails tussen Würth en Pometon van 16 tot en met 18 november 2005 betrekking op de uitbreiding van de toepassing van het gelaakte systeem van schroottoeslag tot leveringen van staalgrit tussen de kartelleden, zoals de Commissie opmerkt.

154    Anders dan verzoekster stelt, verwijzen deze e‑mails duidelijk naar dit systeem. In het bijzonder in zijn e‑mail van 17 november 2005 schreef de algemeen directeur van verzoekster aan Würth dat, om de verkoopprijs van staalgrit van Pometon aan Würth vast te stellen in 2006, „[d]e oplossing zou zijn de maandelijkse schroottoeslag toe te passen zoals thans het geval is op de markten”. Hij verwees aldus uitdrukkelijk naar het feit dat dit systeem door de kartelleden, ook door Pometon, werd toegepast op de betreffende markten, en hij pleitte ervoor het uit te breiden tot de leveringen tussen producenten.

155    Ten slotte blijkt het bestaan van mededingingsbeperkende contacten tussen Pometon en de andere kartelleden ook uit de interne e‑mail van Ervin van 20 maart 2007, waarnaar wordt verwezen in overweging 52 van het bestreden besluit en waarin staat dat vertegenwoordigers van Winoa en Pometon de auteur van deze e‑mail hadden verzocht deel te nemen aan een bijeenkomst in Milaan op „16/17 mei” 2007 om de toepassing van de schroottoeslag te bespreken (zie punt 301 hierna).

156    Ten derde kunnen de verwijzingen in het bestreden besluit (overwegingen 69, 95, 107, 108, 110, 113 en 143) naar de deelname van verzoekster aan bijeenkomsten of andere contacten tussen de kartelleden niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie zelf van mening was dat dergelijke contacten noodzakelijk waren om het eerste onderdeel van de mededingingsregeling uit te voeren. Dat wordt tegengesproken door de bewijzen waaruit blijkt dat het systeem van de schroottoeslag automatisch werd toegepast.

157    Allereerst hebben de hierboven in punt 156 vermelde verwijzingen waarop verzoekster zich beroept niet uitsluitend betrekking op contacten over de toepassing van het eerste onderdeel van de mededingingsregeling vanaf 2004. Voorts bevestigen deze verwijzingen, voor zover zij betrekking hebben op het eerste onderdeel van deze regeling, geenszins dat dergelijke contacten noodzakelijk waren voor de toepassing van de schroottoeslag, maar vormen zij nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen die de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de aansprakelijkheid van verzoekster voor dit eerste onderdeel van de mededingingsregeling ondersteunen.

158    In het bijzonder moet de conclusie van de Commissie in overweging 95 van het bestreden besluit dat „Pometon heeft deelgenomen aan mededingingsverstorende heimelijke afspraken over de prijzen van staalgrit door deel te nemen aan verschillende bijeenkomsten en andere contacten met haar concurrenten”, gelet op de eraan voorafgaande vaststellingen, aldus worden uitgelegd dat zij ook betrekking heeft op de voorbereidende contacten in 2003 voor de bijeenkomst van 3 oktober 2003. Bovendien betreft deze conclusie niet alleen de schroottoeslag, maar beide onderdelen van de mededingingsregeling. Hetzelfde geldt voor de overwegingen 107, 108, 110, 113 en 143 van het bestreden besluit. Ten slotte worden de bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005 in overweging 69 van dit besluit slechts vermeld in verband met de uitvoering van het tweede onderdeel van de mededingingsregeling door verzoekster in Duitsland (zie punten 215‑218 hierna).

159    Wat het eerste onderdeel van de mededingingsregeling betreft, heeft de Commissie dus bewezen dat na de beginfase waarin het nieuwe systeem van schroottoeslag werd ingevoerd, een aantal heimelijke contacten tussen Pometon en andere kartelpartijen hebben plaatsgevonden (zie punten 153‑156 hierboven), die niet noodzakelijk waren om dit systeem te kunnen toepassen, maar erop waren gericht de toepassing ervan op te volgen.

4)      Conclusie betreffende het bewijs van de deelname van verzoekster aan het eerste onderdeel van de mededingingsregeling

160    In het licht van alle voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat op grond van de door verzoekster aangedragen elementen niet kan worden geoordeeld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft bewezen dat zij individueel aansprakelijk is voor het eerste onderdeel van de mededingingsregeling, gelet op ten eerste de automatische toepassing van de schroottoeslag (zie punt 148 hierboven) en ten tweede de door de Commissie aangevoerde beperkte maar belangrijke contacten van verzoekster met de andere kartelpartners (zie punt 160 hierboven), die aantonen dat zij niet alleen de aanzet heeft gegeven tot de invoering van dit systeem, hetgeen zij niet betwist, maar ook aan de opvolging van de toepassing ervan heeft meegewerkt. Gelet op deze vaststellingen staat onomstotelijk vast dat verzoekster aan het eerste onderdeel van de mededingingsregeling heeft deelgenomen. Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de beoordeling van de duur van die deelname, die immers door verzoekster wordt betwist in het kader van het vierde middel van het onderhavige beroep (zie punten 289‑315 hierna).

3.      Tweede onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet deelgenomen aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling bestaande in coördinatie ten opzichte van individuele afnemers

a)      Argumenten van partijen

161    Verzoekster is van mening dat de reconstructie van de feiten die ten grondslag liggen aan de mededingingsregeling waarop het bestreden besluit betrekking heeft, incoherent is en in tegenspraak met de door de Commissie zelf aangedragen bewijzen, met name de verklaringen van de clementieverzoeker, die heeft opgemerkt dat er regelmatig bijeenkomsten waren, niet alleen in Duitsland maar ook in Italië, waar volgens zijn tweede verklaring „de concurrenten [...] drie tot vier keer per jaar [bijeenkwamen]”.

162    Dienaangaande merkt verzoekster in de eerste plaats op dat Pometon in geen van de verklaringen van de clementieverzoeker wordt vermeld als een van de ondernemingen die hebben deelgenomen aan het algemene systeem van coördinatie ten opzichte van individuele afnemers. Deze verklaringen maken daarentegen melding van frequente heimelijke contacten tussen de andere kartelleden, met name over het marktoptreden in de voornaamste verkoopregio’s van staalgrit in Europa, namelijk Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

163    De clementieverzoeker vermeldt Pometon maar eenmaal met betrekking tot de Duitse markt en deze vermelding heeft in werkelijkheid betrekking op gedragingen die zijn toe te schrijven aan Pometon Abrasives, een onderneming van de groep Winoa, of op gedragingen die niet zijn bevestigd door schriftelijke bewijzen (overweging 132 van het bestreden besluit). Voorts heeft de clementieverzoeker met betrekking tot de Italiaanse markt verklaard dat verzoekster heeft deelgenomen aan twee bijeenkomsten, op 6 juni en 4 oktober 2007, terwijl zij op die data haar activiteiten in de staalgritsector reeds had overgedragen aan Winoa.

164    Wat in de tweede plaats meer in het bijzonder de Spaanse markt betreft, benadrukt verzoekster dat de contacten die Pometon en Winoa „tot 5 april 2004” hebben onderhouden en waarnaar de Commissie verwijst in overweging 64 van het bestreden besluit, louter bilateraal waren en slechts gedurende zes maanden plaats hebben gevonden, tussen oktober 2003 en april 2004. De interne e‑mail van Winoa van 15 juli 2005, waarnaar wordt verwezen in overweging 67 van het bestreden besluit, toont aan dat er helemaal geen overeenstemming was over de verdeling van afnemers.

165    De documenten van het dossier bevestigen voorts dat er tussen Pometon en Winoa geen enkele coördinatie ten opzichte van individuele afnemers heeft plaatsgevonden. Dat blijkt uit de notulen van een bijeenkomst van 18 mei 2004, die bij een interne e‑mail van Winoa zijn gevoegd en waarin melding wordt gemaakt van „moeilijkheden om voor een aantal afnemers [de schroottoeslag] toe te passen wegens de concurrentie van Ilarduya en Pometon op de vaste prijs”, en uit de interne e‑mail van Winoa van 15 juli 2005, die is aangehaald in de overwegingen 67 en 131 van het bestreden besluit. Op deze e‑mail is hoe dan ook geen bijeenkomst met Pometon gevolgd.

166    Wat in de derde plaats de Franse en de Belgische markt betreft, merkt verzoekster op dat de Commissie in overweging 63 van het bestreden besluit verwijst naar een interne e‑mail van Winoa van 19 januari 2004 over een bespreking tussen MTS en Winoa, waarin Winoa Pometon ervan verdacht een Franse afnemer een lagere prijs te hebben aangeboden. Anders dan de Commissie beweert, bewijst dit document dat Pometon door Winoa werd beschouwd als een agressieve concurrent. Dit strookt overigens met de verklaringen van de clementieverzoeker, die Pometon geenszins vermeldt wanneer hij het heeft over de „contacten van de concurrenten betreffende Frankrijk en de Benelux”.

167    Wat in de vierde plaats de Duitse markt betreft, herinnert verzoekster eraan dat Duitsland volgens overweging 164 van het bestreden besluit het enige land was waar de contacten op gestructureerde wijze waren georganiseerd. In de periode waarin Pometon nog actief was op de staalgritmarkt (te weten tot en met 16 mei 2007) hebben veertien multilaterale en tien bilaterale bijeenkomsten plaatsgevonden. Hooguit voor één multilaterale en één bilaterale vergadering staat vast dat Pometon aanwezig was. Voorts betwist verzoekster de bewijswaarde van de tweede verklaring van de clementieverzoeker, die is aangehaald in overweging 68 van het bestreden besluit. De door deze clementieverzoeker overgelegde kostendeclaraties hebben namelijk geen betrekking op haar. Het ontvangstbewijs van hotel NodingerHof, waar de bijeenkomst van 16 november 2006 heeft plaatsgevonden, toont aan dat er op deze vergadering geen vertegenwoordigers van Pometon aanwezig waren, aangezien op dit ontvangstbewijs niet hun namen zijn vermeld, maar alleen die van de andere deelnemers. Ten slotte wordt de onbetrouwbaarheid van die verklaringen met betrekking tot de vermeende deelname van Pometon aan de bijeenkomsten met de andere concurrenten bevestigd door het feit dat verzoekster volgens die verklaringen heeft deelgenomen aan een bijeenkomst van 13 november 2017, terwijl Pometon de markt reeds zes maanden had verlaten.

168    Bovendien betwist verzoekster de schriftelijke bewijzen die de Commissie heeft aangevoerd om haar deelname aan de bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005 te staven. Zij stelt met name dat er geen enkel schriftelijk bewijs bestaat van de op die bijeenkomsten besproken thema’s en dat de clementieverzoeker er zelfs geen summiere beschrijving van geeft.

169    Wat in de vijfde plaats de Italiaanse markt betreft, merkt verzoekster om te beginnen op dat zij volgens de Commissie aan geen enkele bijeenkomst met haar concurrenten heeft deelgenomen (zie punt 161 hierboven in fine). Vervolgens betoogt zij dat op basis van de vijf in de overwegingen 75 tot en met 79 van het bestreden besluit aangehaalde documenten, waarop de Commissie zich baseert, niet „met voldoende redelijke zekerheid kan worden besloten” dat zij heeft deelgenomen aan de coördinatie ten aanzien van de individuele afnemers.

170    Wat in het bijzonder het vijfde document betreft (overweging 79 van het bestreden besluit), dat e‑mails bevat die in mei 2008 zijn verstuurd tussen een werknemer van Pometon Abrasives, T., en een werknemer van MTS, stelt verzoekster dat de e‑mail van 28 mei 2008 van T. aan deze werknemer van MTS, waarin is vermeld dat, „[z]oals u perfect weet, [...] het beleid van [Pometon Abrasives] niet erin [bestaat] de prijzen te verlagen, maar integendeel ze te verhogen”, betrekking had op het beleid van deze onderneming nadat zij door Winoa was gekocht, en niet op dat van verzoekster.

171    De Commissie betwist dit gehele betoog. Zij verduidelijkt dat zij zelf heeft erkend dat de rol van Pometon in het tweede kartelonderdeel gering was en dat zij daarom het bedrag van de haar opgelegde geldboete met 10 % heeft verminderd wegens verzachtende omstandigheden.

172    De contacten die zijn bewezen waren echter belangrijk, ook al zou verzoekster slechts sporadisch heimelijke bilaterale contacten hebben gehad, die alleen betrekking hadden op sommige landen. Deze contacten tonen aan dat het kartel heeft bestaan en dat Pometon eraan heeft deelgenomen.

b)      Beoordeling door het Gerecht

173    Het tweede onderdeel van het kartel betreft de coördinatie van de commerciële voorwaarden die de deelnemers ten aanzien van sommige individuele afnemers hanteerden om de prijsconcurrentie ten opzichte van deze afnemers te beperken. In wezen is de Commissie van mening dat de kartelleden – voornamelijk op bilaterale basis – de concurrentieparameters betreffende de aan hun respectieve afnemers in rekening te brengen verkoopprijzen van staalgrit bespraken, terwijl de kwaliteit, de diensten en de andere commerciële voorwaarden aan de mededinging onderworpen bleven.

174    Zo stelt de Commissie in overweging 57 van het bestreden besluit het volgende vast:

„Uit de bewijzen in het dossier, in het bijzonder een aantal controledocumenten alsook andere door de clementieverzoeker overgelegde documenten, blijkt dat Pometon ook haar gedrag ten opzichte van de individuele afnemers heeft afgestemd op dat van de andere deelnemers aan de inbreuk. Naast de coördinatie van de schroottoeslag (zie bijvoorbeeld de overwegingen 35, 45, 52, 61 en 77) kwamen de deelnemers in beginsel overeen geen vaste afnemers van elkaar af te snoepen, althans niet door middel van prijsdalingen, de prijzen, met inbegrip van prijsverhogingen, te coördineren en toeslagen toe te passen wanneer de afnemers meerdere bevoorradingsbronnen hadden (overwegingen 76, 78 en 79). Hoewel de vorm en intensiteit van dit gedrag van lidstaat tot lidstaat verschilden, gold hetzelfde algemene beginsel: geen prijsconcurrentie ten opzichte van individuele afnemers aangaan.”

1)      Voorafgaande opmerkingen over de strekking van het tweede onderdeel van het tweede middel

175    Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie in het bestreden besluit (overwegingen 58 en 59) toegeeft dat er tussen Ervin en Winoa frequentere contacten waren om hun gedrag ten aanzien van individuele afnemers te coördineren, en dat verzoekster maar sporadisch heeft deelgenomen aan dergelijke contacten, voornamelijk wanneer een van de deelnemers zich niet hield aan dit tweede onderdeel van de mededingingsregeling of daarvan werd verdacht.

176    De Commissie is echter van mening (overwegingen 225 en 226 van het bestreden besluit) dat deze omstandigheid niet uitsluit dat Pometon heeft deelgenomen aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling en daarvoor aansprakelijk is, zij het dat haar geringere deelname aan dit onderdeel van deze regeling in aanmerking kan worden genomen als een verzachtende omstandigheid. Daarom heeft de Commissie het bedrag van de geldboete van verzoekster met 10 % verminderd, net zoals zij dat overigens in het schikkingsbesluit (overweging 103) had gedaan ten aanzien van MTS en Würth, die ook in mindere mate dan Winoa en Ervin aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling hebben meegewerkt.

177    Verzoekster betwist evenwel elke aansprakelijkheid voor dit tweede onderdeel van de mededingingsregeling.

178    Dienaangaande zij om te beginnen eraan herinnerd dat de rechtspraak een onderscheid maakt tussen de vaststelling dat een onderneming aansprakelijk is voor één enkele voortdurende inbreuk, in zijn geheel beschouwd, zelfs al heeft zij slechts aan een deel van de heimelijke gedragingen deelgenomen, en de omvang van haar individuele aansprakelijkheid voor de inbreuk wegens haar eigen gedragingen, dit met het oog op de berekening van het bedrag van de geldboete, die alleen kan worden opgelegd overeenkomstig het beginsel dat sancties individueel zijn.

179    Een onderneming die doelbewust aan één enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen door haar eigen gedragingen, kan immers eveneens aansprakelijk worden gesteld voor gedragingen van andere ondernemingen in het kader van datzelfde kartel voor de hele duur van haar deelneming aan de inbreuk (zie punten 243‑249 hierna).

