ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

24 oktober 2019 (*)

„Beroep tot nietigverklaring – Institutioneel recht – Verplichting om de voor de werking van het EUIPO vereiste vertalingen toe te vertrouwen aan het CdT – Beëindiging van de voorziening tussen het CdT en het EUIPO – Bekendmaking van een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten – Exceptie van niet-ontvankelijkheid – Geen procesbelang – Gedeeltelijke afdoening zonder beslissing – Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑417/18,

Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT), vertegenwoordigd door J. Rikkert en M. Garnier als gemachtigden,

verzoeker,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door N. Bambara en D. Hanf als gemachtigden,

verweerder,

betreffende in de eerste plaats een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van ten eerste de brief van het EUIPO van 26 april 2018, voor zover het daarbij kennisgeeft van zijn voornemen om de in 2016 met het CdT getroffen voorziening over de voor de werking van het EUIPO vereiste vertaaldiensten niet te verlengen tot na 31 december 2018, ten tweede de brief van het EUIPO van 26 april 2018, voor zover deze instantie het CdT daarbij in kennis stelt van haar voornemen om uit voorzorg de nodige maatregelen te treffen teneinde te zorgen voor de continuïteit van de vertaaldiensten na 31 december 2018, met name door oproepen tot inschrijvingen bekend te maken, en ten derde het besluit van het EUIPO om een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten met het referentienummer 2018/S 114-258472 bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie, in de tweede plaats een verzoek om het EUIPO te verbieden overeenkomsten te ondertekenen naar aanleiding van deze oproep tot inschrijvingen, en in de derde plaats een verzoek dat ertoe strekt dat wordt verklaard dat het onrechtmatig is dat een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten wordt bekendgemaakt door een agentschap, een ander orgaan of een andere organisatie van de Europese Unie ten aanzien waarvan in een oprichtingsverordening is bepaald dat de vertaaldiensten door het CdT worden verricht,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, J. Schwarcz (rapporteur) en C. Iliopoulos, rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 mei 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT) is een organisatie die is opgericht bij verordening (EG) nr. 2965/94 van de Raad van 28 november 1994 (PB 1994, L 314, blz. 1). Zijn taak is het verrichten van vertaaldiensten ten behoeve van de in artikel 2, lid 1, eerste alinea, van deze verordening genoemde organisaties alsook van de instellingen en organen van de Unie als bedoeld in lid 3 van dat artikel.

2        In de tweede overweging van verordening nr. 2965/94 staat te lezen dat de oprichting van één enkel gespecialiseerd bureau dat de behoeften op vertaalgebied moet dekken van een aanzienlijk aantal over het grondgebied van de Unie verspreide organen, beantwoordt aan een streven naar rationaliteit.

3        Volgens artikel 2, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2965/94 verricht het CdT „de nodige vertaaldiensten” ten behoeve van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), thans het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) als bedoeld in verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1).

4        Voorts is in artikel 2, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2965/94 bepaald dat het CdT en de in de eerste alinea van dat lid genoemde organisaties – dus ook het EUIPO – „voorzieningen [treffen] voor de wijze van samenwerking”.

5        De Raad van de Europese Unie benadrukt in verklaring nr. 1 bij verordening nr. 2965/94 dat hij „het grootste belang [hecht] aan de correcte toepassing van de beginselen van efficiëntie en een goede verhouding tussen kosten en baten”.

6        In artikel 148 van verordening 2017/1001 is bepaald dat „[d]e voor de werking van het [EUIPO] vereiste vertalingen […] door het [CdT] [worden] verricht.” Dit artikel komt overeen met het oude artikel 121 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd.

7        Op 13 december 2016 hebben het CdT en het EUIPO een voorziening getroffen in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2965/94 (hierna: „voorziening van 2016”).

8        De voorziening van 2016 is in de plaats gekomen van een eerdere voorziening van 30 november 2015.

9        Artikel 11 van de voorziening van 2016 bevatte een specifieke procedure die moest worden gevolgd in geval van onenigheid tussen het CdT en het EUIPO.

10      In artikel 15 van de voorziening van 2016 was bepaald dat deze voorziening op 1 januari 2017 in werking zou treden en op 31 december van datzelfde jaar zou aflopen en dat die voorziening stilzwijgend met twaalf maanden zou worden verlengd op voorwaarde dat zij niet twee maanden vóór het aflopen ervan bij aangetekende brief van een van de partijen zou zijn beëindigd.

11      Op 26 april 2018 heeft het EUIPO het CdT een brief (hierna: „brief van 26 april 2018”) doen toekomen waarin het zijn ongenoegen uitte over de door het CdT verrichte diensten en de wijze waarop deze diensten werden gefactureerd. Daarnaast heeft het EUIPO te kennen gegeven dat het voornemens was de voorziening van 2016 te beëindigen en, indien geen overeenstemming zou kunnen worden bereikt over een nieuwe voorziening, een systeem op te zetten om de vertaaldienst te garanderen. In diezelfde brief stelde het EUIPO het CdT voor om zo spoedig mogelijk een vergadering te organiseren met als doel vóór het einde van 2018 een nieuwe voorziening te treffen. Om de datum van deze vergadering vast te stellen, zijn over en weer nog verschillende andere brieven verzonden.

12      Op 16 juni 2018 heeft het EUIPO in het Supplement op het Publicatieblad een aankondiging van een opdracht voor het verrichten van vertaaldiensten (2018/S 114‑258472) (hierna: „aankondiging van de opdracht”) bekendgemaakt, waarvan een oproep tot inschrijvingen deel uitmaakte (hierna: „oproep tot inschrijvingen”).