180    De omstandigheid dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij bepaalde onderdelen waaraan zij heeft deelgenomen, is dus niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd, daar die elementen slechts in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van de mate waarin zij aan de betreffende inbreuk heeft deelgenomen en in voorkomend geval bij de bepaling van de geldboete (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, gevoegde zaken C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 86, en 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 45).

181    Volgens punt 29, derde streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten kunnen verzachtende omstandigheden voor een onderneming overigens onder meer in aanmerking worden genomen wanneer zij bewijst dat haar deelname aan de inbreuk zeer beperkt was en dat zij in de periode waarin zij aan de inbreukmakende overeenkomsten heeft deelgenomen, geen van deze overeenkomsten daadwerkelijk heeft toegepast maar zich op een correcte manier concurrerend op de betreffende markt heeft gedragen.

182    In casu volgt daaruit dat de beperkte deelname van Pometon aan de talrijke bijeenkomsten en de andere contacten over het tweede onderdeel van de mededingingsregeling haar aansprakelijkheid voor dit tweede onderdeel niet kan uitsluiten indien de Commissie overeenkomstig de hierna in de punten 245 en 246 in herinnering gebrachte criteria die door de rechtspraak zijn ontwikkeld, aantoont dat zij wilde deelnemen aan de ene enkele voortdurende inbreuk in zijn geheel, hetgeen hierna in de punten 252 tot en met 269 zal worden onderzocht.

183    Het – overigens door de Commissie niet-betwiste – feit (zie punten 172 en 173 hierboven) dat verzoekster niet heeft deelgenomen aan het gestructureerde systeem van coördinatie dat werd georganiseerd in de vorm van multilaterale bijeenkomsten die ongeveer twee keer per jaar in Duitsland plaatsvonden (overwegingen 68 en 164 van het bestreden besluit), noch aan de bijeenkomsten die regelmatig in Italië zouden zijn georganiseerd (zie punten 162 hierboven en 222 hierna), betekent derhalve niet noodzakelijkerwijs dat zij niet heeft deelgenomen aan de coördinatie ten aanzien van de individuele afnemers.

184    In het kader van het onderhavige onderdeel hoeft dus alleen de individuele aansprakelijkheid van verzoekster voor het tweede kartelonderdeel te worden onderzocht en moet meer bepaald worden nagegaan of de door de Commissie aangevoerde bewijzen voldoende bewijswaarde hebben om de door de Commissie in het bestreden besluit aan Pometon ten laste gelegde heimelijke gedragingen met betrekking tot de prijscoördinatie ten opzichte van sommige afnemers aan te tonen.

2)      Onderzoek van de bewijzen betreffende de deelname van verzoekster aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling

185    Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie erkent dat er slechts voor vijf lidstaten van de Unie, te weten België, Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië, bewijzen zijn dat Pometon aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling heeft deelgenomen.

186    Derhalve moet worden nagegaan of, gelet op de door partijen aangevoerde elementen, de vaststellingen over het gedrag van Pometon in het kader van het tweede onderdeel van de mededingingsregeling rechtens genoegzaam zijn onderbouwd.

i)      De Spaanse markt

187    Wat om te beginnen de Spaanse markt betreft, baseert de Commissie zich op een aantal schriftelijke bewijzen van bilaterale contacten die tussen 20 februari 2003 en 15 juli 2005 tussen Pometon en Winoa plaatsvonden en betrekking hadden op die markt. Het betreft ten eerste e‑mails van 22 oktober en 21 november 2003 tussen de algemeen directeur van verzoekster en Winoa (overwegingen 61 en 62 van het bestreden besluit), ten tweede samenvattingen van bilaterale bijeenkomsten en telefoongesprekken tussen Pometon en de Spaanse dochteronderneming van Winoa uit de periode tussen 20 februari 2003 en 5 april 2004, die zijn opgesteld door een werknemer van Winoa die eraan had deelgenomen (overweging 64 van het bestreden besluit), en ten derde een intern document van Winoa over een bijeenkomst van 12 februari 2004 met de Spaanse dochteronderneming van Pometon in Zaragoza (Spanje) (overweging 65) alsook interne e‑mails van Winoa van 17 en 23 maart 2004 (overweging 66) en 15 juli 2005 (overweging 67).

188    In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de rechtstreekse betrokkenheid van Pometon bij de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers van bij het begin van het kartel duidelijk blijkt uit bovengenoemde e‑mail van 22 oktober 2003, die uitdrukkelijk is aangehaald in overweging 61 van het bestreden besluit. In die e‑mail verweet de algemeen directeur van verzoekster Winoa in wezen dat zij haar prijzen verlaagde, terwijl Pometon haar prijzen verhoogde. Daarbij verwees hij naar drie Spaanse afnemers van Pometon. Hij vroeg Winoa dan ook om uitleg.

189    In de tweede plaats blijkt de deelname van Pometon aan de prijscoördinatie voor sommige individuele afnemers in Spanje met name uit een aantal contacten die zelfs nog vóór het begin van het kartel en vervolgens erna tussen haar en Winoa hebben plaatsgevonden. De prijzen voor sommige individuele afnemers zijn besproken op bilaterale bijeenkomsten waarop Pometon was vertegenwoordigd door met name de „general manager” van Pometon España, bijvoorbeeld op 20 februari 2003, 12 februari en 16 maart 2004, zoals blijkt uit de verslagen van die bijeenkomsten, die in het bestreden besluit zijn vermeld en in het dossier zijn opgenomen. Deze coördinatie wordt ook bevestigd door de verslagen van telefoongesprekken, bijvoorbeeld van 15 en 24 maart 2004, waarbij is bevestigd dat het noodzakelijk was om de overeenkomst na te leven en het prijsniveau voor sommige afnemers is besproken.

190    In de derde plaats vermeldt de in overweging 67 van het bestreden besluit aangevoerde interne e‑mail van Winoa van 15 juli 2005 (zie punten 165 en 187 hierboven) dat Pometon „prijsoffertes [heeft] gedaan aan exclusieve afnemers van TFM [dochteronderneming van Winoa in Spanje]” en dat zij „tijdens de ontmoeting met [Pometon] moeten begrijpen dat wij niet akkoord kunnen gaan met dit soort van aanpak”. Hieruit volgt dat Pometon op zijn minst op de hoogte was van een overeenkomst om af te blijven van de exclusieve afnemers van elke deelnemer (non poaching agreement), waardoor zij volgens Winoa geen exclusieve afnemers van haar dochteronderneming in Spanje had mogen benaderen.

191    In dit verband is het antwoord op de vraag of de bijeenkomst met een vertegenwoordiger van Pometon die in de week na 15 juli 2005 had moeten plaatsvinden, al dan niet daadwerkelijk plaats heeft gehad, irrelevant voor de draagwijdte van dit bewijs, dat in de betreffende context rechtens genoegzaam aantoont dat Pometon partij was bij het kartel, juist omdat Winoa als kartellid van mening was dat Pometon eraan moest worden herinnerd dat zij de gemaakte afspraken moest nakomen voor zover deze betrekking hadden op sommige van Winoa’s Spaanse afnemers.

192    Volgens de relevante rechtspraak ter zake (zie punt 115 hierboven) hebben de hierboven in de punten 188 tot en met 191 onderzochte bewijzen, die betrekking hebben op bilaterale contacten die duidelijk tot doel hadden de prijzen ten aanzien van individuele afnemers te coördineren, een belangrijke bewijswaarde, aangezien het gaat om e‑mails tussen de algemeen directeur van verzoekster en Winoa of om documenten voor intern gebruik die betrekking hebben op de inhoud van vergaderingen of telefoongesprekken tussen werknemers van Pometon en Winoa en die zijn opgesteld door een rechtstreekse getuige (zie punt 117 hierboven).

193    Derhalve dient verzoekster overeenkomstig de rechtspraak (zie punt 114 hierboven) geen plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar aan te tonen dat deze schriftelijke bewijzen ontoereikend zijn.

194    Verzoekster voert echter alleen in het algemeen aan dat haar contacten met Winoa in werkelijkheid plaatsvonden in een heel competitieve context die werd gekenmerkt door scherpe en systematische conflicten met deze onderneming, omdat Pometon pas kort daarvoor de Spaanse staalgritmarkt had betreden, terwijl Winoa allang de belangrijkste marktdeelnemer op die markt was.

195    Verzoekster voert wel de notulen aan van een interne vergadering van Winoa, te weten de vergadering van 18 mei 2004 (zie punt 165 hierboven), waarin melding wordt gemaakt van „moeilijkheden om ten aanzien van een aantal afnemers [de schroottoeslag] toe te passen wegens de concurrentie van Ilarduya en Pometon op de vaste prijs”.

196    Dit document heeft echter hoofdzakelijk betrekking op het eerste onderdeel van de mededingingsregeling. Toegegeven, hieruit blijkt ook dat Pometon het tweede onderdeel niet toepaste ten aanzien van verschillende afnemers van Winoa in Spanje. Dit document maakt echter uitsluitend melding van de prijsconcurrentie die Pometon ten aanzien van een „aantal afnemers” in de industriële sector voerde. Hieruit volgt geenszins dat zij de overeenkomst niet naleefde ten aanzien van andere afnemers van Winoa in Spanje. Uit de enkele omstandigheid dat verzoekster niet altijd het tweede onderdeel van de mededingingsregeling naleefde, kan niet worden afgeleid dat zij er niet aan deelnam.

197    Het door verzoekster aangevoerde feit dat zij een nieuwkomer op de Spaanse markt was en bijgevolg intens concurreerde met Winoa, in die zin dat zij haar via de prijzen probeerde te beconcurreren om afnemers van haar af te snoepen teneinde zich op deze markt te vestigen, kan hoe dan ook de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet weerleggen dat zij, weliswaar in beperkte mate, betrokken was bij het tweede onderdeel van de mededingingsregeling op het grondgebied van deze lidstaat.

198    Derhalve kunnen de argumenten die verzoekster aanvoert (zie punten 193‑197 hierboven) om de waarde te betwisten van de door de Commissie aangedragen en hierboven in de punten 187 tot en met 192 onderzochte bewijzen van haar betrokkenheid bij de coördinatie ten aanzien van sommige individuele afnemers in Spanje, niet worden aanvaard.

ii)    De Belgische en de Franse markt

199    Wat de Belgische en de Franse markt betreft, beroept de Commissie zich om te beginnen in overweging 62 van het bestreden besluit op de e‑mail van Winoa aan de algemeen directeur van verzoekster van 21 november 2003, met als onderwerp „Spanje/België”, waarin de vertegenwoordiger van Winoa verwijst naar een Belgische afnemer die normaliter door zijn onderneming diende te worden bevoorraad, en Pometon verzoekt haar leveringen aan deze afnemer niet uit te breiden. Verzoekster betwist dit bewijsmateriaal niet.

200    In overweging 63 van het bestreden besluit baseert de Commissie zich vervolgens op een interne e‑mail van Winoa van 19 januari 2004 over een bespreking van 15 januari 2004 tussen de auteur van de e‑mail en de verkoopmanager van MTS voor Frankrijk en België, waarbij deze verkoopmanager had bevestigd dat MTS niet leverde aan een Franse afnemer van Winoa, die een lagere prijs bij een concurrent had verkregen. In deze e‑mail leidde de werknemer van Winoa daaruit af dat „dus naar Ervin of [Pometon moest worden] gekeken” en dat „[hij] eerder aan [Pometon dacht], die heel goed in staat [was]” om een dergelijke prijsverlaging toe te kennen.

201    Dienaangaande moet worden opgemerkt dat verzoeksters uitleg dat dit document alleen bewijst dat Winoa haar als een agressieve concurrent beschouwde, niet aannemelijk is. Uit een neutrale en objectieve lezing van deze e‑mail blijkt integendeel dat hij past in het kader van het toezicht op de naleving van het tweede onderdeel van de mededingingsregeling. Uit deze tekst blijkt immers dat Winoa en MTS zowel Pometon als Ervin beschouwden als partijen bij de overeenkomst om geen prijsconcurrentie te voeren ten aanzien van sommige individuele afnemers, en dat Winoa, nadat zij bij MTS was nagegaan of het niet om haar ging, Pometon ervan verdacht deze verbintenis niet naar behoren te zijn nagekomen. Uit het feit dat Winoa dan veeleer Pometon dan Ervin verdacht voor deze individuele afnemer, kan geenszins worden afgeleid dat Pometon niet deelnam aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling.

202    In deze context kan de door verzoekster aangevoerde omstandigheid (zie punt 166 hierboven) dat Pometon in de verklaringen van de clementieverzoeker niet was vermeld voor zover het ging om de „contacten van de concurrenten betreffende Frankrijk en de Benelux”, op zich geen twijfel doen ontstaan over de bewijswaarde van de hierboven in de punten 199 tot en met 201 onderzochte documenten en dus over de eigen aansprakelijkheid van Pometon voor de inbreuk op de Franse en de Belgische markt. Deze documenten vormen immers belangrijke aanwijzingen dat Pometon en Winoa heimelijke contacten met elkaar onderhielden en dat Winoa en minstens één andere partij bij het kartel ervan overtuigd waren dat Pometon betrokken was bij de coördinatie ten aanzien van individuele afnemers. In die context betekent het feit dat de clementieverzoeker Pometon niet heeft genoemd, niet dat deze onderneming geen heimelijke contacten heeft gehad met de andere kartelpartijen voor wat Frankrijk en de Benelux betreft, maar valt die niet-vermelding eenvoudigweg te verklaren door het feit dat Pometon in geringere mate aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling heeft deelgenomen, hetgeen de Commissie overigens uitdrukkelijk heeft erkend (zie punt 176 hierboven).

203    Derhalve heeft de Commissie haar vaststellingen over de deelname van verzoekster aan de coördinatie ten aanzien van sommige individuele afnemers in Frankrijk en België rechtens genoegzaam onderbouwd.

iii) De Duitse markt

204    Wat de Duitse markt betreft, de enige markt waarop volgens de Commissie de coördinatie ten aanzien van de individuele afnemers op gestructureerde wijze was georganiseerd (zie punten 161 en 167 hierboven), verwijst deze instelling in het bijzonder naar de tweede verklaring van de clementieverzoeker, volgens welke Pometon heeft deelgenomen aan de meeste multilaterale bijeenkomsten, die ongeveer tweemaal per jaar in dit land plaatsvonden (overwegingen 68 en 132 van het bestreden besluit). Om deze verklaring te staven, baseert de Commissie zich op schriftelijke bewijzen van de deelname van Pometon aan de multilaterale bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005 (overwegingen 69‑72 van het bestreden besluit). Voorts baseert de Commissie zich op een intern faxbericht van deze onderneming van 16 februari 2005 betreffende een individuele cliënt, waaruit ook haar betrokkenheid bij het tweede onderdeel van de mededingingsregeling blijkt (overwegingen 73 en 74 van het bestreden besluit).

205    In de eerste plaats moet verzoeksters argument worden onderzocht (zie punt 163 hierboven) dat de in de overwegingen 68 en 132 van het bestreden besluit aangevoerde verklaringen van de clementieverzoeker ongeloofwaardig zijn, omdat haar daarin ten onrechte gedragingen worden toegeschreven die in werkelijkheid toe te rekenen zijn aan Pometon Abrasives, een onderneming die deel uitmaakte van de Winoa-groep.

206    In dezelfde lijn voert verzoekster aan dat Ervin eveneens ten onrechte heeft verklaard dat zij aan een bijeenkomst van 13 november 2007 heeft deelgenomen, aangezien zij op die datum de markt reeds zes maanden had verlaten.

207    Opgemerkt zij dat de omstandigheid dat Ervin Pometon in plaats van Pometon Abrasives heeft vermeld wat deze bijeenkomst van 13 november 2007 betreft, geen afbreuk kan doen aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen over de bijeenkomsten vóór 16 mei 2007, waaraan overeenkomstig de rechtspraak (zie punt 118 hierboven) een grote bewijswaarde moet worden toegekend. Het valt overigens niet uit te sluiten dat die vermelding van Pometon door de clementieverzoeker veeleer het gevolg is van een vergissing of onachtzaamheid, aangezien de voormalige commercieel directeuren van verzoekster, T. en B., die Pometon vaak vertegenwoordigden op de bijeenkomsten met de andere kartelleden, na 16 mei 2007 in dienst waren van Pometon Abrasives.