13      In punt I.3 van de aankondiging van de opdracht werd verwezen naar de website waar de aanbestedingsstukken beschikbaar waren en in punt II.1.1 werd het referentienummer AO/010/18 vermeld.

14      Volgens punt II.1.4 van de aankondiging van de opdracht „[omvatte de] oproep tot inschrijvingen […] het verwerven van vertaaldiensten met betrekking tot handelsmerken van de Europese Unie, ingeschreven gemeenschapsmodellen en algemene administratieve documenten”.

15      Volgens de punten II.2.6 en II.2.7 van de aankondiging van de opdracht had de opdracht een geraamde waarde, exclusief belasting over de toegevoegde waarde (btw), van 40,8 miljoen EUR en een initiële looptijd van 48 maanden.

16      Volgens punt IV.2.2 van de aankondiging van de opdracht was de uiterste datum voor de indiening van inschrijvingen 23 juli 2018.

 Procedure en conclusies van partijen

17      Bij op 6 juli 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft het CdT het onderhavige beroep ingesteld.

18      Het CdT verzoekt het Gerecht:

–        het besluit van het EUIPO van 26 april 2018 waarbij de voorziening van 2016 is beëindigd, nietig te verklaren;

–        het besluit van het EUIPO van 26 april 2018 om „zich het recht toe te eigenen alle noodzakelijke voorbereidingen te treffen teneinde te zorgen voor de continuïteit van zijn vertaaldiensten, met name door de bekendmaking van oproepen tot inschrijvingen”, nietig te verklaren;

–        het besluit van het EUIPO om de oproep tot inschrijvingen bekend te maken, nietig te verklaren;

–        een verbod op te leggen aan het EUIPO om overeenkomsten te ondertekenen naar aanleiding van de oproep tot inschrijvingen;

–        te verklaren dat het onrechtmatig is dat een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten wordt bekendgemaakt door een agentschap, een ander orgaan of een andere organisatie van de Unie ten aanzien waarvan in de oprichtingsverordening is bepaald dat de vertaaldiensten door het CdT worden verricht;

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten.

19      Bij op 9 juli 2018 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft het CdT een verzoek in kort geding ingediend. Het EUIPO heeft op 17 juli 2018 opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.

20      Bij beschikking van 20 juli 2018, CdT/EUIPO (T‑417/18 R, niet gepubliceerd, EU:T:2018:502), heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

21      Bij op 19 september 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft het EUIPO overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.

22      In de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt het EUIPO het Gerecht:

–        het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren;

–        het CdT te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en in de kosten van het kort geding.

23      Bij op 5 november 2018 neergelegde akte heeft het CdT zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.

24      In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt het CdT het Gerecht:

–        de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;

–        alle conclusies en verzoeken van het EUIPO te verwerpen;

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten;

–        al het andere te gelasten wat rechtens noodzakelijk is.

25      Op 22 januari 2019 heeft het Gerecht (Vierde kamer), op voorstel van de rechter-rapporteur, bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering partijen een schriftelijke vraag gesteld. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

26      Het Gerecht (Vierde kamer) heeft overeenkomstig artikel 130, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering besloten om over te gaan tot de mondelinge behandeling, die beperkt is tot de ontvankelijkheid van het beroep.

27      Partijen zijn ter terechtzitting van 22 mei 2019 gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht. Op verzoek van het Gerecht ter terechtzitting is het EUIPO op 23 mei 2019 overgegaan tot de overlegging van de nieuwe voorziening met het CdT, die op 7 december 2018 is ondertekend en die is getroffen voor de jaren 2019 en 2020 (hierna: „voorziening van 2018”). De mondelinge behandeling is op 3 juni 2019 gesloten.

 In rechte

28      In het verzoekschrift stelt het CdT in wezen dat het EUIPO de artikelen 2 en 11 van verordening nr. 2965/94, artikel 148 van verordening 2017/1001 en artikel 11 van de voorziening van 2016 heeft geschonden.

29      In zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt het EUIPO overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dat het Gerecht uitspraak doet over de niet-ontvankelijkheid en de onbevoegdheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. In de eerste plaats is het EUIPO van mening dat tegen de door het CdT bestreden handelingen – te weten de brief van 26 april 2018 en de aankondiging van de opdracht – geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU, omdat het gaat om voorbereidende handelingen die geen besluiten zijn en die het CdT niet rechtstreeks raken. Daarnaast vloeit de niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift volgens het EUIPO tevens voort uit de ontoereikendheid van de door het CdT aangevoerde juridische argumenten. In de tweede plaats stelt het EUIPO met betrekking tot de onbevoegdheid van het Gerecht dat de brief van 26 april 2018, die is opgesteld op basis van artikel 15 van de voorziening van 2016, deel uitmaakt van een zuiver contractuele context en niet behoort tot de in artikel 288 VWEU bedoelde rechtshandelingen van de Unie waarvan nietigverklaring kan worden gevorderd krachtens artikel 263 VWEU.

 Regelmatigheid van de neerlegging van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het EUIPO

30      Het CdT geeft in de preambule van zijn opmerkingen over de door het EUIPO ingediende exceptie van niet-ontvankelijkheid te kennen dat het zich voor de ontvankelijkheid van deze exceptie in zuivere vorm verlaat op de wijsheid van het Gerecht.

31      Gesteld al dat het CdT aldus de regelmatigheid van de exceptie van niet-ontvankelijkheid wil betwisten, dient in dit verband te worden gewezen op het feit dat het CdT geen enkel argument aanvoert ter staving van een dergelijke onregelmatigheid.

 Bevoegdheid van het Gerecht om over het onderhavige beroep uitspraak te doen

32      Volgens het EUIPO bevat de voorziening van 2016 geen arbitragebeding waarbij aan de Unierechter de bevoegdheid is toegekend om uitspraak te doen in geval van een geschil over die voorziening, ook al zou het mogelijk zijn geweest een dergelijk beding op te nemen op grond van artikel 118, lid 2, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 145, lid 2, van verordening 2017/1001), dat van toepassing was toen de voorziening van 2016 werd getroffen. Het EUIPO benadrukt dat artikel 118, lid 2, van verordening nr. 207/2009 de concrete toepassing is van de algemene bepaling van artikel 272 VWEU. Volgens het EUIPO kan de Unierechter zich dan ook niet bevoegd achten om zuiver contractuele handelingen nietig te verklaren. Het EUIPO baseert zich in dit verband op het arrest van 27 september 2012, Applied Microengineering/Commissie (T‑387/09, EU:T:2012:501, punt 37).

33      Het CdT is van mening dat het beroep ontvankelijk is omdat het betrekking heeft op de brief van 26 april 2018, aangezien zijn relatie met het EUIPO geen deel uitmaakt van een zuiver contractuele context, maar er juist sprake is van een interinstitutionele betrekking waarop verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001 van toepassing zijn. De voorziening van 2016 heeft enkel tot doel de beginselen van deze verordeningen concreet ten uitvoer te leggen.

34      In dit verband moet worden nagegaan of het onderhavige beroep, zoals het EUIPO stelt, deel uitmaakt van een zuiver contractuele context waarvoor het Gerecht niet bevoegd is.

35      Immers, hoewel de Unierechter overeenkomstig artikel 263 VWEU alleen de wettigheid nagaat van door de instellingen vastgestelde handelingen die beogen bindende rechtsgevolgen jegens derden te sorteren door hun rechtspositie aanmerkelijk te wijzigen (arrest van 17 juni 2010, CEVA/Commissie, T‑428/07 en T‑455/07, EU:T:2010:240, punt 51), geldt deze bevoegdheid slechts ten aanzien van de in artikel 288 VWEU bedoelde handelingen die deze instellingen onder de in het Verdrag vastgestelde voorwaarden verrichten met gebruikmaking van hun prerogatieven als openbaar gezag (zie in die zin beschikkingen van 10 mei 2004, Musée Grévin/Commissie, T‑314/03 en T‑378/03, EU:T:2004:139, punten 62, 63 en 81, en 26 februari 2007, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑205/05, niet gepubliceerd, EU:T:2007:59, punt 39). De handelingen die de instellingen hebben verricht in een zuiver contractuele context waarmee deze handelingen onlosmakelijk verbonden zijn, behoren daarentegen naar hun aard niet tot de in artikel 288 VWEU bedoelde handelingen waarvan overeenkomstig artikel 263 VWEU nietigverklaring kan worden gevorderd (beschikking van 10 mei 2004, Musée Grévin/Commissie, T‑314/03 en T‑378/03, EU:T:2004:139, punt 64, en arrest van 17 juni 2010, CEVA/Commissie, T‑428/07 en T‑455/07, EU:T:2010:240, punt 52).

36      Zoals het EUIPO ter terechtzitting heeft erkend, is de voorziening van 2016 in casu vastgesteld op de grondslag van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2965/94. Die voorziening, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar deze verordening, houdt verband met die bepaling en met artikel 148 van verordening 2017/1001.

37      Overeenkomstig deze laatste twee bepalingen worden de voor de werking van het EUIPO vereiste vertalingen door het CdT verricht in de context van een voorziening waarin de wijze van samenwerking is vastgelegd.

38      Voorts zij erop gewezen dat in verordening nr. 2965/94 een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de in artikel 2, leden 1 en 2, van deze verordening bedoelde „voorzieningen” die het CdT treft met de in die bepaling genoemde organisaties, organen of instellingen en waarin de wijze van samenwerking wordt vastgesteld, en anderzijds eenvoudige contractuele betrekkingen die nader worden geregeld in een afzonderlijke bepaling van verordening nr. 2965/94, namelijk artikel 18, lid 1. In laatstgenoemde bepaling staat enkel te lezen dat de contractuele aansprakelijkheid van het CdT wordt beheerst door het op de betreffende overeenkomst van toepassing zijnde recht en dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om uitspraak te doen wanneer een door het CdT gesloten overeenkomst een arbitragebeding bevat. Opgemerkt dient te worden dat die bepaling verwijst naar door het CdT gesloten overeenkomsten, terwijl artikel 2 van verordening nr. 2965/94 ziet op met het CdT getroffen voorzieningen.

39      Ten slotte heeft het EUIPO in zijn brief van 26 april 2018 weliswaar kennisgegeven van zijn voornemen om de voorziening van 2016 niet overeenkomstig artikel 15 van deze voorziening te verlengen voor het volgende jaar (zie punt 10 hierboven), maar dient te worden vastgesteld dat deze omstandigheid geenszins afdoet aan de op het EUIPO rustende verplichting om verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001 na te leven, zodat de omstandigheden van het onderhavige geval niet kunnen worden geacht zuiver contractueel te zijn. In dit verband zij opgemerkt dat het EUIPO ter terechtzitting in wezen heeft erkend dat verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001 een verplichting voor het EUIPO en het CdT bevatten om een voorziening te treffen over de wijze van samenwerking. Het EUIPO stelt zich in wezen dus op het standpunt dat het slechts in bepaalde uitzonderlijke en dringende situaties tijdelijk zelf de vertaaldienst kan verrichten totdat de Europese Commissie uitspraak heeft gedaan over geschillen tussen het EUIPO en het CdT.