208    Derhalve kan de vergissing van Ervin met betrekking tot de bijeenkomst van 13 november 2007 geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van haar in overweging 68 van het bestreden besluit aangehaalde verklaring dat vertegenwoordigers van Pometon, W. en T., hebben deelgenomen aan de meeste multilaterale bijeenkomsten, die ongeveer twee keer per jaar plaats vonden. Wat de in overweging 132 van het bestreden besluit aangehaalde verklaring betreft dat zij „was beginnen deel te nemen aan regelmatige bijeenkomsten met [Winoa], MTS, Würth en Pometon – toen deze laatste nog een onafhankelijke onderneming was voordat zij door [Winoa] werd gekocht –, waarop de Duitse markt werd besproken”, deze is zo nauwkeurig geformuleerd dat elke mogelijke verwarring bij Ervin kan worden uitgesloten.

209    Aangezien verzoekster de juistheid van die verklaringen betwist, kunnen zij echter hoe dan ook alleen als voldoende bewijs van haar deelname aan bijeenkomsten met de andere kartelleden worden beschouwd indien zij door andere bewijzen worden bevestigd.

210    In de tweede plaats moet dus overeenkomstig de hierboven in de punten 118 en 119 aangehaalde rechtspraak worden nagegaan of de hierboven in punt 208 aangehaalde en door verzoekster betwiste verklaringen van Ervin door andere bewijzen worden bevestigd.

211    In dat verband dient ten eerste te worden opgemerkt dat de Commissie in het bestreden besluit (overweging 69) impliciet toegeeft dat zij alleen beschikt over bewijzen van de deelname van verzoekster aan twee bijeenkomsten, waarvan de ene op 28 september 2004 en de andere op 9 juni 2005 heeft plaatsgevonden (zie punt 204 hierboven), en niet omstandig betoogt dat verzoekster aan andere vergaderingen heeft deelgenomen.

212    Zoals reeds gezegd hoeft verzoekster echter niet te hebben deelgenomen aan het gestructureerde coördinatiesysteem om te kunnen oordelen dat zij bij het tweede onderdeel van het kartel betrokken was (zie punt 183 hierboven). Wat de bijeenkomsten betreft, hoeft dus alleen te worden nagegaan of de stelling van de Commissie in het bestreden besluit (overweging 69) dat verzoekster heeft deelgenomen aan de twee bovengenoemde bijeenkomsten, voldoende is onderbouwd. Als dat het geval is, zullen deze aanwijzingen samen met de andere bewijzen worden onderzocht (zie punten 220 en 221 hierna).

213    In deze context zijn de argumenten die verzoekster aanvoert om andere bewijzen te betwisten die geen betrekking hebben op haar gedrag, maar in overweging 68 van het bestreden besluit zijn vermeld om bepaalde in die overweging aangehaalde verklaringen van Ervin te ondersteunen (zie punt 208 hierboven), niet ter zake dienend. Deze bewijzen, die geen verband houden met de bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005, worden door de Commissie immers alleen aangevoerd om in het algemeen te bevestigen dat regelmatig bijeenkomsten waren georganiseerd in Duitsland met betrekking tot het tweede onderdeel van het kartel en niet om verzoeksters deelname aan dergelijke bijeenkomsten aan te tonen.

214    De door verzoekster bij het verzoekschrift gevoegde hotelrekening, die volgens het betoog van de Commissie in haar verweerschrift de deelname van de „general manager” van de Duitse dochteronderneming van verzoekster aan de multilaterale bijeenkomst van 16 november 2006 bevestigt, is om dezelfde reden niet relevant. De Commissie heeft immers in het bestreden besluit niet gesteld dat verzoekster aan deze bijeenkomst had deelgenomen, zodat ook de argumentatie van verzoekster dat op deze rekening is gebaseerd, niet ter zake dienend is. Bovendien zij hoe dan ook opgemerkt dat op grond van deze deels onleesbare rekening geen enkele sluitende conclusie mogelijk is over de deelname of de niet-deelname van verzoekster aan de bijeenkomst van 16 november 2006. Een dergelijke deelname kan derhalve in geen geval als bewezen worden beschouwd.

215    Ten tweede moeten de bewijzen worden onderzocht die de Commissie heeft aangevoerd om verzoeksters deelname aan de bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005 te staven. Voor de bijeenkomst van 28 september 2004 gaat het om een e‑mail van MTS aan Würth, Pometon, Ervin en Winoa van 13 september 2004, waarin staat dat 28 september 2004 voor iedereen een geschikte datum was en dat de „general manager” van Pometon Deutschland had bevestigd dat hij aanwezig zou zijn. De tweede bijeenkomst blijkt uit een e‑mail van 16 mei 2005 van Pometon aan Winoa, waarvan een kopie aan Würth en MTS is gezonden, waarin hun werd meegedeeld dat „de volgende bijeenkomst [was] gepland voor 9 juni 2005 in [een hotel] in Düsseldorf”.

216    Verzoekster voert echter aan dat noch de verklaring van de clementieverzoeker, noch enig ander document enig bewijs bevat van de op die twee bijeenkomsten besproken thema’s. Bovendien haalt zij een passage van deze verklaring aan waarin Ervin opmerkt dat de meeste bijeenkomsten over de coördinatie ten opzichte van de afnemers plaatsvonden aan het einde van het jaar (over het algemeen tussen eind september en november) en het begin van het jaar (tussen januari en maart), omdat de meeste afnemers jaarlijkse overeenkomsten hadden die aan het einde van het jaar moesten worden verlengd. De bijeenkomsten aan het begin van het jaar hadden doorgaans betrekking op de vraag of de prijsverhogingen ook daadwerkelijk waren uitgevoerd.

217    Verzoekster betwist echter niet dat zij aan de bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005 heeft deelgenomen. Bovendien legt zij niet uit wat volgens haar dan wel op deze bijeenkomsten is besproken als het niet de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers was. Voorts blijkt uit de door verzoekster aangevoerde verklaring van de clementieverzoeker – dat de meeste mededingingsverstorende bijeenkomsten aan het einde of het begin van het jaar plaatsvonden – dat sommige van deze bijeenkomsten mogelijk ook halverwege het jaar plaats hebben gevonden.

218    In deze context vormen de twee documenten waarop de Commissie zich baseert (zie punt 215 hierboven), voldoende ernstige aanwijzingen ter ondersteuning van de verklaringen van de clementieverzoeker voor wat betreft de deelname van verzoekster aan de mededingingsverstorende bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005.

219    Ten derde blijkt de betrokkenheid van verzoekster bij het tweede onderdeel van de mededingingsregeling ook uit het door de Commissie in de overwegingen 73 en 74 van het bestreden besluit aangevoerde faxbericht van 16 februari 2005 van de „general manager” van Pometon Deutschland aan de algemeen directeur van verzoekster (zie punt 204 hierboven).

220    Dienaangaande merkt de Commissie in het bestreden besluit terecht op dat uit dit document, waarvan verzoekster overigens de bewijswaarde niet betwist, blijkt dat Pometon aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling in Duitsland heeft deelgenomen. In het faxbericht van 16 februari 2005 betreffende een van de afnemers van Pometon in Duitsland stond immers te lezen dat „Ervin [...] haar prijs niet [had] verhoogd zoals was overeengekomen”, dat „[i]ndien Ervin haar prijs zou hebben verhoogd zoals gepland, Ervin zou zijn afgewezen gelet op haar positie in de kwalitatieve vergelijking” en dat de auteur ervan „[meent] dat onze besprekingen over de bescherming zijn beëindigd” en dat hij niet wil „wachten tot er nog meer hoeveelheden verloren gaan (zoals in het Verenigd Koninkrijk)”. Het bericht eindigde met de vraag wat de mening van de geadresseerde hierover was. Anders dan verzoekster stelt in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar van 3 december 2014, dat is weerlegd in overweging 74 van het bestreden besluit, blijkt uit deze passage niet dat de besprekingen met Ervin over deze specifieke afnemer waren afgerond, maar wel dat de „general manager” van de Duitse dochteronderneming van Pometon de algemeen directeur van verzoekster verzocht om instructies over hoe zij op de niet-naleving van de overeenkomst door Ervin diende te reageren.

221    Derhalve heeft de Commissie haar vaststellingen over de deelname van verzoekster aan de coördinatie ten opzichte van sommige individuele afnemers in Duitsland rechtens genoegzaam onderbouwd.

iv)    De Italiaanse markt

222    Met betrekking tot de Italiaanse markt moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat op basis van het feit dat verzoekster niet heeft deelgenomen aan bijeenkomsten in Italië, gesteld al dat dit is bewezen, haar aansprakelijkheid voor het tweede onderdeel van het kartel niet kan worden uitgesloten, aangezien deze deelname niet noodzakelijk was om de prijzen voor individuele afnemers te coördineren en de betrokkenheid van Pometon bij een dergelijke coördinatie in Italië bovendien voldoende is bewezen (zie punten 182‑184 hierboven).

223    In haar memories stelt de Commissie dat de clementieverzoeker verzoekster weliswaar niet heeft vermeld als een van de deelnemers aan specifieke bijeenkomsten in Italië, maar niettemin heeft verklaard dat het Italiaanse grondgebied vóór 16 mei 2007 was verdeeld onder Ervin, Winoa en Pometon.

224    Op dit punt baseert de Commissie zich in hoofdzaak op vijf bewijsstukken (overwegingen 75‑79 van het bestreden besluit).

225    Derhalve moet worden nagegaan of deze bewijsstukken betrouwbare aanwijzingen vormen die de betrokkenheid van verzoekster bij het tweede onderdeel van het kartel kunnen staven.

226    Anders dan verzoekster stelt, blijkt om te beginnen uit de interne e‑mails van MTS van 5 oktober 2005 die betrekking hadden op de afnemers die deze onderneming op de Italiaanse markt had verloren (overweging 75 van het bestreden besluit) en waarin stond dat er geen „problemen met Pometon en Ervin” waren, dat Pometon, Winoa en Ervin – anders dan andere genoemde concurrenten die geen partij waren bij het kartel – werden aangeduid als „vrienden” en dat het „absoluut onaanvaardbaar” was om afnemers aan hen te verliezen zonder daarop te reageren. In deze e‑mails werd dus overwogen om dit met die drie ondernemingen te bespreken of om hun een „nota” met enkele verwijten te sturen en daarin te verwijzen naar de besprekingen die tijdens de laatste reis naar Italië van de geadresseerde van een van die e‑mails waren gevoerd. Uit deze e‑mails volgt overigens dat MTS veeleer Winoa, en niet Pometon of Ervin, ervan verdacht de overeenkomst niet te hebben nageleefd, want er staat: „[Winoa] weet u, en geen enkel probleem met Pometon en/of Er[v]in”.

227    Vervolgens vermeldt de interne e‑mail van Ervin van 20 maart 2007 over een afnemer, Zanardi (overweging 76 van het bestreden besluit), uitdrukkelijk dat „Pometon deze afnemer”, die was toegewezen aan Ervin, „de voorafgaande maand had afgesnoept”. Voorts wordt in deze e‑mail gesuggereerd dat Pometon leek te zijn teruggekomen op de gemaakte afspraken nadat Ervin met haar contact had opgenomen. Anders dan verzoekster stelt, blijkt uit deze e‑mail dus niet dat Pometon en Ervin een felle concurrentiestrijd voerden, maar veeleer dat de kartelleden de naleving van de overeenkomst over de verdeling van de afnemers nauwlettend controleerden.

228    Dit wordt bovendien bevestigd door de interne e‑mail van Ervin van 19 april 2007 (overwegingen 52 en 77 van het bestreden besluit), ook al blijkt niet uitdrukkelijk uit deze e‑mail dat er een overeenkomst over prijscoördinatie bestond. In deze e‑mail stond dat de auteur ervan voornemens was op de bijeenkomst in Milaan die was gepland was voor 16 en 17 mei 2007 een aantal individuele afnemers met de vertegenwoordigers van Winoa en Pometon te bespreken.

229    Volgens de interne e‑mail van Winoa van 26 april 2007 (overweging 78 van het bestreden besluit) over een bijeenkomst met MTS op dezelfde dag waarop de werknemer van Winoa die aan deze bijeenkomst had deelgenomen, MTS had verzocht Pometon niet aan te vallen, wilde Winoa dat de overeenkomst werd nageleefd, ook ten aanzien van Pometon. Zoals verzoekster aanvoert, stond Winoa weliswaar op het punt twintig dagen later de activiteit van Pometon in de staalgritsector te kopen en had zij er dus belang bij dat Pometon haar afnemers behield, maar volgens de gegevens van het dossier bleek MTS niet op de hoogte van deze voorgenomen aankoop (zie punt 302 hierna). Het feit dat MTS met Winoa overlegt over een beperking van de prijsconcurrentie ten aanzien van Pometon, vormt dus een aanwijzing dat er een mededingingsbeperkende overeenkomst tussen deze drie ondernemingen bestond.

230    Wat ten slotte de e‑mails van 27 en 28 mei 2008 betreft tussen een werknemer van MTS en een werknemer van Pometon Abrasives, T., die voorheen, tot 16 mei 2007, commercieel directeur (Commercial Director Industry) was geweest bij verzoekster (overweging 79 van het bestreden besluit; zie ook punt 207 hierboven), merkt verzoekster terecht op (zie punt 170 hierboven) dat de verklaring van deze werknemer dat het beleid van Pometon Abrasives en de groep Winoa (waarvan deze onderneming deel uitmaakt) niet erin bestond de prijzen te verlagen, maar die te verhogen, in beginsel geenszins op haar betrekking heeft.

231    In deze e‑mails wordt echter uitdrukkelijk opgemerkt dat de overeenkomst ten aanzien van sommige Italiaanse of Duitse afnemers reeds een aantal jaren werd toegepast, dus nog voordat verzoekster de markt had verlaten. In de eerste e‑mail, die van 27 mei 2008, verweet MTS Pometon Abrasives immers dat zij de overeenkomst niet had nageleefd ten aanzien van een Duitse afnemer, een dochteronderneming van een Italiaanse onderneming, Riva Fire SpA, waarvan de vestiging in Italië „al jaren door Pometon [was bevoorraad]”. Bovendien wordt in de e‑mails van 28 mei 2008 ook verwezen naar de bevoorrading van andere Italiaanse of Duitse afnemers.

232    In dit verband voert de Commissie de passage uit een van deze e‑mails van T. aan waarin deze stelt dat hij de afnemers van MTS in Duitsland altijd heeft beschermd toen hij bij Pometon was tewerkgesteld, waarbij hij vermeldt: „In de voorbije jaren heb ik uw afnemer in Duitsland altijd beschermd, ook al verzocht de moedermaatschappij in Italië me regelmatig te leveren aan de fabriek in Duitsland [...] u weet dat ik onze overeenkomsten altijd strikt heb nageleefd”. In antwoord op deze vaststelling heeft MTS in verschillende e‑mails, ook die van 28 mei 2008, geschreven: „We hebben Pom altijd beschermd ...”; „we hebben jarenlang Pom proberen te beschermen [...]”; „de overeenkomst is altijd geweest dat concurrentie oké is, maar niet via de prijzen!”

233    Gelet op de hoge positie van T. toen hij commercieel directeur van verzoekster was, toont de inhoud van deze e‑mails op betrouwbare wijze aan dat het beleid van Pometon Abrasives om geen prijsconcurrentie aan te gaan, in het verlengde lag van het beleid van Pometon, hetgeen bevestigt dat Pometon reeds betrokken was bij de coördinatie ten opzichte van individuele afnemers in Italië en Duitsland. In deze context kan de omstandigheid dat er intern bij Pometon mogelijk bedenkingen zijn geuit, zoals lijkt te kunnen worden opgemaakt uit deze e‑mail van T., Pometon niet van haar aansprakelijkheid ontslaan.

234    De argumenten van verzoekster waarmee zij de waarde van de bewijzen van haar deelname aan de coördinatie ten opzichte van sommige individuele afnemers in Italië betwist, moet derhalve worden afgewezen.

v)      Conclusies betreffende het bewijs van de deelname van verzoekster aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling

235    Uit het onderzoek van de in het bestreden besluit aangevoerde bewijsstukken (zie punten 187‑233 hierboven) blijkt dus dat de vaststelling van de Commissie dat verzoekster heeft deelgenomen aan de coördinatie ten opzichte van sommige individuele afnemers in de vijf bovengenoemde lidstaten (België, Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië) gebaseerd is op een geheel van voldoende ernstige, omstandige, nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen.

4.      Derde onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet aan één enkele voortdurende inbreuk deelgenomen

a)      Argumenten van partijen

236    Verzoekster betwist in de eerste plaats de beoordeling van de Commissie in de overwegingen 105 tot en met 109 van het bestreden besluit dat zij samen met de vier andere ondernemingen heeft deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk, bestaande uit de twee onderdelen van het kartel.

237    Zij voert aan dat, anders dan de Commissie stelt in overweging 109 van het bestreden besluit, op grond van de omstandigheid dat Pometon „contacten onderhield met verschillende deelnemers aan de inbreuk”, geenszins kan worden vastgesteld dat „zij redelijkerwijs alle door de andere deelnemers aan de inbreuk geplande en verrichte handelingen kon voorzien”. Niets bewijst immers dat Pometon bij haar beperkte en bijna uitsluitend bilaterale contacten kennis heeft gehad van het bestaan van de aangevoerde ene enkele voortdurende inbreuk. De Commissie heeft derhalve niet aan haar bewijsplicht voldaan.

238    In de tweede plaats betwist verzoekster dat zij in de hele EER heeft deelgenomen aan de coördinatie ten opzichte van individuele afnemers.

239    Om te beginnen stelt zij dat de Commissie deze deelname niet heeft bewezen. In dat verband merkt zij op dat zij in 21 EER-landen staalgrit verkocht. De Commissie legt haar in overweging 60 van het bestreden besluit echter slechts in vijf landen (België, Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië) deelneming aan het tweede onderdeel van het kartel ten laste, hetgeen bevestigt dat er totaal geen bewijs is van haar deelname aan een algemene samenwerking in de hele EER.

240    Overigens verwijst de Commissie in deze overweging 60 van het bestreden besluit naar overweging 37 van het schikkingsbesluit, juist om haar stelling te ondersteunen dat „[d]e overeenkomsten betreffende de individuele afnemers betrekking hadden op de hele EER”, zonder evenwel aan te tonen dat verzoekster op de hoogte was van de geografische reikwijdte van deze overeenkomsten.

241    Voorts betwist verzoekster de stelling van de Commissie in de overwegingen 133 en 134 van het bestreden besluit dat zij noodzakelijkerwijs ervan op de hoogte was dat het tweede onderdeel van het kartel op de hele EER betrekking had. De door de Commissie aangevoerde berichten tussen verzoekster en Pometon Deutschland zijn niet relevant, want zij zijn een jaar vóór het begin van het gestelde kartel verstuurd. Subsidiair voert verzoekster aan dat uit deze twee documenten blijkt dat Pometon alle verzoeken van MTS om bijeen te komen heeft afgewezen.

242    De Commissie is het met deze argumenten niet eens.

b)      Beoordeling door het Gerecht

1)      Het in de rechtspraak ontwikkelde begrip „één enkele voortdurende inbreuk”

243    Volgens vaste rechtspraak kan schending van artikel 101 VWEU niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen van de betrokken ondernemingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de aansprakelijkheid voor die handelingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in zijn geheel (zie arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

244    Het is immers mogelijk dat een onderneming slechts rechtstreeks heeft deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortdurende inbreuk bestaat, maar dat zij wel kennis had van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere kartelleden met het oog op diezelfde doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs kon voorzien, en bereid was het risico maar ook de eventuele voordelen ervan te aanvaarden. In een dergelijk geval mag de Commissie deze onderneming aansprakelijk houden voor alle mededingingsverstorende gedragingen die samen deze inbreuk vormen, en dus voor de inbreuk in zijn geheel (arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 43; zie ook arrest van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

245    Hieruit volgt om te beginnen dat de Commissie voor de vaststelling van het bestaan van één enkele inbreuk dient aan te tonen dat de betreffende overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, ofschoon zij betrekking hebben op uiteenlopende goederen, diensten of grondgebieden, deel uitmaken van een totaalplan dat door de betrokken ondernemingen bewust ten uitvoer wordt gelegd met als enig doel de mededinging te beperken (arrest van 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 168).

246    De complementariteit van de overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormt een objectieve aanwijzing voor het bestaan van een totaalplan. Van een dergelijke complementariteit is bijvoorbeeld sprake wanneer elke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging bedoeld is om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging en zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van één enkel doel, namelijk de mededinging te beperken (zie arrest van 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 169).

247    De Commissie moet in elk geval alle feitelijke elementen onderzoeken die kunnen aantonen of weerleggen dat sprake is van een totaalplan (arrest van 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 169; zie ook in die zin arrest van 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie, T‑446/05, EU:T:2010:165, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daartoe moet zij met name rekening houden met de toepassingsperiode, de inhoud, met inbegrip van de gehanteerde methoden, en, daarmee samenhangend, het doel van de verschillende handelingen in kwestie (arrest van 23 januari 2014, Gigaset/Commissie, T‑395/09, niet gepubliceerd, EU:T:2014:23, punt 103). Het feit dat dezelfde personen betrokken waren bij alle mededingingsverstorende handelingen lijkt bovendien te wijzen op de complementariteit van deze handelingen (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 197).

248    Wat vervolgens het element opzet betreft waarmee de deelname van een onderneming aan één enkele voortdurende inbreuk kan worden aangetoond, zij eraan herinnerd dat het bestaan van een dergelijke inbreuk niet noodzakelijkerwijs betekent dat een onderneming die deelneemt aan een of andere van de heimelijke activiteiten die er deel van uitmaken, aansprakelijk kan worden gesteld voor de hele inbreuk. Daarvoor moet de Commissie om te beginnen ook nog aantonen dat deze onderneming kennis moest hebben van alle mededingingsverstorende handelingen in de hele EER van de andere partijen bij het kartel of in elk geval dat zij redelijkerwijs dergelijke gedragingen kon voorzien. Anders gezegd, het feit alleen dat een overeenkomst waaraan een onderneming heeft deelgenomen, hetzelfde doel heeft als een algemeen kartel, volstaat dus niet om deze onderneming deelname aan het kartel in zijn geheel ten laste te leggen. Artikel 101 VWEU is immers slechts van toepassing indien er wilsovereenstemming tussen de betrokken partijen bestaat (zie in die zin arresten van 10 oktober 2014, Soliver/Commissie, T‑68/09, EU:T:2014:867, punt 62, en 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 172).

249    De Commissie moet derhalve aantonen dat de onderneming die aan een inbreuk heeft deelgenomen door middel van eigen specifieke gedragingen, met deze gedragingen niettemin heeft willen bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien, zodat zij bereid was het risico van een dergelijke deelname te aanvaarden om eventueel belangrijke, zij het onrechtmatige, voordelen uit deze deelname te halen (zie in die zin arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 42).

2)      Deelname van verzoekster aan de ene enkele voortdurende inbreuk die de twee onderdelen van het kartel omvat

250    Verzoekster betwist niet de in de overwegingen 105 en 106 van het bestreden besluit in aanmerking genomen kwalificatie van de twee onderdelen van het kartel als één enkele voortdurende inbreuk.

251    Zij betwist daarentegen dat zij aan een dergelijke inbreuk heeft deelgenomen. Volgens haar heeft de Commissie niet bewezen dat zij op de hoogte was van alle inbreukmakende gedragingen die zijn verricht om de doelstellingen van de andere deelnemers te bereiken, en dat zij daartoe wilde bijdragen.

252    Dit betoog kan niet worden aanvaard. Om de deelname van een onderneming aan één enkele voortdurende inbreuk aan te tonen, hoeft de Commissie immers niet te bewijzen dat deze onderneming rechtstreeks kennis had van elke feitelijke gedraging die alle andere bij deze inbreuk betrokken ondernemingen planden of verrichtten. Zoals de hierboven in de punten 248 en 249 aangehaalde rechtspraak bevestigt, volstaat het dat zij aantoont dat de betreffende onderneming redelijkerwijs deze gedragingen kon voorzien en dat zij bereid was om niet alleen de voordelen maar ook de risico’s ervan te aanvaarden (zie in die zin arrest van 23 januari 2014, Gigaset/Commissie, T‑395/09, niet gepubliceerd, EU:T:2014:23, punt 117).

253    Uit alle in het kader van het tweede middel onderzochte bewijzen blijkt dat verzoekster met haar heimelijke gedrag doelbewust heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het hierboven in punt 250 vermelde totaalplan, dat juist als doel had de prijsconcurrentie te beperken.

254    Ten eerste heeft verzoekster de aanzet gegeven tot het sluiten van de overeenkomst over het systeem voor de berekening van de schroottoeslag, dat overigens zo was opgezet dat het automatisch in de hele EER kon worden toegepast, en heeft zij actief bijgedragen aan de invoering van een dergelijk systeem (zie punten 129 en 130 hierboven).

255    Wat ten tweede de coördinatie ten opzichte van individuele afnemers betreft, zij eraan herinnerd dat de Commissie heeft aangetoond dat Pometon betrokken was bij de mededingingsbeperkende contacten die tot doel hadden een dergelijke coördinatie tot stand te brengen (zie punt 235 hierboven). Het feit dat deze onderneming in vrij geringe mate heeft deelgenomen aan de multilaterale bijeenkomsten en de andere contacten die ertoe strekten om met de andere betrokken ondernemingen de mededingingsverstorende gedragingen die deel uitmaakten van het kartel in zijn geheel te bespreken of te onderzoeken, kan derhalve niet aldus worden uitgelegd dat zij niet kon weten of niet kon voorzien welke mededingingsverstorende activiteiten de andere kartelleden zouden verrichten, en dat zij zich hier niet bij aansloot.

256    Ten derde werd met de twee onderdelen van de mededingingsregeling juist hetzelfde doel nagestreefd, namelijk de prijsconcurrentie te beperken, hadden zij betrekking op dezelfde producten en werden zij door dezelfde ondernemingen uitgevoerd, overigens onder impuls van dezelfde hoofdrolspelers. Dienaangaande blijkt uit de bewijsstukken dat de voornaamste leidinggevenden van Pometon, waaronder met name haar algemeen directeur, rechtstreeks betrokken waren bij de twee onderdelen van het kartel en dat verzoekster bij de heimelijke contacten over deze overeenkomst over het algemeen door dezelfde managers is vertegenwoordigd. Deze omstandigheid bevestigt overigens in het kader van het onderhavige geding dat deze twee onderdelen complementair zijn, maar ook dat verzoekster wilde bijdragen aan alle handelingen ter uitvoering ervan (zie in die zin arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, gevoegde zaken T‑147/09 en T‑148/09, EU:T:2013:259, punt 60).

257    Hieruit volgt dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat verzoekster de inbreukmakende gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien, en bereid was het risico ervan te aanvaarden.

3)      Deelname van verzoekster aan één enkele voortdurende inbreuk in de hele EER

258    Verzoekster betwist niet dat er sprake is van één enkele voortdurende inbreuk in de hele EER, maar wel dat zij aansprakelijk is voor een inbreuk met een dergelijke geografische reikwijdte.

259    In overweging 60 van het bestreden besluit bepaalt de Commissie de geografische reikwijdte van het kartel door te verwijzen naar overweging 37 van het schikkingsbesluit, die als volgt luidt: „De geografische reikwijdte van het litigieuze gedrag van de vijf partijen bestreek de hele EER gedurende de hele periode waarop [het onderhavige besluit] betrekking heeft.”

260    Uit de rechtspraak (zie punt 245 hierboven) volgt dat wanneer sprake is van één enkele inbreuk en een onderneming daadwerkelijk slechts in een beperkt deel van de EER aan een kartel heeft deelgenomen, haar aansprakelijkheid voor dit kartel als mededingingsverstorende praktijk op dit hele grondgebied niet kan worden uitgesloten.

261    Om aan te tonen dat verzoekster heeft deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk in de hele EER, diende de Commissie echter overeenkomstig de rechtspraak (zie punten 248 en 249 hierboven) te bewijzen dat Pometon op de hoogte was van de geografische reikwijdte van de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers, of dat zij deze redelijkerwijs kon voorzien en dus bereid was het risico ervan te aanvaarden.

262    Anders dan verzoekster stelt (zie punt 241 hierboven), blijkt uit de in het bestreden besluit aangevoerde bewijzen dat haar leidinggevenden zich volledig bewust waren van de algemene geografische reikwijdte van de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers.

263    In de eerste plaats vermeldt de algemeen directeur van verzoekster in zijn antwoord van 7 oktober 2002 op een faxbericht van de „general manager” van Pometon Deutschland betreffende klachten van MTS over de door verzoekster gehanteerde prijsverminderingen voor afnemers in Duitsland (overweging 133 van het bestreden besluit) dat de vergelding waarmee wordt gedreigd, normaal gezien „wereldwijd” is. Hoewel dit document dateert van vóór de inbreukperiode, vormt het een aanwijzing dat de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers voor de leidinggevenden van Pometon een algemene geografische reikwijdte had. Anders dan verzoekster stelt, kan een dergelijke aanwijzing overeenkomstig de rechtspraak (zie punt 113 hierboven) samen met andere bewijselementen in aanmerking worden genomen, met name voor de beoordeling van de geografische reikwijdte van het kartel. Bovendien blijkt uit deze twee e‑mails niet dat Pometon weigerde om met MTS bijeen te komen, maar veeleer dat zij tijd wilde winnen.

264    In de tweede plaats stelt Winoa in een e‑mail van 21 november 2003, die met name betrekking had op de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers in België (overwegingen 62 en 134 van het bestreden besluit en punt 199 hierboven), de algemeen directeur van verzoekster voor om de verschillende mogelijkheden voor afnemers in „Scandinavië en [de] Oost-Europese landen” te bespreken.

265    Zelfs al was verzoekster niet op alle markten van het gehele grondgebied van de EER aanwezig en is haar deelname aan de coördinatie ten opzichte van sommige individuele afnemers slechts in vijf lidstaten bewezen, zij was noodzakelijkerwijs ervan op de hoogte dat het tweede onderdeel van het kartel dit hele grondgebied bestreek.

266    Uit het voorgaande volgt dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster niet alleen volledig op de hoogte was van de wezenlijke kenmerken van het kartel (zie punt 257 hierboven), maar ook van de geografische reikwijdte ervan, en dat zij aldus wilde deelnemen aan de ene enkele voortdurende inbreuk die in casu aan de orde is.

267    Bijgevolg heeft de Commissie terecht besloten dat verzoekster aansprakelijk is voor deze inbreuk, onverminderd de beoordeling van de duur van haar deelname aan deze inbreuk in het kader van het vierde middel en onverminderd de mate van haar individuele aansprakelijkheid in het kader van het onderzoek van het verzoek tot herziening van de haar opgelegde geldboete overeenkomstig het beginsel dat straffen individueel zijn.

268    De drie onderdelen van het tweede middel moeten dus worden afgewezen.

C.      Derde middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, doordat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat het kartel een mededingingsbeperkende strekking had

1.      Argumenten van partijen

269    In de eerste plaats voert verzoekster aan dat de Commissie artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft geschonden, omdat zij heeft geoordeeld dat het betreffende kartel als doel had de mededinging te beperken. In dat opzicht berust het bestreden besluit (overwegingen 142‑148) op kennelijke beoordelingsfouten, ontoereikend onderzoek en een kennelijk onlogische redenering. Verzoekster verwijt de Commissie in het bijzonder dat zij zelfs geen oppervlakkige analyse heeft verricht van de markt waarop het kartel betrekking had, en dat zij geen rekening heeft gehouden met de aard van de betrokken goederen en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt, zoals wordt vereist door de rechtspraak (zie punt 277 hierna).

270    In de tweede plaats stelt verzoekster dat de Commissie evenmin het bestaan van mededingingsbeperkende gevolgen heeft bewezen. Zij heeft alleen verklaard, overigens zonder onderbouwing, dat „uit de feiten beschreven in punt 4.2.1.3 [betreffende de berekeningsformule van de schroottoeslag] blijkt dat het mededingingsverstorende kartel was uitgevoerd” (overweging 148 van het bestreden besluit).