40      Derhalve kan het onderhavige geschil niet worden geacht deel uit te maken van een zuiver contractuele context. Bijgevolg is het Gerecht bevoegd om uitspraak te doen op het onderhavige beroep.

 Ontvankelijkheid van het beroep tegen de brief van 26 april 2018, voor zover het EUIPO daarin kennisgeeft van zijn voornemen om de voorziening van 2016 niet te verlengen tot na 31 december 2018

41      Het EUIPO stelt dat de brief van 26 april 2018 geen handeling is waarmee rechtsgevolgen worden beoogd in de zin van artikel 263, vierde en vijfde alinea, VWEU. Indien werd uitgegaan van de zogeheten onrechtmatigheid van die brief, zou artikel 15 van de voorziening van 2016 betekenisloos worden. Het EUIPO onderstreept dat het CdT tegen dit artikel geen exceptie van onwettigheid heeft opgeworpen in het licht van artikel 148 van verordening 2017/1001. Bovendien is de brief van 26 april 2018 slechts een voorbereidende handeling. Volgens het EUIPO zijn de gevolgen van deze brief toekomstig en onzeker, zelfs indien die brief zou worden beschouwd als een handeling waarmee wordt beoogd rechtsgevolgen teweeg te brengen en hij zou worden aangemerkt als een besluit ten aanzien van het CdT.

42      Het CdT voert aan dat de brief van 26 april 2018, waarvan de bewoordingen duidelijk en ondubbelzinnig zijn, geen louter voorbereidende handeling is, maar de stellige en definitieve kennisgeving is van een breuk tussen de twee partijen. Bijgevolg worden zij beide rechtstreeks geraakt door dit besluit, dat een handeling is waartegen beroep kan worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU. Volgens het CdT zijn de gevolgen van de brief van 26 april 2018 geenszins toekomstig en onzeker, aangezien het EUIPO heeft vastgesteld met ingang van welke datum de voorziening van 2016 zou worden beëindigd. De ondertekening van een nieuwe voorziening is evenwel hypothetisch en onzeker. Het feit dat de voorziening van 2016 niet is verlengd en het feit dat de oproep tot inschrijvingen is bekendgemaakt, vormen namelijk een geheel van onderling overeenstemmende aanwijzingen waaruit blijkt dat het EUIPO bereid is om diezelfde voorziening te beëindigen met het oog op het stopzetten van de samenwerking met het CdT, en om dus vanaf 1 januari 2019 de overeenkomsten betreffende het verrichten van vertaaldiensten ten uitvoer te leggen. Doordat het EUIPO de samenwerking met het CdT heeft beëindigd, heeft het bovendien misbruik gemaakt van artikel 15 van de voorziening van 2016 door te handelen in strijd met verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001.

43      Zoals reeds is opgemerkt, zijn als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU, maatregelen te beschouwen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij zijn rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9, en 16 juli 1998, Regione Toscana/Commissie, T‑81/97, EU:T:1998:180, punt 21).

44      In het bijzonder zijn handelingen of besluiten die in verschillende fasen worden opgesteld, met name wanneer zij de afsluiting van een interne procedure vormen, in beginsel slechts voor beroep vatbare handelingen wanneer het gaat om maatregelen die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen. Hiertoe behoren niet de voorlopige maatregelen ter voorbereiding van het definitieve besluit (arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 10, en 10 juli 1990, Automec/Commissie, T‑64/89, EU:T:1990:42, punt 42).

45      Bovendien is het vaste rechtspraak dat een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring alleen ontvankelijk is indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang onderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en dat de uitkomst van het beroep dus een voordeel kan opleveren voor de partij die dat beroep heeft ingesteld (arresten van 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina, C‑519/07 P, EU:C:2009:556, punt 63, en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 55).

46      Het procesbelang van een verzoeker moet een bestaand en daadwerkelijk belang zijn. Het mag geen toekomstige en hypothetische situatie betreffen (arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 56).

47      Ten slotte moet dit belang, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep, en dient het op straffe van afdoening zonder beslissing te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing [arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 57, en beschikking van 23 mei 2019, Fujifilm Recording Media/EUIPO – iTernity (d:ternity), T‑609/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:366, punt 25].

48      In casu moet worden onderzocht of het beroep tegen de brief van 26 april 2018, voor zover het EUIPO daarin kennisgeeft van zijn voornemen om de voorziening van 2016 niet te verlengen, voldoet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid.

49      In dit verband zij opgemerkt dat het CdT en het EUIPO in antwoord op de schriftelijke vragen die het Gerecht op 22 januari 2019 aan partijen heeft gesteld, er met name op hebben gewezen dat na onderhandelingen een akkoord was bereikt voor de jaren 2019 en 2020, te weten de voorziening van 2018.

50      Derhalve dient de vraag te worden gesteld of verzoekers procesbelang ook na de ondertekening van de nieuwe voorziening van 2018 blijft bestaan (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 57), zonder dat hoeft te worden beoordeeld of de brief van 26 april 2018 een definitief besluit bevatte dan wel, zoals het EUIPO stelt, slechts een voorbereidende handeling met onzekere gevolgen was die het CdT niet rechtstreeks raakte.

51      Allereerst dient te worden vastgesteld dat de ondertekening van de overeenkomst van 2018 blijkens de brief ter inleiding van de voorziening van 2018 – die de uitvoerend directeur van het EUIPO op 6 december 2018 heeft gezonden aan de directeur van het CdT – het resultaat is van de door die twee organisaties geleverde inspanningen tot samenwerking.

52      Vervolgens blijkt uit artikel 15 van de voorziening van 2018 dat deze wel degelijk de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 bestrijkt, zoals de partijen hebben beklemtoond in hun antwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting. In hetzelfde artikel is bepaald dat de partijen zes maanden vóór deze laatste datum onderhandelingen moeten aangaan om een nieuwe voorziening te treffen.

53      Ten slotte blijkt uit de voorziening van 2018 eveneens dat tussen het EUIPO en het CdT samenwerking is gepland en geregeld met betrekking tot de door het CdT te verrichten vertaaldiensten. De voorziening van 2018 bevat gedetailleerde gegevens, onder meer wat betreft de procedures die bij het maken van de vertalingen moeten worden gevolgd, alsmede technische bijlagen over de termijnen, de prijzen, de zogenoemde meertalige diensten en andere elementen.

54      Derhalve dient – ongeacht of de brief van 26 april 2018 een voor beroep vatbare handeling was en of hij een definitief besluit tot beëindiging van de voorziening van 2016 bevatte – te worden vastgesteld dat er na de brief van 26 april 2018 geen periode is geweest waarin de verhouding tussen het CdT en het EUIPO niet werd geregeld door een voorziening die door beide agentschappen was ondertekend. De voorziening van 2016 was namelijk van kracht tot en met 31 december 2018 en de nieuwe voorziening van 2018 is op 1 januari 2019 rechtstreeks in werking getreden (zie punt 52 hierboven). Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat zelfs indien het CdT er aanvankelijk belang bij had om op te komen tegen een besluit dat in de brief van 26 april 2018 zou zijn vervat, het dit belang heeft verloren doordat de nieuwe voorziening van 2018 is getroffen. Hoe dan ook valt niet in te zien in welk opzicht de nietigverklaring van het besluit dat zou zijn vervat in de brief van 26 april 2018, de positie van het CdT zou verbeteren. Met name kan het CdT niet aanvoeren dat het er belang bij heeft dat het Gerecht een zuiver declaratoir arrest uitspreekt waarbij de verplichting tot samenwerking tussen het EUIPO en het CdT in herinnering wordt gebracht. Anders dan de – overigens niet onderbouwde – stellingen van het CdT luiden, kan de brief van 26 april 2018 ook niet worden geacht het voortbestaan van het CdT zelf in gevaar te hebben gebracht.

55      Vastgesteld dient dan ook te worden dat het belang van het CdT bij de nietigverklaring van het besluit van het EUIPO tot beëindiging van de voorziening van 2016, dat zou zijn vervat in de brief van 28 april 2018, hoe dan ook niet is blijven bestaan nadat de voorziening van 2018 was getroffen.

 Ontvankelijkheid van het beroep tegen de brief van 26 april 2018, voor zover het CdT daarbij in kennis wordt gesteld van het voornemen van het EUIPO om uit voorzorg de nodige maatregelen te treffen teneinde te zorgen voor de continuïteit van de vertaaldiensten na 31 december 2018

56      Het EUIPO voert in wezen aan dat het in de brief van 26 april 2018 slechts een voorlopig standpunt had ingenomen, zodat deze brief geen bezwarende handeling vormt. Volgens het EUIPO bestonden er alternatieven voor de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht.

57      Het CdT betoogt dat de brief van 26 april 2018 te zijnen aanzien rechtsgevolgen heeft. Het besluit van het EUIPO om zich het recht aan te matigen eenzijdig de nodige maatregelen te nemen, is onrechtmatig omdat het in strijd is met verordening nr. 2965/94, verordening 2017/1001 en artikel 11 van de voorziening van 2016. De alternatieve maatregel waarbij de vertaaldiensten intern worden verricht binnen het EUIPO, zou erop neerkomen dat het creëren van een aanzienlijk aantal posten binnen het EUIPO wordt gerechtvaardigd en dat het geheel van voorschriften waarin is bepaald dat het CdT de rol vervult van één enkel gespecialiseerd bureau dat de behoeften van het EUIPO op vertaalgebied moet dekken, betekenisloos wordt. Volgens het CdT heeft het EUIPO hun betrekking op twee wijzen beëindigd, ten eerste via de brief van 26 april 2018 en ten tweede door de aanbestedingsprocedure te volgen. In strijd met de beginselen van verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001 heeft het EUIPO met zijn brief van 26 april 2018 een proces op gang gebracht dat meerdere latere besluiten omvat en ertoe heeft geleid dat de oproep tot inschrijvingen is uitgeschreven.

58      In dit verband kan het CdT niet met succes aanvoeren dat de brief van 26 april 2018 bindende rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen die zijn belangen konden aantasten doordat zijn rechtspositie aanmerkelijk werd gewijzigd, meer bepaald doordat in die brief stond te lezen dat het EUIPO „zich het recht voorbehield” om uit voorzorg en voor het geval dat de onderhandelingen niet vóór het einde van 2018 zouden zijn afgerond, de nodige maatregelen te treffen teneinde te zorgen voor de continuïteit van de vertaaldiensten na 31 december 2018.