271    De Commissie betoogt dat de coördinatie tussen concurrenten waaraan Pometon heeft deelgenomen, horizontale prijsbepaling als doel had, zoals blijkt uit de omstandigheden omschreven in de overwegingen 145, 146 en 148 van het bestreden besluit. Zij verduidelijkt dienaangaande dat zij de betreffende markt en haar actoren voldoende heeft geïdentificeerd en beschreven (punt 2 van het bestreden besluit), dat zij het aan verzoekster verweten gedrag uitgebreid uit de doeken heeft gedaan en dat zij heeft gewezen op de gevolgen van dit gedrag voor de verkoopprijs van staalgrit (punt 5.2.4 van het bestreden besluit).

272    Bijgevolg is de Commissie van mening dat zij, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, kon concluderen dat het kartel een mededingingsbeperkende strekking had, zonder dat een gedetailleerde analyse van de betreffende markt noodzakelijk was.

2.      Beoordeling door het Gerecht

273    In herinnering moet worden gebracht dat overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen slechts onder het in artikel 101 VWEU geformuleerde verbod vallen indien zij „ertoe strekken of ten gevolge hebben” dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

274    Volgens de rechtspraak moet het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” restrictief worden uitgelegd en kan het uitsluitend worden toegepast op bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen die naar de aard ervan kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest van 27 april 2017, FSL e.a./Commissie, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, punt 103).

275    Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperking „naar strekking” inhoudt, is de vaststelling dat deze overeenkomst op zich in die mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht (arrest van 27 april 2017, FSL e.a./Commissie, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, punt 104; zie ook in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punten 49 en 57).

276    Bij de beoordeling of een overeenkomst de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 101 VWEU te hebben, moet worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53; 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 27, en 27 april 2017, FSL e.a./Commissie, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, punt 105).

277    Het is juist dat uit de door verzoekster aangevoerde rechtspraak (zie punt 269 hierboven) blijkt dat in sommige omstandigheden bij de beoordeling of een overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking heeft, de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten moeten worden onderzocht (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 36; 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 21). Dat is in beginsel het geval wanneer de overeenkomst kenmerken vertoont die haar atypisch of complex maken (conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2015:427, punten 90 en 91).

278    Het staat echter vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling leiden, in beginsel kunnen worden beschouwd als afspraken die de prijs, de hoeveelheid of de kwaliteit van de producten en diensten zodanig negatief kunnen beïnvloeden dat het voor de toepassing van artikel 101 VWEU overbodig is om aan te tonen dat zij concrete effecten op de markt hebben. Bovendien leert de ervaring dat dergelijke gedragingen in het algemeen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 51; 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 19, en 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 56).

279    Voor dergelijke overeenkomsten, die bijzonder ernstige inbreuken op de mededinging opleveren, kan de analyse van de economische en juridische context van de praktijk dus worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om tot de slotsom te kunnen komen dat er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking (zie arrest van 27 april 2017, FSL e.a./Commissie, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

280    In casu verwijt verzoekster de Commissie in de eerste plaats dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat het aan de orde zijnde kartel een mededingingsbeperking naar strekking vormde, zonder dat zij de aard van de betrokken goederen en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten zelfs maar heeft onderzocht (zie punt 269 hierboven).

281    Deze grief kan niet worden aanvaard. Overeenkomstig de hierboven in de punten 278 en 279 aangehaalde rechtspraak heeft de Commissie immers, gelet op de intrinsieke kenmerken van het betreffende horizontale kartel, dat betrekking had op de prijsbepaling en aldus een bijzonder ernstige inbreuk op de mededinging vormde, een passende analyse van de economische en juridische context van het kartel kunnen uitvoeren, zonder dat de aard van de betrokken producten en de voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten in detail hoefden te worden onderzocht. In vergelijking met het voorwerp en de zwaarte van de inbreuk zijn deze aspecten de facto van bijkomstig belang.

282    Derhalve heeft de Commissie in overweging 142 van het bestreden besluit terecht vastgesteld dat de inbreuk een mededingingsbeperkende strekking had, aangezien verzoekster betrokken was bij horizontale mededingingsbeperkende regelingen die deel uitmaakten van een totaalplan met als enig doel de prijzen te beïnvloeden door middel van de invoering van de schroottoeslag en de prijscoördinatie ten opzichte van de individuele afnemers.

283    Wat in het bijzonder het eerste onderdeel van het kartel betreft, heeft de Commissie in overweging 143 van het bestreden besluit verduidelijkt dat de deelnemers aan de betreffende inbreuk hun gedrag coördineerden om alle onzekerheid tussen hen over een belangrijke prijscomponent uit te sluiten, aangezien metaalschroot 25 tot 45 % van de productiekosten van staalgrit vertegenwoordigde, terwijl de markt van het metaalschroot werd gekenmerkt door grote schommelingen van de aankoopprijs en aanzienlijke prijsverschillen tussen sommige lidstaten van de Unie.

284    Voorts zij opgemerkt dat verzoekster noch tijdens de administratieve procedure noch in haar memories voor het Gerecht enig concreet argument heeft aangevoerd of zelfs maar heeft gesteld dat dit kartel bijzonder complex was of bepaalde specifieke kenmerken vertoonde waardoor een grondigere analyse van de economische en juridische context noodzakelijk was om overeenkomstig de hierboven in punt 277 aangehaalde rechtspraak uit te maken of dit kartel een overeenkomst is die naar de aard ervan kan worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de mededinging.

285    Derhalve dient te worden vastgesteld dat de Commissie geen enkele beoordelingsfout heeft gemaakt voor zover zij zich op het standpunt heeft gesteld dat het betreffende kartel op zich voldoende schadelijk was voor de mededinging, aangezien het als doel had prijsconcurrentie te verhinderen, beperken of vervalsen ten nadele van de consumenten.

286    Bijgevolg kan de grief dat er geen sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking niet worden aanvaard.

287    Gelet op de voorgaande overwegingen is de tweede door verzoekster aangevoerde grief, namelijk dat er geen bewijs is van het bestaan van mededingingsbeperkende effecten (zie punt 270 hierboven), niet ter zake dienend. Gelet op de mededingingsbeperkende strekking van het kartel kan het onderzoek van de gevolgen ervan immers hoe dan ook niet de minste invloed hebben op de vaststelling van het bestaan van een inbreuk.

288    Het derde middel moet dus in zijn geheel worden afgewezen.

D.      Vierde middel: de duur van verzoeksters deelname aan de inbreuk en de verjaring

1.      Argumenten van partijen

289    Subsidiair betwist verzoekster de duur van haar deelname aan het kartel. De Commissie heeft geen enkel bewijs aangedragen dat zij aan het kartel is blijven deelnemen tot 16 mei 2007, de datum waarop de bijeenkomst van Milaan plaatsvond, die volgens de Commissie het „laatste contact tussen Pometon en de andere deelnemers aan de inbreuk over de schroottoeslag” vormde (overwegingen 55 en 163 van het bestreden besluit).

290    Verzoekster legt in wezen uit dat op 16 mei 2007 geen enkele „onrechtmatige” bijeenkomst plaats heeft gevonden waaraan zij zou hebben deelgenomen. De tweede verklaring van de clementieverzoeker maakt melding van één enkele bijeenkomst in Milaan op 17 mei 2007 en deze datum wordt bevestigd door twee interne e‑mails van Ervin van 17 mei 2007, waarin verslag wordt gedaan van de inhoud van deze bijeenkomst.

291    Hoe dan ook is verzoeksters deelname aan een dergelijke bijeenkomst op 16 mei 2007 niet aannemelijk, aangezien zij er geen enkel belang bij had haar concurrenten te ontmoeten om de voortzetting van het kartel met betrekking tot de schroottoeslag te bespreken op dezelfde dag als die waarop de akte van overdracht van haar staalgritactiviteit is ondertekend. De argumentatie van de Commissie dat het waarschijnlijk is dat een dergelijke ontmoeting plaats heeft gevonden, dat de akte van overdracht dezelfde dag nog is opgesteld in een nabijgelegen notariskantoor en dat Ervin hiervan niet op de hoogte is gebracht, komt erop neer dat verzoekster moet bewijzen dat deze bijeenkomst niet heeft bestaan, hetgeen uiteindelijk een probatio diabolica vormt.

292    Ten slotte stelt verzoekster dat, bij gebreke van bewijs, het einde van de door haar begane inbreuk ten laatste samenvalt met de laatste vermeende heimelijke contacten van Pometon, namelijk de bijeenkomst van 9 juni 2005, of ten allerlaatste met de e‑mail van 18 november 2005 (zie punten 153, 154 en 215 hierboven).

293    Verzoekster leidt daar in dit stadium uit af dat de aan de Commissie verleende bevoegdheid om een geldboete op te leggen is verjaard overeenkomstig artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1/2003, aangezien ruim vijf jaar is verlopen tussen het einde van haar karteldeelname op 9 juni 2005 en de kennisgeving op 15 juni 2015 van de stuitingshandeling.

2.      Beoordeling door het Gerecht

294    Eerst dient te worden nagegaan of de Commissie rechtens genoegzaam de duur van verzoeksters deelname aan het betreffende kartel heeft bewezen (zie in die zin arrest van 24 maart 2011, Viega/Commissie, T‑375/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:106, punt 36).

295    Bij het ontbreken van bewijsmateriaal aan de hand waarvan de duur van de deelname van een onderneming aan een inbreuk rechtstreeks kan worden vastgesteld, dient de Commissie feiten aan te tonen die zich voldoende kort na elkaar hebben voorgedaan, zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (arrest van 19 mei 2010, IMI e.a./Commissie, T‑18/05, EU:T:2010:202, punt 88).

296    In de eerste plaats blijkt in casu uit het onderzoek door het Gerecht van het tweede middel dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster heeft deelgenomen aan een aantal bijeenkomsten en andere heimelijke contacten, minstens in de periode van 3 augustus 2003, de datum van de overeenkomst over de schroottoeslag (zie punt 129 hierboven), tot de e‑mails van 16 tot en met 18 november 2005 tussen Würth en Pometon (zie punt 153 hierboven).

297    Bovendien heeft de Commissie ook aangetoond dat verzoekster betrokken was bij de voorbereiding van de bijeenkomst in Milaan, die was gepland voor 16 en 17 mei 2007.

298    Wat de vraag betreft of verzoekster heeft deelgenomen aan deze bijeenkomst in Milaan, voert zij terecht aan dat de Commissie de bewijslast omkeert, omdat zij alleen stelt dat het waarschijnlijk is dat een eerste bijeenkomst, waaraan verzoekster heeft deelgenomen, op 16 mei 2007 heeft plaatsgevonden om de voortzetting van het kartel te bespreken, en is gevolgd door een tweede bijeenkomst op 17 mei 2007.

299    Dienaangaande kan het door de Commissie aangevoerde feit dat de plaats van deze bijeenkomst dicht bij het notariskantoor ligt waar op 16 mei 2007 de akte is opgesteld waarbij Pometons bedrijfsactiviteit in de staalgritsector aan Winoa is overgedragen, geen voldoende ernstige en betrouwbare aanwijzing vormen dat diezelfde dag een mededingingsbeperkende bijeenkomst heeft plaatsgevonden. In de tweede verklaring van de clementieverzoeker wordt integendeel slechts melding gemaakt van één bijeenkomst in Milaan op 17 mei 2007. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat verzoekster de dag tevoren heeft deelgenomen aan een mededingingsbeperkende bijeenkomst.

300    Los van de aanwezigheid van verzoekster op een dergelijke bijeenkomst die op 16 mei 2007 zou hebben plaatsgevonden, is verzoeksters deelname aan het betreffende kartel vóór de overdracht van haar activiteit in de staalgritsector aan Winoa op 16 mei 2007 echter in het bestreden besluit gestaafd door een reeks voldoende nauwkeurige, ernstige en onderling overeenstemmende aanwijzingen waaruit blijkt dat Pometon tijdens de aan deze overdracht voorafgaande periode rechtstreeks betrokken was bij de ene enkele voortdurende inbreuk die hier aan de orde is.

301    Uit de in overweging 52 van het bestreden besluit aangevoerde interne e‑mail van Ervin van 20 maart 2007, die verzoekster niet betwist en waarin is vermeld dat de vertegenwoordigers van Winoa en Pometon de auteur van deze e‑mail hadden verzocht een bijeenkomst bij te wonen die op 16 en 17 mei 2007 in Milaan zou plaatsvinden om de toepassing van de berekeningsformule van de schroottoeslag te bespreken (zie punt 155 hierboven), volgt in het bijzonder dat Pometon actief betrokken was bij het beleggen en het plannen van deze bijeenkomst.

302    Het feit dat de andere deelnemers niet twijfelden aan de deelname van Pometon aan deze bijeenkomst wordt voorts bevestigd door de interne e‑mail van Ervin van 19 april 2007 (zie punt 228 hierboven). Overigens lijkt de interne e‑mail van Ervin van 17 mei 2007 (overweging 55 van het bestreden besluit) erop te wijzen dat de andere kartelleden vóór de bijeenkomst in Milaan niet op de hoogte waren gebracht van de overdracht van de betreffende bedrijfsactiviteit van Pometon aan Winoa. Uit deze e‑mail blijkt immers dat de auteur ervan, een werknemer van Ervin die aanwezig was op deze bijeenkomst van 17 mei 2007, verbaasd was over de terughoudendheid tijdens deze bijeenkomst van B., die een van de vertegenwoordigers van verzoekster was geweest voordat hij bij deze overdracht op 16 mei 2007 in dienst kwam van Winoa.

303    Ten slotte bewijst de inhoud van de interne e‑mails van Ervin van 20 maart en 19 april 2007 (zie punten 227 en 228 hierboven) en van die van Winoa van 26 april 2007 (zie punt 229 hierboven) dat Pometon minstens in de twee maanden voordat zij de staalgritmarkt heeft verlaten, niet alleen een actieve rol heeft gespeeld bij het eerste onderdeel van het kartel, maar ook bij het tweede onderdeel ervan betrokken was.

304    Aangezien de Commissie aldus naar behoren heeft bewezen dat verzoekster tussen 3 oktober 2003 en 18 november 2005 (zie punt 296 hierboven), alsook tijdens de twee maanden voordat zij op 16 mei 2007 de markt heeft verlaten (zie punten 297‑303 hierboven), rechtstreeks betrokken was bij heimelijke contacten over de twee onderdelen van het kartel, moet in de tweede plaats worden onderzocht of het ontbreken van bewijs van mededingingsbeperkende contacten tijdens een periode van bijna zestien maanden, te weten van 18 november 2005 tot maart 2007, erop wijst dat verzoekster daadwerkelijk haar karteldeelname had onderbroken in die periode, zoals zij suggereert (zie punt 292 hierboven), en vervolgens haar deelname aan deze inbreuk had hervat enkele maanden voordat zij de staalgritmarkt heeft verlaten (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Philip Morris/Commissie, T‑18/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:487, punt 97).

305    De vraag of de periode tussen twee manifestaties van een inbreukmakende gedraging al dan niet lang genoeg is om als een onderbreking van de inbreuk te worden aangemerkt, moet in samenhang met de werking van de betreffende mededingingsregeling worden beoordeeld (arrest van 19 mei 2010, IMI e.a./Commissie, T‑18/05, EU:T:2010:202, punt 89; zie ook in die zin arrest van 24 maart 2011, Tomkins/Commissie, T‑382/06, EU:T:2011:112, punt 51).

306    In het bijzonder moet in deze context en op basis van een algemene evaluatie van alle beschikbare aanwijzingen concreet worden beoordeeld of deze periode lang genoeg was om de andere kartelpartijen in staat te stellen te begrijpen dat de betrokken onderneming de bedoeling had om haar deelname te onderbreken. Een dergelijk begrip is beslissend voor de beoordeling of deze onderneming zich daadwerkelijk van de onrechtmatige overeenkomst wilde distantiëren (zie in die zin arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punten 62 en 63).