59      Zoals het EUIPO ter terechtzitting heeft erkend, was namelijk ter zake nog geen enkel concreet besluit genomen toen de brief van 26 april 2018 werd verzonden. In deze brief worden onduidelijke bewoordingen gebruikt wat betreft de maatregelen ten aanzien waarvan het EUIPO zich het recht voorbehield deze uit voorzorg te treffen. Bovendien blijkt uit het antwoord van het EUIPO op de vragen van het Gerecht dat het door de vaststelling van de nieuwe voorziening van 2018 niet nodig is gebleken specifieke maatregelen te treffen voor het waarborgen van de vertaaldiensten die het EUIPO nodig heeft wanneer de door het CdT verrichte vertaaldiensten niet worden voortgezet.

60      Ten slotte moet, gesteld dat het CdT de bekendmaking door het EUIPO van de aankondiging van de opdracht – waarvan de oproep tot inschrijvingen deel uitmaakt – opvat als een van de maatregelen voor het waarborgen van de vertaaldiensten die het EUIPO nodig had, worden verwezen naar de onderstaande analyse.

 Ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van het EUIPO om de oproep tot inschrijvingen uit te schrijven

61      Het EUIPO betoogt dat de aankondiging van de opdracht de rechtspositie van het CdT niet aanmerkelijk wijzigt, zodat daartegen geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU. Het EUIPO is van mening dat het belang van het CdT in dit verband niet vaststaand en actueel is.

62      Het CdT voert aan dat zijn beroep niet gericht is tegen de aankondiging van de opdracht, maar tegen het – volgens het CdT in strijd met verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001 vastgestelde – besluit om de oproep tot inschrijvingen uit te schrijven. Zijn procesbelang is rechtstreeks en specifiek, aangezien het CdT in deze verordeningen uitdrukkelijk wordt genoemd als de enige aanbieder van vertaaldiensten ten behoeve van het EUIPO. De relatie tussen beide organisaties is eveneens verduidelijkt in de punten 38, 39 en 50 van de beschikking van 20 juli 2018, CdT/EUIPO (T‑417/18 R, niet gepubliceerd, EU:T:2018:502). Bovendien heeft het besluit om de oproep tot inschrijvingen bekend te maken volgens het CdT ernstige schade toegebracht aan zijn reputatie, met name doordat de andere agentschappen van de Unie, die zijn klanten zijn, kennis hadden van het toepasselijke regelgevende kader.

63      Ten slotte stelt het CdT dat zijn procesbelang vaststaand en actueel is, aangezien er sinds de bekendmaking van de oproep tot inschrijvingen sprake is van een gekwalificeerde schending van verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001 door het EUIPO. Dat het EUIPO te kwader trouw is, blijkt uit zijn bewering dat het slechts „de markttendens” peilde, terwijl het duidelijk de bedoeling had om van leverancier te veranderen. Het rechtstreekse en onmiddellijke belang van het CdT staat vast aangezien deze instantie vanaf 1 januari 2019 niet langer levensvatbaar zou zijn indien de oproep tot inschrijvingen niet werd ingetrokken, en het voortbestaan van het CdT in gevaar zou komen indien het EUIPO de uit de oproep tot inschrijvingen voortvloeiende overeenkomsten ondertekende. Het CdT vordert dat elk van de partijen in dezelfde rechtspositie wordt geplaatst als vóór de bekendmaking van de oproep tot inschrijvingen waarvan het aanvoert dat deze onrechtmatig is.

64      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de bekendmaking van de aankondiging van een opdracht geen besluit kan zijn waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld of geen bezwarende handeling kan zijn in de zin van artikel 263 VWEU, aangezien dergelijke aankondigingen de geïnteresseerden enkel de mogelijkheid bieden om deel te nemen aan de procedure en een inschrijving in te dienen (zie in die zin arresten van 8 oktober 2008, Sogelma/EBW, T‑411/06, EU:T:2008:419, punt 86, en 29 oktober 2015, Direct Way en Direct Way Worldwide/Parlement, T‑126/13, EU:T:2015:819, punt 27).

65      In casu moet meer bepaald worden nagegaan of het CdT kan opkomen tegen het besluit van het EUIPO om de oproep tot inschrijvingen uit te schrijven, waarvan wordt gesteld dat het is vastgesteld in strijd met verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001. In dit verband betoogt het CdT ten eerste dat het in deze verordeningen wordt genoemd als de „enige” aanbieder van vertaaldiensten ten behoeve van het EUIPO en ten tweede dat het als gespecialiseerd agentschap van de Unie en niet als inschrijver verzoekt om nietigverklaring van de aankondiging van de opdracht.

66      In zoverre moet worden vastgesteld dat, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het gestelde exclusieve karakter van de relatie tussen het CdT en het EUIPO wat betreft de voor de werking van het EUIPO vereiste vertalingen, uit de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht – waaronder de oproep tot inschrijvingen – niet volgde dat het onmogelijk was om de in de brief van 26 april 2018 bedoelde onderhandelingen tussen het EUIPO en het CdT tegelijk met de aanbestedingsprocedure te beginnen. Zoals het EUIPO heeft bevestigd in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting, was de aanbestedingsprocedure overigens nog niet afgerond toen de voorziening van 2018 werd getroffen.