307    In dat verband zij eraan herinnerd dat een onderneming die een onrechtmatig initiatief stilzwijgend goedkeurt, zonder zich publiekelijk van de inhoud ervan te distantiëren of het bij de bevoegde bestuurlijke instanties aan te geven, het voortbestaan van de inbreuk bevordert en de ontdekking ervan bemoeilijkt. Deze medeplichtigheid vormt een passieve deelneming aan de inbreuk en kan derhalve leiden tot de aansprakelijkheid van de betrokken onderneming in het kader van één enkele overeenkomst. Bovendien ontslaat de omstandigheid dat een onderneming geen gevolg geeft aan de resultaten van een vergadering met een mededingingsverstorend doel, haar niet van haar aansprakelijkheid voor haar deelname aan een mededingingsregeling, tenzij zij zich publiekelijk van de inhoud daarvan heeft gedistantieerd (zie arrest van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

308    Gelet op de bijzondere kenmerken van het betreffende kartel kan de omstandigheid dat verzoekster en de andere kartelleden zelfs tijdens die periode van bijna zestien maanden geen heimelijke contacten hebben onderhouden, in casu niet de conclusie wettigen dat zij haar deelname aan het kartel had onderbroken. Dit kartel werd immers gekenmerkt door de automatische toepassing van de schroottoeslag (zie punt 147 hierboven) en door het sterke verband tussen de twee onderdelen van het kartel (zie punten 228, 256 en 303 hierboven), alsook door het feit dat de contacten tussen de deelnemers om de prijzen ten opzichte van de individuele afnemers te coördineren, buiten de Duitse markt niet gestructureerd verliepen omdat er enkel incidenteel contacten waren in geval van onenigheid (zie punt 222 hierboven).

309    Verzoekster voert geen enkel bewijs aan dat in het kader van deze enkele voortdurende inbreuk heimelijke contacten toch noodzakelijk waren om zonder onderbreking tijdens de periode van 9 juni 2005 tot maart 2007 te blijven deelnemen aan het kartel. In het bijzonder voert zij geen enkele omstandigheid aan waardoor de werking van het kartel, zoals dit uit het door de Commissie aangevoerde bewijsmateriaal naar voren komt, achteruit is gegaan en waardoor in die periode contacten met de andere kartelpartijen nodig waren om het kartel nieuw leven in te blazen (zie in die zin arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, gevoegde zaken T‑147/09 en T‑148/09, EU:T:2013:259, punt 65).

310    Gelet op de kenmerken van dit kartel (zie punt 308 hierboven) hadden de andere deelnemers des te minder reden om de eventuele niet-deelname van verzoekster aan bijeenkomsten of andere heimelijke contacten in die periode van zestien maanden op te vatten als een distantiëring van het kartel, aangezien Pometon de aanzet had gegeven tot de invoering van het systeem van de schroottoeslag en actief had bijgedragen aan de uitvoering ervan (zie punten 129 en 130 hierboven).

311    Bovendien blijkt uit de omstandigheid dat verzoekster een actieve rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van de bijeenkomst in Milaan en de overdracht van haar bedrijfsactiviteit in de staalgritsector aan Winoa niet vooraf heeft aangekondigd aan de andere kartelleden, dat het onrechtmatige gedrag van Pometon en Winoa is blijven voortduren. Die continuïteit wordt overigens duidelijk bevestigd door de e‑mail van T. van 28 mei 2008 (zie punt 231 hierboven).

312    Om al deze redenen blijkt duidelijk uit het algemene onderzoek van alle door de Commissie overgelegde bewijzen, die elkaar wederzijds versterken, zodat verzoeksters aansprakelijkheid voor de hele betreffende periode kan worden vastgesteld, dat zij voortdurend aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, ook al wordt haar deelname niet voor de hele duur van de inbreuk, van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007, door rechtstreekse bewijsstukken gestaafd (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 55).

313    Bij gebreke van enige aanwijzing dat de betrokkene zich heeft gedistantieerd van het kartel, heeft de Commissie dus, ondanks het feit dat zij voor een periode van ongeveer zestien maanden niet over rechtstreeks bewijs beschikt dat heimelijke contacten hebben plaatsgevonden, rechtens genoegzaam bewezen dat Pometon haar deelname aan de ene enkele voortdurende inbreuk niet heeft onderbroken (zie in die zin arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 481).

314    Aangezien Pometon tot 16 mei 2007 aan het kartel heeft deelgenomen en de Commissie vanaf juni 2010 inspecties heeft uitgevoerd in haar bedrijfsruimten en op 16 januari 2013 met name tegen haar een procedure heeft ingeleid (zie punten 6 en 7 hierboven), was de bevoegdheid van deze instelling om haar een geldboete op te leggen niet verjaard op het ogenblik dat het bestreden besluit werd vastgesteld, wat is gebeurd binnen de termijnen van artikel 25 van verordening nr. 1/2003.

315    Bijgevolg moet het vierde middel in zijn geheel worden afgewezen.

316    Aangezien het Gerecht het tweede, het derde en het vierde middel ongegrond heeft verklaard, waarmee verzoekster betwist dat Pometon de haar ten laste gelegde inbreukmakende gedragingen heeft verricht en van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007 heeft deelgenomen aan de ene enkele voortdurende inbreuk die hier aan de orde is, moet de eerste en de tweede vordering van verzoekster worden afgewezen voor zover zij strekken tot nietigverklaring van artikel 1 van het bestreden besluit (zie punt 31 hierboven).

E.      Aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten

1.      Argumenten van partijen

317    Nog meer subsidiair verzoekt verzoekster om intrekking van de geldboete of om herziening ervan. Zij voert aan dat de hoogte van de aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling.

318    De uitleg die de Commissie dienaangaande voor het Gerecht heeft verstrekt, met inbegrip van de ter terechtzitting overgelegde tabel, is volledig nieuw en kan de aanvankelijk ontoereikende motivering niet verhelpen. Bovendien is deze tabel pas ter terechtzitting overgelegd en was dat te laat, waardoor deze dus niet-ontvankelijk is.

319    In haar opmerkingen van 2 juli 2018 (zie punt 29 hierboven) heeft verzoekster voorts betoogd dat het percentage dat de specifieke wereldwijde verkoop van Pometon in 2006 uitmaakte ten opzichte van haar totale omzet, zoals dat in deze tabel is vermeld en door de Commissie in aanmerking is genomen om de hoogte van de aanpassing van verzoeksters geldboete te bepalen, onjuist is. Dit percentage is niet 21 % maar 31 %.

320    De Commissie stelt dat de in de overwegingen 228 en 229 van het bestreden besluit uiteengezette motivering (zie punten 345 en 346 hierna) een duidelijk inzicht geeft in de criteria die zij heeft gehanteerd bij de berekening van de aanpassing van het basisbedrag van de geldboete. Hieruit blijkt immers dat zij verzoekster een uitzonderlijke vermindering heeft toegekend, die vergelijkbaar is met de verminderingen die zijn toegekend aan de vier andere ondernemingen waarop het schikkingsbesluit betrekking heeft, teneinde haar een geldboete op te leggen die evenredig is aan de individuele aansprakelijkheid van Pometon, gelet op de ernst en de duur van haar deelname aan het kartel in vergelijking met die van die andere ondernemingen, en er tevens voor te zorgen dat de boete een afschrikkende werking heeft.

321    In haar verweerschrift heeft de Commissie uitgelegd dat zij voor de vaststelling van de aanpassing voor verzoekster een verminderingscoëfficiënt van 21 % in aanmerking heeft genomen, die overeenkomt met de verhouding tussen de omzet van Pometon voor de verkoop van staalgrit en haar totale omzet in 2006. Zij heeft dit percentage echter naar boven bijgesteld door verzoekster een extra vermindering van 39 % toe te kennen wegens de kortere duur van de deelname van Pometon aan het kartel, de relatief kleine omvang van de onderneming en het feit dat zij niet beschikte over een heel gediversifieerde productenportefeuille. In haar memorie van dupliek heeft de Commissie erkend dat de specifieke verkoop van Pometon in de EER in 2006 in werkelijkheid 23,7 % van haar totale omzet uitmaakte, en gesteld dat het verschil met het door haar in aanmerking genomen percentage van 21 % was gecompenseerd door die bijstelling.

322    Ter terechtzitting heeft de Commissie verduidelijkt dat zij zich heeft gebaseerd op de verhouding tussen de waarde van de specifieke verkoop op wereldniveau en de totale omzet van elk van de betrokken ondernemingen, zoals kort maar volledig is uiteengezet in de overwegingen 228 en 229 van het bestreden besluit, en niet op het percentage van deze verkoop in de EER.

323    Wat in het bijzonder het aandeel van de totale specifieke verkoop van Pometon in haar totale omzet betreft, heeft de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen over de door verzoekster gestelde onjuistheid (zie punt 319 hierboven) van het percentage van 21 % dat in de ter terechtzitting overgelegde tabel is vermeld, onder verwijzing naar een aantal stukken betoogd dat zij zich heeft gebaseerd op de cijfergegevens die verzoekster in antwoord op haar verzoeken om inlichtingen tijdens de administratieve procedure heeft verstrekt.

324    Voorts heeft de Commissie ter terechtzitting verduidelijkt dat zij, om een gelijke behandeling te garanderen en de billijkheid in acht te nemen, dat percentage van de specifieke wereldwijde verkoop voor elk van de kartelleden heeft aangepast om de ondernemingen waarvan de specifieke verkoop een bijzonder grote invloed had op de wereldwijde omzet, niet buitensporig te bevoordelen. Deze aanpassing is doorgevoerd op basis van de volgende drie criteria, die zijn vermeld in de ter terechtzitting overgelegde tabel, waarin ook de gegevens betreffende verzoekster zijn opgenomen.

325    Het belangrijkste criterium is de diversificatie van de verkoop. Verzoekster heeft aldus de grootste extra vermindering verkregen (39 %), vooral omdat haar verkoop heel gediversifieerd was, terwijl Ervin, Winoa en MTS daarentegen een verhoging opgelegd hebben gekregen (respectievelijk van 13 %, 8 % en 4 %) wegens de concentratie van hun portefeuilles (88 % voor Ervin, 83 % voor Winoa en 94 % voor MTS). De twee andere criteria waren de omvang van de onderneming en haar „beperkte” of „niet-beperkte” rol bij de inbreuk.

2.      Beoordeling door het Gerecht

a)      Ontvankelijkheid van de ter terechtzitting overgelegde tabel en het verzoek van de Commissie om vertrouwelijke behandeling

326    Aangezien verzoekster een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen de door de Commissie ter terechtzitting overgelegde tabel heeft opgeworpen, moet deze exceptie eerst worden onderzocht.

327    Dienaangaande zij in de eerste plaats eraan herinnerd dat volgens artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering „[b]ij wijze van uitzondering [...] de hoofdpartijen nog bewijs [kunnen] overleggen of [kunnen] aanbieden hun stellingen nader te bewijzen voordat de mondelinge behandeling is gesloten [...], mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd”.

328    In de bijzondere context van het onderhavige geschil is dit document door de Commissie ter terechtzitting overgelegd naar aanleiding van de vragen van het Gerecht en bevat het noodzakelijke inlichtingen om het Gerecht in staat te stellen de criteria te identificeren en te beoordelen die deze instelling heeft gehanteerd bij de berekening van de geldboete van verzoekster (zie punten 366 en 376 hierna), die overigens is verzocht schriftelijke opmerkingen over de gegevens in deze tabel in te dienen. De overlegging van dit document in het stadium van de terechtzitting blijkt dus gerechtvaardigd in de zin van artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.

329    In de tweede plaats moet het verzoek om vertrouwelijke behandeling dat de Commissie ter terechtzitting mondeling heeft ingediend voor sommige gegevens in die tabel, worden afgewezen. De Commissie voert ter rechtvaardiging van dit verzoek enkel aan dat de betrokken ondernemingen, toen zij hierover door haar werden geraadpleegd, als hun mening te kennen gaven dat deze gegevens vertrouwelijk moesten blijven.

330    Het is vaste rechtspraak dat informatie die geheim of vertrouwelijk is geweest, maar minstens vijf jaar oud is, door het verstrijken van die periode in beginsel als niet meer actueel moet worden aangemerkt en daardoor wordt geacht niet langer geheim of vertrouwelijk te zijn, tenzij de partij die aanvoert dat de informatie nog steeds geheim of vertrouwelijk is, bij wijze van uitzondering aantoont dat deze informatie ondanks de ouderdom ervan nog steeds een wezenlijk onderdeel van haar commerciële positie of van die van een betrokken derde is (arrest van 14 maart 2017, Evonik Degussa/Commissie, C‑162/15 P, EU:C:2017:205, punt 64).

331    In casu moet worden vastgesteld dat de gegevens in deze tabel niet langer vertrouwelijk zijn. Wat om te beginnen de waarde van de totale specifieke verkoop van elk van de adressaten van het schikkingsbesluit in 2009 betreft, heeft de Commissie geen enkel argument aangevoerd dat de conclusie wettigt dat deze gegevens, ondanks het feit dat zij niet meer actueel zijn, nog steeds een wezenlijk onderdeel van de commerciële positie van de betrokken ondernemingen vormen. Voorts hebben de verschillende correcties die de Commissie heeft doorgevoerd om vast te stellen hoeveel het basisbedrag van de geldboeten voor deze ondernemingen zou worden aangepast, geen betrekking op hun commercieel beleid en kunnen zij dus niet op die grond vertrouwelijk zijn. Ten slotte zijn de andere gegevens in de betreffende tabel reeds niet-vertrouwelijk verklaard in de hierboven in punt 26 aangehaalde beschikking van 4 mei 2018, Pometon/Commissie (T‑433/16).

332    Derhalve is de betreffende tabel ontvankelijk, ook al is hij laat overgelegd, en valt niet te rechtvaardigen dat in het onderhavige arrest sommige gegevens ervan voor het publiek worden weggelaten.

b)      Vordering tot nietigverklaring van de geldboete wegens schending van de motiveringsplicht

333    Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie de aanpassing van het basisbedrag van de geldboete, die zij heeft doorgevoerd op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd.

1)      Voorafgaande opmerkingen over de rechtspraak betreffende de motivering van de geldboeten

334    In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de vereisten inzake motivering van de geldboeten, waaraan de Commissie moet voldoen in het kader van een gewone procedure of een schikkingsprocedure met betrekking tot een bepaald kartel, ook kunnen worden toegepast in het geval van een hybride procedure, zelfs wanneer deze procedure in de tijd is gespreid (zie naar analogie arrest van 13 december 2016, Printeos e.a./Commissie, T‑95/15, EU:T:2016:722, punt 47).

335    Ook al zijn de schikkingsprocedure en de gewone inbreukprocedure twee verschillende procedures, met name gelet op het specifieke doel ervan, zij worden beide geregeld door het door de Commissie op basis van artikel 2 van verordening nr. 773/2004 vastgestelde aanvankelijke besluit tot inleiding van het onderzoek naar het kartel (zie punt 7 hierboven) en beantwoorden ook aan hetzelfde doel van algemeen belang, dat erin bestaat een einde te maken aan de betreffende mededingingsverstorende praktijk ten voordele van de consumenten op de desbetreffende markt.

336    In de tweede plaats moet de motivering van een besluit houdende oplegging van een geldboete wegens schending van artikel 101 VWEU met name de ondernemingen die adressaat zijn van dat besluit in staat stellen de daadwerkelijk door de Commissie in aanmerking genomen criteria voor de vaststelling van de geldboete te identificeren en te begrijpen, alsook na te gaan of deze criteria zijn toegepast overeenkomstig de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid.

337    Wat meer in het bijzonder de uitzonderlijke aanpassing van het basisbedrag van de geldboete betreft, zij eraan herinnerd dat volgens punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten „de bijzondere kenmerken van een gegeven zaak of de noodzaak om een bepaald afschrikkend niveau te bereiken, een afwijking van [de in de richtsnoeren uiteengezette algemene methode voor de vaststelling van geldboeten kunnen] rechtvaardigen”.

338    Wanneer de Commissie besluit om af te wijken van de in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten uiteengezette algemene methode, moet het boetebedrag dus des te nauwkeuriger worden gemotiveerd, aangezien punt 37 van de richtsnoeren zich beperkt tot een vage verwijzing naar de „bijzondere kenmerken van een gegeven zaak”, en bijgevolg een ruime beoordelingsmarge aan de Commissie laat om, zoals in casu, over te gaan tot een uitzonderlijke aanpassing van de basisbedragen van de aan de betrokken ondernemingen opgelegde geldboeten (zie arrest van 13 december 2016, Printeos e.a./Commissie, T‑95/15, EU:T:2016:722, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

339    Juist in dergelijke omstandigheden krijgt de verplichting om een juridisch bindende handeling te motiveren, die thans overeenkomt met het in artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest neergelegde grondrecht, de volledige juridische draagwijdte van een wettelijk vereiste dat de bescherming van het recht van eenieder op behoorlijk bestuur door de instellingen, organen of instanties van de Unie moet garanderen (zie in die zin arrest van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14).

340    Om de hoogte van de uitzonderlijke aanpassing van het basisbedrag van de geldboete vast te stellen, moet de Commissie in beginsel voor alle kartelleden dezelfde criteria en dezelfde berekeningsmethode toepassen en voor elk van hen de elementen waarop zij zich baseert, beoordelen met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling.

341    In het geval van een hybride procedure zoals die in casu aan de orde is, omvat de motiveringsplicht van de Commissie dus ook alle relevante elementen die vereist zijn om te kunnen beoordelen of de onderneming die een schikking heeft geweigerd, zich al dan niet in een vergelijkbare situatie bevond als haar concurrenten die adressaat waren van het schikkingsbesluit, en of een eventuele gelijke of ongelijke behandeling van deze situaties objectief gerechtvaardigd was (zie naar analogie arrest van 13 december 2016, Printeos e.a./Commissie, T‑95/15, EU:T:2016:722, punt 49).

342    In casu moet dus worden nagegaan of de motivering van het bestreden besluit rechtens voldoende inzicht biedt in de berekeningsmethode en de criteria die de Commissie heeft gehanteerd om de hoogte van voor verzoekster toegepaste correctie vast te stellen. Voorts moet aldus worden beoordeeld of deze uitzonderlijke correctie evenredig is en in overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling.

343    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling of non-discriminatie vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld en dat verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 14 mei 2014, Donau Chemie/Commissie, T‑406/09, EU:T:2014:254, punt 238). Het evenredigheidsbeginsel vereist dat de Commissie de geldboete vaststelt in verhouding tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking zijn genomen en dat zij daarbij deze factoren op samenhangende en objectief gerechtvaardigde wijze toepast (arresten van 5 oktober 2011, Romana Tabacchi/Commissie, T‑11/06, EU:T:2011:560, punt 105, en 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punt 161).

344    Hieruit volgt dat de Commissie het boetebedrag moet vaststellen zonder tussen de deelnemers aan éénzelfde kartel te discrimineren op het gebied van de gegevens en de berekeningsmethoden die niet worden beïnvloed door de eigen specifieke aspecten van de schikkingsprocedure, zoals de toepassing van 10 % vermindering bij schikking overeenkomstig punt 32 van de mededeling betreffende schikkingsprocedures (zie arrest van 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

2)      Motivering van de uitzonderlijke aanpassing van het bedrag van de geldboete in het bestreden besluit

345    In overweging 228 van het bestreden besluit, onder het opschrift „Bijstelling van het aangepaste basisbedrag”, heeft de Commissie allereerst eraan herinnerd dat zij in het schikkingsbesluit (overweging 104) voor alle ondernemingen die een schikking hadden aanvaard, de respectieve basisbedragen had aangepast om de volgende redenen. Ten eerste hadden de aangepaste basisbedragen het bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde wettelijke plafond van 10 % van de totale omzet overschreden. Ten tweede vertegenwoordigde „de waarde van de verkoop van producten die onder het kartel vielen” bij elk van deze ondernemingen een belangrijk deel van de totale omzet. Ten derde hadden de ondernemingen die voor een schikking hadden gekozen, in verschillende mate aan de inbreuk deelgenomen.

346    Vervolgens heeft de Commissie in overweging 229 van het bestreden besluit in wezen vastgesteld dat zij in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval en gelet op de noodzaak om het beginsel van gelijke behandeling te eerbiedigen, gebruik diende te maken van haar discretionaire bevoegdheid en ook ten aanzien van Pometon punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten diende toe te passen om de volgende redenen. Ten eerste overschreed het wegens verzachtende omstandigheden aangepaste basisbedrag van de geldboete het bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde wettelijke plafond van 10 % van de totale omzet. Ten tweede hadden Pometon en de andere kartelleden in verschillende mate aan de inbreuk deelgenomen. Ten derde moest de geldboete in verhouding staan tot de inbreuk van Pometon en voldoende afschrikkend zijn.

347    Uit het bestreden besluit blijkt dus dat de Commissie verzoekster krachtens punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten een specifieke vermindering heeft toegekend, zoals zij in het schikkingsbesluit voor de andere kartelleden had gedaan, op grond dat het aangepaste basisbedrag van de geldboete zowel in het geval van Pometon als in het geval van de andere kartelleden het wettelijke plafond van 10 % van de totale omzet van de betrokken onderneming overschreed.

348    Derhalve heeft de Commissie deze uitzonderlijke aanpassing duidelijk gemotiveerd met de noodzaak om overeenkomstig de rechtspraak rekening te houden met de verschillende individuele aansprakelijkheid van elke partij voor de karteldeelname (zie in die zin arrest van 16 juni 2011, Putters International/Commissie, T‑211/08, EU:T:2011:289, punt 75).

349    De overwegingen van het bestreden besluit geven daarentegen geen voldoende nauwkeurige aanwijzingen over de berekeningsmethode en de beoordelingscriteria die zijn gehanteerd om een onderscheid te maken tussen het aan verzoekster toegekende verminderingspercentage en de percentages die voor de andere kartelpartijen zijn toegepast op basis van de eigen aansprakelijkheid van elke onderneming. In overweging 229 van dit besluit heeft de Commissie immers hoofdzakelijk in algemene bewoordingen verwezen naar het bestaan van verschillen tussen de individuele deelname van Pometon en die van de andere kartelleden alsook naar de noodzaak een geldboete vast te stellen die in verhouding staat tot de inbreuk van deze onderneming en die ook voldoende afschrikkend is.

350    De enige concrete aanwijzingen in dit verband in de overwegingen 228 en 229 van het bestreden besluit zijn af te leiden uit het feit dat de Commissie voor de ondernemingen waarop het schikkingsbesluit betrekking heeft, als een van de redenen voor de uitzonderlijke aanpassing heeft vermeld dat de waarde van de specifieke verkoop een belangrijk deel van de totale omzet van elk van hen vertegenwoordigde. Deze factor is daarentegen niet vermeld als een van de redenen die de aan verzoekster toegekende vermindering rechtvaardigen.

351    Het enkele feit dat deze factor niet wordt vermeld in het geval van verzoekster verklaart echter niet het verschil tussen het verminderingspercentage dat aan haar is toegekend en de verminderingen die de andere kartelleden hebben gekregen.

352    Noch uit de inhoud van het bestreden besluit, noch uit die van het schikkingsbesluit blijkt immers dat de Commissie zich, zoals zij ter terechtzitting heeft gepreciseerd, voornamelijk heeft gebaseerd op de verhouding tussen de waarde van de specifieke wereldwijde verkoop van elk van de betrokken ondernemingen en haar totale omzet tijdens het laatste volledige jaar van haar deelname aan de inbreuk.

353    Dienaangaande is overweging 228 van het bestreden besluit, volgens welke de „waarde van de verkoop van de producten die onder het kartel vielen, een groot deel [van de] totale omzet [van de adressaten van het schikkingsbesluit] vertegenwoordigde” (zie punt 345 hierboven), op zijn minst dubbelzinnig geformuleerd.

354    Bij gebreke van enige uitleg lijkt een dergelijke formulering in de context van het bestreden besluit en het schikkingsbesluit te verwijzen naar de waarde van de specifieke verkoop van elk van de adressaten van het schikkingsbesluit in de hele EER, die overeenstemt met de geografische reikwijdte van het kartel. Deze besluiten vermelden immers nergens de waarde van de specifieke verkoop van de betrokken ondernemingen op wereldniveau, die overigens hun individuele deelname aan het kartel, zoals die wordt omschreven in overweging 229 van het bestreden besluit (zie punt 346 hierboven), niet weerspiegelt.

355    Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de Commissie, zoals zijzelf ter terechtzitting heeft aangevoerd, met het oog op de coherentie bij de vaststelling van de verhouding tussen de specifieke en de totale omzet van de betrokken ondernemingen, ook hun wereldwijde specifieke verkoop, veeleer dan die in de EER, in aanmerking heeft genomen. In de hierboven in de punten 353 en 354 omschreven context volstaat de verwijzing in overweging 228 van dit besluit (zie punt 345 hierboven) naar de totale omzet van de adressaten van het schikkingsbesluit niet om duidelijk te maken dat deze instelling zich op het percentage van de totale specifieke verkoop van elk van die ondernemingen heeft gebaseerd.

356    Bovendien heeft de Commissie in haar memorie van dupliek zelf erkend dat het juiste percentage voor verzoekster 23,7 % was en niet 21 %, hetgeen wel degelijk overeenstemde met de verhouding tussen de specifieke verkoop van Pometon in de EER (overweging 210 van het bestreden besluit) en haar totale omzet in 2006. Pas ter terechtzitting heeft zij verduidelijkt dat zij zich in werkelijkheid heeft gebaseerd op de verhouding tussen de waarde van de specifieke wereldwijde verkoop van elk van de betrokken ondernemingen tijdens het laatste volledige jaar van haar deelname aan het kartel en haar totale omzet (zie punten 321 en 322 hierboven).

357    Voorts merkt verzoekster terecht op dat uit de motivering van het bestreden besluit evenmin kan worden afgeleid volgens welke methode de Commissie de aanpassingen heeft berekend, op basis waarvan had kunnen worden beoordeeld of de haar toegekende vermindering in overeenstemming was met de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling.

358    Uit dit besluit kan immers helemaal niet worden opgemaakt dat de verhouding tussen de totale specifieke verkoop en de totale omzet van de betrokken onderneming, ondanks het feit dat deze factor niet is vermeld, in aanmerking is genomen voor de berekening van de correctie die aan verzoekster is toegekend om de evenredigheid van de geldboete te waarborgen, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft verduidelijkt (zie punt 375 hierna). In het bijzonder blijkt noch uit dit besluit noch overigens uit het schikkingsbesluit dat de Commissie zich voor alle ondernemingen die aan de inbreuk hadden deelgenomen, op deze verhouding heeft gebaseerd en deze heeft aangepast door, naargelang van het geval, een extra vermindering toe te kennen of een verhoging op te leggen, zoals zij voor het Gerecht heeft uitgelegd.

359    Ten slotte blijkt uit het bestreden besluit niet dat de Commissie, om ondernemingen met geconcentreerde activiteiten niet buitensporig te bevoordelen, deze verhouding heeft aangepast op basis van de drie criteria die in de ter terechtzitting overgelegde tabel zijn vermeld en die betrekking hebben op de diversificatie van verzoeksters verkoop, haar „kleine omvang” en de „beperkte rol” die zij in het tweede onderdeel van de mededingingsregeling heeft gespeeld.

360    Alleen dat derde criterium, betreffende de individuele aansprakelijkheid van verzoekster voor de inbreuk in vergelijking met die van de andere kartelleden, wordt namelijk vermeld in overweging 228 van het bestreden besluit. Uit de motivering van dit besluit blijkt daarentegen geen enkel ander beoordelingselement dat de Commissie in aanmerking zou hebben genomen voor de vaststelling van het bedrag van de uitzonderlijke correctie die ten aanzien van verzoekster is verricht om te waarborgen dat de haar opgelegde geldboete evenredig zou zijn met die welke aan de andere ondernemingen zijn opgelegd.

361    Uit het voorgaande volgt dus dat op basis van de motivering in de overwegingen 228 en 229 van het bestreden besluit niet kan worden beoordeeld of verzoekster en de andere betrokken ondernemingen zich, gelet op de door de Commissie gehanteerde berekeningsmethode en criteria, in een vergelijkbare of een verschillende situatie bevonden, en of deze instelling verzoekster gelijk of verschillend heeft behandeld.

362    Aangezien de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld, kan de ontoereikende motivering van het bestreden besluit niet worden geregulariseerd door de uitleg die de Commissie tijdens de procedure voor het Gerecht heeft verstrekt met betrekking tot de berekeningsmethode en de criteria die zij in casu heeft gehanteerd (zie in die zin arrest van 13 december 2016, Printeos e.a./Commissie, T‑95/15, EU:T:2016:722, punt 46 aldaar aangehaalde rechtspraak).

363    Gelet op al deze overwegingen moet worden vastgesteld dat de uitzonderlijke vermindering die in het bestreden besluit op grond van punt 37 van de richtsnoeren aan verzoekster is toegekend, ontoereikend is gemotiveerd.

364    De derde vordering dient dus te worden toegewezen, voor zover zij strekt tot intrekking van de geldboete, en artikel 2 van het bestreden besluit dient bijgevolg nietig te worden verklaard.

c)      Verzoek tot herziening van het bedrag van de geldboete

365    Opgemerkt zij dat het Gerecht, ondanks de nietigverklaring van artikel 2 van het bestreden besluit wegens ontoereikende motivering, zijn bevoegdheid niet verliest om zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen, aangezien verzoekster ook herziening van het bedrag van de geldboete heeft gevorderd.

366    Gelet op de uitleg die de Commissie in haar memories heeft verstrekt en in het bijzonder op de informatie in de tabel betreffende de respectieve aanpassingen van de basisbedragen van de geldboeten die de Commissie op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten heeft doorgevoerd voor verzoekster en de vier adressaten van het schikkingsbesluit, weet het Gerecht welke berekeningsmethode en criteria deze instelling zowel in het bestreden besluit als in het schikkingsbesluit heeft gehanteerd, en kan het derhalve in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht beoordelen of deze passend zijn (zie punten 376 en 377 hierna).

367    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, wanneer de Unierechter zijn volledige rechtsmacht uitoefent, hij niet alleen bevoegd is om louter de rechtmatigheid van de sanctie te toetsen, maar ook om zijn eigen beoordeling ter bepaling van de hoogte van die sanctie in de plaats te stellen van die van de Commissie, die de handeling heeft verricht waarbij de hoogte van de sanctie aanvankelijk is vastgesteld. Daarbij kan het echter de bepalende kenmerken van de inbreuk die door de Commissie op rechtmatige wijze is vastgesteld in het aan het Gerecht voorgelegde besluit, niet wijzigen (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punten 75‑77).

368    Bijgevolg kan de Unierechter de bestreden handeling herzien, overigens zelfs zonder deze nietig te verklaren, om de opgelegde geldboete in te trekken, te verlagen of te verhogen, waardoor de bevoegdheid om sancties op te leggen definitief op hem overgaat (zie in die zin arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, gevoegde zaken C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punten 692 en 693; 26 september 2013, Alliance One International/Commissie, C‑679/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:606, punt 104, en 22 oktober 2015, AC‑Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 74).

369    In casu moet het Gerecht dus, in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, in het licht van de vaststellingen van de Commissie over verzoeksters deelname aan de betrokken ene enkele voortdurende inbreuk, die zijn bevestigd in het kader van het onderzoek van de eerste vier middelen die ter ondersteuning van het onderhavige beroep zijn aangevoerd, het passende bedrag van de uitzonderlijke aanpassing van het basisbedrag van de geldboete vaststellen, rekening houdend met alle omstandigheden van het onderhavige geval (zie in die zin arrest van 26 september 2013, Alliance One International/Commissie, C‑679/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:606, punt 104, en 16 juni 2011, Putters International/Commissie, T‑211/08, EU:T:2011:289, punt 75).

370    Bij die vaststelling moet volgens artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 rekening worden gehouden met de ernst en de duur van de door verzoekster gepleegde inbreuk, met inachtneming van met name het evenredigheidsbeginsel, het beginsel dat sancties individueel zijn en het gelijkheidsbeginsel, zonder dat het Gerecht gebonden is aan de door de Commissie in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten geformuleerde indicatieve regels (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarvan deze instelling overigens zelf al terecht is afgeweken in het bestreden besluit op grond van punt 37 van deze richtsnoeren (zie punt 348 hierboven), noch aan de door deze instelling in het schikkingsbesluit gehanteerde berekeningsmethode.