67      Zonder dat het Gerecht zich dient uit te spreken over de verklaring van het EUIPO dat de aankondiging van de opdracht ertoe strekte nauwkeurigere informatie te verkrijgen over de marktprijzen van de betreffende diensten teneinde met volledige kennis van zaken te onderhandelen met het CdT, dient dan ook te worden opgemerkt dat het procesbelang van een verzoeker geen betrekking mag hebben op een toekomstige en hypothetische situatie (arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 56), in casu de situatie die voortvloeit uit de eventuele gunning van de opdracht in kwestie aan een specifieke inschrijver. In het onderhavige geval wordt aan deze analyse geenszins afgedaan door de enkele omstandigheid dat het CdT om nietigverklaring van de oproep tot inschrijvingen verzoekt als gespecialiseerd agentschap van de Unie en niet als inschrijver, aangezien het CdT nog steeds moet aantonen dat het voldoet aan de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

68      Bovendien voert het EUIPO terecht aan dat de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht – waarvan de oproep tot inschrijvingen deel uitmaakte – voor het EUIPO geen verplichting inhield om de opdracht in kwestie te gunnen.

69      Vastgesteld moet namelijk worden dat uit de oproep tot inschrijvingen blijkt dat deze op de datum van zijn bekendmaking niet verbindend was voor het EUIPO. Er was uitdrukkelijk vermeld dat de contractuele verplichtingen van het EUIPO pas van toepassing zouden zijn zodra een overeenkomst met de geselecteerde inschrijver zou zijn ondertekend. Tevens was bepaald dat het EUIPO tot die ondertekening kon afzien van de bekendgemaakte opdracht of de aanbestedingsprocedure kon beëindigen. Bovendien heeft het EUIPO ter terechtzitting bevestigd dat het niet zeker was dat na de oproep tot inschrijvingen een overeenkomst zou worden ondertekend. Volgens het EUIPO hing dit immers af van de gevolgen die de tenuitvoerlegging van de nieuwe voorziening van 2018 zou hebben en van de daaruit voortvloeiende veranderingen.

70      Dat het EUIPO en het CdT een nieuwe voorziening voor 2019 en 2020 hebben ondertekend terwijl het CdT op de hoogte was van het bestaan van de aanbestedingsprocedure, bevestigt dan ook enkel dat de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht, waaronder de oproep tot inschrijvingen – bij gebreke van enig bewijs of van een cijfermatige raming die het mogelijk maakt de impact van deze bekendmaking op de reputatie van het CdT concreet te beoordelen –, geen negatieve gevolgen had voor het CdT. Het CdT kan evenmin voordeel trekken van zijn bewering dat het EUIPO „de aanbestedingsprocedure die het had opgestart, niet [heeft] willen intrekken”. Het argument dat het CdT na 1 januari 2019 niet langer levensvatbaar zou zijn, moet bijgevolg worden afgewezen.

71      Het door het CdT in zijn antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht aangevoerde argument waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen enerzijds het geringe aantal dossiers inzake Uniemerken dat het EUIPO in het tijdvak van oktober 2018 tot en met januari 2019 aan het CdT heeft toegezonden voor vertaling, en anderzijds de door het EUIPO gepubliceerde statistieken, waaruit blijkt dat het aantal ingediende Uniemerkaanvragen in diezelfde periode is toegenomen, heeft hoe dan ook geen invloed heeft op de kwestie van de ontvankelijkheid. Bovendien gaat dat argument niet vergezeld van cijfers en ziet het niet op het tijdvak waarop de sinds 1 januari 2019 van toepassing zijnde nieuwe voorziening betrekking heeft.

72      Ten slotte kan de oproep tot inschrijvingen, anders dan het CdT stelt, niet aldus worden opgevat dat het CdT vanaf 1 januari 2019 niet langer levensvatbaar zou zijn en dat „elke voorziening die geheel tegen de verwachtingen in zou worden gesloten, dan van zijn wezenlijke inhoud zou worden ontdaan, aangezien het vertaalwerk dan zou worden uitgevoerd door de inschrijvers die het EUIPO heeft geselecteerd”. Dienaangaande zij opgemerkt dat het CdT ter terechtzitting heeft bevestigd dat zijn situatie dankzij de ondertekening van de voorziening van 2018 „niet meer zo rampzalig was”. Door het treffen van de voorziening van 2018 en door de inhoud daarvan worden de stellingen van het CdT dan ook ontkracht.

73      Derhalve heeft het CdT niet aangetoond dat het wordt getroffen door een besluit dat het EUIPO zou hebben genomen om de relatie tussen de partijen eenzijdig te beëindigen en de oproep tot inschrijvingen bekend te maken.

 Ontvankelijkheid van het verzoek van het CdT om het EUIPO te verbieden overeenkomsten te sluiten naar aanleiding van de oproep tot inschrijvingen

74      Het EUIPO betoogt dat het CdT geen enkel middel aanvoert ter ondersteuning van zijn verzoek om het EUIPO te verbieden overeenkomsten te ondertekenen die zouden kunnen worden gesloten na een besluit om de opdracht te gunnen aan de mogelijk geselecteerde inschrijver, dat zou worden vastgesteld na de procedure die volgt op de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht, waarvan de oproep tot inschrijvingen deel uitmaakte.

75      Het CdT voert aan dat het de middelen ter ondersteuning van het verzoekschrift wel degelijk heeft uiteengezet. Het heeft namelijk verklaard dat de besluiten om de relatie tussen de partijen eenzijdig te beëindigen en de oproep tot inschrijvingen bekend te maken zijn vastgesteld in strijd met verordening nr. 2965/94 en verordening 2017/1001. Bijgevolg zouden ook alle latere besluiten, waaronder het besluit om de opdracht te gunnen en de sluiting van overeenkomsten op basis daarvan, onrechtmatig zijn geweest en rechtsgrondslag hebben gemist. Het argument dat het Gerecht een verplichting om „niet te handelen” zou opleggen door het EUIPO te verbieden om de uit de oproep tot inschrijvingen voortvloeiende toekomstige overeenkomsten te ondertekenen, is niet ter zake dienend. Een dergelijk verbod zou immers slechts het logische gevolg zijn van de nietigverklaring van de oproep tot inschrijvingen.