371    Voor zover het plafond van 10 % van de totale omzet van de betrokken onderneming in het voorafgaande boekjaar niet wordt overschreden, wordt de beoordelingsbevoegdheid van het Gerecht dus uitsluitend beperkt door de criteria inzake de ernst en de duur van de inbreuk van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003, dat een ruime beoordelingsmarge verleent aan de bevoegde autoriteit, uiteraard onder voorbehoud van inachtneming van de hierboven in punt 370 in herinnering gebrachte beginselen.

372    In het kader van zijn motiveringsplicht dient het Gerecht gedetailleerd uiteen te zetten met welke factoren het rekening houdt bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete (zie in die zin arrest van 14 september 2016, Trafilerie Meridionali/Commissie, C‑519/15 P, EU:C:2016:682, punt 52).

373    Met betrekking tot het criterium inzake de duur van verzoeksters deelname aan de ene enkele voortdurende inbreuk die hier aan de orde is, moet worden opgemerkt dat dit reeds overeenkomstig punt 24 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten naar behoren in aanmerking is genomen bij de vaststelling door de Commissie van het – door verzoekster niet betwiste – basisbedrag van de geldboete, waarbij elk extra jaar van deelname aan de inbreuk voor elke kartelpartij heeft geleid tot een verhoging van dit basisbedrag met 100 %.

374    Wat vervolgens de toepassing van het wettelijke criterium van de ernst van de inbreuk betreft (zie punt 371 hierboven), is het vaste rechtspraak dat de bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht geen nauwkeurige wiskundige operatie is (arresten van 5 oktober 2011, Romana Tabacchi/Commissie, T‑11/06, EU:T:2011:560, punt 266, en 15 juli 2015, SLM en Ori Martin/Commissie, gevoegde zaken T‑389/10 en T‑419/10, EU:T:2015:513, punt 436).

375    Niettemin moet het Gerecht uitmaken hoeveel het basisbedrag van de geldboete moet worden aangepast om, in het licht van de criteria die het passend acht, evenredig te zijn aan de ernst van de door verzoekster gepleegde inbreuk en ook voldoende afschrikkend te zijn.

376    In casu acht het Gerecht het passend om in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht eerst de individuele aansprakelijkheid van Pometon voor haar deelname aan het betreffende kartel, vervolgens haar vermogen om door haar inbreukmakend gedrag de mededinging op de staalgritmarkt te verstoren en ten slotte haar omvang in aanmerking te nemen, en voor elk van deze verschillende factoren de individuele aansprakelijkheid en situatie van verzoekster te vergelijken met die van de andere kartelleden.

377    In de omstandigheden van het onderhavige geval kan namelijk op basis van deze factoren, die overigens gedeeltelijk overeenstemmen met die welke de Commissie in aanmerking heeft genomen (zie punt 325 hierboven), de ernst van de inbreuk van elke partij bij het kartel beter worden vastgesteld dan op basis van de factor die de Commissie uiteindelijk in aanmerking heeft genomen, te weten de verhouding tussen de waarde van de specifieke wereldwijde verkoop van de betrokken onderneming en haar totale omzet tijdens het referentiejaar, ook al is deze verhouding door de Commissie aangepast om de ondernemingen met een bijzonder geconcentreerde wereldwijde verkoop niet „buitensporig te bevoordelen” (zie punten 322 en 323 hierboven).

378    Wat ten eerste de factor van de individuele aansprakelijkheid van Pometon voor haar deelname aan het betreffende kartel betreft, staat vast dat verzoekster een belangrijke rol heeft gespeeld bij het eerste onderdeel van het kartel, in het bijzonder bij het ontwerp en de invoering van de schroottoeslag, die automatisch van toepassing was, zoals het Gerecht hierboven in de punten 129, 130 en 160 heeft vastgesteld.

379    Pometon heeft echter slechts sporadisch aan het tweede onderdeel van het kartel deelgenomen, zoals de Commissie overigens ook heeft erkend en zoals hierboven in punt 175 is opgemerkt.

380    Door deze occasionele deelname verschilt het inbreukmakende gedrag van verzoekster van dat van Ervin en Winoa, waaraan de Commissie in overweging 36 van het schikkingsbesluit „frequentere” mededingingsbeperkende contacten „dan die van de drie andere partijen” bij het kartel ten laste heeft gelegd, meer bepaald op het vlak van de coördinatie ten opzichte van individuele afnemers. Bovendien kan op basis van de beoordelingen in deze overweging betreffende de andere adressaten van dit besluit ook worden vastgesteld dat verzoeksters deelname aan de coördinatie ten opzichte van individuele afnemers vergelijkbaar was met die van MTS, waaraan de Commissie ook slechts occasionele contacten ten laste legt, maar dat zij groter was dan die van Würth, aangezien de Commissie veel minder bewijs heeft van de deelname van Würth aan mededingingsbeperkende contacten.

381    Daarnaast zijn partijen het erover eens dat verzoekster, anders dan de vier andere kartelleden, niet betrokken was bij de overeenkomst over de energietoeslag, die de Commissie daarentegen in aanmerking heeft genomen voor de vaststelling van het bedrag van de aan de adressaten van het schikkingsbesluit opgelegde geldboeten, zoals blijkt uit de overwegingen 51 en 52 van dit besluit.

382    Gelet op een en ander moet in casu rekening worden gehouden met het feit dat verzoekster, anders dan Ervin en Winoa, maar net zoals MTS en Würth, globaal genomen een beperktere rol in het kartel heeft gespeeld, zoals de Commissie overigens heeft opgemerkt in de tabel die zij ter terechtzitting heeft overgelegd.

383    Wat ten tweede de factor van de concrete invloed van het inbreukmakende gedrag van Pometon op de prijsconcurrentie betreft en, daarmee samenhangend, het voordeel dat deze onderneming dankzij de uit de inbreuk voortvloeiende mededingingsbeperking heeft behaald, moet rekening worden gehouden met de waarde van haar specifieke verkoop in de EER (23 686 000 EUR), in vergelijking met die van Ervin (13 974 000 EUR), Winoa (101 470 000 EUR), MTS (20 978 000 EUR) en Würth (3 603 000 EUR), tijdens het laatste volledige jaar waarin elk van deze ondernemingen aan de inbreuk heeft deelgenomen.

384    Aangezien de ene enkele voortdurende inbreuk die hier aan de orde is de hele EER bestreek (zie punten 265 en 266 hierboven), biedt de waarde van de specifieke verkoop van de betrokken onderneming op dit grondgebied de mogelijkheid alleen rekening te houden met de verkoop van deze onderneming op de relevante markt waarop de inbreuk betrekking heeft, en worden het economische gewicht van deze onderneming in het kader van de inbreuk en de schade die zij aan de mededinging heeft toegebracht, dus beter weergegeven door deze waarde dan door de waarde van haar specifieke wereldwijde verkoop, die ook verkopen omvat die niet rechtstreeks verband houden met de inbreuk.

385    Aangezien het door de Commissie in aanmerking genomen percentage van de totale specifieke verkoop van Pometon in 2009 niet relevant is voor de toepassing van de door het Gerecht in aanmerking genomen criteria (zie punt 376 hierboven), hoeft niet te worden nagegaan of het door verzoekster betwiste percentage van 21 % dat is vermeld in de door de Commissie overgelegde tabel en waarop deze instelling zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd, juist is (zie punten 319 en 323 hierboven).

386    In casu blijkt uit de hierboven in punt 383 vermelde vergelijking van de waarde van de specifieke verkoop in de EER van elk van de vijf ondernemingen die aan het kartel hebben deelgenomen, dat het gewicht van Pometon in de inbreuk op basis van dit criterium vier keer kleiner is dan dat van Winoa, maar vrij dicht bij dat van MTS ligt en ruim boven dat van Ervin en Würth.

387    Het is volledig gerechtvaardigd om deze factor in aanmerking te nemen voor het eerste onderdeel van het kartel, waarbij verzoekster een belangrijke rol heeft gespeeld. Voor het tweede onderdeel van het kartel dient deze factor echter minder door te wegen, om rekening te houden met het feit dat verzoekster dit onderdeel slechts sporadisch heeft uitgevoerd en dus een beperktere rol heeft gespeeld in het kartel dan Ervin of Winoa, zoals reeds hierboven in punt 382 is opgemerkt.

388    Ten derde moet billijkheidshalve en met het oog op de afschrikkende werking van de geldboete ook rekening worden gehouden met de respectieve omvang van de betrokken ondernemingen zoals die tot uiting komt in hun totale omzet, die overeenkomstig de rechtspraak een – zij het approximatieve en onvolkomen – aanwijzing vormt voor de omvang en de relatieve economische macht van elk van deze ondernemingen (zie in die zin arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C‑101/15 P, EU:C:2016:631, punt 17).

389    Aangezien verzoekster de staalgritmarkt in mei 2007 heeft verlaten door haar activiteit in deze sector aan Winoa te verkopen, moet de totale omzet van verzoekster in 2006 worden vergeleken met die van de andere kartelleden in 2009, aangezien de totale omzet van elk van deze vijf ondernemingen tijdens het laatste volledige jaar van hun deelname aan de inbreuk een juist beeld geeft van hun economische situatie tijdens de periode waarin de inbreuk is gepleegd.

390    In casu blijkt uit de gegevens die de Commissie naar aanleiding van een maatregel van instructie heeft verstrekt (zie punt 25 hierboven) alsook uit de door deze instelling ter terechtzitting overgelegde tabel dat de omzet van Pometon in 2006 (99 890 000 EUR) nog geen derde bedroeg van die van Winoa (311 138 000 EUR), maar veel hoger was dan die van Ervin (70 590 766 EUR), MTS (25 082 293 EUR) en Würth (11 760 787 EUR) in 2009.

391    Ten vierde blijkt uit de vergelijking van de situatie van verzoekster met die van de adressaten van het schikkingsbesluit op basis van deze verschillende factoren om te beginnen dat Ervin en Winoa, die een belangrijke rol hebben gespeeld in het kartel, een uitzonderlijke vermindering van 75 % hebben gekregen, terwijl MTS en Würth, die net zoals verzoekster een beperkte rol in het kartel hebben gespeeld, een vermindering van respectievelijk 90 % en 67 % hebben gekregen, waarbij de aanzienlijke vermindering voor MTS in het bijzonder valt te verklaren door de door de Commissie in aanmerking genomen concentratie van haar activiteit (zie punten 322 en 377 hierboven). Uit de door de Commissie overgelegde tabel blijkt overigens dat de drie ondernemingen waarvan de verkoop zeer weinig gediversifieerd was, namelijk MTS, Ervin en Winoa, om die reden aanzienlijke grotere verminderingen hebben gekregen dan Pometon en Würth, waarvan de activiteiten gediversifieerd waren.

392    Aangezien de verschillende aanpassingspercentages die de Commissie voor de adressaten van het schikkingsbesluit heeft vastgesteld, voortvloeien uit het feit dat de Commissie bij haar berekeningsmethode overwegend rekening heeft gehouden met het percentage van de specifieke wereldwijde verkoop van elk van de betrokken ondernemingen, is de hoogte van deze aanpassingen in casu niet relevant en kan zij dus niet als referentiepunt dienen voor de vaststelling door het Gerecht van het bedrag van de correctie die op basis van de door het Gerecht in aanmerking genomen criteria voor verzoekster dient te worden vastgesteld (zie punten 376 en 377 hierboven).

393    Gelet op hetgeen hierboven in de punten 378 tot en met 392 is uiteengezet, vereist een billijke beoordeling van alle omstandigheden van de onderhavige zaak dat aan Pometon een uitzonderlijke vermindering wordt toegekend die 75 % bedraagt van het wegens verzachtende omstandigheden aangepaste basisbedrag van de geldboete, zoals dat in het bestreden besluit is vastgesteld (zie punt 19 hierboven).

394    Om al deze redenen wordt het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete vastgesteld op 3 873 375 EUR.

395    Ten slotte moet de vierde vordering van het beroep worden afgewezen, aangezien het Gerecht niet bevoegd is om de Commissie bevelen te geven.

396    Uit het voorgaande volgt dat ten eerste artikel 2 van het bestreden besluit nietig moet worden verklaard, ten tweede het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete moet worden vastgesteld op 3 873 375 EUR en ten derde het beroep moet worden verworpen voor het overige.

IV.    Kosten

397    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Volgens lid 3 van dat artikel dragen de partijen hun eigen kosten indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

398    Daar elke partij in casu ten dele in het ongelijk is gesteld, moeten zij elk in hun eigen kosten worden verwezen.

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

rechtdoende, verklaart:

1)      Artikel 2 van besluit C(2016) 3121 final van de Commissie van 25 mei 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39792 – Staalgrit voor staalstralen) wordt nietig verklaard.

2)      Het bedrag van de aan Pometon SpA opgelegde geldboete wordt vastgesteld op 3 873 375 EUR.

3)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4)      Elke partij zal haar eigen kosten dragen.

Frimodt Nielsen

Kreuschitz

Forrester

Półtorak

 

      Perillo

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 maart 2019.

ondertekeningen

Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding

A. Onderzoeksfase en inleiding van de procedure

B. Schikkingsprocedure en keuze van Pometon om zich uit deze procedure terug te trekken

C. Vaststelling van het bestreden besluit volgens de gewone procedure en de inhoud van dit besluit

II. Procedure en conclusies van partijen

III. In rechte

A. Eerste middel: niet-nakoming van de verplichting tot onpartijdigheid, schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, doordat de Commissie in het schikkingsbesluit bepaalde vermeende gedragingen van verzoekster in aanmerking had genomen, wat bepalend was voor de beoordelingen in het bestreden besluit

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Gerecht

a) Rechtskader van het onderhavige geschil wat betreft de belangrijkste aspecten van het schikkingsbesluit van de Commissie

b) Draagwijdte van de verplichting tot onpartijdigheid van de Commissie en van het beginsel van het vermoeden van onschuld, met name in het specifieke geval van een in de tijd gespreide hybride procedure

B. Tweede middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering en schending van de rechten van de verdediging en de regels inzake de bewijslast, doordat de Commissie verzoekster heeft verweten aan het kartel te hebben deelgenomen

1. Voorafgaande opmerkingen betreffende de bewijslast en de bewijsvoering

2. Eerste onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet deelgenomen aan het eerste onderdeel van het kartel, dat betrekking had op de berekeningswijze van de „schroottoeslag”

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Gerecht

1) Aanvankelijke rol van verzoekster bij de invoering van de schroottoeslag in 2003

2) Automatische toepassing van de schroottoeslag na 1 februari 2004

3) Contacten tussen verzoekster en de andere deelnemers aan het kartel vanaf 2004

4) Conclusie betreffende het bewijs van de deelname van verzoekster aan het eerste onderdeel van de mededingingsregeling

3. Tweede onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet deelgenomen aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling bestaande in coördinatie ten opzichte van individuele afnemers

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Gerecht

1) Voorafgaande opmerkingen over de strekking van het tweede onderdeel van het tweede middel

2) Onderzoek van de bewijzen betreffende de deelname van verzoekster aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling

i) De Spaanse markt

ii) De Belgische en de Franse markt

iii) De Duitse markt

iv) De Italiaanse markt

v) Conclusies betreffende het bewijs van de deelname van verzoekster aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling

4. Derde onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet aan één enkele voortdurende inbreuk deelgenomen

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Gerecht

1) Het in de rechtspraak ontwikkelde begrip „één enkele voortdurende inbreuk”

2) Deelname van verzoekster aan de ene enkele voortdurende inbreuk die de twee onderdelen van het kartel omvat

3) Deelname van verzoekster aan één enkele voortdurende inbreuk in de hele EER

C. Derde middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, doordat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat het kartel een mededingingsbeperkende strekking had

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Gerecht

D. Vierde middel: de duur van verzoeksters deelname aan de inbreuk en de verjaring

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Gerecht

E. Aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Gerecht

a) Ontvankelijkheid van de ter terechtzitting overgelegde tabel en het verzoek van de Commissie om vertrouwelijke behandeling

b) Vordering tot nietigverklaring van de geldboete wegens schending van de motiveringsplicht

1) Voorafgaande opmerkingen over de rechtspraak betreffende de motivering van de geldboeten

2) Motivering van de uitzonderlijke aanpassing van het bedrag van de geldboete in het bestreden besluit

c) Verzoek tot herziening van het bedrag van de geldboete

IV. Kosten


*      Procestaal: Italiaans.