76      In dit verband zij eraan herinnerd dat de Unierechter bij een op artikel 263 VWEU gebaseerd beroep tot nietigverklaring enkel bevoegd is om de rechtmatigheid van de bestreden handeling te toetsen, en dat het Gerecht volgens vaste rechtspraak bij de uitoefening van zijn bevoegdheden geen bevelen tot de instellingen van de Unie kan richten (arresten van 8 juli 1999, DSM/Commissie, C‑5/93 P, EU:C:1999:364, punt 36, en 24 februari 2000, ADT Projekt/Commissie, T‑145/98, EU:T:2000:54, punt 83). Wanneer de bestreden handeling nietig wordt verklaard, is de betreffende instelling gehouden om overeenkomstig artikel 266 VWEU de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring (arresten van 27 januari 1998, Ladbroke Racing/Commissie, T‑67/94, EU:T:1998:7, punt 200, en 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑465/04, niet gepubliceerd, EU:T:2008:324, punt 35). Dezelfde rechtspraak is naar analogie van toepassing op de organisaties van de Unie.

77      In casu merkt het Gerecht op dat het CdT, zoals in punt 73 hierboven is vastgesteld, niet heeft aangetoond dat het een bestaand en daadwerkelijk belang heeft bij de bestrijding van het besluit van het EUIPO om de aankondiging van de opdracht – waarvan de oproep tot inschrijvingen deel uitmaakte – bekend te maken. Daarnaast is reeds opgemerkt dat het EUIPO niet verplicht was om de opdracht in kwestie te gunnen, zodat niet bij voorbaat vaststond dat het EUIPO een overeenkomst zou sluiten met een inschrijver of dat de mogelijke omvang van de gegunde vertalingen bekend zou zijn.

78      Ten slotte heeft de onderhavige exceptie van niet-ontvankelijkheid hoe dan ook geen betrekking op de hypothetische overlappingen met de voorziening van 2018 die zouden kunnen bestaan ten gevolge van de eventuele toekomstige gunning van een opdracht aan een inschrijver na afloop van de aanbestedingsprocedure.

79      Bijgevolg is het verzoek van het CdT om het EUIPO te verbieden overeenkomsten te sluiten naar aanleiding van de oproep tot inschrijvingen, niet-ontvankelijk.

 Ontvankelijkheid van het verzoek van het CdT om te verklaren dat het onrechtmatig is dat een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten wordt bekendgemaakt door een agentschap, een ander orgaan of een andere organisatie van de Unie ten aanzien waarvan in de oprichtingsverordening is bepaald dat de vertaaldiensten door het CdT worden verricht

80      Het EUIPO voert aan dat uit vaste rechtspraak blijkt dat het Gerecht niet bevoegd is om declaratoire arresten te wijzen in het kader van de wettigheidstoetsing op basis van artikel 263 VWEU. Bovendien bestaat er volgens het EUIPO geen rechtsmiddel dat de Unierechter in staat stelt om een beslissing te wijzen waarmee wordt beoogd te „verklaren” dat de bekendmaking van een aankondiging van een opdracht onrechtmatig is.

81      Het CdT wijst erop dat het niet van het Gerecht verlangt dat het alle bekendmakingen van aankondigingen van opdrachten onrechtmatig verklaart, maar enkel de bekendmaking van een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten in het geval van agentschappen en organisaties van de Unie ten aanzien waarvan in een oprichtingsverordening is bepaald dat de vertaaldiensten worden verricht door het CdT.

82      Vastgesteld moet worden dat het onderhavige verzoek van het CdT aldus moet worden uitgelegd dat het ertoe strekt om ofwel een declaratoir arrest te verkrijgen ofwel te verkrijgen dat het Gerecht een bevel richt tot het EUIPO of andere organisaties van de Unie, hetgeen in strijd is met de in punt 76 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

83      Bijgevolg moet het onderhavige verzoek van het CdT niet-ontvankelijk worden verklaard.

84      Gelet op een en ander hoeft geen uitspraak meer te worden gedaan over het beroep voor zover het strekt tot nietigverklaring van het besluit tot beëindiging van de voorziening van 2016. Het beroep is voor het overige niet-ontvankelijk.

 Kosten

85      Ingevolge artikel 135, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten verwijzen indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep, met name indien door haar toedoen voor de andere partij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt.

86      In casu heeft de houding van het EUIPO tijdens de onderhandelingen met het CdT over hun wederzijdse samenwerking op het gebied van vertaaldiensten het CdT in een onzekere positie geplaatst die het CdT ertoe heeft gebracht het onderhavige beroep in te stellen, aangezien het niet zeker was dat de samenwerking met het EUIPO na 1 januari 2019 zou worden voortgezet. Derhalve verwijst het Gerecht het EUIPO in zijn eigen kosten en in de helft van de kosten van het CdT, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding in zaak T‑417/18 R.

HET GERECHT (Vierde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Over het beroep hoeft geen uitspraak meer te worden gedaan voor zover het strekt tot nietigverklaring van het besluit tot beëindiging van de voorziening die op 13 december 2016 is getroffen tussen het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT) en het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten en in de helft van de kosten van het CdT, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding in zaak T417/18 R.

Kanninen

Schwarcz

Iliopoulos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 oktober 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.